Tentamens: startpagina voor oude tentamens en tentamentips per vak bij statistiek en onderzoeksmethoden
Tips en trucs om het tentamen te halen, de studiestof te leren beheersen
en te snappen waar een vak nou echt over gaat
Oefententamen bij KOM UU: Beschrijvende statistiek en kernbegrippen - Exclusive
Vragen bij KOM UU: Beschrijvende statistiek en kernbegrippen - Deel 1 van 2
Multiple Choice oefententamenvragen - Vraag 1 t/m 10
MC vraag 1
- Mediaan
- Modus
- Gemiddelde
MC vraag 2
Een verdeling heeft een gemiddelde van 85 en een mediaan van 80. Hoe ziet deze verdeling eruit?
- Linksscheef
- Rechtsscheef
- Symmetrisch
MC vraag 3
Wat is het effect van steekproefgrootte op de uitkomst van een hypothesetest?
- De kans op een significant effect is groter bij een grotere steekproef
- De kans op een significant effect is kleiner bij een grotere steekproef
- De effectgrootte wordt kleiner bij een grotere steekproef
MC vraag 4
Wat is waar met betrekking tot de vorm van de verdeling van steekproefgemiddelden?
- Hoe groter de steekproef, hoe meer de gemiddelden verspreid zijn
- Hoe kleiner de steekproef, hoe meer normaal verdeeld
- Hoe groter de steekproef, hoe dichter de gemiddelden bij elkaar liggen
MC vraag 5
Welke van de onderstaande uitspraken is juist?
I. Over het algemeen is de distributie van t-statistieken platter en meer uitgespreid dan de standaard normaalverdeling.
II. Wanneer een sample n=21 scores heeft, krijg je een t-statistiek met df = 22.
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
- Beide stellingen zijn juist
- Beide stellingen zijn onjuist
MC vraag 6
Welke van de onderstaande uitspraken is juist?
I. Om statistische technieken te gebruiken in een within-subjects design moeten de samples aan elkaar gematcht zijn.
II. Een herhaalde metingen design is een vorm van gecorreleerde sample designs
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
- Beide stellingen zijn juist
- Beide stellingen zijn onjuist
MC vraag 7
In een onderzoek naar het aantal benodigde afspraken met een logopediste bij kinderen die de letter ‘r’ niet goed kunnen uitspreken, is een steekproef getrokken van 100 kinderen. Het gemiddeld aantal afspraken dat de kinderen nodig hadden is 13. De schatting van de standaardfout is 0.5. Stel dat er een kleinere steekproef is getrokken uit dezelfde populatie waarbij ook het gemiddelde 13 en standaardafwijking 5 is gevonden. Wat kan er gezegd worden over de grootte van de schatting van de standaardfout?
- De schatting van de standaardfout is 0.5.
- De schatting van de standaardfout is kleiner dan 0.5.
- De schatting van de standaardfout is groter
Oefententamen bij KOM UU: Steekproeven en toetsing - Exclusive
Oefententamen bij Kennismaking met Onderzoeksmethoden en Statistiek aan de Universiteit Utrecht
Multiple choice oefententamenvragen
Vraag 1
De cumulatieve percentagewaardes zijn geassocieerd met de …… grenzen van de corresponderende scores van intervallen
- Schijnbare, bovenste
- Schijnbare, onderste
- Echte, bovenste
- Echte, onderste
Vraag 2
Bij een steekproef hoort een ……; bij een populatie hoort een……
- Statistiek; parameter
- Populatie; parameter
- Parameter; statistiek.
Vraag 3
Een steekproeffout ontstaat doordat:
- Er niet genoeg mensen in de populatie zijn
- Elke steekproef anders is
- Er een verschil is tussen de specifieke personen in de steekproef en alle mensen in een populatie.
Vraag 4
In een onderzoek wordt gevraagd naar de hobby’s van tieners. Ze kunnen kiezen uit sporten, muziek, lezen en overige hobby’s. In wat voor grafiek kunnen de resultaten het beste worden weergeven?
- Staafdiagram
- Histogram
- Polygoon
Vraag 5
In onderzoek worden over het algemeen verschillende soorten variabelen gemeten. Welke termen ontbreken in de zin: De …… variabele heeft invloed op de …… variabele.
- Experimentele; afhankelijke
- Onafhankelijke; afhankelijke
- Experimentele; controle.
Vraag 6
Welke van de onderstaande uitspraken is waar? 1. Populaties kennen minder spreiding dan samples en 2. Ongeveer 68% van de scores valt binnen twee standaardafwijkingen van het gemiddelde.
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
- Beide stellingen zijn juist
- Beide stellingen zijn onjuist.
Vraag 7
Wat is het doel van correlationeel onderzoek?
- De invloed van de ene variabele op de andere variabele meten
- Het verschil tussen twee groepen meten
- Het verband tussen twee variabelen meten.
Vraag 8
Er wordt op de Universiteit Utrecht onderzoek gedaan naar het zelfbeeld van eerstejaarsstudenten. Ze moeten vragen beantwoorden op een schaal van 1 (laag) tot 7 (hoog). Op wat voor niveau wordt er gemeten?
- Interval
- Nominaal
- Ordinaal.
Vraag 9
Er wordt onderzoek gedaan naar de bereidheid van drugsverslaafden in Nederland om zich te laten opnemen in een kliniek. Een groep van 100 verslaafden wordt geselecteerd om vragenlijsten te beantwoorden. Wat is de populatie in dit onderzoek?
- De groep van 100 verslaafden
- De drugsverslaafden in Nederland
- De Nederlandse bevolking.
Vraag 10
Geef aan welke van de volgende stellingen juist is. 1. Het is mogelijk dat een verdeling meer dan een modus heeft, en 2. De modus is de juiste centrummaat voor nominale data.
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
- Beide stellingen zijn juist
- Beide stellingen zijn onjuist.
Vraag 11
In een onderzoek wordt gevraagd naar de hobby’s van tieners. Ze kunnen kiezen uit sporten, muziek, lezen en overige hobby’s. In wat voor grafiek.....read more
Oefententamen bij KOM UU: Hypotheses en analysemethoden - Exclusive
Oefententamenvragen
Vraag 1
Empirische vragen zijn vragen die:
- Termen omvatten die geoperationaliseerd kunnen worden
- Te beantwoorden moeten zijn aan de hand van data
- Geen van bovengenoemde vragen
- Zowel antwoordmogelijkheid a. als b. zijn correct.
Vraag 2
Voorstanders van studies met een ‘single design subject’ (n=1) beweren dat deze studies weldegelijk externe validiteit kunnen hebben, omdat:
- Externe validiteit niet van belang is bij deze studie
- Men de studie steeds kan repliceren waardoor er gemeten kan worden of er sprake is van een behandeleffect
- Deze studies gewoon wel een externe validiteit hebben
- Deze soort studies alleen bedoeld zijn voor basaal onderzoek en niet voor toegepast onderzoek.
Vraag 3
Wanneer een psychologische test betrouwbaar is, dan houdt dit in:
- Dat de test valide is
- Dat een herhaalde meting hetzelfde resultaat zal geven
- Dat er geen meetfouten in de test zitten
- Dat de test kan voorspellen wat mensen zullen gaan doen.
Vraag 4
Wat is de term die beschrijft hoe men van het ene focusgebied naar het andere schuift binnen een bepaald vakgebied? Voorbeeld: in de psychologie was het behaviorisme een tijd populair, nu is het denken in schema’s en cognities populair.
- Normale wetenschap
- Incommensurabiliteit
- Relativisme
- Verandering van paradigma’s.
Vraag 5
Wat is de beste manier om een steekproef te trekken wanneer je in een werkgroep de attitude wilt onderzoek t.a.v. vrouwelijke piloten? In de groep zitten 30 mannen en 10 vrouwen.
- Een cluster steekproef (cluster sample)
- Een gelegenheids-steekproef (convenience sample)
- Een aselecte steekproef (simple random sample)
- Een gestratificeerde steekproef (stratified sample).
Vraag 6
Wanneer er gebruikt gemaakt wordt van een schriftelijke enquête:
- Zullen vertekeningen van de onderzoeker nooit een probleem zijn
- Zal er een hogere respons zijn als de enquête meer gesloten dan open vragen heeft
- Zal een respons van 5% voldoende zijn
- Zullen er minder mensen reageren dan wanneer men mondeling een enquête afneemt.
Vraag 7
Volgens de ethische APA code voor de mens moeten mensen die vrijwillig meedoen aan een onderzoek:
- Aan het eind van het onderzoek uitleg krijgen over de achtergronden van het onderzoek
- Elk moment tijdens het onderzoek kunnen stoppen, zonder dat ze hiervan consequenties ervaren
- Een formulier ondertekenen waarin vastgesteld wordt dat ze voldoende zijn geïnformeerd over de voorwaarden van het onderzoek
- Alle bovengenoemde antwoorden zijn correct.
Vraag 8
Welk antwoord is correct als het gaat over constructvaliditeit?
- Constructvaliditeit houdt zich bezig met de vraag of het gemeten construct een betekenisvol construct is
- Constructvaliditeit kan alleen worden vastgesteld door middel van meerdere onderzoeken
- Constructvaliditeit meet of de gebruikte methode om een construct te meten, de juiste is.
- Alle bovengenoemde mogelijkheden
Vraag 9
Met de steekproef …… wordt ervoor gezorgd dat alle leden van een populatie evenveel kans hebben om.....read more
Oefententamen bij KOM UU: Onderzoeksopzet en validiteit - Exclusive
Oefententamenvragen
Vraag 1
Bij welke steekproef hebben alle leden van een populatie precies dezelfde kans om gekozen te worden om deel te nemen aan een onderzoek?
- clustersteekproef (cluster sample).
- een gestratificeerde aselecte steekproef (stratified sample).
- een gemakssteekproef (convenience sample).
- een enkelvoudige aselecte steekproef (simple random sample).
Vraag 2
Welke van de volgende antwoorden maakt doorgaans geen deel uit van het kwalitatieve onderzoeksproces?
- de onderzoeksvraag
- het operationaliseren
- de hypothese(n)
- de steekproef
Vraag 3
De variabele leesvaardigheid is gemeten op een schaal van 0 (heel slecht) tot 100 (perfect). Wat is het meetniveau van deze variabele?
- nominaal
- ordinaal
- interval
- ratio
Vraag 4
Kritisch-emancipatoir onderzoek wordt meestal gedaan door middel van:
- een experiment
- een survey
- analyse van bestaande statistische gegevens
- kwalitatief onderzoek
Artikel:
Introduction
Recently, researchers have claimed that infants have an innate capacity for aggressiveness. At the same time, studies have revealed marked individual differences in aggression among young children by showing that some toddlers can be diagnosed with clinically significant conduct problems. This study tested the hypothesis that 12-month-old infants’ use of force against peers is associated with known risk factors for violence.
Methods
We conducted a study with firstborn British infants (n=271) and examined whether risk factors measured during pregnancy predicted infants’ aggressiveness at the age of approximately 12 months. During the first assessment, pregnant mothers were interviewed about their mood disorder symptoms. The interviews were transcribed and then coded in consultation with a psychiatrist according to diagnostic criteria of the fourth edition of the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM–IV; American Psychiatric Association, 1994). There was significant agreement between two psychiatrists’ diagnoses of 22 randomly selected cases (κ = .77, p < .001), an indication of significant reliability. Furthermore, parents were asked about mothers’ smoking behavior by reporting the number of cigarettes smoked per day during pregnancy and mothers’ past conduct problems (e.g. fighting, stealing) on a scale from 0 (absent) to 2 (definitely present). During the second assessment, families were invited to attend a simulated birthday party. Parents or other caregivers completed a Cardiff Infant Contentiousness Scale (CICS) measuring early manifestations of aggressiveness (e.g. bites, has temper tantrums) on a scale from 0 (absent) to 2 (definitely present). Infants’ observed use of physical force was recorded by observers who were blind to infants’ CICS ratings and family circumstances. Observers transcribed the interactive moves made by each infant, using a set of predetermined behavioral categories, including instrumental force (e.g. with toys) and bodily force. Observers recorded whether each peer-directed move definitely or possibly involved instrumental or bodily force. A summary scale score was derived for each type of force.
Conclusion
Our findings indicate that infants at risk for serious aggression can already be identified when the motor ability to use physical force first.....read more
TentamenTips bij Kennismaking met Onderzoeksmethoden en Statistiek (KOM) aan de Universiteit Utrecht
TentamenTips en -Tickets bij KOM
Het vak Kennismaking met Onderzoeksmethoden en Statistiek (KOM) is voor veel studenten even wennen. Begrippen als “variantie”, “betrouwbaarheid” of “hypothese” kunnen in het begin abstract aanvoelen. Toch vormt dit vak een belangrijke basis voor je hele studie. Hieronder vind je praktische tips om het vak goed aan te pakken – per onderdeel van de cursus.
Tijdens de colleges – volg actief en leg verbanden
Kom met een open houding – je hoeft niet alles meteen te begrijpen. Het gaat erom dat je het gedachteproces leert volgen.
Let op bij voorbeelden – docenten gebruiken vaak herkenbare situaties om abstracte theorieën duidelijk te maken.
Koppel nieuwe begrippen aan eerdere stof – hoe hangen validiteit, betrouwbaarheid en operationaliseren met elkaar samen?
Stel vragen – als jij iets niet snapt, hebben anderen daar vaak ook moeite mee.
De literatuur – studeer gericht met Grasple en het boek
Gebruik Grasple als basis – de uitleg en oefeningen op dit platform sluiten goed aan bij het tentamen.
Lees het boek (Morling & Carr) voor extra context – focus op de hoofdstukken die bij jouw deeltentamen horen.
Studeer per thema – bijvoorbeeld: “Wat is een z-score?”, “Wanneer gebruik je een t-toets?”
Herhaal fouten – oefenvragen waarin je de fout ingaat zijn juist het meest leerzaam.
De werkgroepen – durf fouten te maken
Zie werkgroepen als oefenterrein – je mag twijfelen, proberen, fouten maken. Dat is de bedoeling.
Breng vragen mee – noteer tijdens het studeren waar je op vastloopt.
Bespreek casussen – je leert het meest van het toepassen van theorie op situaties uit de praktijk.
Het tentamen – weet wat je kunt verwachten
Twee deeltentamens – de eerste toets richt zich op de basis van onderzoek en beschrijvende statistiek, de tweede toets behandelt vooral experimenten, integriteit en toepassing van theorie op onderzoeksartikelen.
Verschillende vraagtypes – je krijgt meerkeuzevragen én open vragen over begrippen, toepassingen en rekenmethodes.
Denk logisch – bij veel vragen draait
Oefententamen bij Inleiding in de Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Leiden - 1 - Exclusive
Oefententamenvragen - Vraag 1 t/m 10
Vraag 1
We onderzoeken in een steekproef van 132 personen de houding ten aanzien van de uitzending van troepen naar Eritrea. In totaal zijn 96 respondenten voor uitzending. Het blijkt dat van de 79 mannen in de steekproef er 48 voor interventie zijn. Wat is de beste conclusie?
- Mannen en vrouwen zijn in gelijke mate voor uitzending.
- Mannen zijn relatief meer voor uitzending.
- Vrouwen zijn relatief meer voor uitzending.
- Meer mannen zijn voor uitzending.
Vraag 2
In een onderzoek wordt gekeken naar het verband tussen sekse, leeftijd en sociale weerbaarheid. Welke van deze variabele(n) kunnen in psychologisch onderzoek uitsluitend een rol spelen alsonafhankelijke variabele?
- Sekse
- Leeftijd
- Sekse en Leeftijd
- Alle drie de variabelen kunnen zowel als afhankelijke al onafhankelijke variabelen optreden.
Vraag 3
In een onderzoek naar de inwonenden van strafinrichtingen in Nederland wordt de steekproef als volgt getrokken. Eerst trekt men at random een aantal inrichtingen uit de complete lijst van Nederlandse strafinrichtingen. Uit elk van die inrichtingen wordt vervolgens at random een aantal inwoners getrokken. Dit is een:
- Sample random steekproef
- Cluster sample
- Gestratificeerde steekproef
- Multistage sample
Vraag 4
De levensduur van gloeilampen is volgens opgave van de fabrikant normaal verdeeld met een gemiddelde van 480 uur en een standaardafwijking van 50. Iemand heeft bijgehouden dat hij in zijn leven 200 gloeilampen heeft gekocht en dat 20% ervan binnen 400 uur vervangen moesten worden. Om te kijken of hij daarmee geluk heeft gehad, gaat hij na hoeveel lampen aan vervanging toe zijn volgens de informatie van de fabrikant.
- De man heeft geluk gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 11 stuk moeten zijn
- De man heeft pech gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 11 stuk moeten zijn
- De man heeft geluk gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 44 stuk moeten zijn
- De man heeft pech gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 44 stuk moeten zijn
Vraag 5
Gegeven zijn de 110-meter tijden van een sprinter uit de laatste vier wedstrijden: 10.9, 11.2, 11.0 en 11.3. Wat is de standaarddeviatie van deze resultaten?
- 0.10
- 0.158
- 0.183
- 0.316
Vraag 6
Een bedrijfspsycholoog is voor 200 managers nagegaan wat hun bloeddruk (X) is en hoeveel winst (Y) hun bedrijf maakt. Voor deze gegevens berekent hij het gemiddelde, de variantie en de covariantie: Gem. X=80 , Gem. Y =60, SX2 = 25, SY2 = 36 en de Covariantie = -15
Welke waarde heeft r?
.....read more
Oefententamen bij Inleiding in de Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Leiden - 2 - Exclusive
Oefententamenvragen - Vraag 1 t/m 10
Vraag 1
De levensduur van spaarlampen is volgens opgave van de fabrikant normaal verdeeld met μ = 480 en σ = 50. Iemand heeft bijgehouden dat hij in zijn leven 200 spaarlampen heeft gekocht en dat 20% ervan binnen 400 uur vervangen moesten worden. Om te kijken of hij daarmee geluk heeft gehad, gaat hij na hoeveel lampen aan vervanging toe zijn volgens de informatie van de fabrikant.
- de man heeft geluk gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 11 stuk moeten zijn.
- de man heeft pech gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 11 stuk moeten zijn.
- de man heeft geluk gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 44 stuk moeten zijn.
- de man heeft pech gehad, want volgens de opgave zouden er na 400 uur 44 stuk moeten zijn.
Vraag 2
Wat is de enige geschikte maat voor centrale tendentie bij een variabele gemeten opnominaal meetniveau?
- Variantie
- Modus
- Mediaan
- Gemiddelde
Vraag 3
Als in een experiment de afhankelijke variabele (Y ) deels wordt verklaard uit de onafhankelijke variabele (X ), kan de totale variantie van Y worden gesplitst in:
- Treatment variance + error variance
- Confound variance + error variance
- Systematic variance + between groups variance
- Systematic variance + within groups variance
Vraag 4
Bezie de volgende twee stellingen met betrekking tot de Pearson r:
I. Om te kunnen concluderen dat er een oorzaak-gevolg relatie is tussen de variabelen X en Y , moet de Pearson r tussen X en Y positief zijn.
II. Voor het interpreteren van een Pearson r tussen twee variabelen is een lineaire samenhang wenselijk, maar niet noodzakelijk.
Hier geldt:
- Beide stellingen zijn juist
- Alleen stelling I is juist
- Alleen stelling II is juist
- Beide stellingen zijn onjuist
Vraag 5
Bezie de volgende five-number-summary: 4 – 15 – 37 – 39 – 43. Welk van onstaande uitspraken is onjuist?
- De interkwartielafstand (interquartile range) is gelijk aan 24
- De verdeling is scheef naar links
- De waarde 4 moet volgens de vuistregel beschouwd worden als een uitbijter
- De mediaan is gelijk aan 37
Voorbeeldtentamen bij Inleiding in de Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Leiden - 2025/2026 - Exclusive
Meerkeuzevragen - Vraag 1 t/m 10
MC vraag 1
In een onderzoek wordt gekeken naar het verband tussen sekse, leeftijd en sociale weerbaarheid. Welke van deze variabele(n) kunnen in psychologisch onderzoek uitsluitend een rol spelen als onafhankelijke variabele?
- Sekse.
- Leeftijd.
- Sekse en leeftijd.
- Alle drie de variabelen kunnen zowel als afhankelijke al onafhankelijke variabelen optreden.
MC vraag 2
Gegeven zijn de 110-meter tijden van een sprinter uit de laatste vier wedstrijden: 10.9, 11.2, 11.0 en 11.3. Wat is de standaarddeviatie van deze resultaten?
- 0.10.
- 0.158.
- 0.183.
- 0.316.
MC vraag 3
Een bedrijfspsycholoog is voor 200 managers nagegaan wat hun bloeddruk (X) is en hoeveel winst (Y) hun bedrijf maakt. Voor deze gegevens berekent hij het gemiddelde, de variantie en de covariantie: Gem. X=80, Gem. Y =60, SX2 = 25, SY2 = 36 en de Covariantie = -15
Welke waarde heeft r?
- -0.50.
- 0.50.
- -0.17.
- 0.17.
MC vraag 4
Iemand beweert over een bepaalde variabele dat het verschil tussen de scores van Jan en Carly tweemaal zo groot is als het verschil van Jan met Mandy. Wat is het meetniveau dat deze persoon tenminste aan deze variabele toekent?
- Nominaal.
- Ordinaal.
- Interval.
- Ratio.
MC vraag 5
Van elf willekeurig gekozen studenten is direct na afloop van tentamen M&T nagegaan hoeveel van de 40 vragen zij goed beantwoord hebben. Deze scores zijn weergegeven in onderstaande stemplot.
0 | 2 6 6
1 | 0 8 9
2 | 1
3 | 4 6 8 9
Bepaal de waarde van de Mediaan. Deze is gelijk aan:
- 19.
- 9.
- 19.5.
- 5.5.
MC vraag 6
Wanneer een hypothese ontstaat doordat een onderzoeker in de gegevens van eerder onderzoek een bepaalde samenhang meent te zien, is sprake van:
- Deductie.
- Falsificatie.
- Strong inference.
- Empirische generalisatie.
MC vraag 7
Wat is de enige geschikte maat voor centrale tendentie bij een variabele gemeten op nominaal meetniveau?
- Variantie.
- Modus.
- Mediaan.
- Gemiddelde.
MC vraag 8
Bezie de volgende twee stellingen met betrekking tot de Pearson r:
I. Om te kunnen concluderen dat er een oorzaak-gevolg relatie is tussen de variabelen X en Y , moet de Pearson r tussen X en Y positief zijn.
II. Voor het interpreteren van een Pearson r tussen twee variabelen is een lineaire samenhang wenselijk, maar niet noodzakelijk.
Hier geldt:
- Beide stellingen zijn juist.
- Alleen stelling I is juist.
- Alleen stelling II is juist.
- Beide stellingen zijn onjuist.
MC vraag 9
Bezie onderstaande twee stellingen over de normaalverdeling en z -scores.I. De normaalverdeling heeft een gemiddelde gelijk aan 0
.....read more
TentamenTips bij Inleiding in de Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Leiden
TentamenTips en -Tickets bij Inleiding in de Methodologie en Statistiek aan de Universiteit Leiden
TentamenTips over het vak
Het vak Inleiding in de Methodologie en Statistiek draait om twee hoofddoelen: (1) inzicht krijgen in methodologische principes en statistische concepten, en (2) leren toepassen van statistische analyses, vaak met software zoals R.
- Het eindcijfer bestaat voor 70% uit het multiplechoicetentamen en voor 30% uit de R-vaardigheidstoets.
- Dit vak vormt de basis voor veel latere onderzoeksvakken. Begrippen als validiteit, betrouwbaarheid en effectgrootte keren vaak terug.
- Studenten die moeite hebben met statistiek kunnen veel goedmaken door theoretisch begrip en het correct gebruiken van vaktaal.
- Het is belangrijk om niet alleen te leren ‘hoe’ je statistiek toepast, maar ook ‘waarom’ – toetsingslogica en interpretatie zijn essentieel.
TentamenTips over de colleges
De colleges bieden structuur en context bij de theorie. Veel tentamenvragen zijn terug te leiden tot voorbeelden of formuleringen uit de hoorcolleges.
- Gebruik de slides actief. Noteer extra voorbeelden of toelichtingen die mondeling worden gegeven.
- Print of download de slides vooraf en schrijf er tijdens het college bij.
- Let op formele begrippen die worden benoemd, zoals externe validiteit of type I fout. Deze komen vaak letterlijk in tentamenvragen terug.
- Begrippen die abstract lijken, worden vaak in college concreet gemaakt – die voorbeelden kunnen terugkomen op het tentamen.
TentamenTips over de werkgroepen
In de werkgroepen ligt de nadruk op oefening en toepassing – vooral met statistische analyses en het gebruik van R.
- Zorg dat je zelf actief meedoet; het tentamen bevat vaak vragen die lijken op werkgroepopgaven.
- Stel vragen over stappen die je niet begrijpt – zowel in R als in de redenering achter de analyses.
- Noteer bij elke opgave welk type analyse je uitvoert (bijv. t-toets, ANOVA), welke voorwaarden daarbij horen en wat de uitkomst betekent.
- Let op de vertaling van meetniveau naar analysemethode: dit inzicht wordt vaak getoetst.
TentamenTips over de literatuur
De literatuur van Leary en Howell bevat veel definities, procedures en theoretische principes die in het tentamen terugkomen.
- Leer begrippen letterlijk: termen als constructvaliditeit, power, regressiecoëfficiënt worden vaak gevraagd.
- De bulletsamenvatting is zeer geschikt om hoofdpunten snel te herhalen.
- Besteed extra aandacht aan verschillen tussen onderzoeksopzetten (experimenteel, quasi-experimenteel, correlationeel).
- De hoofdstukken over variantieanalyse, meetniveaus en hypothesetoetsing zijn zwaar vertegenwoordigd in oefenvragen en oude tentamens.
Oefenvragen met antwoorden
Vraag 1
Stelling 1: Een assumptie van ANOVA
.....read more
TentamenTests bij Multivariate Data Analysis Text Book van Leiden University - Exclusive
Welke analysemethode kan er voor verscheidene problemen worden gebruikt? - TentamenTests 0
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 0
Vraag 1
Een onderzoeker wil op basis van de variabelen "hoeveelheid geld geïnvesteerd" en "talent geselecteerd" voorspellen of FC Barcelona de competitie wint dit seizoen. Welke methode gebruiken we hiervoor?
Simple regression analysis.
Multiple regression analysis.
Logistic regression analysis.
ANOVA.
Vraag 2
Sommige personen zijn beter dan de ander in het uitstellen van beloningen, dit zijn we al wanneer een kind drie jaar oud is. Aan de hand van zijn/haar scores op de marshmallow test kan dit bepaald worden. Volgens een psycholoog zijn kinderen die veel rond bewegen in de baarmoeder, veel huilen bij geboorte, en heel gepassioneerd zijn niet de ideale kandidaten voor de marshmallow test. Deze maatstaven zijn als volgt gemeten bij 200 participanten:
- Bewegingen van een kind van zes maanden werden in de baarmoeder gemeten op basis van een tien punten schaal.
- Het huil volume van een kind werd in dB gemeten.
- De hoeveelheid uitbarstingen bij een kind van 14 maanden.
Vervolgens doet elk kind de marshmallow test, waar alleen het niet eten van de marshmallow wordt geregistreerd.
Wat is de best techniek om de data die hieruit voortkomt te analyseren?
MRA.
ANOVA.
ANCOVA.
LRA.
Vraag 3
Tijdens de zomer ontvangt de politie meer overlast meldingen dan in andere seizoenen. Om duidelijke preventie regelgeving op te zetten wordt de hoeveelheid geluid per huis (in decibels) gemeten bij 300 huizen in hetzelfde district. Er wordt geprobeerd om de hoeveelheid geluidsoverlast zo accuraat mogelijk te voorspellen op basis van geslacht, leeftijd, hoeveelheid kinderen, extraversie, en IQ van de bewoners. Wat is hiervoor de meest geschikte techniek?
MRA.
ANOVA.
ANCOVA.
LRA.
Vraag 4
Onderzoek laat zien dat een disproportioneel grote hoevelheeid Peruviaanse voetballers goede bal techniek heeft. Een mogelijke verklaring is dat Peruviaanse straat voetballers vaak met slechtere ballen gebruiken die ook niet meer goed rond zijn, maar dit is tot nu toe alleen maar een gok.
Een onderzoeker besluit om na te gaan of ballen minder rond zijn in het straat voetbal van Peru dan in andere landen. Hij besluit om vier willekeurige landen te kiezen om Peru met te vergelijken (Colombia, Zwitserland, Belgie en Iran) en stuurt iemand om de ballen te meten naar elk van deze landen. Er worden in elk land 100
.....read more
TentamenTickets bij Multivariate Data Analyse (MVDA) aan de Universiteit Leiden
TentamenTickets: Tips & Tricks bij het voorbereiden op de tentamens
Bij de bespreking van de opdrachten in de werkgroepen komt naar voren of onderwerpen vaak op het tentamen komen of niet. Het is dus aan te raden om de werkgroepen te volgen en om aantekeningen van een ander te regelen als je door ziekte een keer een werkgroep hebt gemist.
Op het tentamen worden er doorgaans 5 vragen over week 1 t/m 7 en 4 of 5 vragen over techniekkeuzen gesteld. Leer met betrekking tot de techniekkeuzen de verschillende meetniveaus goed en welk effect die hebben op de keuze voor onderzoekstechniek. Zie bijvoorbeeld op joho.org: Welke analyse methode kan er voor aparte soorten problemen worden gebruikt?
Er zal waarschijnlijk naar de assumpties worden gevraagd, naar welke toets je moet doen (theorievragen) en er zullen mogelijk rekenvragen worden gesteld. Er zal ook output worden gegeven waar je mee moet werken en waar vragen over worden gesteld. Je mag een spiekbrief en een rekenmachine gebruiken.
TentamenTickets bij Psychologie als Wetenschap aan de Universiteit Utrecht
TentamenTickets
De belangrijkste stromingen binnen de Psychologie als Wetenschap zijn:
- Structuralisme
- Evolutietheorie
- Functionalisme
- Gestalt Psychologie
- Positivisme
- Behaviorisme
- Neobehaviorisme
- Ontwikkelingspsychologie
- Sociale Psychologie
Een aantal andere tips voor het voorbereiden op je tentamen zijn:
- Het is goed om de pioniers per stroming in te kunnnen delen en de grootste verschillen en overeenkomsten met elkaar te kunnen beschrijven.
- Zoek bij alle stromingen de tegenstellingen of de verbanden met andere stromingen, zodat je niet alleen inhoudelijk de stroming kan uitleggen maar vooral ook de stroming kan relateren aan de wetenschappelijke discussie en de maatschappelijke ontwikkelingen (hier wordt zeker naar gevraagd op het tentamen)
- Bij het bestuderen van de stof leer je informatie synthetiseren en structureren; oefen je het begrijpen en toepassen van ethische aspecten van onderzoek; scherp je je in het kritisch bestuderen en analyseren van theorieën, beweringen en bevindingen en ontwikkel je je eigen standpunten
- Door het reflecteren op het geleerde en het relateren aan wetenschappelijke discussies leer je informatie in een bredere wetenschappelijke context kunnen plaatsen en een uitwisseling van argumenten kunnen plaatsen in een wetenschapsfilosofische context
- De colleges geven een helder overzicht van de belangrijkste zaken van het vak; vooral de slides zijn zeer verhelderend
- Het vak gaat voornamelijk over belangrijke wetenschappelijke theoretische stromingen en om de belangrijke pioniers van de psychologie die daaraan hebben bijgedragen
- Per stroming is het vooral belangrijk om de hoofdkenmerken te weten en niet per se alle details
- Experimenten zijn goed om te kennen en aan de verschillende stromingen te kunnen koppelen. De experimenten worden vooral uitgebreid in het boek behandeld.
- Neem voordat je je onderzoek opzet nog even de stof van MTS I en MTS II door, zodat je weet welk type variabelen je aan het onderzoeken bent en welke test dus het beste werkt.
- Kijk bij het formuleren van een onderzoeksvraag eens naar vragen die je in andere papers al eens gelezen hebt. Je zal merken dat ze vaak heel specifiek zijn en vaak gaan over een heel klein gedeelte van de wereld; hoe 'kleiner' het onderwerp, hoe kleiner de kans op ruis in de meting en hoe makkelijker het is om onderzoek te doen en goed resultaat te halen.
- René Descartes
- John Locke
- Gottfried Wilhelm Leibniz
- Immanuel Kant
- Charles Darwin
- Jean-Baptiste Lamarck
- Wilhelm Wundt
- Francis Galton
- William James
- Stanly Hall
- Mary Whiton Calkins
- E.B.
TentamenTests bij Experimenteel en Correlationeel Onderzoek aan de Universiteit Leiden - 1
Vragen
Vraag 1
Het idee bestaat dat vrouwen minder drinken dan mannen. Er zijn 10 mannen en 10 vrouwen onderzocht en er is gemeten of ze meer dan 2 glazen alcohol per dag drinken (veel; (Y = 1)) of minder (weinig; (Y=0)). Dit zijn de resultaten
| Vrouwen (X = 0) | Mannen (X = 1) | Totaal | |
| Weinig (Y = 0) | 6 | 3 | 9 |
| Veel (Y=1) | 4 | 7 | 11 |
| Totaal | 10 | 10 | 20 |
Hoe groot is phi en hoe groot is chi-kwadraat voor deze situatie?
- -0.30 en 6
- -0.30 en 1.8
- 0.30 en 6
- 0.30 en 1.8
Vraag 2
Een verkeerspsycholoog heeft de volgende relatie tussen snelheid (X in km/h) en het aantal ongelukken in een jaar (Y) van motorrijders gevonden:
\[ŷ = 1.0 + 0.05x\]
Je weet dat meneer Jansen gewoonlijk rijdt met een snelheid van 160 km per uur. Hoeveel ongelukken zal hij krijgen per jaar?
- 80
- 81
- 9
- 8
Vraag 3
In een groot onderzoek is een correlatie van 0.354 gevonden tussen kennis van de Nederlandse taal (X) en salaris (Y). Daarnaast weten we dat:
Rekenkundig gemiddelde = steekproef gemiddelde = 3
Sx = 2
Sy = de wortel van 2
Wat is de regressievergelijking als we Y uit X willen voorspellen?
- ŷ = 2.25 + 0.25X
- ŷ = 3.75 + 0.25X
- ŷ = 1.50 + 0.50X
- ŷ = 4.50 + 0.50X
Vraag 4
Een onderzoeker wil het wiskundecijfer (Y) voorspellen uit de cijfers voor Engels (X1) en Nederlands (X2). De onderzoeker verwacht een positief verband tussen Y en X1 en X2. Hij verzamelt van 10 kinderen uit een VWO-klas de cijfers voor deze vakken en voert een regressie-analyse uit. Die levert het onderstaande resultaat op:
| Model | B | Std. Error | Beta | t | Significantie |
| (Constant) | -1.926 | 2.725 | -0.707 | 0.503 | |
| Engels | 1.269 | 0.436 | 0.805 | 2.907 | 0.023 |
| Nederlands | -0.046 | 0.404 | -0.032 | -0.115 | 0.912 |
Piet scoort voor Engels en Nederlands beide een 6, wat is het voorspelde cijfer voor wiskunde van Piet?
- 5.064
- 5.412
- 9.264
- 9.864
Vraag 5
Een onderzoeker wil het wiskundecijfer (Y) voorspellen uit de cijfers voor Engels (X1) en Nederlands (X2). De onderzoeker verwacht een positief verband tussen Y en X1 en X2. Hij verzamelt van 10 kinderen uit een VWO-klas de cijfers voor deze vakken en voert een regressie-analyse uit. Die levert het onderstaande resultaat op:
| Model | SS | DF | MS | F | Sig. |
| Regression | 22.370 | 2 | 11.185 | 5.744 | 0.033 |
| Residual | 13.630 | 7 | 1.947 | ||
| Total | 36.000 | 9 |
Hoe groot is de proportie verklaarde
.....read more
TentamenTests bij Experimenteel en Correlationeel Onderzoek aan de Universiteit Leiden - 2
Vragen
Vraag 1
De effectmaat Hedges' g is een effectmaat gebaseerd op...
- de correlatie in de steekproef
- het gestandaardiseerde verschil tussen twee groepsgemiddelden
- de proportie verklaarde populatievariantie
- de associatiesterkte in de populatie
Vraag 2
In een onderzoek wordt bij 10 personen een dichotome variabele X en een intervalvariabele Y gemeten. De resultaten staan in de onderstaande tabel.
| Persoon | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
| X | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| Y | 2 | 3 | 1 | 5 | 2 | 6 | 3 | 7 | 4 | 5 |
- 0
- 0.42
- 0.65
- 0.81
Vraag 3
Op basis van verzamelde gegevens wil men iemands inkomen voorspellen uit het aantal jaren dat deze onderwijs heeft gevolgd. Welke bewering is juist?
- Het inkomen is de responsevariabele; de waarden van deze variabele worden genoteerd op de horizontale as van het spreidingsdiagram
- Het inkomen is de responsevariabele; de waarden van deze variabele worden genoteerd op de verticale as van het spreidingsdiagram
- Het aantal jaren opleiding is de responsevariabele; de waarden van deze variabele worden genoteerd op de horizontale as van het spreidingsdiagram
Vraag 4
Welke uitspraak over de correlatiecoëfficiënt r is juist?
- Het is een robuuste maat voor samenhang, want r is gevoelig voor uitbijters
- Het is een robuuste maat voor samenhang, want r is niet gevoelig voor uitbijters
- Het is geen robuuste maat voor samenhang, want r is gevoelig voor uitbijters
- Het is geen robuuste maat voor samenhang, want r is niet gevoelig voor uitbijters
Vraag 5
Het aantal jaren opleiding is de responsevariabele; de waarden van deze variabele worden genoteerdop de verticale as van het spreidingsdiagramEen significantietest is in het algemeen een functie van effectgrootte en aantal proefpersonen. Welkevan de onderstaande formules geeft deze relatie correct weer als het gaat over een 2 x 2 kruistabel?
- \[X{^2} = Φ{^2} *N\]
- \[X= Φ * N\]
- \[Φ{^2} = X{^2} * N\]
- \[Φ = X * N\]
Vraag 6
Voor twee variabelen X en Y is berekend:
\[X̄ = 3.4\]
\[ȳ = 2.6\]
\[s \frac {2}{x} = 1.81\]
\[s \frac {2}{Y} = 2.13\]
\[s_{XY} = 1.43\]
Wat is de regressievergelijking (in ruwe scores) voor de voorspelling van Y uit X?
- \[Ŷ = 0.79X – 0.09\]
- \[Ŷ = 0.73X\]
- \[Ŷ = 0.61X + 0.23\]
- \[Ŷ = 0.73X – 0.09\]
Vraag 7
Voor een regressielijn geldt...
- dat de som van de kleinste afwijkingen van punten ten opzichte van de regressielijn het kleinst is.
- dat de som van de afwijkingen van punten ten opzichte van de regressielijn in horizontale richting het kleinst is.
Voorbeeldtentamen bij Experimenteel en Correlationeel Onderzoek aan de Universiteit Leiden - Exclusive
Meerkeuzevragen - Vraag 1 t/m 10
Vraag 1
Stelling 1: Als er gekeken wordt naar een correlatie zijn er twee random variabelen bij betrokken.
Stelling 2: Bij regressie voorspellen we Y op basis van X.
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist.
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist.
- Beide stellingen zijn juist.
- Beide stellingen zijn onjuist.
Vraag 2
In een onderzoek naar het verband tussen extraversie en zelfvertrouwen doen 6 mensen mee. De scores op beide variabelen nemen waarden aan tussen 1 en 10.
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | |
Extraversie (X) | 6 | 2 | 7 | 9 | 10 | 5 |
Zelfvertrouwen (Y) | 5 | 4 | 9 | 6 | 7 | 4 |
Wat is de covariantie?
- 2,5.
- 3,5.
- 4,5.
- 5,5.
Vraag 3
De correlatie tussen X (opleidingsniveau) en Y (inkomen) is 0,65. Daarnaast is bekend dat sx = 1,00 en sy = 1,50. Wat is de regressievergelijking?
- = 2,050X + 0,835.
- = 1,950X + 0,675.
- = 2,035X + 0,755.
- = 2,075X + 0,975.
Vraag 4
We vinden een correlatie van r = 0,67 in
.....read more
TentamenTickets bij Experimenteel en Correlationeel Onderzoek aan de Universiteit Leiden
TentamenTickets
ECO is een verdiepend vak over statistiek voor psychologen. Dit vak is meer gericht op het snappen wat er precies wordt uitgerekend in plaats van het opdreunen van formules en stof. Het vak sluit aan op de vakken Inleiding Methoden en Technieken en Toetsende Statistiek en veronderstelt deze voorkennis en vaardigheden. Raadpleeg de samenvattingen en studiehulp als je parate kennis wat is weggezakt. Het tentamen bevat 40 meerkeuzevragen met vier antwoordalternatieven, waar zowel theoretische kennis naar voren komt als statistische berekeningen.
- De vragen zullen voor een deel lijken op de werkboek opdrachten. Een deel zal inzichtvragen zijn, wat inhoudt dat er 'gespeeld' zal worden met formules. Er mist een gegeven en jij moet de bestaande formule ombouwen om deze missende gegeven te berekenen.
- Wat betreft de theoretische vragen, deze zijn vrij lastig. Dit vergt dus wat zelfdiscipline in het doorwerken van de weblectures en de theorie die uitgelegd is in het werkboek.
Aanvullend op het tentamen zal er een SPSS-vaardigheidstoets worden gegeven, die zowel over het werken met SPSS als het interpreteren van de resultaten gaat.
Let op:
- Als eerstejaars psychologie student ben je automatisch ingeschreven voor de cursus, maar je zal je wel zelf moeten inschrijven voor het tentamen - vergeet dit niet!
- Je mag een zogenaamde 'spiekbrief' meenemen naar het tentamen. Dit is een a4 papier waar de voor- en achterkant helemaal volgeschreven mogen worden.
Tips voor tijdens het leren zijn:
- Het is aan te raden de theoretische vragen uit het werkboek goed te studeren en deze te begrijpen.
- Het is aan te raden om daags voor het tentamen de opdrachten uit het werkboek opnieuw te maken. Vaak valt dat het 'kwartje' pas. Probeer de formules te begrijpen en toe te passen.
- Bij dit vak moet je vooral de hoorcolleges en je aantekeningen goed leren. Kijk de weblectures terug en gebruik aantekeningen. Probeer deze aantekeningen op je spiekbrief te schrijven. Je kan bijvoorbeeld proberen om alle theorie uit de collegesheets over te nemen en letterlijk in je spiekbrief schrijven.
Oefenvragen
Vraag 1
Stelling 1: bij herhaalde-metingen ontwerpen zijn de verschillende scores onafhankelijk van elkaar
Stelling 2: within subjects variantie bestaat uit variantie door behandelingen en errorvariantie
A. Alleen stelling 1 is juist
B. Alleen stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist
Vraag 2
Stelling 1: Een assumptie van ANOVA is dat de varianties homogeen zijn
Stelling 2: Als de grootste variantie niet meer dan vier keer zo groot is als de kleinste, is de ANOVA nog valide
A. Alleen stelling 1 is juist
B. Alleen stelling 2 is juist
C. Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist
Antwoordenindicatie
Vraag
.....read more
TentamenTickets bij Statistical Methods for the Social Sciences van Agresti en Finlay - 6e druk
- TentamenTickets bij het boek als geheel
- Wat zijn statistische methoden? – TentamenTickets 1
- Welke soorten steekproeven en variabelen zijn er? – TentamenTickets 2
- Hoe werkt beschrijvende statistiek? - TentamenTickets 3
- Hoe gebruik je kansverdelingen voor statistische inferentie? - TentamenTickets 4
- Hoe maak je schattingen voor statistische inferentie? – TentamenTickets 5
- Meer TentamenTickets - Hoofdstuk 6 t/m 15 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)
TentamenTickets bij het boek als geheel
Hou voor jezelf apart een lijst bij met toetsingsgrootheden (statistieken) en de situaties waarin ze worden gebruikt.
Wiskunde is net een taal, maar dan met symbolen in plaats van letters. Aandachtig elk onderdeel van een formule lezen, is de eerste stap richting begrijpen wat de formule uitrekent.
Zie je bij alle symbolen door de bomen het bos niet meer? Maak dan een onderscheid tussen het reguliere symbool (de absolute waarde y), het symbool met een streepje erboven (het gemiddelde ȳ) en het symbool met een dakje erboven (de schatting ŷ).
Dit boek legt statistiek niet op de makkelijkst mogelijke manier uit (helaas). De auteur van het boek heeft ervoor gekozen om een zekere volledigheid en accuraatheid na te streven in zijn verwoordingen. Probeer te begrijpen waarom begrippen op een bepaalde manier zijn uitgelegd, waarom ze belangrijk zijn en waarom ze niet zijn versimpeld, dit helpt om het boek beter te begrijpen (net als samenvattingen).
Als je een tentamen krijgt over het boek, zorg dan dat je alvast bekend bent met de formulekaart (achterin), wat er wel en wat er niet op staat.
In principe is het gehele boek een belangrijke basis om met statistiek aan de slag te gaan. Als je slechts voor vier hoofdstukken tijd hebt, bestudeer dan hoofdstuk 3, 5, 6 en 9.
Als je ervoor kiest om een paar hoofdstukken over te slaan, dan zou je bijvoorbeeld hoofdstuk 10 en 13 kunnen laten zitten. Aan hoofdstuk 13 zijn bij een recente nieuwe druk van het boek een paar onderwerpen toegevoegd maar het hoofdstuk blijft minder substantieel dan andere hoofdstukken.
Wat zijn statistische methoden? – TentamenTickets 1
Het is voor iedereen mogelijk om statistiek te leren gebruiken, zelfs zonder veel wiskundige voorkennis en zelfs met angst voor statistiek. Het belangrijkst hierbij zijn logisch nadenken en doorzettingsvermogen.
Om het nut van statistiek in te zien, houd het doel van een steekproef voor ogen: data die informatie geeft over de gehele populatie.
Het is soms lastig om onderscheid te maken tussen beschrijvende statistiek en inferentiële statistiek. Bedenk hierbij wat je zelf uit een steekproef zou willen halen: wat voor informatie over het gedrag van mensen is



































































