Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor biopsychologie en neuropsychologie samengevat

Artikelsamenvattingen biopsychologie en neuropsychologie

Waar gaat deze pagina over?

  • Soort: samenvattingen van wetenschappelijke artikelen en academische papers
  • Taal: Nederlands
  • Toegang: publiek toegankelijk

Waar kan je hierna heen?

Lees verder voor de samenvattingen per artikel

Image

Check: summaries and supporting content in full
Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor prikkels en prikkelverwerking samengevat

Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor prikkels en prikkelverwerking samengevat

Artikelsamenvattingen prikkels en prikkelverwerking

Waar gaat deze pagina over?

  • Soort: samenvattingen van wetenschappelijke artikelen en academische papers
  • Taal: Nederlands
  • Toegang: publiek toegankelijk

Waar kan je hierna heen?

Lees verder voor de samenvattingen per artikel

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. De neurale netwerken van zowel dieren als mensen betrokken bij ouderlijk opvoedgedrag, de verschillen tussen moeders en vaders en biologische gedragssynchronisatie worden besproken.

Waar gaat dit artikel over?

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. Ouderschap is van vitaal belang om te overleven, het beïnvloedt de ontwikkeling van de hersenen bij jonge individuen en wordt beïnvloed door interacties met zuigelingen, partners en gemeenschappen. De review richt zich op mensgericht onderzoek, waarbij onderzocht is welke hersennetwerken betrokken zijn bij ouderschap, wat hun gevoeligheid voor verschillende opvoedingsfactoren is, welke implicaties voor de ontwikkeling van baby's er zijn en hoe dit onderzoek kan bijdragen aan het begrijpen van bredere sociale functies zoals empathie en sociale synchronie. Feldman veronderstelt dat het brein van de ouders een hoogtepunt in de menselijke evolutie vertegenwoordigt en dat het overlevingsfuncties integreert met de complexiteit van het menselijk brein. Deze integratie biedt inzicht in mens specifieke sociale vaardigheden, zoals empathie en sociale synchronie.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij dieren?

Studies naar vrouwelijke knaagdieren laten zien dat het mediale pre-optische gebied (MPOA) in de hypothalamus geactiveerd wordt door zwangerschapshormonen en een belangrijke rol speelt bij het initiëren van moederlijk gedrag. Het verbetert de beloning en motivatie van de moeder door middel van dopaminecircuits. MPOA beïnvloedt de amygdala, wat de waakzaamheid van de moeder verhoogt en de vorming van sociale herinneringen ondersteunt. Bij het moduleren van het zorgcircuit en het gevoelig maken voor sociale ervaringen speelt oxytocine een rol. Het ouderschap bij knaagdieren omvat twee fasen:

  1. Het onderdrukken van afkeer van signalen van baby's
  2. Het vergroten van de motivatie van de moeder

Corticale processen en het oxytocinesysteem van de hersenen van het kind hebben echter minder aandacht gekregen in knaagdierstudies.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij mensen?

Welke evolutionaire aspecten van het ouderbrein zijn er?

Het menselijke ouderbrein deelt evolutionaire aspecten van ouderlijke zorg met andere zoogdieren, waarbij de amygdala en beloningscircuits een rol spelen bij ouderlijke waakzaamheid , angst voor de veiligheid van baby's en de lonende aard van de ouder-kind gehechtheid. Daarnaast speelt oxytocine ook een modulerende rol in verschillende sociaal-affectieve functies bij mensen, zoals empathie, groepscohesie en sociaal begrip. Dit suggereert dat het overlevingssysteem, beïnvloed door zwangerschapshormonen, gedurende het hele menselijke leven sociale cognitieve functies van hogere orde blijft beïnvloeden, zoals empathie.

Een cruciaal verschil tussen menselijke en dierlijke ouderlijke zorg is de integratie van subcorticale structuren met meerdere isolerende en frontotemporopariëtale netwerken bij mensen. Deze netwerken worden geassocieerd met empathie, mentaliseren en emotieregulatie en vormen een flexibele en complexe basis voor menselijk ouderschap.

Wat houdt de ouder-kind band in?

In tegenstelling tot knaagdieren is menselijke binding exclusief en persoons specifiek, en vereist een continue reorganisatie van het breinnetwerk op basis van ervaringen uit het verleden. De plasticiteit van het menselijk brein, aangedreven door oxytocine, stemt de hersenen van ouders af om te reageren op individuele signalen van kinderen, wat de ontwikkeling van de sociale vaardigheden van kinderen ondersteunt.

Wat laten beeldvormingsstudies zien over het menselijk ouderbrein?

Functionele magnetische resonantiebeeldvorming (fMRI)-onderzoeken laten zien dat er sprake is van een wereldwijd ouderlijk opvoednetwerk in het brein als reactie op signalen van baby's. Het netwerk omvat de amygdala, de oxytocine-producerende hypothalamus en het dopaminerge beloningscircuit, onderling verbonden met corticale netwerken die betrokken zijn bij empathie, mentaliseren en emotieregulatie. Deze overlappende netwerken definiëren het menselijke "sociale brein" en ondersteunen verschillende aspecten van ouderschap.

Hoe is het ouderbrein geëvolueerd?

Het ouderbrein is niet geëvolueerd door complexe sociale functies te integreren in de ouderlijke context, maar deze structuren zijn eerder geëvolueerd binnen de context van het ouderschap om de overleving van het kind te maximaliseren. Hersenplasticiteit, hoge oxytocinespiegels na de bevalling en biologische synchronisatie van gedragingen dragen bij aan deze aanpassing, waardoor diverse culturele opvoedingspraktijken mogelijk zijn.

Waar hangt de reactie van het ouderbrein op signalen van baby's van af?

Activering van hersennetwerken van ouders wordt beïnvloed door het type signaal van baby's en het geslacht van de ouders. Het zien van de baby activeert het limbische netwerk van motivatie en beloning bij moeders, vaders en niet-ouders, wat een flexibel opvoednetwerk suggereert. Het ouderlijke netwerk van zoogdieren, gecentreerd rond de oxytocine-producerende hypothalamus, is minder actief bij menselijke moeders, terwijl de amygdala vooral bij moeders sterker wordt geactiveerd als reactie op het huilen van baby's. Ouderlijke hersenbanen omvatten structuren die gevoelig zijn gemaakt door zwangerschapshormonen en corticale netwerken op basis van ervaringen.

Hoe verschilt het ouderbrein tussen moeders en vaders?

Wat zijn de verschillen bij dieren?

Er zou meer onderzoek gedaan moeten worden naar de mechanismen van het vaderlijke brein, vooral hoe moeders en vaders hun inspanningen coördineren om hun kinderen groot te brengen. Biparentale knaagdierstudies tonen aan dat actieve vaderlijke zorg de informatieverwerking bij baby's verbetert en de integratie bevordert tussen hersennetwerken die betrokken zijn bij koestering, leren en motivatie. Door fMRI-reacties van moeders en vaders te vergelijken met de video van hun baby, vonden onderzoekers verschillende hersenactiveringspatronen: grotere amygdala-activering bij moeders en grotere corticale activering bij vaders. Deze resultaten ondersteunen het idee dat er afzonderlijke paden zijn tussen moeders en vaders. Oxytocine- en vasopressinespiegels correleerden met hersenactivaties bij respectievelijk moeders en vaders, waardoor de geslacht specifieke bindingsrollen van deze hormonen werden versterkt.

Wat zijn de verschillen in mensen?

Menselijk breinonderzoek richt zich op de gevonden overeenkomsten en verschillen in de hersenactivatie tijdens reacties van ouders in verschillende mantelzorg rollen (primaire en secundaire zorgverleners). Veranderingen in functionele connectiviteit en grijze stof volume werden waargenomen in moeders en vaders, wat laat zien hoe het ouderbrein zich aanpast aan de benodigde zorg van een kind. Brein tot brein synchronisatie ontstaat in de functionele netwerken tussen moeders en vaders, wat weerspiegelt hoe zij hun hersenreacties coördineren om efficiënt baby signalen te begrijpen.
Uit recente studies naar de invloed van hormonen in de ouderlijke zorg op de hersenactiviteit blijkt dat oxytocine gecorreleerd is met de hersenactivatie bij beloning, waakzaamheid, empathie, spiegelen, en mentaliserende netwerken in zowel moeders als vaders. Vaders' testosteron niveaus zijn gecorreleerd aan veranderingen in de hersenactivatie, wat een verschuiving weerspiegelt van paring naar ouderschap.

Maternale sensitiviteit en synchroniteit correleerden met hersenstructuren in belonings-, waakzaamheids-, empathie-, spiegel- en mentaliserende netwerken. Dit benadrukt de neuro-as die betrokken is bij de gedragsmatige reactie van de moeder op haar kind. De interactieve synchronie van vaders is echter geassocieerd met corticale structuren, niet de subcorticale structuren, wat het idee van een apart breinnetwerk voor vaderlijke zorg ondersteunt.
De effecten van tegenspoed op de hersenen van een moeder zijn ook onderzocht, met name in gevallen van postpartumdepressie, trauma of middelenmisbruik. Psychopathologische aandoeningen komen tot uiting in de hersenen door verminderde activatie in belonings- en empathiecircuits, verhoogde waakzaamheid, veranderde connectiviteit en effecten buiten het netwerk van ouderlijke zorg. Er is meer onderzoek nodig om te begrijpen hoe ongunstige omstandigheden specifieke netwerken in de hersenen vormen.

Wat is biologische gedragssynchronisatie in het sociale ouderbrein?

Het ouderbrein van zoogdieren is geëvolueerd door wederzijdse invloeden tussen de fysiologie van de moeder en het kind, gefaciliteerd door de ontwikkeling van de placenta en zwangerschapshormonen. Bij mensen duurt dit proces langer, omdat de hersenen van baby's bij de geboorte nog onvolwassen zijn. Dit leidt tot een langere periode van plasticiteit voor ouderlijke zorg. De hersenen van de ouder en het kind worden op elkaar afgestemd door middel van bio-gedragssynchronisatie, waardoor de basis wordt gelegd voor de levenslange sociale en aanpassingsvaardigheden van het kind. Oxytocine, ouderlijk gedrag en fysiek contact spelen een cruciale rol bij het vormgeven van deze lange termijn effecten. Ouderlijke oxytocinespiegels voorspellen de sociale betrokkenheid van kinderen, terwijl sensitief ouderschap in de kindertijd een positieve invloed heeft op sociale resultaten later in het leven.

Wat is de conclusie?

Het bestuderen van het ouderbrein geeft inzicht in de menselijke socialiteit door ouderschap tussen soorten te vergelijken. De neurobiologie van het ouderschap, waarbij hersenstructuren en oxytocine betrokken zijn, beïnvloedt verschillende sociale functies gedurende het hele leven en is gekoppeld aan sociale disfuncties. Het onderzoeken van hersen-tot-hersensynchronisatie tijdens interacties in het echte leven tussen ouders en kinderen helpt te begrijpen hoe de hersenen sociale signalen verwerken en banden vormen. Het aanpassingsvermogen en de samenwerkingsmogelijkheden van het brein van de ouders bieden een dynamisch model om te begrijpen hoe de hersenen synchroniseren voor een succesvolle opvoeding van kinderen en gezinscohesie.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta‐analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn - 2020

Artikelsamenvatting bij Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta‐analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn - 2020

Wanneer spreken we van kindermishandeling?

Kindermishandeling in de gezinscontext is een wijdverbreid fenomeen dat het leven van miljoenen kinderen over de hele wereld beïnvloedt. Algemeen gedefinieerd, verwijst kindermishandeling naar elke interactie of gebrek aan interactie die redelijkerwijs binnen de macht van een ouder of persoon in een positie met zorgverantwoordelijke verantwoordelijkheid valt, die (potentiële) schade toebrengt aan de gezondheid van het kind of aan fysieke, mentale, spirituele, morele of sociale ontwikkeling in de context van de samenleving waarin het kind opgroeit. Er zijn duizenden empirische onderzoeken gedaan naar de prevalentie, antecedenten en gevolgen van kindermishandeling, evenals honderden onderzoeken naar (preventieve) interventies van kindermishandeling. Deze onderzoeken zijn beoordeeld en kwantitatief gecombineerd in een heterogene verzameling meta-analyses voor verschillende soorten mishandeling en met variërende aantallen onderzoeken. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschrijft de verschillende vormen van kindermishandeling in het Report of the Consultation on Child Abuse Prevention. Dit rapport maakt een onderscheid tussen de volgende vormen van mishandeling: seksueel misbruik van kinderen, lichamelijke mishandeling, emotionele mishandeling, verwaarlozing inclusief lichamelijke verwaarlozing, emotionele verwaarlozing en verwaarlozing van het onderwijs, en getuige zijn van huiselijk geweld dat onlangs is toegevoegd aan de lijst van vormen van mishandeling, en voorgesteld om mogelijk ernstige ontwikkelingsgevolgen hebben.

Hoe vaak komt kindermishandeling voor?

De globale geschatte prevalentiecijfers voor zelfgerapporteerde onderzoeken naar mishandeling waren 127/1.000 voor seksueel misbruik, 226/1.000 voor lichamelijke mishandeling, 363/1.000 voor emotionele mishandeling, 163/1.000 voor lichamelijke mishandeling en verwaarlozing, en 184/1.000 voor emotionele verwaarlozing. Een belangrijk punt bij het inschatten van de prevalentie van kindermishandeling is het grote verschil in schattingen tussen zelfrapportages en informantenrapporten. Informele meldingen zijn meestal meldingen van professionals zoals leraren die de kinderbescherming waarschuwen. De totale geschatte prevalentiecijfers voor onderzoeken met informanten waren 4 per 1.000 voor seksueel misbruik en 3 per 1.000 voor zowel fysieke als emotionele mishandeling. Informantenrapporten kunnen de prevalentiecijfers van kindermishandeling onderschatten, terwijl zelfrapportagestudies de prevalentie zouden kunnen overschatten.

Welke beschermende factoren en welke risicofactoren van kindermishandeling onderscheiden we?

We onderscheiden enkele factoren die het risico op het voorkomen van kindermishandeling kunnen vergroten:

  • Extreme stress veroorzaakt door armoede en andere benarde situaties zou ouders ertoe kunnen dwingen een deel van hun nakomelingen aan institutionele zorg over te laten.
  • Bovendien lopen ouders die het slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling een verhoogd risico om hun nakomelingen te mishandelen. Studies naar de intergenerationele overdracht van mishandeling zijn overvloedig, hoewel twijfelachtig in hun bevindingen.
  • Naast ervaren kindermishandeling, kan de ervaring van ouders met interpersoonlijk of intiem partnergeweld (IPV) en echtelijke conflicten in het verlengde daarvan ook hun interactie met het kind schaden.
  • Psychologische en neurologische ontwikkelingsfactoren kunnen ook risicofactoren zijn voor mishandeling, zowel bij de ouder als bij het kind. Ouderlijke kenmerken, zoals een lage drempel voor agressie of lage remmende controle, en psychopathologie, zoals een depressieve stoornis of borderline persoonlijkheidsstoornis, kunnen de normatieve zorg voor jonge kinderen verstoren.
  • Mogelijk gerelateerd aan enkele van de bovengenoemde antecedenten, kunnen neurobiologische factoren van de ouders een rol spelen bij het verhogen van het risico op kindermishandeling.
  • Als contextfactoren zijn alleenstaand ouderschap, gebrek aan sociale steun en een lage sociaaleconomische status in verband gebracht met een verhoogd risico op kindermishandeling.

Waar risicofactoren de kans op mishandeling in het leven van het kind vergroten, verkleinen beschermende factoren deze kans, zelfs als er risicofactoren aanwezig zijn. Daarbij fungeren beschermende factoren als moderatoren van het verband tussen risicofactoren en mishandeling:

  • Het risico op mishandeling in gezinnen die in armoede leven – een risicofactor voor fysieke verwaarlozing – kan bijvoorbeeld worden verminderd als en wanneer een sociaal ondersteuningsnetwerk of interventie aanwezig is.
  • Op individueel niveau kan een ouder bijvoorbeeld onverstoorbaar blijven door de stressvolle gevolgen van dagelijkse beslommeringen, of een kind veroorzaakt misschien geen mishandeling van de kant van zijn/haar gestresste ouders vanwege zijn/haar gemakkelijke temperament.
  • Bescherming op het niveau van de sociale context kan de invloed van ouder- of kind-risicofactoren bufferen, en longitudinale studies hebben aangetoond dat de intergenerationele cyclus kan worden doorbroken, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van veilige, stabiele en koesterende relaties met intieme partners en een hoge mate van moederlijke warmte jegens kinderen.

Kunnen we door middel van interventies kindermishandeling terugdringen?

Er is een aantal meta-analyses uitgevoerd naar de effectiviteit van interventieprogramma's die gericht zijn op het verminderen van het potentieel voor kindermishandeling of kindermishandeling, sommige met alleen gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken, andere met een mix van zowel gerandomiseerde als niet-gerandomiseerde onderzoeken. In onze overkoepelende synthese van 16 meta-analyses van relevante onderzoeken naar interventies op het gebied van mishandeling hebben we ons gericht op het beste bewijs dat beschikbaar is in dit gecompliceerde maar cruciale onderzoeksgebied, afgeleid van gerandomiseerde onderzoeken.

Wat is de methode van het huidige onderzoek?

In de loop der jaren zijn honderden empirische onderzoeken gedaan naar de antecedenten van kindermishandeling en naar (preventieve) interventies bij kindermishandeling. Het is moeilijk geworden om een overzicht te krijgen van de snel groeiende empirische literatuur en om het beste bewijs uit het zeer heterogene werk te distilleren. Hier komen meta-analyses in het spel.

Gericht op twee kernelementen van preventie, namelijk antecedenten voor mishandeling en de effectiviteit van (preventieve) interventies, hebben we een overkoepelende review uitgevoerd van meta-analyses die zijn gepubliceerd tussen 1 januari 2014 en 17 december 2018. Meta-analyses werden systematisch uitgevoerd. verzameld, beoordeeld en geïntegreerd volgens een uniforme aanpak om vergelijking tussen domeinen mogelijk te maken.

Wat waren de resultaten van het huidige onderzoek?

Uit deze analyse van duizenden onderzoeken met bijna 1,5 miljoen deelnemers werden de volgende risicofactoren afgeleid: ervaring van de ouders met mishandeling in de eigen kindertijd (d = 0,47), lage sociaaleconomische status van het gezin (d = 0,34), afhankelijke en agressieve ouderlijke persoonlijkheid (d = .45), intiem partnergeweld (d = .41), en hogere baseline activiteit van het autonome zenuwstelsel (d = .24). De effectgrootte voor autonome stressreactiviteit was niet significant (d = 0,10).

De overkoepelende review van interventies om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen toonde een bescheiden effectiviteit van de interventies (d = 0,23 voor interventies gericht op het potentieel van kindermishandeling of gezinnen met zelfgerapporteerde mishandeling en d = 0,27 voor officieel gemelde gevallen van kindermishandeling).

Ondanks talrijke studies over kindermishandeling, bestaan ​​er enkele grote hiaten in onze kennis van antecedenten. Neurobiologische antecedenten zouden meer onderzoeksinvesteringen moeten krijgen. In combinatie met op het gezin gebaseerde interactiegerichte interventies, kunnen grootschalige sociaaleconomische experimenten, zoals proeven met geldoverdracht en experimenten met vouchers om naar een gebied met minder armoede te verhuizen, worden getest om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen. Prevalentie, antecedenten en preventieve interventies van prenatale mishandeling verdienen voortdurende wetenschappelijke, klinische en beleidsaandacht.

Samenvatting bij Differential susceptibility perspective on risk and resilience in bullets

  • Kindermishandeling in de gezinscontext is een wijdverbreid en alomtegenwoordig fenomeen in veel moderne samenlevingen. Het wereldwijde plegen van kindermishandeling en -verwaarlozing staat in schril contrast met de bijna universele veroordeling ervan, zoals geïllustreerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.
  • Er is veel werk besteed aan preventie, maar een grootse synthese van de literatuur ontbreekt.
  • Gericht op twee kernelementen van preventie, namelijk antecedenten voor mishandeling en de effectiviteit van (preventieve) interventies, hebben we een overkoepelende review uitgevoerd van meta-analyses die zijn gepubliceerd tussen 1 januari 2014 en 17 december 2018. Meta-analyses werden systematisch uitgevoerd. verzameld, beoordeeld en geïntegreerd volgens een uniforme aanpak om vergelijking tussen domeinen mogelijk te maken.
  • Uit deze analyse van duizenden onderzoeken met bijna 1,5 miljoen deelnemers werden de volgende risicofactoren afgeleid: ervaring van de ouders met mishandeling in de eigen kindertijd (d = 0,47), lage sociaaleconomische status van het gezin (d = 0,34), afhankelijke en agressieve ouderlijke persoonlijkheid (d = .45), intiem partnergeweld (d = .41), en hogere baseline activiteit van het autonome zenuwstelsel (d = .24). De effectgrootte voor autonome stressreactiviteit was niet significant (d = 0,10).
  • De overkoepelende review van interventies om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen toonde een bescheiden effectiviteit van de interventies (d = 0,23 voor interventies gericht op het potentieel van kindermishandeling of gezinnen met zelfgerapporteerde mishandeling en d = 0,27 voor officieel gemelde gevallen van kindermishandeling).
  • Ondanks talrijke studies over kindermishandeling, bestaan ​​er enkele grote hiaten in onze kennis van antecedenten. Neurobiologische antecedenten zouden meer onderzoeksinvesteringen moeten krijgen.  
  • In combinatie met op het gezin gebaseerde interactiegerichte interventies, kunnen grootschalige sociaaleconomische experimenten, zoals proeven met geldoverdracht en experimenten met vouchers om naar een gebied met minder armoede te verhuizen, worden getest om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen.
  • Prevalentie, antecedenten en preventieve interventies van prenatale mishandeling verdienen voortdurende wetenschappelijke, klinische en beleidsaandacht.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The Behavioural Assessment of the Dysexecutive Syndrome (BADS): Ecological, Concurrent and Construct Validity van Norris & Tate - 2000

Artikelsamenvatting bij The Behavioural Assessment of the Dysexecutive Syndrome (BADS): Ecological, Concurrent and Construct Validity van Norris & Tate - 2000

Introductie

Beperkingen in executief functioneren betreffen een groot aantal verschillende beperkingen in het cognitieve systeem, het gedragssysteem en het persoonlijkheidssysteem. De cognitieve component betreft een heterogene groep van vaardigheden, zoals plannen en organiseren, redeneren en probleem oplossen, conceptualiseren en besluitvormingsprocessen. De metingen van deze vaardigheden worden bekritiseerd op hun ecologische validiteit. Ecologische validiteit verwijst naar de condities waaronder generalisaties gemaakt kunnen worden van gecontroleerde experimentele situaties naar naturalistische omgevingen.

Wat is het probleem met het interpreteren van de testresultaten?

Recentelijk heeft de kritiek zich vooral gericht op de moeilijkheid van het interpreteren van de testscores en hun relevantie voor de patiëntuitkomsten. Testresultaten die kijken naar een enkele cognitieve functie zijn vaak ongeschikt voor het voorspellen van een betrouwbare en valide uitkomst. Tevens kunnen patiënten goed presteren op een reeks testen van cognitief functioneren in een gestructureerde omgeving, terwijl zij tegelijkertijd significante beperkingen tonen in minder gestructureerde omgevingen.

Wat is de Behavioral Assessment of the Dysexecutive Syndrome?

Deze toets is ontwikkeld als reactie op de beperkingen van de metingen van executief functioneren die toen beschikbaar waren. BADS bestaat uit zes subtoetsen die een reeks cognitieve functies meten die representatief zijn voor de executieve vaardigheden. Deze zijn onder andere: cognitieve flexibiliteit, probleem oplossen, plannen, beoordelingen en schattingen, en gedragsregulatie.

Is BADS ecologisch valide?

De onderzoekers concluderen dat BADS kan worden toegevoegd aan de metingen die worden gebruikt voor het beoordelen van de executieve vaardigheden. Bij het onderscheiden tussen neurologische en niet-hersenbeschadigde personen lijken zowel de BADS als de standaardtoetsen vatbaar voor de Type II fout (ofwel het niet vaststellen van cognitieve beperkingen terwijl de patiënt die wel heeft). Deze resultaten leiden tot de vraag of de toetsen wel de meer subtielere vormen van cognitieve beperkingen vaststellen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Object and space perception – Is it a matter of hemisphere? van Schintu e.a. - 2014

Artikelsamenvatting bij Object and space perception – Is it a matter of hemisphere? van Schintu e.a. - 2014

Wat zijn de ventrale en dorsale stroom?

Het visuele systeem kan worden onderverdeeld in twee stromen, te weten de ventrale stroom en de dorsale stroom. De ventrale stroom dient voor objectperceptie, terwijl de dorsale stroom zich bezig houdt met ruimteperceptie. Er zijn inmiddels nieuwe theorieën ontwikkeld die deze stromen zowel anatomisch als functioneel verder uitwerken.

  • Bijvoorbeeld het perceptie-actie model. Deze definieert de dorsale stroom als zijnde verantwoordelijk voor onbewuste visuele actiebegeleiding en de ventrale stroom als zijnde verantwoordelijk voor bewuste perceptie.
  • Er is tevens een driedeling voorgesteld voor de dorsale stroom om de variëteit van visuospatiële functies te kunnen verklaren. De drie paden starten in de posterieur pariëtale cortex en mediëren verschillende visuospatiële vaardigheden. Het eerste pad is het parieto-premotor pad voor oogbewegingen, verschillende vormen van visuele actiebegeleiding en grijpen. Het tweede pad is het parieto-prefrontale pad voor top-down controle van oogbewegingen en ruimtelijk werkgeheugen. Het derde pad is het parieto-mediale temporale pad voor ruimtelijke vaardigheden die gerelateerd zijn aan navigatie.

Is er sprake van hemisferische dominantie?

Het wetenschappelijk bewijs voor hemisferische dominantie met betrekking tot objectperceptie en objectherkenning is tegenstrijdig. Sommige onderzoeken concluderen een dominantie van de rechterhelft, en anderen een dominantie van de linkerhelft. Er zijn ook onderzoekers die er niet van uit gaan dat een van de hersenhelften dominanter zou zijn, maar die naar objectherkenning kijken als het betreffen van hiërarchisch georganiseerde processen die afhankelijk zijn van ofwel de linker- of de rechterhemisfeer. Zij stellen dat de rechterhelft gespecialiseerd is in het onderscheiden van algemene kenmerken, terwijl de linkerhelft gespecialiseerd is in het toekennen van betekenis aan objecten voor het categoriseren en herkennen. Er is wel consensus binnen de wetenschappelijke wereld dat de rechterhersenhelft domineert met betrekking tot visuospatiële attentie.

Wat is de Visual Object and Space Perception battery?

De VOSP bestaat uit acht testen die ontworpen zijn om elk een bepaald aspect van de object- of ruimteperceptie te beoordelen, terwijl de betrokkenheid van andere cognitieve vaardigheden geminimaliseerd wordt. Deze toets wordt hier gebruikt voor het onderzoeken van de neurale onderbouwing van object- en ruimteperceptie bij patiënten met indringend traumatisch hersenletsel.  

Wat kan worden geconcludeerd over de dominantie van de linker- en rechterhersenhelft met betrekking tot object- en ruimteperceptie?

