Welke theorieën over de sociale ontwikkeling van kinderen zijn er? - Chapter 9
Wat zijn psychoanalytische theorieën?
Psychoanalytische theorieën hebben de grootste impact gehad in de Westerse culturen. Deze theorieën hebben grote invloed gehad op de manier van denken over persoonlijkheid en sociale ontwikkelingen. Dit is voornamelijk te danken aan Sigmund Freud. Later heeft Erik Erikson voortgeborduurd op de ideeën van Sigmund Freud. Beide theorieën zijn gebaseerd op de biologische rijping. Volgens Freud is het gedrag gemotiveerd door de noodzaak om basisdriften te bevredigen. Deze driften en de motieven die hieruit voortbestaan, ontstaan meestal onbewust. Volgens Erikson wordt ontwikkeling gemotiveerd door crisissen in de ontwikkelingen, gerelateerd aan de leeftijd en biologische rijping. Het individu moet alle crisissen succesvol doorlopen om een gezonde ontwikkeling te bereiken. De theorieën van Freud en Erikson zijn stadiumtheorieën.
Wat is het perspectief van Freud op de ontwikkeling van het kind?
Freud is de oprichter van de psychoanalytische theorie. Zijn theorie over de ontwikkeling van kinderen wordt ook wel de theorie van psychoseksuele ontwikkeling genoemd, omdat hij dacht dat zelfs hele jonge kinderen een seksuele natuur hebben dat hun gedrag motiveert en de invloeden van hun relaties met andere mensen. Kinderen doorlopen vijf fases van universele ontwikkelingen. Volgens Freud richt de psychische energie zich op verschillende erogene zones. Psychische energie bestaat uit de biologische driften die het gedrag, de gedachtes en de gevoelens voeden. De erogene zones zijn gebieden op het lichaam die erotisch gevoelig zijn, zoals de mond, de anus, en de genitaliën. Volgens Freud komt elk kind in conflict met zijn erogene zones. Hij stelt dat hun succes of falen hierbij de ontwikkeling in hun leven beïnvloedt.
De psychische energie bestaat uit het id, het ego, en het superego. Het id is de eerste en de meest primitieve van de drie persoonlijkheidsstructuren. Het id is onbewust en wordt gestuurd door het bevredigingsprincipe, het doel om zo snel mogelijk maximale voldoening te vinden. Tijdens het eerste levensjaar is de baby in de eerste fase van de psychoseksuele ontwikkeling, de orale fase, waarin de primaire bron van bevrediging en plezier afkomstig is van orale activiteiten. Later in het eerste levensjaar komt de tweede persoonlijkheidsstructuur op, het ego. Het ego is het rationele, logische, probleemoplossende component van de persoonlijkheid. Tijdens het tweede levensjaar krijgt het kind meer controle over lichaamsprocessen, zoals plassen en op dat punt komt het kind in de tweede fase: de anale fase, waarin de primaire bron van bevrediging en plezier afkomstig is van ontlastingen. De derde fase is de fallische fase, die loopt van de leeftijd van 3 tot 6 jaar, waarin seksueel genot is gefocust op de genitaliën. Hierdoor ontwikkelt zich het superego, de derde persoonlijkheidsstructuur die wordt gestuurd door het bewustzijn en internalisatie van morele standaarden. Internalisatie is het overnemen van regels, overtuigingen, en standaarden van de ouders voor acceptabel en onacceptabel gedrag.
De ontwikkeling van het superego wordt op verschillende manieren ervaren door jongens en meisjes. De jongens ervaren het zogenaamde Oedipus Complex. Dit is een term bedacht door Freud, die een periode aanduidt waarin jongens een seksueel verlangen hebben naar hun moeder en waarin zij hun vader als een bedreiging zien. Dit komt voor in de fallische fase. De meisjes ervaren een zogenaamd Elektra Complex. Dit is een term bedacht door Freud, voor de periode waarin meisjes romantische gevoelens voor de vader creëren en de moeder als een bedreiging zien. Ook bij meisjes komt dit voor in de fallische fase.
