Wat houden etnografie en participerende observatie in? - Chapter 18
Vóór de jaren ’70 werd etnografie primair geassocieerd met antropologisch onderzoek: de onderzoeker ging voor een lange periode naar het buitenland, mengde zich daar in een sociale groep (zoals een stam) om hun cultuur te ontdekken en daarover te schrijven. Sinds de jaren '70 werd de term 'etnografie' steeds vaker gebruikt voor het observeren van participanten. Tegenwoordig heeft het een bredere betekenis en wordt het binnen de sociale wetenschappen veel gebruikt voor het verzamelen van data.
Wat zijn etnografie en participerende tobservatie?
Grof samengevat betreft etnografie het toetreden tot een groep in hun natuurlijke, sociale setting, bekijken wat zich afspeelt, uitgebreide notities maken en vervolgens rapport uitbrengen. Dit betekent ook dat geluisterd moet worden naar de gesprekken tussen groepsleden en vragen aan hen gesteld moeten worden. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet in de praktijk. Er is een flinke dosis geluk nodig voor het treffen van goede informanten, het betreden van de juiste locatie op het juiste moment en het opbouwen van relaties. Het vereist echter ook vooruitziendheid, bewustzijn en reflectie.
Er bestaat ook zoiets als 'micro-etnografie', dit betreft een onderzoek op kleine schaal, dat kan plaatsvinden in een kortere periode (aantal weken of maanden) zodat het geschikt is voor een studentproject. De focus ligt hierbij op een bepaald aspect van het alledaagse of professionele leven.
Hoe voer je een etnografisch onderzoek uit?
In een etnografisch onderzoeksproces zijn een aantal zaken van belang: het verkrijgen van toegang tot de onderzoekssetting, de rol van de etnograaf, het maken van veldnotities en het afronden van het onderzoek.
Hoe krijg je toegang tot de onderzoekssetting?
Eén van de moeilijkste stappen binnen de etnografie is om toegang te krijgen tot de sociale groep waarin jij als onderzoeker geïnteresseerd in bent. Hier wordt onderscheid gemaakt tussen relatief open en gesloten settings (Bell, 1969). Hammersley en Atkinson (2019) noemen dit publiekelijke en niet-publiekelijke settings. Gesloten, niet-publieke settings vereisen doorgaans toestemming voor toegang en betreffen meestal organisaties, scholen en religieuze bewegingen. Open, toegankelijke settings zijn vrij toegankelijk, denk aan parken, sportwedstrijden en gemeenschapsevenementen.
Naast het soort setting, moet je ook overwegen of je al dan niet openlijk wilt observeren. Één manier om zich te kunnen mengen in een bepaalde sociale groep is door de rol van onderzoeker geheim te houden: de onderzoeker neemt een ‘covert’ rol aan. Dit voorkomt problemen aangezien de onderzoeker nu niet hoeft te onderhandelen of uit te leggen waarom hij/zij de levens van anderen wilt ‘binnendringen’ en hen onderwerp wilt maken van een studie. Dit is wel van toepassing als de onderzoeker een ‘overt’ rol aanneemt en dus open en eerlijk is over zijn of haar onderzoekers identiteit. Deze twee dimensies (open versus gesloten settings en de ‘covert’ versus de ‘overt’ rol van de onderzoeker) creëren vier typen etnografisch onderzoek:
Open/publieke setting | Gesloten setting | |
'Overt' rol | Type 1 | Type 2 |
'Covert' rol | Type 3 | Type 4 |