Het onderzoek levert bewijst dat het bestaan van een functionele subdivisie van het visuele systeem ondersteund. Zo wordt bevestigd dat de linkerhelft betrokken is bij objectperceptie en de rechterhelft bij ruimteperceptie. De resultaten toonden echter ook verschillende hemisferische dominantie voor de ventrale en dorsale stroom, maar dat betekent niet dat zij niet met elkaar interacteren. Tevens ondersteunt de data het bestaan van een hiërarchische organisatie van de ventrale stroom en de complementaire rol van beide hersenhelften met betrekking tot objectherkenning. Helaas zijn er ook beperkingen aan dit onderzoek, bijvoorbeeld dat de hersenschade bij de participanten vele jaren geleden al is opgelopen en er sprake kan zijn van functioneel herstel. Ook is er gebruik gemaakt van CT-scans in plaats van MRI en deze hebben een lagere resolutie en kunnen minder goed onderscheid maken tussen grijze en witte stof.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij An integrative architecture for general intelligence and executive function revealed by lesion mapping van Barbey e.a. - 2012

Artikelsamenvatting bij An integrative architecture for general intelligence and executive function revealed by lesion mapping van Barbey e.a. - 2012

Wat is de psychometrische g?

Theorieën over intelligentie hebben zich voornamelijk gericht op de analyse van een generale factor, de psychometrische g genoemd. Deze zou als basis dienen voor prestaties bij een breed scala aan cognitieve tests. Neurowetenschappelijke modellen in de stijl van Spearman’s klassieke theorie stellen dat de prefrontale cortex een uniforme neurale architectuur voor menselijke intelligentie levert. Neurowetenschappelijke data bevestigt het bestaan van dit framewerk en de betrokkenheid van de prefrontale cortex bij een breed scala aan hoge orde cognitieve processen.

Wat is het alternatief van Spearman’s generale factor model?

Het alternatief stelt dat toetsen van algemene intelligentie het gemiddelde of de gecombineerde activiteit van verschillende afzonderlijke cognitieve operaties reflecteert. Algemene intelligentie zou afhankelijk zijn van verschillende cognitieve processen die worden gemedieerd door functioneel gespecialiseerde hersengebieden. Dit model stelt dat algemene intelligentie het volgende incorporeert: 1) temporale en occipitaal specifieke gebieden voor de verwerking van sensorische gebieden, 2) pariëtale cortex voor sensorische integratie en abstractie, 3) frontale gebieden voor redeneren en probleemoplossing, 4) het anterieure cingulaat voor reactieselectie en de remming van automatische reacties. Discrete gebieden zouden nodig zijn voor kerncompetenties van algemene intelligentie, met een nadruk op de dorsolaterale prefrontale cortex en de pariëtale cortex. Witte stofassociaties zouden een belangrijke rol spelen bij het communiceren van informatie tussen deze hersengebieden. Ook voor deze theorie is neuropsychologisch bewijs gevonden.

Wat kan worden geconcludeerd over de informatieverwerkingsstructuur van algemene intelligentie?

Hoe de informatieverwerkingsstructuur van algemene intelligentie is opgebouwd, blijft nog altijd onderwerp van onderzoek. Sommige wetenschappers stellen dat de psychometrische g een enkele cognitieve vaardigheid beslaat die wordt geïmplementeerd in verwerkingsnetwerken van de prefrontale cortex. Anderen stellen dat de psychometrische g komt uit multipele cognitieve operaties die gebruik maken van een gedistribueerd systeem van functioneel gespecialiseerde corticale gebieden.

Wat voor rol kunnen patiënten met focale hersenschade spelen binnen dit onderzoek?

Patiënten met focale hersenschade leveren een bijzondere mogelijkheid voor het onderzoeken van de onderliggende mechanismen van algemene intelligentie en executief functioneren. Dit ondersteunt het onderzoek naar laesie-tekorte associaties, die de noodzaak van specifieke hersenstructuren toelichten en ons begrip van de informatieverwerkingsstructuur van hoge orde cognitie bevorderen. Onderzoek op dit gebied tot nog toe schiet echter tekort op methodologisch gebied. In dit onderzoek is daarom gekeken naar de sleutelcompetenties van algemene intelligentie en executief functioneren bij een grote steekproef van patiënten met focale hersenlaesies.

Wat zijn de gevonden resultaten?

Intelligentie en executief functioneren maken gebruik van een combinatie van conceptuele kennis en executieve processen. De communicatie tussen de hersengebieden die geassocieerd is met deze capaciteiten is zeer belangrijk. Algemene intelligentie en executief functioneren hebben een overlappend en wijd gedistribueerd netwerk van frontale en pariëtale gebieden. Schade aan het gedistribueerde netwerk van frontale en pariëtale gebieden is geassocieerd aan beperkte prestaties op intelligentietoetsen.

Wat is het fronto-pariëtale netwerk?

Het fronto-pariëtale netwerk dat door deze analyse is geïdentificeerd bevat de laterale frontopolare cortex, de anterieure prefrontale cortex, de dorsolaterale prefrontale cortex, de anterieure cingulate/mediale prefrontale cortex en de inferieure en superieure pariëtale kwab. Deze hersengebieden worden normaal gesproken geactiveerd wanneer iemand bezig is met taken die executieve controle processen vereisen. Dit netwerk geeft een uniforme architectuur voor de integratie en controle van cognitieve representaties. De integratie- en controleprocessen zijn essentieel voor doelgericht gedrag, omdat conceptuele representaties en executieve processen de basis vormen voor hoge orde cognitie. Men stelt voor dat mechanismen voor integratie en controle worden uitgevoerd door een centraal systeem met een uitgebreide toegang tot sensorische en motorische representaties. Het fronto-pariëtale netwerk is de beste plek in de hersenen om deze functies te ondersteunen. De hersenknopen van dit netwerk zijn nauw met elkaar verbonden en tevens met andere corticale en subcorticale hersengebieden. Dit levert een uniek verbindingspatroon.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. De neurale netwerken van zowel dieren als mensen betrokken bij ouderlijk opvoedgedrag, de verschillen tussen moeders en vaders en biologische gedragssynchronisatie worden besproken.

Waar gaat dit artikel over?

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. Ouderschap is van vitaal belang om te overleven, het beïnvloedt de ontwikkeling van de hersenen bij jonge individuen en wordt beïnvloed door interacties met zuigelingen, partners en gemeenschappen. De review richt zich op mensgericht onderzoek, waarbij onderzocht is welke hersennetwerken betrokken zijn bij ouderschap, wat hun gevoeligheid voor verschillende opvoedingsfactoren is, welke implicaties voor de ontwikkeling van baby's er zijn en hoe dit onderzoek kan bijdragen aan het begrijpen van bredere sociale functies zoals empathie en sociale synchronie. Feldman veronderstelt dat het brein van de ouders een hoogtepunt in de menselijke evolutie vertegenwoordigt en dat het overlevingsfuncties integreert met de complexiteit van het menselijk brein. Deze integratie biedt inzicht in mens specifieke sociale vaardigheden, zoals empathie en sociale synchronie.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij dieren?

Studies naar vrouwelijke knaagdieren laten zien dat het mediale pre-optische gebied (MPOA) in de hypothalamus geactiveerd wordt door zwangerschapshormonen en een belangrijke rol speelt bij het initiëren van moederlijk gedrag. Het verbetert de beloning en motivatie van de moeder door middel van dopaminecircuits. MPOA beïnvloedt de amygdala, wat de waakzaamheid van de moeder verhoogt en de vorming van sociale herinneringen ondersteunt. Bij het moduleren van het zorgcircuit en het gevoelig maken voor sociale ervaringen speelt oxytocine een rol. Het ouderschap bij knaagdieren omvat twee fasen:

  1. Het onderdrukken van afkeer van signalen van baby's
  2. Het vergroten van de motivatie van de moeder

Corticale processen en het oxytocinesysteem van de hersenen van het kind hebben echter minder aandacht gekregen in knaagdierstudies.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij mensen?

Welke evolutionaire aspecten van het ouderbrein zijn er?

Het menselijke ouderbrein deelt evolutionaire aspecten van ouderlijke zorg met andere zoogdieren, waarbij de amygdala en beloningscircuits een rol spelen bij ouderlijke waakzaamheid , angst voor de veiligheid van baby's en de lonende aard van de ouder-kind gehechtheid. Daarnaast speelt oxytocine ook een modulerende rol in verschillende sociaal-affectieve functies bij mensen, zoals empathie, groepscohesie en sociaal begrip. Dit suggereert dat het overlevingssysteem, beïnvloed door zwangerschapshormonen, gedurende het hele menselijke leven sociale cognitieve functies van hogere orde blijft beïnvloeden, zoals empathie.

Een cruciaal verschil tussen menselijke en dierlijke ouderlijke zorg is de integratie van subcorticale structuren met meerdere isolerende en frontotemporopariëtale netwerken bij mensen. Deze netwerken worden geassocieerd met empathie, mentaliseren en emotieregulatie en vormen een flexibele en complexe basis voor menselijk ouderschap.

Wat houdt de ouder-kind band in?

In tegenstelling tot knaagdieren is menselijke binding exclusief en persoons specifiek, en vereist een continue reorganisatie van het breinnetwerk op basis van ervaringen uit het verleden. De plasticiteit van het menselijk brein, aangedreven door oxytocine, stemt de hersenen van ouders af om te reageren op individuele signalen van kinderen, wat de ontwikkeling van de sociale vaardigheden van kinderen ondersteunt.

Wat laten beeldvormingsstudies zien over het menselijk ouderbrein?