De vierde ontwikkelingsfase is de latente fase, die loopt van de leeftijd van 6 tot 12 jaar. Dit is vooral een periode van kalmte. Seksuele verlangens zijn opgeborgen in het onderbewustzijn, en kinderen gaan zich meer richten op hun sociale en intellectuele ontwikkeling. De genitale fase ontstaat vanaf de pubertijd. Een centraal thema is de seksuele rijping. De seksuele energie is voor een paar jaar opgeborgen geweest, maar nu het eruit komt, richt het zich op de andere sekse.
Als een fase niet succesvol is afgerond, kan het kind daar op latere leeftijd last van hebben en gefixeerd raken op deze behoeften. Bijvoorbeeld, wanneer het kind de orale fase niet succesvol heeft afgerond, zal het hij eerder vervallen in bepaalde orale gewoontes, zoals nagelbijten of roken.
Wat is het perspectief van Erikson op de ontwikkeling van het kind?
Erikson is de opvolger van Freud. Erikson heeft sociale factoren toegevoegd aan de theorie van Freud. Daarom wordt Eriksons theorie over de ontwikkeling van kinderen ook wel de theorie van psychosociale ontwikkeling genoemd. Zijn theorie bestaat uit acht fases van ontwikkeling. Slechts de eerste vijf fases van ontwikkeling zullen worden besproken, ze verlopen vanaf de geboorte tot de volwassenheid.
Vertrouwen versus wantrouwen is een fase die voorkomt in het eerste levensjaar. Het kind moet in deze fase een idee van vertrouwen ontwikkelen. Dit wordt gefaciliteerd door een goede relatie met de moeder. Ontwikkelt het kind in deze fase niet te vaardigheid om anderen te vertrouwen wanneer dat gepast is, dan zal het kind later in het leven moeite hebben met het vormen van intieme relaties.
Autonomie versus schaamte en twijfel is een fase die voorkomt voor vanaf het eerste tot het 3,5e levensjaar. Het kind ontwikkelt in deze fase een idee van autonomie, het heeft in deze fase de vaardigheden en verlangens om zelf de omgeving te verkennen. Als ouders hierbij een ondersteunende sfeer verstrekken zal het kind autonomie ontwikkelen. Als kinderen echter straf krijgen of bespot worden, zullen ze gaan twijfelen aan hun vaardigheden.
Initiatief versus schuldgevoel is een fase die voorkomt vanaf het vierde tot zesde levensjaar. Dit is een periode waarin het kind zich identificeert met en leer van de ouders. De uitdaging is dat het kind een balans tussen initiatief en schuldgevoelens ontwikkelt.
Industrie versus inferioriteit is een fase die voorkomt vanaf het zesde levensjaar tot de puberteit. Het kind maken zich cognitieve en sociale vaardigheden eigen. Deze fase is cruciaal voor de ontwikkeling van het ego.
Identiteit versus rolverwarring is een fase die voorkomt vanaf de adolescentie tot de vroege volwassenheid. Deze fase is cruciaal voor de ontwikkeling van het gevoel van identiteit.
Wat zijn de huidige perspectieven op de psychoanalytische theorieën?
Freuds meest belangrijke bijdragen zijn zijn nadruk op het belang van vroege emotionele relaties en zijn erkenning van de rol van subjectieve ervaringen en onbewuste mentale activiteit. Eriksons nadruk op de zoektocht naar de identiteit heeft ook blijvende impact.
Wat zeggen leertheorieën over de sociale ontwikkeling van het kind?
Freud richt zich op interne invloeden en subjectieve ervaringen. De leertheorieën richten zich op de externe factoren bij het vormen van een persoonlijkheid en sociaal gedrag. Huidige leertheoretici benadrukken het thema van het actieve kind, de rol die kinderen spelen in hun eigen ontwikkeling.
Hoe kijkt Watson naar de ontwikkeling van het kind?
Watson is de grondlegger van het behaviorisme. Hij richt zich op de ontwikkeling die bepaald wordt door de sociale omgeving door middel van conditionering. Hij heeft de kracht van conditionering duidelijk gemaakt door een onderzoek met als proefpersoon een jongetje genaamd Little Albert. Little Albert kreeg een rat voor zich geplaatst waar hij positief op reageerde. Vervolgens werd er een hard geluid gemaakt tijdens het presenteren van de rat. Little Albert reageerde hier negatief op. Little Albert werd na vele herhalingen bang voor de rat.
Watson legde met de klassieke conditionering de basis voor een behandeling die gebaseerd is op het tegengestelde proces, namelijk: deconditioneren, of het elimineren van angst. Om angst te deconditioneren, gaf de onderzoeker een snack aan Peter (een nieuw kind in het onderzoek), die heel bang was voor witte konijnen, om vervolgens langzaam en gradueel het konijn dichterbij Peter te leggen. Na vele herhalingen en blootstelling aan de angst in combinatie met het uitblijven van negatieve gevolgen, verdween de angst voor het konijn. Deze benadering werd bekend als systematische desensitisatie. Dit werd wereldwijd gebruikt voor het elimineren van allerhande angsten en fobieën, van honden tot tandartsen.
Hoe kijkt Skinner naar de ontwikkeling van het kind?
Skinner was de grondlegger van de operante conditionering. Door middel van beloningen en straffen kon het gedrag beïnvloed worden. Gewenst gedrag werd herhaaldelijk beloond, en ongewenst gedrag werd herhaaldelijk gestraft. De bedoeling van het belonen van het gewenste gedrag, is het versterken van dat gedrag. De bedoeling van het straffen van het ongewenste gedrag, is het laten verminderen of verdwijnen van het gedrag. Er werden ook twee ontdekkingen gedaan: een hiervan is het feit dat aandacht een belangrijke versterker is voor het gedrag van kinderen en dat de beste strategie voor het intomen van een kind dus is om het gedrag te negeren. Onregelmatige versterking is het inconsistent belonen of straffen van het gedrag van een andere persoon, dus alleen soms belonen of straffen wanneer het doelgedrag vertoond wordt. Op deze manier aangeleerd gedrag blijft langer in stand, omdat er geen constante beloning nodig is. Operante conditionering leidde tot een vorm van therapie: gedragsmodificatie. Deze therapie richt zich op het aanmoedigen van beter aangepast gedrag door middel van operante conditionering.
Wat is de sociale leertheorie?
Bandura is de grondlegger van de sociale leertheorie. Bandura richt zich op het leren van gedrag door middel van observaties en imitaties in plaats van versterking. Deze theorie wordt ook wel anders genoemd: sociale cognitieve theorie, vanwege de cognitieve processen die erbij betrokken zijn. Namelijk: de aandacht wordt gericht op het gedrag van een ander, er moet geëncodeerd worden wat geobserveerd wordt, de informatie moet opgeslagen worden in het geheugen en op een later moment weer opgehaald worden om het gedrag te kunnen reproduceren. Bandura vond de actieve rol van kinderen in hun eigen ontwikkeling ook erg belangrijk. Deze ontwikkeling werd omschreven als wederzijds determinisme. Dit is een concept bedacht door Bandura waarin de interactie tussen kind en omgeving in twee richtingen werkt. Kinderen worden beïnvloed door aspecten van hun eigen omgeving, maar ze beïnvloeden ook de omgeving zelf.
In een serie studies van Bandura en collega's kregen nog niet schoolgaande kinderen video's te zien waarbij een volwassene ongewoon agressief gedrag vertoonde tegenover een Bobo pop. Hierbij waren drie condities: groep 1 kreeg te zien hoe de volwassene na het agressieve gedrag een beloning kreeg, groep 2 kreeg te zien dat de volwassene gestraft werd voor het gedrag en bij groep 3 waren er geen consequenties verbonden aan het gedrag. De vraag was of indirecte versterking, observeren dat een ander een beloning of straf krijgt, het gedrag van de kinderen zou beïnvloeden. De kinderen die hadden gezien dat de volwassene gestraft werd, imiteerden het gedrag minder dan de andere twee groepen. Echter, alle kinderen leerden van het waargenomen gedrag. Jongens bleken meer fysiek agressief dan meisjes
Wat zijn de huidige perspectieven op de leertheorieën?
Leertheorieën hebben veel onderzoek geïnspireerd vanwege de mogelijkheid om deze theorieën empirisch te testen. Leertheorieën hebben belangrijke praktische toepassingen, zoals systematische desensitisatie en gedragsmodificatie. Het ontbreekt echter wel aan aandacht voor biologische invloeden en (met uitzondering van Bandura's theorie) aan cognitieve invloeden.
Wat zeggen sociale cognitie theorieën over de ontwikkeling van het kind?
Sociaal-cognitieve theorieën verschillen van de psychoanalytische theorieën en leertheorieën die de nadruk leggen op externe krachten als belangrijkste bron voor ontwikkeling. De sociaal-cognitieve theorieën richten zich namelijk vooral op het proces van zelfsocialisatie. Zelfsocialisatie is het idee dat kinderen een hele actieve rol spelen in hun eigen socialisatie door hun voorkeuren voor activiteiten, keuze van vriendschappen, enzovoorts.
Wat is de theorie van rolaanname?
Selman richtte zich op de ontwikkeling van rolaanname. Rolaanname betekent dat men zich bewust is van het perspectief van een ander persoon, waardoor men andermans gedrag, gedachten, en gevoelens beter begrijpt. Selman stelt dat de sociale cognitie van kinderen gelimiteerd is vanwege hun onvermogen tot rolaanname. Hij suggereert dat kinderen jonger dan zes jaar onbewust zijn van andere perspectieven behalve die van henzelf. Volgens Selman doorloopt een kind vier, in complexiteit oplopende stadia in het denken over andere mensen. In de eerste fase (leeftijden van 6 tot 8 jaar) accepteren kinderen dat andere mensen een ander perspectief kunnen hebben, omdat ze andere informatie bezitten dan zijzelf. In de tweede fase (leeftijd van 8 tot 10 jaar) realiseren kinderen zich ook dat je andermans perspectieven kunt overdenken. In de derde fase (leeftijd van 10 tot 12) kunnen kinderen hun eigen perspectief vergelijken met andermans perspectief. In deze fase kunnen ze zelfs een derde perspectief overnemen. In de vierde fase (leeftijd van 12 jaar en ouder) kunnen adolescenten een poging doen om andermans perspectieven te vergelijken met een algemeen perspectief, en of die hetzelfde zijn als die van de meeste anderen in hun sociale groep. Door deze stadia te doorlopen, worden kinderen minder egocentrisch en meer capabel om andere en meerdere perspectieven tegelijkertijd in overweging te nemen.
Wat is de informatieverwerkingstheorie van sociaal probleemoplossen?
Dodge’s informatieverwerkingstheorie richt zich op sociaal probleemoplossen. Hij kwam erachter dat kinderen een vijandige attributiebias hebben. Een vijandige attributiebias is volgens Dodge’s theorie een neiging om aan te nemen dat andermans ambigue acties vijandige intenties hebben. Dit leidt ertoe dat kinderen zoeken naar bewijs voor een vijandige intentie, wat weer leidt tot self-fulfilling prophecies: een agressieve reactie van een kind op een veronderstelde vijandige handeling van een ander, zorgt voor ditzelfde effect bij de ander (die ook agressief of afwijzend kan reageren), wat bij het kind bevestigt dat anderen vijandige intenties hebben. Ruwe opvoeding of fysieke mishandeling leidt tot een grotere kans op informatieverwerkingsbiases. Het direct aanpakken van de gedachten van kinderen over sociaal gedrag kan zorgen voor vermindering van antisociaal gedrag.
Wat is de theorie van Dweck van zelf-attributies en prestatiemotivatie?
Dwecks sociale cognitie perspectief laat zien dat verschillende manieren van reageren op een bepaalde situatie afhankelijk is van een persoons prestatiemotivatie. Prestatiemotivatie verwijst naar of kinderen gemotiveerd zijn door leerdoelen, het zoeken naar het verbeteren van hun competenties en het eigen maken van nieuw materiaal of door prestatiedoelen, het zoeken naar het ontvangen van positieve beoordeling van hun competenties of het vermijden van negatieve beoordelingen. Aan deze twee verschillende patronen liggen verschillen in attributies ten grondslag, voornamelijk met betrekking tot eigenwaarde. Kinderen met een entiteit/hulpeloze oriëntatie hebben de neiging om hun eigenwaarde te baseren op goedkeuringen die zij ontvangen (of juist niet) van andere mensen over hun intelligentie, talenten, en persoonlijke kwaliteiten. Deze kinderen geven op als ze falen. Kinderen met een incrementele- of beheersingsoriëntatie hebben de neiging om hun eigen inspanningen en leerprocessen niet te baseren op hoe andere mensen hen evalueren. Ofwel: succes of falen wordt gebaseerd op aspecten van de inspanningen zelf en zij zetten door wanneer ze hebben gefaald.
De cognities van oudere kinderen over zichzelf en anderen bevatten meer complexe concepten en redeneringen dan die van jongere kinderen. Sommigen hebben een entiteitstheorie van intelligentie, deze manier van denken over zichzelf is geworteld in het idee dat intelligentie gefixeerd en onveranderlijk is. Deze kinderen voelen zich hulpeloos en zijn sneller geneigd tot de vijandige attributiebias. Anderen hebben een incrementele theorie van intelligentie, deze is geworteld in het idee dat intelligentie kan groeien als functie van ervaring. Deze kinderen voelen zich hoopvol. Ouders en leraren kunnen deze interne theorieën beïnvloeden. Het is goed om bewust te zijn van welke manieren van prijzen wel en niet bevorderlijk zijn. Zo is het beter om de inspanning van een kind te belonen dan om te zeggen dat een kind ergens goed in is. Dit laatste kan namelijk de motivatie voor verbetering ondermijnen.
Wat zijn de huidige perspectieven op de sociaal-cognitieve theorieën?
Sociaal-cognitieve theorieën hebben belangrijke bijdragen geleverd aan de studie naar sociale ontwikkeling. Belangrijk is de nadruk op dat kinderen actieve zoekers zijn naar informatie over de sociale wereld. Een andere bijdrage is het inzicht dat het effect van de sociale ervaringen van kinderen afhankelijk is van hun interpretatie van deze ervaringen. Sociaal-cognitieve theorieën hebben echter weinig te zeggen over biologische factoren. Dit lijkt echter wel te veranderen.
Het opkomende veld van de sociale ontwikkelingsneurowetenschappen behandelt vragen als hoe de sociale omgeving het ontwikkelende brein beïnvloedt en welke neurale mechanismen ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van sociaal gedrag. Op basis van onderzoeken met dieren worden bepaalde experimenten uitgevoerd 'in de natuur' waarbij mensenkinderen aan verschillende condities blootgesteld worden. Zo is gebleken dat kinderen die in hun eerste levensjaren geen emotioneel en fysiek contact ervaren met hun verzorgers, afwijkende hormonale responses laten zien in sociale situaties, wat ook al eerder uit dieronderzoek gebleken was. Uit ander onderzoek is gebleken dat kinderen die opgroeien als wees en nog steeds in een weeshuis wonen, minder witte stof in de hersenen hadden dan kinderen die het weeshuis verlaten hadden. Huidige onderzoek laten de voordelige effecten zien van mindfulness meditatie op de hersenen. Neuroimaging studies suggereren dat dit effect vooral ligt in de prefrontale cortex, in gebieden die verantwoordelijk zijn voor onder andere emotieregulatie.
Wat zeggen ecologische theorieën over de sociale ontwikkeling van kinderen?
Ecologische theorieën over de ontwikkeling richten zich op het gedrag als een adaptieve functie. De rol van de omgeving staat centraal in de ontwikkeling van het kind. Etiologie en evolutionaire psychologie richten zich op de ontwikkeling van het kind, in relatie tot de context van de evolutionaire geschiedenis van onze soorten. Het bio-ecologische model richt zich op de multipele niveaus van omgevingsinvloeden, die tegelijkertijd de ontwikkeling beïnvloeden.
Welke etiologische en evolutionaire theorieën zijn er?
Etiologie is een studie gericht op de evolutionaire basis van gedrag. Imprinting is een vorm van leren waarbij pasgeborenen van bepaalde soorten vogels en zoogdieren gehecht raken aan een volwassen lid van hun soort (die ze meestal als eerste te zien krijgen) en deze dan ook volgen, vaak is dit de moeder. Imprinting komt vooral voor tijdens een kritieke periode heel vroeg in het leven. Een toepassing van het etiologische perspectief op menselijk gedrag, is dat veel jongens de voorkeur hebben om met voorwerpen te spelen die actie vereisen en dat veel meisjes voorkeur hebben voor bijvoorbeeld poppen. Er wordt gesteld dat dit kan komen doordat ouders hun kinderen speelgoed geven dat 'past' bij hun geslacht. Echter blijkt uit andere onderzoeken dat deze voorkeur al heel vroeg bestaat, wat eerder wijst op genetische voorkeuren die afhankelijk zijn van het geslacht van een kind dan op aangeleerde seksenormen.
Evolutionaire psychologie is gebaseerd op de ideeën van natuurlijke selectie en aanpassingen aan menselijk gedrag afkomstig van Darwin. Bepaalde genen predispositioneren individuen om op zich op een bepaalde manier te gedragen, waardoor er meer kans is dat zij overleven. Veel evolutiepsychologen suggereren dat spelen een van de meest opvallende vormen van gedrag is en een geëvolueerd platform is voor leren.
Ouders moeten een enorme hoeveelheid tijd en energie aan hun kinderen besteden in het opvoeden. Volgens de ouderlijke investeringentheorie is de primaire bron van hun motivatie de vereeuwiging van hun eigen genen, wat alleen bereikt wordt als hun kinderen lang genoeg overleven om deze genen ook weer door te geven aan de volgende generatie.
Wat is het bio-ecologische model?
Het bio-ecologische model is gebaseerd op het idee dat de omgeving bestaat uit een set van structuren, waarbij elke structuur een verschillend niveau van ontwikkeling representeert. Het bio-ecologische model van Bronfenbrenner ziet er als volgt uit:
- Het eerste niveau is het microsysteem: dit bestaat uit de directe omgeving die een kind persoonlijk ervaart en waarin het direct deelneemt.
- Het tweede niveau is het mesosysteem: dit bestaat uit de interconnecties tussen het microsysteem, zoals de familie, leeftijdsgenoten, en scholen.
- Het derde niveau is het exosysteem: dit bestaat uit omstandigheden waar het kind niet direct zelf aan deelneemt, bijvoorbeeld het ontslag van een ouder. Deze omstandigheden beïnvloeden de ontwikkeling van het kind echter wel indirect.
- Het vierde niveau is het macrosysteem: dit bestaat uit cultuur, subculturen, en/of sociale groepen waar de andere systemen in ingebed zijn.
- Het vijfde niveau is het chronosysteem: dit bestaat uit overtuigingen van de samenleving, de samenleving zelf, normen en waarden, enz. die de ontwikkeling van het kind beïnvloeden.
In het macrosysteem kan nationale wetgeving grote invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen. Zo verschilt de lengte van betaald ouderschapsverlof enorm tussen verschillende landen.
Media zijn gesitueerd in het exosysteem, maar staan onder invloed van het chronosysteem, het macrosysteem, het microsysteem en van andere elementen in het exosysteem. Schermen zijn de laatste tijd overal terug te vinden. De statistieken laten zien dat kinderen en adolescenten vele uren spenderen aan media. Ook hele jonge kinderen zijn al actief in deze media-onderdompeling. Er is weinig bekend over het effect van digitale media gebruik op het welzijn van kinderen. Wel is gebleken dat digitale media een negatief effect heeft op sociale relaties doordat ouders en kinderen worden afgeleid door hun telefoon tijdens gesprekken. Sommige ouders staan hun kind digitale media toe om ze kalm te houden in het openbaar of om te af te leiden van andere taken.
Er zijn veel zorgen over digitale mediagebruik bij kinderen, van geweld tot pornografie:
- De eerste zorg is dat kinderen gewelddadiger gedrag laten zien door het regelmatig bekijken van gewelddadige televisieshows of het luisteren naar gewelddadige muziek. Deze blootstelling kan op vier manieren invloed hebben, namelijk imitatiegedrag van de acteurs, als agressie wordt waargenomen, wordt de eigen agressie geactiveerd, bij herhaaldelijke blootstelling kan dit tot gevolg hebben dat het deel wordt van de normale interne staat van een individu, het zorgt voor fysiologische arousal, wat zorgt voor meer kans op gewelddadige reacties op provocatie en frequente, langdurige blootstelling aan mediageweld leidt langzaam tot emotionele desensitisatie.
- De tweede zorg is dat kinderen die aan schermen geplakt zitten geen fysieke activiteiten doen. Er blijkt ook daadwerkelijk een negatieve relatie te zijn tussen de tijd dat kinderen achter een scherm zitten en dat ze fysieke activiteiten doen. Kinderen hebben meer risico om obesitas te krijgen als ze veel televisie kijken.
- Ook pornografie is een zorg van zowel ouders als kinderen zelf. Porno kan leiden tot meer agressie jegens vrouwen en tot meer acceptatie van seks voor het huwelijk en buitenechtelijke seks.
- Er zijn ook zorgen over sociale media gebruik bij adolescenten. Onderzoek heeft aangetoond dat adolescenten die meer tijd spenderen op sociale media vaker kampen met psychische problemen dan tieners die minder tijd spenderen aan sociale media. De relatie bestaat ook andersom: depressieve klachten bij tienermeisjes voorspelt meer sociale media gebruik. Cyberpesten is een nieuw probleem dat is ontstaan door de opkomst van sociale media. Sociale media heeft ook positieve gevolgen voor het sociale leven van adolescenten.
- De laatste zorg is dat gebruik van digitale media zorgt voor slechtere schoolprestaties. Onderzoek heeft aangetoond dat tienerjongens die meer tijd spenderen aan het spelen van videogames slechtere academische prestaties hebben. Kinderen blijken minder tijd besteden aan schoolgerelateerde zaken als ze meer tijd besteden aan media, wat een negatieve invloed heeft op de schoolprestaties.
Wat zijn de huidige perspectieven op de ecologische theorieën?
De bijdrage van etiologie en de evolutionaire psychologie komt van de nadruk op de biologische aard van kinderen, met daarbij de genetische tendensen die gegrond zijn in de evolutie. Claims uit de evolutionaire psychologie zouden echter niet testbaar zijn en hebben vaak een relatie met sociaal leren of een ander perspectief. Ook lijkt de evolutionaire psychologie de capaciteit om onze omgeving en onszelf te veranderen over het hoofd te zien. Het bio-ecologische model heeft belangrijke bijdragen geleverd voor het denken over de ontwikkeling en voor hoe allerlei factoren bijdragen en interacteren in de ontwikkeling. Dit model mist echter biologische factoren.
Attention-deficit hyperactivity disorder (ADHD) is een syndroom dat gekenmerkt wordt door moeite met de aandacht vasthouden. Kinderen hebben een normale intelligentie en laten geen emotionele verstoringen zien. Ze hebben moeite met het vasthouden aan plannen en het opvolgen van regels. Velen zijn hyperactief. Ze hebben moeite met het verwerven van bepaalde vaardigheden, zoals lezen, omdat dit gefocuste aandacht voor een langere periode vraagt. Aan deze symptomen ligt ten grondslag dat er moeite is met het inhiberen van impulsen. ADHD heeft verschillende oorzaken. Genetische factoren spelen een rol, maar ook allerlei omgevingsfactoren blijken van invloed te zijn, zoals prenatale blootstelling aan alcohol. Ook sociale factoren zijn van invloed, zoals het SES van de ouders. Het is lastig om te bepalen welke factoren causaal zijn. De huidige behandeling van ADHD zet in op middelen in de omgeving, zoals de familiedokter (microsysteem), de drugindustrie (exosysteem) en de overheid (macrosysteem). De meest gebruikte behandeling is het voorschrijven van medicatie zoals Ritalin, een stimulant die neurotransmittersystemen stimuleert. Helaas zijn er ook bijwerkingen, zoals verlies van eetlust. Ook een combinatie van medicatie en psychosociale interventies blijken effectief te zijn.
Vanwege het groot aantal factoren dat van invloed is, is het lastig om mishandeling te voorkomen. Er is echter een veelbelovend programma ontwikkeld. Uit onderzoek bleek dat ouders zichzelf vaak verwikkelt zien in een machtsconflict met hun kind, waarin ze zichzelf als slachtoffer zien. Het doel van het programma was om ouders te helpen om meer realistische interpretaties te verkrijgen van hun moeiten in de zorg voor hun kinderen. Terwijl ouders een beter begrip ontwikkelden van de behoeften van hun kind, verbeterde hun investering in hun kinderen, die later aanzienlijke gezondheidsvoordelen lieten zien.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