Deze typen onderzoek kennen drie kanttekeningen. Allereerst is het onderscheid tussen een open en een gesloten setting niet altijd duidelijk. Daarnaast is ook het onderscheid tussen de open en verborgen rol niet zo duidelijk (bijvoorbeeld, wanneer de onderzoeker toegang krijgt via de ‘overt’ route, maar binnen de sociale setting alsnog zijn of haar rol zoveel mogelijk probeert te verbergen). Ten slotte wordt een onderzoeker eerder toegelaten bij Type 1 en Type 2 onderzoek: de meeste etnografische onderzoekers nemen dan ook een open rol aan. De voornaamste drijfveren hiervoor zijn praktische en ethische overwegingen (vooral de ethische overwegingen zorgen voor de keuze om een open rol aan te nemen, denk aan het ontbreken van geïnformeerde toestemming en privacyschending). Zo is het lastiger om notities te maken (het is risicovol om op je geheugen te moeten vertrouwen), kan er angst of stress bestaan bij de onderzoeker door de constante dreiging om ontdekt te worden en is het niet mogelijk om andere methodes te gebruiken (uit angst om ontmaskerd te worden vermijd men sturende gesprekken, dus een diepte-interview is nagenoeg onmogelijk). Alhoewel onderzoekers vaker een 'overt' rol kiezen, heeft de 'covert' waardevolle voordelen: er zijn minder problemen met het verkrijgen van toegang en reactiviteit is geen probleem (het is veel minder waarschijnlijk dat deelnemers hun gedrag aanpassen door de aanwezigheid van de onderzoeker). Soms is een 'overt' benadering niet praktisch, bijvoorbeeld als er sprake is van grote groepen mensen. De mate van openheid kan ook verschillen, afhankelijk van de omstandigheden. Je kunt bijvoorbeeld open zijn over wie je bent, maar niet over wat je van plan bent.
Hoe kun je toegang verkrijgen tot een gesloten setting?
Volgens Van Maanen en Kolb (1985) is het toegelaten worden tot een gesloten setting een moeilijke taak waarbij succes afhankelijk is van strategisch plannen, hard werken en geluk. Doorzettingsvermogen werpt vaak haar vruchten af. Enkele nuttige tips van onderzoekers die dit wel gelukt is:
Gebruik contacten zoals collega’s, academici of vrienden.
Probeer steun te krijgen van iemand binnenin de organisatie (een zogenoemde ‘sponsor’) die pleit voor jou en jouw onderzoek.
Richt je op de ‘gatekeepers’: de hoogste baas zal uiteindelijk beslissen over jouw lot, ook wanneer je steun van een treetje lager in de hiërarchie hebt gewonnen.
Biedt hen iets aan als ruil voor jouw toegang, zoals een rapport. Hiermee win je vertrouwen, maar het neemt ook risico’s met zich mee: jij kan gezien worden als een goedkope consultant aan bij wie beperkingen worden opgelegd als het gaat om bepaalde activiteiten.
Leg duidelijk je doelen en methoden uit en wees voorbereid op bedenkingen. Stel bijvoorbeeld een bespreking voor waarin je de geuite zorgen probeert weg te nemen.
Wees bereid om te onderhandelen: je wilt natuurlijk volledige toegang, maar verwacht geen ‘carte blanche’.
Wees eerlijk over de hoeveelheid tijd die je gaat innemen van de participanten. Dit wordt ongetwijfeld gevraagd indien de onderzoeker toegang probeert te krijgen tot commerciële organisaties.
Hoe kun je toegang verkrijgen tot een open setting?
Ook toegang verkrijgen tot publieke settings kan problematisch zijn. Je moet bewust zijn van het onderscheid tussen fysieke en sociale toegang. Ergens naar binnenlopen is vaak makkelijker dan in gesprek komen met mensen. Soms wordt de toegang tot open settings vergemakkelijkt door mensen die zowel ‘sponsor’ zijn als ‘gatekeeper’. Sommige onderzoekers hebben belangrijke informanten. Andere personen kunnen je introduceren en zelfs helpen met de dataverzameling. Ook kun je iets aanbieden in ruil voor hulp. Een andere veelgebruikte strategie is simpelweg rondhangen totdat je opgemerkt wordt of geleidelijk wordt opgenomen in een groep.
Hoe kun je toegang verkrijgen tot personen?
Toegang tot de groep verkrijgen (fysieke toegang) is niet hetzelfde als sociale toegang en daarbij is er een verschil tussen aanwezig zijn en geaccepteerd worden. Als de onderzoeker toegang heeft tot de sociale setting loopt hij tegen verschillende potentiële problemen aan. Mensen zullen wantrouwend zijn en de kans bestaat dat de onderzoeker gezien wordt als instrument van het management. Hierdoor letten mensen bewust op wat zij zeggen of doen waardoor het hele onderzoek gesaboteerd wordt. In zulke gevallen komt onderzoekservaring van pas: gebruik opgedane ervaring van voorgaand onderzoek en je kennis van de groep. Wees discreet en open-minded: hou informatie voor jezelf en vel geen oordelen. Wees erop bereid dat je geloofwaardigheid of competentie getest kan worden. Wees voorbereid op veranderde omstandigheden. Tot slot is het aan te raden om een bepaalde, consistente rol aan te nemen als onderzoeker.
Een voordeel van het hebben van ‘sponsors’ of ‘gatekeepers’ is dat zij kunnen dienen als sleutelinformanten. Zij kunnen de onderzoeker wijzen op situaties, gebeurtenissen of mensen die kunnen bijdragen aan het onderzoek. Ook kunnen zij steun bieden. Echter, de onderzoeker moet oppassen dat hij/zij niet afhankelijk wordt van deze sleutelinformaten. Ook bestaat het risico dat de onderzoeker de sociale realiteit door de ogen van de informant gaat bekijken in plaats van door de ogen van de leden van de sociale setting. Gedurende het onderzoek kunnen mensen zich vrijwillig presenteren als informanten. Deze informanten worden vanwege hun spontaniteit vaak als waardevoller gezien. Informanten verschaffen informatie gevraagd of ongevraagd. In het eerste geval kan dit plaatsvinden door middel van een gesprek waarin terloops vragen worden gesteld of door middel van een interview. De scheidslijn hiertussen is niet altijd even duidelijk. Een interview is soms nodig wanneer specifieke informatie niet wordt verkregen door directe observatie of een 'natuurlijk' gesprek. Sommige onderzoekers geven de voorkeur aan ongevraagde informatie, vanwege de mate van spontaniteit en naturalisme.
Welke rollen kan een etnograaf aannemen?
Een etnograaf kan verschillende rollen aannemen in het 'veld', afhankelijk van de gekozen strategie ('covert' of 'overt' en als passieve of actieve deelnemer).
Van hoge participatie en betrokkenheid tot lage participatie en betrokkenheid zijn dit de mogelijke rollen:
‘Covert’ volwaardig lid: volwaardig lid van de groep, maar de status als onderzoeker is onbekend. In gesloten settings (zoals organisaties) werkt de onderzoeker als betaalde werknemer. In open settings (zoals gemeenschappen) verhuist de onderzoeker naar een gebied voor een aanzienlijke periode en wordt volledig lid van de gemeenschap, vaak onder een valse identiteit.
‘Overt’ volwaardig lid: volwaardig lid van de groep, maar de status als onderzoeker is bekend. Verder is dit gelijk aan een volwaardig ‘covert’ lid.
Participerende observant: participeert in groepsactiviteiten, maar is geen volwaardig lid van de groep. In een gesloten setting werkt de onderzoeker voor een bedrijf of organisatie, in een open setting is de onderzoeker regelmatig in de nabijheid en algemeen betrokken bij de belangrijkste activiteiten.
Gedeeltelijke participerende observant: hetzelfde als een participerende observant, maar het observeren is niet per se de voornaamste bron van data. Interviews en documenten kunnen net zo belangrijk als de observatie zijn en soms zelfs belangrijker.
Minimaal participerende observant: hetzelfde als een gedeeltelijke participerende observant, behalve dat de onderzoeker aan nog minder groepsactiviteiten meedoet. Er vindt interactie met groepsleden plaats, maar observatie hoeft niet de belangrijkste databron te zijn. In dat geval spelen interviews en documenten een belangrijke rol.
Niet participerende observant met interactie: observeert (soms minimaal) en doet niet mee aan de groepsactiviteiten. Er vindt wel interactie plaats met de groepsleden, vaak in de vorm van interviews. Interviews zijn dan ook, samen met documenten, de voornaamste databron.
De uitdrukking ‘going native’ houdt in dat de onderzoeker zijn of haar identiteit als onderzoeker vergeet en zichzelf verliest in de wereldvisie van de mensen die ze bestuderen: de onderzoeker wordt één van hen. Dit probleem dit zich vooral voor in geval van een langdurige inmenging in de levens van de bestudeerden en de inzet om de sociale wereld door hun ogen te zien. Het nadeel hiervan is dat het de etnograaf niet meer lukt om de verzamelde data kritisch te bekijken en analyseren. Sommige onderzoekers zien 'going native' niet als een probleem, zolang men terugkeert als een socioloog.
De onderzoeker moet altijd een afweging maken of hij/zij actief of passief te werk gaat. In veel gevallen heeft men geen andere keuze dan actiever mee te doen dan vooraf gedacht. De etnograaf kan zich verplicht voelen om actief betrokken te raken (bijvoorbeeld wanneer hij/zij undercover is, ofwel ‘covert’, in een drugsbende), omdat hij/zij weet dat een weigering aan een bepaalde activiteit een directe, negatieve invloed heeft op de relatie met de rest van de groep. Deelname aan groepsactiviteiten kan dilemma's opleveren, zeker als deze gevaarlijk of illegaal zijn. Sommige auteurs zijn tegen actieve deelname, anderen geven toe misdrijven te hebben gepleegd omdat het lastig was niet deel te nemen. Bepaalde situaties, zoals onderzoek naar de politie, vragen juist om een minimale deelname.
Hoe maak je goede veldnotities?
Vanwege het imperfecte menselijke geheugen moeten veldnotities gemaakt worden van de observaties. Het moet gaan om korte maar gedetailleerde samenvattingen van gebeurtenissen en gedrag en de aanvankelijke reflecties van de onderzoeker beschrijven. De algemene principes die hier van toepassing zijn: maak zo snel mogelijk na het geobserveerde gedrag een heldere, levendige en specifieke notitie inclusief locatie, datum en andere specificerende gegevens. Daarnaast moeten ook de gevoelens over mensen en gebeurtenissen worden vastgelegd en is een voorlopige analyse over hetgeen je heb waargenomen wenselijk. Tegenwoordig gaat de voorkeur uit naar het gebruik van een ‘voice-recorder’ in plaats van het nemen van aantekeningen, maar het nadeel is dat er daarna veel werk zit in de transcriptie. Dit probleem kan opgelost worden door goede stemherkenningsoftware (de onderzoeker laat het bandje afspelen en de computer ‘typt’ de woorden die het hoort). Tegenwoordig kan ook de mobiele telefoon als opnamemiddel worden gebruikt. Het kan heel handig zijn om ook de eigen inzichten, suggesties of gevoelens op te schrijven bij de notities, zodat de interpretatie van data later makkelijker is en de onderzoeker enkele theoretische handvatten heeft.
De strategie voor het maken van veldnotities wordt beïnvloed door de mate waarin de onderzoeker heldere onderzoeksvragen heeft. Het meeste kwalitatieve onderzoek begint met algemene onderzoeksvragen. In geval van etnografisch onderzoek gaat het meestal om open vragen. Dit betekent dat de veldnotities ook erg ruim neigen te worden. Het opschrijfwerk moet wel beheersbaar blijven, zeer lange notities zijn op termijn niet vol te houden. Specifiekere vragen leiden tot een gefocuste observatie, maar onderzoekers moeten een open blik houden.
Sanjek (1990), Adler en Adler (2009) en Lofland en Lofland (1995) maken onderscheid tussen vier soorten veldnotities, namelijk:
Mentale notities: deze notities zijn vooral nuttig wanneer het ongepast is om op dat moment werkelijk notities te maken.
Krabbels: erg korte, snelle notities (zoals sleutelwoorden) zodat de onderzoeker later nog weet waarover hij nog extra notities moet maken.
Volledige veldnotities: gedetailleerde notities die zo snel als mogelijk gemaakt worden. Dit is de voornaamste databron. Deze notities moeten uiterlijk aan het einde van de dag gemaakt worden, maar liever eerder. Deze notities moeten zo accuraat en volledig mogelijk zijn.
Methodologische notities. Een aparte map met notities waarin observaties over methodologische beslissingen, veldervaringen, doorbraken en drempels worden vastgelegd. Deze notities zijn verklarend voor het doorlopen onderzoeksproces en bepaalde beslissingen die de onderzoeker heeft genomen.
Hoe breng je een etnografisch onderzoek tot een goed einde?
Er is niet een (vooraf) gespecificeerd eindpunt van het onderzoek vanwege de ongestructureerde opzet en het gebrek aan concrete onderzoekshypotheses. Het is dus vaak lastig voor een etnograaf om te bepalen wanneer het onderzoek afgelopen is. Heel soms is er een natuurlijk eind van het onderzoek. Andere keren wordt de onderzoeker gedwongen om zich vanwege privéredenen of werkgerelateerde redenen terug te trekken. De stress die een grote rol speelt in etnografisch onderzoek kan ook een reden zijn om te stoppen. De stress kan worden veroorzaakt door het onderwerp van het onderzoek (onderzoek naar misdaden) of omdat de onderzoeker continu aan het werk is en nauwelijks tijd heeft voor een privéleven. Een positieve reden voor het beëindigen van het onderzoek is het gevoel dat voldoende data is gegenereerd voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Ongeacht de reden moet het beëindigen van een etnografisch onderzoek goed gemanaged zijn. Beloftes moeten worden nagekomen (rapport uitbrengen aan de organisatie bijvoorbeeld), er moet een goede reden voor vertrek worden gegeven en het afscheid moet ethisch gepast zijn. Daarnaast moeten ook ethische verplichtingen worden nagekomen: anonimiseren van data of het weglaten van bepaalde informatie.
Hoe breng je een etnografisch rapport uit?
De term ‘etnografie’ verwijst zowel naar een sociale onderzoeksmethode als naar het eindproduct van dit onderzoek. Etnografische teksten worden zo geschreven dat de lezers overtuigd raken van de realiteit van de gebeurtenissen en van de plausibiliteit van de door de onderzoeker gesuggereerde verklaringen voor die gebeurtenissen. De onderzoeker schrijft vanuit een realistische benadering: hij/zij tracht een externe, objectieve realiteit te beschrijven. Niet alle etnografische teksten volgen deze strategie, volgens Van Maanen (1988) zijn er drie manieren om de etnografische bevindingen op te schrijven, namelijk als:
Realistisch verhaal: overtuigende, emotieloze en vaststaande beschrijvingen van een cultuur en het gedrag van de leden van die cultuur door de ogen van een derde persoon. Dit is de meest gebruikte vorm van een etnografie.
Bekentenis: een gepersonaliseerde beschrijving waaruit blijkt dat de etnograaf volledig betrokken is geweest bij de dataverzameling en het schrijfproces. Dit type is populairder geworden na de jaren ’70 en reflecteert de groeiende interesse voor reflexiviteit in kwalitatief onderzoek. Deze manier van rapporteren legt echter meer nadruk op de manier van onderzoekvoeren (op welke problemen de onderzoeker bijvoorbeeld stuitte) en niet op het presenteren van bevindingen. Om deze reden worden de onderzoeksbevindingen alsnog beschreven in de vorm van een ‘realistisch verhaal’ en krijgt de ‘bekentenis’ een apart hoofdstuk of wordt deze toegevoegd als bijlage.
Impressionistisch verhaal: een etnografie waar een grote nadruk ligt op woorden, metaforen, uitdrukkingen en verhalen van dramatische gebeurtenissen die de cultuur als het ware openbreken en toegankelijk maakt voor analyse.
Van Maanen (2011) stelde later dat de bekentenissen meer en meer verwerkt worden in het realistische verhaal en niet langer een bijlage of apart hoofdstuk zijn van de objectieve beschrijving. Aanvullend maakte hij ook onderscheid tussen:
Structurele verhalen: beschrijvingen waarbij de observatie van kleine, alledaagse gebeurtenissen gerelateerd wordt aan de ‘macro’ samenleving.
Poststructurele verhalen: beschrijvingen die suggereren dat de realiteit een fragiele sociale constructie is die door iedereen anders geïnterpreteerd kan worden. Er wordt een kijkje genomen ‘achter de schermen’: de dingen zijn niet wat ze lijken.
‘Advocacy’ verhalen: beschrijvingen die gemotiveerd worden door het gevoel dat er iets niet klopt en de etnograaf wil dit door zijn/haar beschrijving aan iedereen duidelijk maken.
Adler en Adler (2008) komen met een vierdelige classificatie die gedeeltelijk voortborduurt op Van Maanen’s aanvankelijke indeling. De vier genres die zij onderscheiden zijn:
Klassieke etnografie: een toegankelijk, realistisch verhaal met als doel het verschaffen van een overtuigende beschrijving van de setting. De discussie van de onderzoeksmethoden neemt vaak de vorm aan van een bekentenis. Vaak wordt de literatuurreview gebruikt om een hiaat in voorgaande onderzoeken te laten zien.
‘Mainstream’ etnografie: ook een realistisch verhaal, maar gericht op een breder publiek van sociale wetenschappers dan alleen op andere kwalitatieve onderzoekers. Het is vaak deductief van aard en de onderzoekers zijn geneigd om expliciet te zijn over de onderzoeksvraag die de drijfveer was voor het onderzoek. De onderzoeksmethoden worden op formele en structurele wijze besproken.
Postmoderne etnografie: de etnograaf en auteur is openlijk onderdeel van de tekst en komt zelf terug in de data en bevindingen. Dit heeft vaak de vorm van auto-etnografie. De tekst is sterk gepersonaliseerd en erg reflexief.
Publiekelijke etnografie: deze etnografie wordt geschreven voor een heel breed publiek: het is sterk toegankelijk en redelijk ‘licht’ in de bespreking van eerder onderzoek. Daarnaast is de beschrijving van gebruikte onderzoeksmethoden kort.
Etnografie kan meerdere elementen uit deze categorieën bevatten. Zo kan een onderzoek classificeren als klassieke etnografie en tegelijkertijd elementen van postmoderne etnografie in zich hebben. De soorten etnografie hebben echter sterk verschillende stijlen, hier moet bij het plannen en opschrijven rekening mee worden gehouden.
Welke nieuwe vormen van etnografie zijn ontstaan?
Etnografie is een breed begrip dat continu in ontwikkeling is. Zoals de sociale wereld verandert, moeten ook onderzoeksmethoden worden aangepast. In de afgelopen jaren zijn twee nieuwe vormen van etnografie steeds gebruikelijker geworden: online en visuele etnografie.
Wat is online etnografie?
Etnografie lijkt geen voor de hand liggende methode voor het verzamelen van data over internetgebruik. Het internet lijkt geen locatie die bezocht kan worden. Volgens Hine (2000) is het internet juist een plaats waar etnografisch onderzoek naar online en virtuele gemeenschappen kan worden uitgevoerd. Conventionele etnografische onderzoekers moeten ook steeds meer rekening houden met de online interacties van deelnemers. Zo zijn er veel voetbalforums voor supporters. In een studie naar kapsalons waren de auteurs aanvankelijk van plan onderzoek te baseren op observaties en interviews, maar de kapsalons weigerden hun klanten hieraan mee te laten werken. Toen is besloten zich te richten op online reviews.
Een van de aspecten van online etnografie die geregeld onderwerp van debat is betreft 'lurking': het meekijken- of lezen in een online gemeenschap zonder zelf deel te nemen. Leden vinden dit vaak vervelend en blokkeren soms de toegang voor de onderzoeker. Daarnaast is het hoofdzakelijk vertrouwen op lurking zonder deelname risicovol, omdat het daardoor lastig kan zijn de cruciale aspecten van de gemeenschap te begrijpen. Een online etnograaf kiest soms voor lurking voorafgaand aan veldwerk zodat hij of zij een beter begrip van de setting krijgt.
De kwestie van wel of niet actief deelnemen suggereert een onderscheid tussen documentanalyse en etnografisch onderzoek. De thematische analyse van online berichten zonder deelname lijkt een vorm van kwalitatieve documentanalyse te zijn. Is er wel sprake van deelname, dan wijst dit op een virtueel of online etnografisch onderzoek.
Er zijn vier vormen van etnografisch onderzoek naar gemeenschappen:
Bestuderen van enkel online gemeenschappen, zonder deelname. Het betreft meestal blogs, discussiegroepen, social media etc.
Bestuderen van enkel online gemeenschappen, met enige deelname. De onderzoeker is niet passief en mengt zich in de discussie.
Bestuderen van online gemeenschappen en online of offline interviews. Dit is hetzelfde als type 2, maar aanvullend interviewt de onderzoeker sommige mensen die betrokken waren bij de online interactie.
Bestuderen van online gemeenschappen en offline onderzoeksmethoden (aanvullend op online of offline interviews). Dit is hetzelfde als type 3, maar de onderzoeker neemt ook deel aan het offline wereld van de bestudeerden. Dit is alleen mogelijk als de gemeenschap een duidelijke offline aanwezigheid heeft (bijeenkomsten houdt bijvoorbeeld).
Wat is visuele etnografie?
Het gebruik van visuele materialen in sociaal onderzoek is niet nieuw: antropologen maken al decennia lang foto’s van de stam en omgeving waarnaar ze onderzoek doen. Wat wel nieuw is, is de groeiende interesse voor het gebruik van visuele hulpmiddelen in kwalitatief onderzoek, zoals het geval is bij visuele etnografie.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen al bestaande visuele materialen en visuele materialen die min of meer exclusief dienen voor onderzoeksdoeleinden, ook wel onderzoeksgedreven materiaal genoemd. Deze paragraaf focust zich op deze laatste groep en specifieker op fotografisch materiaal. De foto’s kunnen gemaakt zijn door de onderzoeker zelf of door de onderzoeksdeelnemers. In beide gevallen kunnen de foto’s dienen als basis van zogenoemde foto-verdieping (‘photo-elicitation’): een onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker één of meer foto’s gebruikt om een discussie op gang te brengen met de respondenten over de betekenis en het belang van dat beeld. Naast het uitlokken van een discussie kunnen kwalitatieve onderzoekers de foto’s ook voor andere doeleinden gebruiken, bijvoorbeeld:
Als een geheugenhulpmiddel tijdens het veldwerk, waarbij de veldnotities dus aangevuld worden met foto’s van de setting.
Als een databron op zichzelf.
Pink (2013) suggereert dat er twee manieren zijn waarop visuele beelden behandeld worden in sociaal onderzoek: de realistische benadering en de reflexieve benadering. In geval van de dominante realistische benadering wordt de vastgelegde gebeurtenis of setting op de foto of video-opname een feit en ook als zodanig verwerkt met de rest van de data. In geval van de reflexieve benadering ligt de nadruk meer op het bewust worden van de gevoeligheid waarmee de onderzoeker als persoon een impact heeft gehad op het beeldmateriaal. De focus ligt op wat dit beeld nou werkelijk representeert. Factoren zoals de leeftijd, het geslacht, de achtergrond en voorkeuren van de onderzoeker hebben onder andere invloed op wat gefotografeerd wordt. Daarnaast zijn deelnemers soms betrokken bij het besluit welke foto's genomen zouden moeten worden en hoe deze geïnterpreteerd moeten worden. Het erkent ook de 'fluid' betekenis van de afbeeldingen: ze zijn nooit vaststaand en worden altijd op verschillende manieren bekeken door verschillende mensen. Zo werden foto's van Spaanse stierenvechters gewaardeerd door sommigen die wezen op de kwaliteiten van de stierenvechter en zagen anderen dierenleed.
Ondanks het groeiende aantal studies waarin gebruikt wordt gemaakt van visueel materiaal, betekent dit niet dat visuele methodes altijd gehanteerd moeten worden. Het gebruik moet relevant zijn voor de onderzoeksvragen. Daarnaast vereist de visuele onderzoeksmethode dat de onderzoeker de afbeeldingen 'leest' conform de context waarin ze zijn genomen. Tevens moet het potentiële gevaar van een verkeerde interpretatie en de invloed van de eigen sociale positie erkend worden. Er moet kritisch bekeken worden of de foto niet een misleidende weergave van de realiteit betreft. Het is daarom belangrijk om ook niet-visuele onderzoeksmethoden, zoals interviews, te gebruiken.
Volgens Pink (2004) zijn visuele onderzoeksmethoden nooit puur visueel vanwege de volgende twee aspecten: de visuele onderzoeksmethoden gaan vaak samen met andere (traditionele) onderzoeksmethoden zoals interviewen en observatie en het visuele gaat vrijwel altijd samen met het niet-visuele: de woorden die het medium van uiting zijn voor zowel de deelnemers als de onderzoeker(s).
In ethisch opzicht is het belangrijk om toestemming te krijgen van de personen die herkenbaar op de foto’s of video-opnames zijn en dat zij zich volledig bewust zijn van de implicaties van hun toestemming.
Kan er sprake zijn van een feministische etnografie?
Zou er een afzonderlijke feministische etnografie kunnen bestaan die gebaseerd op de principes van het feminisme? Reinharz (1992) ziet hier het belang van in om drie redenen:
Het legt de levens en activiteiten van vrouwen vast, die voorheen werden beschouwd als subsidiair en marginaal in vergelijking met die van mannen.
Het begrijpt vrouwen vanuit hun perspectief. Door 'mannen-geleid' onderzoek heeft de neiging om de activiteiten en gedachten van vrouwen te interpreteren vanuit hun mannelijke standpunt.
Het plaatst de levens van vrouwen in de context waarin ze daadwerkelijk plaatsvinden.
Een belangrijk vraagstuk voor feministische onderzoekers is of het onderzoek een niet-uitbuitende relatie tussen onderzoeker en onderzochte mogelijk maakt. Dit mag geen eenrichtingsverkeer zijn, er moet iets tegenover de verkregen informatie staan. Ook bij het opschrijven van het onderzoek zullen de interpretaties en beoordelingen van de feministische etnograaf doorschemeren. Tot op heden blijft feministische etnografie een onderwerp van doorlopend debat.
Met welke beperkingen heeft etnografie te maken?
Sinds het einde van de twintigste eeuw is etnografie in een staat van continue verandering. De nieuwe vormen, zoals online en visuele etnografie, en de toenemende interesse voor alternatieve vormen maken duidelijk dat sprake is van flexibiliteit. Er zijn echter zorgen dat de term etnografisch te los gebruikt wordt en dat veel studies een etnografische aard hebben, maar dit in traditionele zin (langdurig observeren in een sociale setting) niet zijn. Volgens Hammersley (2018) zijn er vijf uitdagingen waarmee etnografie te maken heeft:
Onderzoekers kiezen steeds vaker voor kostenefficiënte vormen van dataverzameling, wat resulteert in kortere termijn-onderzoeken. Etnografie is hier niet passend voor.
In vergelijking met 'big data' in de vorm van grote kwantitatieve surveys, datawetenschap en de gemengde methodes lijkt etnografie erg duur.
Er wordt steeds meer verwacht van academici (lesgeven, administratie) waardoor het doen van grondig etnografisch onderzoek lastig wordt. Hier moet veel tijd in worden gestoken. Vaak wordt het onderzoek pas 7-10 jaar na de aanvang van het veldwerk gepubliceerd.
De maatschappij raakt steeds meer verzadigd met onderzoek en meer mensen worden voorzichtiger ten aanzien van deelname. Het verkrijgen van toegang wordt steeds lastiger, zeker als het gaat om publieke organisaties als scholen, ziekenhuizen etc.
De toegenomen ethische vereisten gaan niet goed samen met etnografie, met name de geïnformeerde toestemming levert problemen op.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