Functionele magnetische resonantiebeeldvorming (fMRI)-onderzoeken laten zien dat er sprake is van een wereldwijd ouderlijk opvoednetwerk in het brein als reactie op signalen van baby's. Het netwerk omvat de amygdala, de oxytocine-producerende hypothalamus en het dopaminerge beloningscircuit, onderling verbonden met corticale netwerken die betrokken zijn bij empathie, mentaliseren en emotieregulatie. Deze overlappende netwerken definiëren het menselijke "sociale brein" en ondersteunen verschillende aspecten van ouderschap.

Hoe is het ouderbrein geëvolueerd?

Het ouderbrein is niet geëvolueerd door complexe sociale functies te integreren in de ouderlijke context, maar deze structuren zijn eerder geëvolueerd binnen de context van het ouderschap om de overleving van het kind te maximaliseren. Hersenplasticiteit, hoge oxytocinespiegels na de bevalling en biologische synchronisatie van gedragingen dragen bij aan deze aanpassing, waardoor diverse culturele opvoedingspraktijken mogelijk zijn.

Waar hangt de reactie van het ouderbrein op signalen van baby's van af?

Activering van hersennetwerken van ouders wordt beïnvloed door het type signaal van baby's en het geslacht van de ouders. Het zien van de baby activeert het limbische netwerk van motivatie en beloning bij moeders, vaders en niet-ouders, wat een flexibel opvoednetwerk suggereert. Het ouderlijke netwerk van zoogdieren, gecentreerd rond de oxytocine-producerende hypothalamus, is minder actief bij menselijke moeders, terwijl de amygdala vooral bij moeders sterker wordt geactiveerd als reactie op het huilen van baby's. Ouderlijke hersenbanen omvatten structuren die gevoelig zijn gemaakt door zwangerschapshormonen en corticale netwerken op basis van ervaringen.

Hoe verschilt het ouderbrein tussen moeders en vaders?

Wat zijn de verschillen bij dieren?

Er zou meer onderzoek gedaan moeten worden naar de mechanismen van het vaderlijke brein, vooral hoe moeders en vaders hun inspanningen coördineren om hun kinderen groot te brengen. Biparentale knaagdierstudies tonen aan dat actieve vaderlijke zorg de informatieverwerking bij baby's verbetert en de integratie bevordert tussen hersennetwerken die betrokken zijn bij koestering, leren en motivatie. Door fMRI-reacties van moeders en vaders te vergelijken met de video van hun baby, vonden onderzoekers verschillende hersenactiveringspatronen: grotere amygdala-activering bij moeders en grotere corticale activering bij vaders. Deze resultaten ondersteunen het idee dat er afzonderlijke paden zijn tussen moeders en vaders. Oxytocine- en vasopressinespiegels correleerden met hersenactivaties bij respectievelijk moeders en vaders, waardoor de geslacht specifieke bindingsrollen van deze hormonen werden versterkt.

Wat zijn de verschillen in mensen?

Menselijk breinonderzoek richt zich op de gevonden overeenkomsten en verschillen in de hersenactivatie tijdens reacties van ouders in verschillende mantelzorg rollen (primaire en secundaire zorgverleners). Veranderingen in functionele connectiviteit en grijze stof volume werden waargenomen in moeders en vaders, wat laat zien hoe het ouderbrein zich aanpast aan de benodigde zorg van een kind. Brein tot brein synchronisatie ontstaat in de functionele netwerken tussen moeders en vaders, wat weerspiegelt hoe zij hun hersenreacties coördineren om efficiënt baby signalen te begrijpen.
Uit recente studies naar de invloed van hormonen in de ouderlijke zorg op de hersenactiviteit blijkt dat oxytocine gecorreleerd is met de hersenactivatie bij beloning, waakzaamheid, empathie, spiegelen, en mentaliserende netwerken in zowel moeders als vaders. Vaders' testosteron niveaus zijn gecorreleerd aan veranderingen in de hersenactivatie, wat een verschuiving weerspiegelt van paring naar ouderschap.

Maternale sensitiviteit en synchroniteit correleerden met hersenstructuren in belonings-, waakzaamheids-, empathie-, spiegel- en mentaliserende netwerken. Dit benadrukt de neuro-as die betrokken is bij de gedragsmatige reactie van de moeder op haar kind. De interactieve synchronie van vaders is echter geassocieerd met corticale structuren, niet de subcorticale structuren, wat het idee van een apart breinnetwerk voor vaderlijke zorg ondersteunt.
De effecten van tegenspoed op de hersenen van een moeder zijn ook onderzocht, met name in gevallen van postpartumdepressie, trauma of middelenmisbruik. Psychopathologische aandoeningen komen tot uiting in de hersenen door verminderde activatie in belonings- en empathiecircuits, verhoogde waakzaamheid, veranderde connectiviteit en effecten buiten het netwerk van ouderlijke zorg. Er is meer onderzoek nodig om te begrijpen hoe ongunstige omstandigheden specifieke netwerken in de hersenen vormen.

Wat is biologische gedragssynchronisatie in het sociale ouderbrein?

Het ouderbrein van zoogdieren is geëvolueerd door wederzijdse invloeden tussen de fysiologie van de moeder en het kind, gefaciliteerd door de ontwikkeling van de placenta en zwangerschapshormonen. Bij mensen duurt dit proces langer, omdat de hersenen van baby's bij de geboorte nog onvolwassen zijn. Dit leidt tot een langere periode van plasticiteit voor ouderlijke zorg. De hersenen van de ouder en het kind worden op elkaar afgestemd door middel van bio-gedragssynchronisatie, waardoor de basis wordt gelegd voor de levenslange sociale en aanpassingsvaardigheden van het kind. Oxytocine, ouderlijk gedrag en fysiek contact spelen een cruciale rol bij het vormgeven van deze lange termijn effecten. Ouderlijke oxytocinespiegels voorspellen de sociale betrokkenheid van kinderen, terwijl sensitief ouderschap in de kindertijd een positieve invloed heeft op sociale resultaten later in het leven.

Wat is de conclusie?

Het bestuderen van het ouderbrein geeft inzicht in de menselijke socialiteit door ouderschap tussen soorten te vergelijken. De neurobiologie van het ouderschap, waarbij hersenstructuren en oxytocine betrokken zijn, beïnvloedt verschillende sociale functies gedurende het hele leven en is gekoppeld aan sociale disfuncties. Het onderzoeken van hersen-tot-hersensynchronisatie tijdens interacties in het echte leven tussen ouders en kinderen helpt te begrijpen hoe de hersenen sociale signalen verwerken en banden vormen. Het aanpassingsvermogen en de samenwerkingsmogelijkheden van het brein van de ouders bieden een dynamisch model om te begrijpen hoe de hersenen synchroniseren voor een succesvolle opvoeding van kinderen en gezinscohesie.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Central Touch disorders van Stralen & Dijkman - 2011

Artikelsamenvatting bij Central Touch disorders van Stralen & Dijkman - 2011

Hoe werkt het somatosensorische systeem?

Tactiele informatie wordt verwerkt door het somatosensorische systeem. Somatosensorische informatie wordt afgeleid uit verschillende receptoren in de huid, spieren en gewrichten die informatie over verschillende elementaire sensorische modaliteiten overbrengen. Zoals gnostische aanraking (druk, vibraties), proprioceptie (bevat informatie over de positie en beweging van het eigen lichaam), pijn en gevoeligheid voor warm en koud, en affectieve aanraking.  Er zijn twee systemen die verantwoordelijk zijn voor het omzetten van somatosensorische input naar de hersenen:

  • Het mediale lemniscale systeem. Dit systeem houdt zich bezig met gnostische aanraking en proprioceptie.
  • Het spinothalamische kanaal. Dit kanaal medieert pijn, thermale en affectieve tactiele informatie.

Input wordt vervolgens doorgestuurd naar de primaire somatosensorische cortex (SI), ook wel somatosensibele schors genoemd. Deze bevindt zich in de pariëtale kwab. De somatosensorische cortex bevat somatotopische mappen van de contralaterale kant van het lichaam. Wanneer de somatosensorische cortex beschadigd is, zijn er beperkingen te zien in het verwerken van de fysieke en elementaire kenmerken van tactiele stimuli. Somatosensorische processen van hogere orde betrekken wijder gedistribueerde netwerken, waaronder de secundaire somatosensorische cortex (SII). Denk bij deze processen aan het afleiden van de kenmerken van een object, het herkennen van een object en lichaamperceptiegerelateerde processen.

Wat zijn primaire somatosensorische stoornissen?

Primaire tactiele stoornissen bestaan uit een onvermogen om elementaire somatosensorische aspecten te detecteren, waaronder een beperkte sensitiviteit voor druk op de huid, verminderde ruimtelijke scherpte, verlies van trillingszin, en beperkingen in de proprioceptie.  Deze stoornissen zijn vaak het gevolg van schade aan de contralaterale primaire somatosensorische cortex, de thalamus of het subcorticale oplopend naar de somatosensorische wegen. De tekorten kunnen betrekking hebben op slechts een somatosensorische submodaliteit, terwijl de anderen geheel intact blijven. Primaire tactiel stoornissen kunnen leiden tot problemen in de hogere orde, zoals het onvermogen om objecten te kunnen herkennen op basis van aanraking. Echter, hogere orde tactiele stoornissen kunnen ook aanwezig zijn in de afwezigheid van primaire elementaire tekorten.

Welke hogere orde tactiele stoornissen kunnen we onderscheiden?

  • Discriminatie van haptische kenmerken. Haptische kenmerken betreffen textuur, substantie, grootte, vorm, gewicht en de hardheid van een stimulus. Er zijn twee categorieën met betrekking tot de micro- en macrogeometrische eigenschappen van een object. Textuur, dichtheid en thermale eigenschappen worden beschouwd als microgeometrische aspecten. Grootte en vorm worden beschouwd als macrogeometrische aspecten. Het is nog onduidelijk of de twee functies ook op neuroanatomisch niveau gesegregeerd zijn.
  • Tactiele apraxie. Dit is een afwijking die voorkomt bij handelingen gerelateerd met de actieve tastzin. Dit is niet specifiek voor het gebruik van voorwerpen, maar heeft te maken met elke handeling waarbij de hand als tastorgaan wordt gebruikt. Het betreft problemen bij het afstemmen van de handbewegingen aan de kenmerken van een object onder bepaalde omstandigheden. Tactiele apraxie is vaak gerelateerd aan schade aan de superieure posterieure pariëtale gebieden.
  • Tactiele agnosie. Dit betreft het niet kunnen herkennen van een object door aanraking.
  • Tactiele afasie. Er is sprake van tactiele afasie wanneer een persoon niet in staat is om een object te benoemen op basis van tast (maar het object wel kan benoemen wanneer deze wordt waargenomen via een andere modaliteit). De patiënt is tevens in staat om het object visueel uit te beelden en te categoriseren op basis van betekenis, wat er op wijst dat de semantische kennis over het object wel beschikbaar is voor de patiënt.  

Wat zijn lichaamsgerelateerde stoornissen?

Informatie over ons lichaam is gebaseerd op de integratie van visuele, proprioceptieve en tactiele input. Er wordt onderscheid gemaakt tussen body image en body schema. Het body image betreft een bewuste perceptuele identificatie van lichaamskenmerken. Het is meer visueel gebaseerd en wordt beïnvloed door bestaande kennis over de lichaamsstructuur en semantiek. Het body schema betreft de positie van lichaamsdelen in de ruimte voor het richting geven aan actie. Het is vooral gebaseerd op tactiele input en proprioceptieve informatie en wordt continue geüpdate terwijl ons lichaam beweegt en verandert. Stoornissen in de lichaamsrepresentaties kunnen kenmerken van beide typen bevatten.

Wat zijn structurele lichaamsrepresentatiestoornissen?

Structurele lichaamsrepresentatie betreft de kennis over de compositie en vorm van lichaamsdelen. Dit is essentieel voor het vormen van lichaamsbewustzijn. Nu volgen een aantal voorbeelden van stoornissen met betrekking tot de structurele lichaamsrepresentatie en lichaamsbewustzijn:

  • Bij autotopagnosie zijn patiënten niet in staat om hun eigen lichaamsdelen op een visueel schema aan te wijzen. Bij heterotopagnosie zijn patiënten niet in staat om de lichaamsdelen van een ander aan te wijzen. Deze stoornissen zijn geassocieerd aan midden-temporale en pariëtae leasies in de dominante hemisfeer.
  • Patiënten met asomatognosie ervaren dat een lichaamsdeel er niet meer is. Bij somatoparafrenie ervaart de patiënt asomatognosie met daarbij uitgebreide wanen, misidentificaties en verzinsels over het betreffende lichaamsdeel.
  • Het fantoomledemaat fenomeen betreft de aanhoudende ervaring van de houdings- en motorische aspecten van een ledemaat na het fysieke verlies van dat ledemaat.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Visual association test to detect early dementia of the Alzheimer type van Lindeboom e.a. - 2002

Artikelsamenvatting bij Visual association test to detect early dementia of the Alzheimer type van Lindeboom e.a. - 2002

Introductie

Geheugenbeperking is het meest uitgesproken symptoom in de vroege stadia van Alzheimer dementie. De meest specifieke eigenschap daarvan is toenemende anterograde amnesie. Dit is een vorm van geheugenverlies waarbij iemand niet in staat is om nieuwe herinneringen te vormen vanaf het moment dat het geheugenverlies begint. Als een toets anterograde amnesie kan meten, kan deze toets wellicht ook het begin van Alzheimer meten. Hiervoor is de visuele associatietest ontwikkeld.

Wat is anterograde amnesie?

Het primaire kenmerk van anterograde amnesie is een onvermogen om de dagelijkse ervaringen te herinneren. Normaal worden deze ervaringen zonder bewuste moeite opgeslagen in het geheugen. Ditzelfde automatische proces kan betrokken zijn bij visuele associatieleren (ook wel ‘imagery mnemonics’ genoemd).

Wat is visueel associatieleren?

Bij deze techniek wordt een mentaal beeld gevormd van twee interactieve objecten. Een daarvan representeert het item dat onthouden moet worden, en de andere een voorbestemd op te halen signaal (‘retrieval cue’). Het vormen van zo’n beeld op zichzelf is een inspannende activiteit, maar het opslaan en terughalen van de herinnering niet. De facilitatie van het gepaard associatief leren wordt bereikt door het visualiseren van de items die onthouden moeten worden in de vorm van interactieve objecten. De gelijkenis van deze techniek met het vermogen zich dagelijkse gebeurtenissen te kunnen herinneren, ligt in het feit dat het terug kunnen halen van de herinnering wordt gestimuleerd door contextuele cues.

Wat zijn de gevonden resultaten?

Het gebruik van imagery mnemonics leidt tot grote verbetering van het gepaard associatief leren. Dit effect vindt ook plaats wanneer actieve visualisatie absent is, of wanneer er geen sprake is van een leerintentie. De enige vereiste is dat de target en de cue worden waargenomen als met elkaar interacterende objecten. Imagery mnemonics zijn inefficiënt bij patiënten wiens geheugenbeperkingen amnesie-eigenschappen bevatten, zoals bij vroege dementie van het Alzheimertype. Dit wordt in dit onderzoek bevestigd. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld dat de visuele associatietest nuttig kan zijn bij het diagnosticeren van vroege dementie van het Alzheimertype.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Neuropsychological assessment of 86-year-old man with Broca's aphasia complaining of memory difficulties van Woods e.a. - 2016

Artikelsamenvatting bij Neuropsychological assessment of 86-year-old man with Broca's aphasia complaining of memory difficulties van Woods e.a. - 2016

Waarom kunnen cognitieve beperkingen lastig worden vastgesteld bij patiënten met afasie?

Een taalverwerkingsstoornis zorgt voor een interessant probleem voor de neuropsycholoog. Veel neuropsychologische testen vereisen verbale instructies en een intact taalvermogen om de taal te kunnen begrijpen, of omdat de testen een verbaal antwoord vereisen. Het is daarom bij patiënten met afasie lastig vast te stellen hoe eventuele cognitieve beperkingen er uit zien. Dit heeft onderzoekers geleid naar de vraag of patiënten met Broca’s afasie ook tekortkomingen hebben in het verwerken van niet-taal gebaseerde stimuli. Deze vraag blijft echter onbeantwoord in de zin dat de gedane onderzoeken zeer uiteenlopende resultaten laten zien.

Wat zegt het werkgeheugenmodel over de cognitieve beperkingen van patiënten met Broca’s afasie?

Een tekort in het executief functioneren kan invloed hebben op andere cognitieve domeinen, met name het domein van informatie codering. Het werkgeheugenmodel stelt dat articulatorische oefening van verbaal materiaal is aangepast bij individuen met Broca’s afasie, en dat verklaart de dagelijkse tekorten op het verbale domein. Iemand kan geheugenproblemen geassocieerd met verbale informatie ondervinden als gevolg van twee redenen. Ten eerste kan de persoon nieuwe informatie niet goed genoeg coderen om deze een plek te geven in het lange termijn geheugen. Ten tweede kan de persoon er moeite mee hebben om actief executieve processen te gebruiken om oude verbale informatie uit het lange termijn geheugen te halen.

Hoe kan men vaststellen of het niet-verbale geheugen is aangetast bij een patiënt met Broca’s afasie?

Als een patiënt beperkingen toont op testen van niet-verbaal geheugen, dan zou dat bewijs kunnen zijn van een geheugenbeperking die ongerelateerd is aan de afasie en aan de hersenschade.

Kunnen interventies cognitieve problemen oplossen?

Interventies om cognitieve problemen te verbeteren missen ecologische validiteit. Zo kunnen gedragingen die op een computer zijn aangeleerd niet altijd goed worden gegeneraliseerd naar de ervaringen in de buitenwereld. Een grote meta-analyse heeft geconcludeerd dat er niet genoeg bewijs is om cognitieve rehabilitatie van executieve dysfunctie aan te moedigen. Er is echter ook onderzoek geweest dat aantoonde dat het aanleren van compenserende gedragsstrategieën om executieve tekorten te overkomen voordelig kunnen zijn.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Diagnostische instrumenten voor het onderzoeken van Afasie van AfasieNet - 2015

Artikelsamenvatting bij Diagnostische instrumenten voor het onderzoeken van Afasie van AfasieNet - 2015

Wat zijn de belangrijkste logopedische testinstrumenten op stoornisniveau?

  • De ‘ScreeLing’ screent in korte tijd afatische stoornissen op de linguïstische niveaus van semantiek, fonologie en syntaxis. De drie taalverwerkingsniveaus worden in één test verenigd en kan al in de eerste week na een beroerte of hersentrauma worden afgenomen en is ook afneembaar in het chronische stadium.
  • De ‘Cat-NL’ is bedoeld om uitgebreid taalvaardigheden te testen, om geassocieerde cognitieve stoornissen te screenen en om een beknopt beeld te geven van de handicap die een afasiepatiënt in het dagelijks leven ondervindt. De ‘Cat-NL’ bestaat uit een cognitieve screening, een taaltest en een vaardigheidsvragenlijst. Dit instrument kan worden gebruikt voor het diagnosticeren van de stoornis, het plannen van de behandeling, als motivatie voor verder testonderzoek, het voorspellen en volgen van veranderingen in de ernst van de afasie in de tijd en het selecteren van therapie.
  • De ‘Semantische Associatie Test’ stelt semantische fouten vast en diagnosticeert stoornissen in de semantische verwerking.
  • De ‘PALPA’ is te gebruiken voor het onderzoeken en diagnosticeren van onderliggende linguïstische stoornissen in de taalverwerking bij afasiepatiënten. De taken kunnen worden geselecteerd en worden afgestemd op de gestoorde en intacte vermogens van de patiënt. Er ontstaat dan een gedetailleerd profiel dat kan worden geïnterpreteerd in termen van cognitieve modellen.
  • De ‘Token Test’ is in staat om binnen een groep patiënten met hersenbeschadiging de patiënten met afasie te selecteren.
  • De ‘Afasie-Bedside-Check’ kan taal-en/of spraakstoornissen vaststellen bij neurologische aandoeningen in de acute fase.
  • Het ‘Diagnostisch Instrument voor Apraxie van de Spraak’ (DIAS) is specifiek gericht op de aanwezigheid van spraakapraxie, los van andere stoornissen zoals afasie en/of dysartrie. De test bepaald ook de ernst van de spraakapraxie.

Wat zijn de belangrijkste logopedische instrumenten op activiteiten- en participatieniveau?

  • De ‘Amsterdam-Nijmegen Test voor Alledaagse Taalvaardigheid’ (ANTAT) breng de verbaal communicatieve vaardigheid van afasiepatiënten in beeld.
  • De ‘Scenario Test’ meet verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden van afasiepatiënten. Hieronder vallen de non-verbale communicatiekanalen zoals mimiek, gebaren, tekenen, schrijven, en het gebruik van communicatiehulpmiddelen zoals een elektronisch communicatieapparaat. Therapie gericht op alternatieve communicatie wordt vooral gegeven aan patiënten bij wie het spreken niet of nauwelijks meer mogelijk is, zoals bij mensen met globale of Broca’s afasie. De test kan echter ook informatief zijn bij mensen met een lichtere afasie om na te gaan of zij hun verbale communicatie ondersteunen met alternatieve strategieën.
  • De ‘SAQOL-39NL’ is een vragenlijst met betrekking tot de kwaliteit van leven, geschikt voor mensen die een beroerte hebben gehad en al dan niet afasie hebben. De patiënt beoordeelt in een interview zelf zijn/haar gezondheid gerelateerde kwaliteit van leven, eventueel met behulp van de interviewer. De interviewer mag alle vormen van communicatie gebruiken en uitleg en voorbeelden geven als dat nodig is. De vragenlijst is dan ook geschikt voor mensen met ernstiger begripsproblemen.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij A multiperspective approach to the conceptualization of executive functions. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology van Packwood e.a. - 2011

Artikelsamenvatting bij A multiperspective approach to the conceptualization of executive functions. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology van Packwood e.a. - 2011

Wat is het probleem met de huidige definitie van executief functioneren?

De problemen kunnen in drie punten worden benoemd:

  • Er is inconsistentie met betrekking tot de kernstructuur van executief functioneren. Er is een gebrek aan een formele definitie van executief functioneren en aan een coherente structuur.
  • Er worden vaak veel verschillende termen gebruikt voor het benoemen van vaak schijnbaar gelijke functies. Het zal lastig zijn om scheidbare, onderliggende functies te identificeren en onderzoeken met elkaar te vergelijken als onderzoekers niet meer uniform worden in hun terminologie.
  • Er zijn allerlei verschillende taken beschikbaar om verschillende facetten van executief functioneren te meten. Het gebrek aan formele definities leidt er toe dat onderzoekers hun eigen labels toevoegen aan de functies die door een neuropsychologische taak worden gemeten. Ook worden er steeds nieuwe taken ontwikkeld, waarbij vervolgens weer termen moeten worden toegevoegd om de potentiële processen te benoemen. Hierbij ontstaat ook het probleem van taakonzuiverheid. Dat betekent dat elke taak een aantal verschillende executieve subcomponenten kan onderzoeken en/of tevens cognitieve processen die niet tot executieve functies behoren. Het is dan lastig te achterhalen hoe een beperking op een bepaalde taak moet worden geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld: verbale vloeiendheid kan worden beschreven als een maat van vloeiendheidsvaardigheden, geheugen ophalen, en set shifting.

Waarom is deze onduidelijkheid over de terminologie een probleem?

Er is meer eenheid nodig in het veld van de executieve functies als men de onderliggende basis van neuropsychologische beperkingen goed wil begrijpen. Neuropsychologen zouden in staat moeten zijn om tussen elke executieve functie onderscheid te maken, zodat een adequate diagnosis en behandeling kan worden gegeven aan patiënten die problemen ondervinden met hun executief functioneren. De grote variëteit van subcomponenten zorgt er voor dat het profiel van de neuropathologie lastig met zekerheid te bepalen is, waardoor diagnose en behandelingen specificiteit en uniformiteit missen.

Kan het aantal geïdentificeerde executieve functies worden gereduceerd?

In het huidige artikel is geprobeerd om het aantal voorgestelde executieve subcomponenten te kwantificeren en te reduceren. Echter, zelfs na het uitsluiten en samenvoegen van een groot aantal subcomponenten blijven er nog zeer veel over. Dit wijst weer op de enorme inconsistentie en incoherentie in dit onderzoeksveld. Van de overgebleven executieve functies kan niet worden gezegd dat deze elk een duidelijk afzonderlijk functioneel subcomponent zijn. Daarom kunnen deze niet worden geïncorporeerd in een betekenisvolle theorie van executief functioneren. Er zijn te veel benoemde vaardigheden, definities en taken om deze te reduceren naar een betekenisvolle taxonomie. Een betere transparantie in het labelen van subcomponenten kan helpen bij het kunnen vergelijken van verschillende onderzoeken.

Reflecteren de verschillende subcomponenten taakspecifieke manifestaties van gedragingen?

Een ander gezichtspunt dat naar voren wordt gebracht is dat wellicht de verschillende subcomponenten geen afzonderlijke functies per se reflecteren, maar eerder taakspecifieke gedragsmanifestaties. Sommige modellen in de cognitieve psychologie suggereren dat fundamentele processen zoals geheugen en aandacht de gedragskeuzes regelen. Als complexe beslissingen worden gecontroleerd door slechts een aantal functies, dan zouden de vele executieve functies kunnen refereren naar de verschillende gedragingen die resulteren uit de interactie tussen deze fundamentele processen tijdens het uitvoeren van verschillende taken. Dezelfde taken of situaties zouden dezelfde gedragingen veroorzaken, omdat het besluitvormingsproces in beide gevallen min of meer hetzelfde is.

Waar bevinden deze kernfuncties zich?

Resultaten uit neuroimaging onderzoeken wijzen er op dat zulke kernfuncties zich in de cortex zouden kunnen bevinden. Het zou de interactie zijn tussen verschillende delen van de cortex die nodig is voor het maken van een complexe beslissing. Executief functioneren kan in deze context worden gedefinieerd als een systeem dat verantwoordelijk is voor het verkrijgen van de taakcontext en de implementatie van regels die worden gebruikt om richting te geven aan gedrag, ongeacht de specifieke gedragingen of reacties die worden vereist door de taak.

Wat is het model van Shallice en Burgess (1996)?

In 1996 publiceerden de wetenschappers Shallice en Burgess een model dat overeenkomt met de bovengenoemde strategie. Zij beschrijven daarin executief functioneren niet als een multitude van subcomponenten. In plaats daarvan benoemen zij drie fasen waar iemand doorheen moet wanneer deze wordt geconfronteerd met een nieuwe of complexe situatie. Deze zijn 1) de constructie van een tijdelijk nieuw schema, 2) implementatie van tijdelijk nieuw schema, en 3) beoordeling en verificatie. De output in dit model is gedrag dat ontstaat uit deze drie principes. De executieve functies die in de literatuur worden besproken kunnen worden gezien als voorbeelden van verschillende outputs (of als gedragingen afgeleid uit deze drie principes).

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Klinische neuropsychologie: een must voor de gz-psycholoog? van Duits & Dijkstra - 2018

Artikelsamenvatting bij Klinische neuropsychologie: een must voor de gz-psycholoog? van Duits & Dijkstra - 2018

Hoe werkt klinische neuropsychologie in de praktijk?

Er zijn twee specialismen in het basisberoep van de gezondheidszorg psycholoog (gz-psycholoog). Dit zijn de specialisaties tot klinisch psycholoog óf tot klinisch neuropsycholoog. Bij de klinische neuropsychologie gaat het om het bestuderen van de gevolgen van hersenaandoeningen (zoals hersentrauma’s, beroertes, autisme, schizofrenie, Alzheimer, Parkinson) bij allerlei leeftijden. Deze hersenaandoeningen kunnen leiden tot fysieke problemen, maar ook tot emotionele problemen en gedragsproblemen.

Een belangrijke taak voor de klinisch neuropsycholoog is om te bepalen in hoeverre de klachten die een patiënt ervaart vooral organisch-cerebraal van aard zijn (met andere woorden, die zijn ontstaan door een specifieke hersenaandoening). Dit is belangrijk, omdat klachten die patiënten ervaren ook kunnen ontstaan als gevolg van factoren zoals pijn, angst, vermoeidheid, somberheid etcetera. Op basis van deze vaststelling wordt er een behandelplan opgesteld (dit kan psycho-educatie, cognitieve training en/of psychotherapie zijn). Deze behandelingen zijn dan aangepast aan de specifieke kenmerken van de patiënten met de hersenaandoening. Daarnaast doen veel klinische neuropsychologen wetenschappelijk onderzoek, vervullen zij vaak leidinggevende functies en zijn ze betrokken bij innovaties in de zorg.

Wat is de rol van klinische neuropsychologie voor gz-psychologen?

In de praktijk is het zo dat gz-psychologen vaak in aanraking komen met cliënten die een hersenaandoening hebben en die zijn doorverwezen met de vraag naar een diagnose of een passende behandeling. Van deze gz-psychologen wordt verwacht dat zij kennis heeft over het gebruik van gestandaardiseerde neuropsychologische instrumenten en dat hij of zij kennis heeft over de veelvoorkomende hersenaandoeningen zoals beroertes en dementie. Zij kunnen daarbij gebruik maken van de richtlijnen voor neuropsychologische diagnostiek die is ontwikkeld door de sectie Neuropsychologie van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP). Deze richtlijnen zijn opgesteld speciaal voor gz-psychologen en beperken zich alleen tot diagnostiek. Wanneer de tests geen éénduidig beeld opleveren of wanneer er sprake is van complexe problematiek (zoals comorbiditeit), dan wordt de klinische neuropsycholoog ingeschakeld.

Wat betreft de behandeling is de klinisch neuropsycholoog de persoon die uiteindelijk beslist. De behandeling zelf kan uiteindelijk wel door andere disciplines worden uitgevoerd (denk aan logopedisten, cognitieve trainers).

Klinische neuropsychologie tijdens de gz-opleiding

Het wordt verwacht dat een gz-psycholoog na afronding van zijn of haar opleiding kennis heeft van de neuropsychologie, tests kan scoren, interpreteren en deze in een verslag kan rapporteren. Dit betekent dat van een gz-psycholoog wordt verwacht dat hij of zij, na afronding van de opleiding, zelfstandig een neuropsychologisch onderzoek kan uitvoeren. Dit is belangrijk, omdat er weinig klinisch neuropsychologen zijn in Nederland. Bij het bestuderen van de verschillende opleidingen, blijkt dat er veel verschillen zijn tussen verschillende opleidingsinstituten in tijd en ook in inhoud. Dit leidt tot de vraag of men wel echt kan verwachten dat gz-psychologen na het afronden van hun opleiding inderdaad in staat zijn om zelfstandig een neuropsychologisch onderzoek uit te voeren. De auteurs van dit artikel stellen dat gz-psychologen onvoldoende in staat zijn om dit te kunnen. Vanwege het feit dat een gz-opleiding voldoende kennis zou moeten opleveren om door te stromen naar een specialistische opleiding (klinische psycholoog of klinische neuropsycholoog) is dit onwenselijk.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Taalstoornissen van Visch-Brink & Wencke Veenstra (Richtlijn neuropsychologische revalidatie, 3.9) - Chapter

Artikelsamenvatting bij Taalstoornissen van Visch-Brink & Wencke Veenstra (Richtlijn neuropsychologische revalidatie, 3.9) - Chapter

Welke stoornissen met betrekking tot de linguïstische basiscomponenten kunnen worden onderscheiden?

Taal kent drie linguïstische basiscomponenten die individueel of tegelijkertijd gestoord kunnen zijn:

  • Semantiek (betekenis). Een semantische stoornis komt tot uiting in semantische parafasieën en in het verkeerd begrijpen van inhoudswoorden.
  • Fonologie (klank). Een fonologische stoornis is vooral expressief en wordt gekenmerkt door fonematische parafasieën. Ook de inputroute kan gestoord zijn, wanneer bijvoorbeeld ‘poot’ wordt begrepen als ‘boot’.
  • Syntaxis (zinsvorming). Bij een syntactische stoornis spreekt en schrijft iemand in telegramstijl en zijn er problemen met het begrijpen van complexe zinsconstructies, zoals passieve en samengestelde zinnen.

Hoe wordt de aanwezigheid van afasie vastgesteld?

Voor het vaststellen van de aanwezigheid, de aard en ernst van afasie en voor het onderzoeken van de kenmerken van de afasie gebruikt een logopedist bepaalde meetinstrumenten. De diagnose is gericht op het aantonen van stoornissen in de verschillende taalmodaliteiten en in de linguïstische basiscomponenten en is van belang voor de cognitief-linguïstische therapie.

Welke testinstrumenten worden regelmatig gebruikt bij het onderzoeken van een taalstoornis als gevolg van hersenschade?

  • Aan de hand van ‘Analyse Spontale Taal’ kan inzicht worden verkregen in de functionele verbale communicatie en kan de spontane taal objectief worden beoordeeld. Dit kan aanknopingspunten bieden voor vervolgonderzoek en het opzetten van een therapie.
  • De ‘Boston Benoem Taak’ wordt gebruikt om woordvindstoornissen te diagnosticeren, om het verloop van afasie vast te stellen en/of het effect van therapie te evalueren.
  • De ‘Semantische Associatie Test’ dient om verbale en/of visuele semantische stoornissen te diagnosticeren als mogelijke oorzaak van een woordvindstoornis. Dit kan helpen bij het opzetten van de vervolgbehandeling.
  • De ‘Token Test’ onderscheid personen met hersenletsel met afasie van personen met hersenletsel zonder afasie.

Hoe ziet de behandeling van een persoon met afasie er uit?

De behandeling van een patiënt met afasie richt zich op verschillende niveaus, te weten het functieniveau, activiteitenniveau en participatieniveau. Bij de behandeling wordt rekening gehouden met de omgevings- en persoonlijke factoren van de patiënt.

  • Op functieniveau richt de therapie zich op het herstellen van de taalfuncties.
  • Op activiteitenniveau richt de therapie zich op de individuele vaardigheden en competenties van de patiënt om zich in sociale situaties te kunnen handhaven.
  • Op participatieniveau gaat het om de werkelijke uitvoering van communicatieve activiteiten tijdens de invulling van een sociale rol.

Hoe effectief is afasietherapie?

Wanneer er gekeken wordt naar de effectiviteit van afasietherapie richt men zich op de inhoud van de therapie, de intensiteit van de therapie en de timing. Onderzoek toont aan dat het vroeg inzetten van intensieve cognitief-linguïstische therapie bij patiënten met afasie als gevolg van hersenletsel geen invloed heeft op de kwaliteit van de verbale communicatie. Tevens blijkt dat semantische en fonologische therapie een therapie-specifiek effect kunnen hebben op de verbale communicatie. Tot slot zijn er geen aanwijzingen dat cognitief-linguïstische therapie het genereren van woorden volgens een gegeven concept (van belang voor de woordvinding) kan faciliteren.  

Wat wordt aangeraden wanneer een persoon als gevolg van hersenletsel afasie oploopt?

Het is in dat geval niet noodzakelijk om direct een intensief cognitief-linguïstische therapie gericht op de woordvinding toe te passen. Het is beter om het spontane herstel af te wachten en de meer gestabiliseerde afasie goed te onderzoeken. Dan kan een therapie worden toegepast die meer op de patiënt is afgesteld. In de acute fase kan eerst aandacht worden besteed aan de counseling en het optimaliseren van de communicatie tussen de patiënt en diens naasten.

Access: 
Public
Summaries: the best scientific articles for biopsychology and neuropsychology summarized

Summaries: the best scientific articles for biopsychology and neuropsychology summarized

Article summaries biopsychology and neuropsychology

What is this page about?

  • Type: summaries of scientific articles and academic papers
  • Areas: behavioral neuroscience and neuroendocrinology, clinical neuropsychology and rehabilitation neuropsychology, neurodevelopment and pediatric neuropsychology
  • Language: English
  • Access: public

Where to go next?

How can you get to your summaries?

  • Scroll to one of the article guides that you see per study field or working area and click on the guide to open it
  • Select the article summary that you are looking for
  • Click on the summary and start exploring, learning and enhancing your projects!
Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Check more: this content refers to
Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor psychologie en gedrag samengevat

Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor psychologie en gedrag samengevat

Artikelsamenvattingen pychologie en gedrag

Waar gaat deze pagina over?

  • Soort: samenvattingen van wetenschappelijke artikelen en academische papers
  • Gebieden o.a: Arbeidspsychologie, biopsychologie, klinische psychologie, ontwikkelingspsychologie, psychopathologie, sociale psychologie
  • Taal: Nederlands
  • Toegang: publiek toegankelijk

Waar kan je hierna heen?

Hoe kan je verder naar je samenvattingen?

  • Scrol naar een van de artikelgidsen die je per studiegebied of werkveld ziet aangegeven, en klik op de artikelgids op deze te openen
  • Selecteer de artikelsamenvatting of artikelgids waarnaar je zoekt
  • Klik op de artikelsamenvatting of artikelgids en start met verkennen, leren en versterken!
...more on this page, or read on below >>
Access: 
Public
Psychology and behavioral sciences - Theme
Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas
Check more: study fields and working areas

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2769
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector