TentamenTests bij Social Cognition: From Brains to Culture van Fiske en Taylor - 4e druk

Wat houdt sociale cognitie in en welke plaats heeft het binnen de psychologie? - TentamenTests 1

Vragen bij hoofdstuk 1

Vraag 1

Solomon Asch kwam met twee modellen die een verklaring boden voor de manier waarop mensen indrukken van anderen vormden die ze nog niet eerder hebben gezien. Noem deze twee modellen en licht ze toe.

Vraag 2

Wat is het verschil tussen de elementaire benadering en de holistische benadering?

Vraag 3

In de sociale psychologie kunnen vijf algemene modellen van de sociale denker worden geïdentificeerd. Een hiervan is het geactiveerde acteursmodel (activated actor model). Licht dit model toe.

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 1

Vraag 1

  1. Het configurationele model: dit model veronderstelt dat mensen een samenhangende visie van anderen zullen vormen waarin geen plaats is voor variatie. Dit betekent dat wanneer een bepaalde gedraging niet past binnen iemands algehele indruk van een persoon, men deze gedraging op een dusdanige manier interpreteert waardoor deze de algehele indruk alsnog ondersteunt.
  2. Het algebraïsche model: dit model begint niet met een verenigd geheel, maar met de observatie van een aantal afzonderlijke evaluaties die worden verzameld in een samenvattende evaluatie. Het veronderstelt mensen persoonstrekken optellen om zo een totaal beeld te vormen.

Vraag 2

Volgens de elementaire benadering (Wundt, Ebbinghaus) komt informatie bij ons binnen via onze zintuigen en percepties en vormt het ideeën. Deze ideeën worden geassocieerd door nabijheid in ruimte en tijd.
Volgens de holistische benadering (Gestalt; Kant) organiseert de geest de wereld aan de hand van groepering.

Vraag 3

Deze visie zag mensen als geactiveerde acteurs. Zonder dat ze zich hier bewust van zijn, worden de sociale concepten van mensen haast automatisch geactiveerd door hun sociale omgeving. Als gevolg activeren zij haast onvermijdelijk de cognities, gevoelens, evaluaties, motivaties en gedragingen die met deze sociale concepten worden geassocieerd.

Wat zijn duale modellen in sociale cognitie? - TentamenTests 2

Vragen bij hoofdstuk 2

Vraag 1

Welk model stelt dat mensen geneigd zijn om te vertrouwen op relatief automatische processen, afhankelijk van situationele vereisten?

Vraag 2

Wat is het verschil tussen subliminale priming en bewuste priming?

Vraag 3

Wat wordt bedoeld met chronisch toegankelijke concepten?

Vraag 4

Noem drie voorbeelden van een gestuurd proces en licht deze voorbeelden toe.

Vraag 5

Onze tactieken die we gebruiken om te switchen tussen onbewuste, automatische gedachten en bewuste, gestuurde gedachten zijn afhankelijk van onze motieven. Noem onze belangrijkste motieven en licht deze toe.

Vraag 6

Er zijn twee algemene modellen die een verklaring bieden voor de manier waarop we anderen waarnemen. Welke twee modellen zijn dit? Licht ze toe.

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 2

Vraag 1

Het model van de gemotiveerde tacticus.

Vraag 2

Subliminale priming treedt op wanneer een concept in onze hersenen geactiveerd wordt door een bepaalde cue uit de omgeving die in de oppervlakte van ons bewustzijn blijft hangen. Bewuste priming vindt plaats wanneer we ons bewust zijn van een prime, maar we er tegelijkertijd niet bewust van zijn hoe die waarneming invloed heeft op ons gedrag.

Vraag 3

Chronisch toegankelijke concepten zijn die attributen die we door middel van ervaring met anderen leren te associëren.

Vraag 4

  1. Doel-afhankelijk automatisme: dit verloopt voornamelijk automatisch, maar vergt wel enige bewuste verwerking en is afhankelijk van de taak die wordt uitgevoerd.
  2. Doel-inconsistent automatisme: dit vindt plaats wanneer onze automatische processen ons afleiden van het bereiken van onze doelen.
  3. Intentionele gedachte: dit betekent dat de eerste, automatische keuzeoptie wordt verworpen en voorbij wordt gegaan aan instinct. Een intentionele gedachte ontstaat door ergens aandacht voor te hebben en ergens bewust voor te kiezen.

Vraag 5

  1. Het gevoel ergens bij te horen (belonging): acceptatie door anderen, vooral door de eigen groep.
  2. Begrip: behoefte aan sociaal gedeelde cognitie, de overtuiging dat iemands eigen standpunten worden gedeeld en begrepen door mensen uit hun eigen groep.
  3. Een gevoel van controle en afhankelijkheid: Het gevoel van afhankelijkheid van een uitkomst waar we geen invloed op hebben, motiveert ons om meer gestuurde en overwogen processen te zoeken. Zo proberen we weer een gevoel van controle te krijgen.
  4. Zelfverbetering: jezelf willen verbeteren en in een positief licht zien. We willen optimistisch zijn ten opzichte van de toekomst, meer controle ervaren dan we daadwerkelijk hebben en het idee hebben dat we beter zijn dan we daadwerkelijk zijn.
  5. Vertrouwen van de ingroup: vertrouwen van anderen binnen onze sociale groep.

Vraag 6

  1. Het duale verwerkingsmodel van impressieformatie: Volgens dit model maken we eerst een categorisatie. Dit is afdoende wanneer de persoon in kwestie niet relevant is voor onze doelen. Echter, hoe relevanter mensen zijn voor onze doelen, hoe meer onderscheid we aanbrengen in onze mentale representatie, vooral wanneer de persoon persoonstrekken vertoont die niet binnen onze eerst gevormde categorie passen. Kortom, eerst typeren we en vervolgens gaan we over tot subtyperen.
  2. Het continuüm model van impressieformatie: Volgens dit model verplaatsen we mensen van het ene uiterste van een continuüm naar het andere uiterste. We plaatsen mensen in de eerste instantie in een automatische categorie. Wanneer we data vinden die tegenstrijdig is met onze assumptie, gaan we op basis van meer nauwkeurige inspectie specialiseren en opnieuw categoriseren.

Welke rol spelen aandacht en codering in de sociale cognitie? - TentamenTests 3

Vragen bij hoofdstuk 3

Vraag 1

Wat wordt bedoeld met encodering?

Vraag 2

Wat maakt saillantie context-afhankelijk?

Vraag 3

Wat maakt een stimulus levendig?

Vraag 4

Onze hersenen categoriseren en organiseren informatie van nature. Deze categorieën kunnen meer of minder toegankelijk zijn. Waar is de toegankelijkheid van categorieën van afhankelijk?

Vraag 5

Waar zijn assimilatie en contrasteffecten van afhankelijk?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 3

Vraag 1

Bij encodering wordt een waargenomen stimulus getransformeerd tot een interne representatie.

Vraag 2

Sociale saillantie is context-afhankelijk; we springen op sociaal vlak uit het oog wanneer we iets nieuws/onbekends presenteren.

Vraag 3

Een stimulus wordt gedefinieerd als levendig als deze emotioneel interessant, concreet en verbeeldingsopwekkend en op sensorische, temporale of ruimtelijke wijze nabij is.

Vraag 4

Priming.

Vraag 5

Assimilatie en contrast zijn afhankelijk van het bewustzijn van de prime, de eigenschappen van de betrokken stimuli, en het doel van de waarnemer.

Hoe zijn bepaalde gebeurtenissen in het geheugen opgeslagen en wat is de rol van de mentale representatie van deze herinneringen? - TentamenTests 4

Vragen bij hoofdstuk 4

Vraag 1

Er zijn vier associatieve netwerkmodellen van het sociaal geheugen. Noem deze vier modellen en licht ze toe.

Vraag 2

De activatie van sociale categorieën kan plaatsvinden via seriële of parallelle verwerking. Wat is het verschil tussen deze twee processen?

Vraag 3

Wat representeren de verbindingen en verbindingssterktes in parallel gedistribueerde verwerkingsmodellen (PDP-modellen)?

Vraag 4

Waarom is het parallel constraint satisfaction (PSP) model met name toepasbaar op sociale cognitie?

Vraag 5

Wat maakt categorische persoonsperceptie een top-down proces?

Vraag 6

Wat veronderstelt de exemplaar benadering?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 4

Vraag 1

  1. Het PM-1 model: dit model werkt als een computersimulatie. Het voorspelt extra aandacht aan impressie-inconsistent materiaal, wat resulteert in extra associatieve koppelingen aan die items. Dit vergroot de alternatieve retrieval-paden.
  2. Het persoon geheugenmodel: dit model stelt dat we een indruk krijgen van iemands gedrag. Gedrag interpreteren we in termen van persoonstrekken, vervolgens evalueren we iemands algemene ‘likeability’ en beoordelen we gedragingen die inconsistent lijken ten opzichte van onze evaluatie.
  3. Het tweevoudige retrieval door associatieve paden (TRAP) model: dit tweeledige verwerkingsmodel geeft – afhankelijk van de gekozen strategie – de voorkeur aan zowel inconsistent, als consistent geheugen.
  4. De aanverwante systeemtheorie (AST): dit model creëert representaties van anderen aan de hand van vier systemen: het visuele, verbaal/semantische, affectieve en handelingssysteem.

Vraag 2

Een parallel proces activeert veel gerelateerde paden tegelijkertijd, terwijl een serieel proces plaatsvindt als een reeks stappen.

Vraag 3

De verbindingen representeren randvoorwaarden over welke eenheden geassocieerd zijn. Verbindingssterktes representeren het soort associatie en de magnitude ervan.

Vraag 4

Volgens de perceptuele kennistheorie (model van perceptuele symboolsystemen; PSS) is onze interne en externe ervaring geëncodeerd aan de hand van perceptuele symbolen. Deze theorie is met name toepasbaar op sociale cognitie, omdat het niet alleen gericht is op het archiveren van herinneringen, maar op het voorbereiden op gesitueerde handelingen welke ingebed zijn binnen een bepaalde context. Sociale psychologie stelt dat iemands sociale omgeving een belangrijke rol speelt in gedachten, gevoelens en gedragingen. Het PSS model plaatst de persoon in diens interpersoonlijke context.

Vraag 5

Categorische persoonsperceptie wordt gezien als een top-down proces, aangezien we eerder veronderstelde ideeën opleggen op de realiteit.

Vraag 6

De exemplaar benadering stelt dat iemand in plaats van een abstract prototype afzonderlijke instanties onthoudt die hij/zij is tegengekomen. Hij/zij vergelijkt vervolgens waargenomen stimuli met zijn/haar eigen herinneringen van exemplaren van dezelfde categorie.

Wat is de rol van 'de zelf' in de sociale cognitie? - TentamenTests 5

Vragen bij hoofdstuk 5

Vraag 1

Licht de volgende begrippen toe:

  1. Zelfconcept.
  2. Zelfschema’s.
  3. Eigenwaarde.

Vraag 2

Noem de twee motivationele systemen die ons gedrag reguleren en licht ze toe.

Vraag 3

Higgins maakte onderscheid tussen twee soorten zelf-guides: de ideale zelf en de behoorde (ought) zelf. Wat is het verschil tussen deze twee zelf-guides? En op welke manier dienen discrepanties tussen de twee als motivator?

Vraag 4

Op welke wijze verschillen zelfverbetering en zelfontplooiing van elkaar?

Vraag 5

Volgens de simulatietheorie doen we aan zelfrefereren. Wat houdt dit in?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 5

Vraag 1

  1. Zelfconcept: iemands zelfconcept bestaat uit diens complexe overtuigingen over wie hij/zij is. Dit wordt beïnvloed door onze culturele achtergrond.
  2. Zelfschema’s: dit zijn cognitieve-affectieve structuren die de kwaliteiten van de zelf in ieder gegeven domein weergeven.
  3. Eigenwaarde: dit is het gevolg van zelfevaluaties. Het draagt bij aan een gevoel van welzijn, dient als motivatie voor het stellen en nastreven van doelen en stelt ons in de gelegenheid om met lastige situaties om te gaan.

Vraag 2

  1. Het gedragsactivatie systeem (BAS); dit is het systeem van begeerte (verlangen) en zorgt ervoor dat we andere mensen en bepaalde activiteiten benaderen.
  2. Het gedragsinhibitie systeem (BIS); dit is het systeem van aversie (repulsie) en zorgt ervoor dat we andere mensen en bepaalde activiteiten vermijden.

Vraag 3

De ideale zelf is de persoon die je wil zijn en de behoorde (ought) zelf – vaak gebaseerd op iemands overtuigingen over gepast sociaal gedrag en de verwachtingen van anderen – is de persoon die je volgens jezelf zou moeten zijn. Discrepanties tussen de behoorde en ideale zelf zijn een motivator; mensen streven naar verbetering van zichzelf.

Vraag 4

Zelfverbetering heeft betrekking op de doelen die we stellen die ons dichter bij onze mogelijke zelf brengen. Zelfontplooiing is de inspanning die we leveren om een positieve ervaring van de zelf te behouden of te creëren.

Vraag 5

Zelfrefereren houdt in dat we de mentale toestand van anderen afleiden door ons te verbeelden wat onze eigen gedachten en gevoelens zouden zijn in een gelijke situatie.

More ExamTests - Chapter 6 to 15 (Exclusive for members with full online access)

  • If you're a JoHo member, log in and read below for ExamTests with chapter 6 through 15.
  • If you're not yet a member, sign up here first.
Exclusive section of this page (for members with extra services and online access)

Image

Access: 
Public

Image

Check more: this content refers to
Psychology and behavorial sciences - Theme
Join WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check more: this content is used in

Tentamens: oude tentamens voor Sociale psychologie, oefenmateriaal en tentamentips

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check more: related and most recent topics and summaries
Check more: this content is also used in

Image

Follow the author: Psychology Supporter
Share this page!
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector