Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen voor orthopedagogiek en klinische pedagogiek samengevat

Artikelsamenvattingen orthopedagogiek en klinische pedagogiek

Waar gaat deze pagina over?

  • Soort: samenvattingen van wetenschappelijke artikelen en academische papers
  • Taal: Nederlands
  • Toegang: publiek toegankelijk

Waar kan je hierna heen?

Lees verder voor de samenvattingen per artikel

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen bij behandeling en interventie gericht op psychosociale problemen, leerproblemen en ontwikkelingsproblemen samengevat

    Samenvattingen: de beste wetenschappelijke artikelen bij behandeling en interventie gericht op psychosociale problemen, leerproblemen en ontwikkelingsproblemen samengevat

    Artikelsamenvattingen behandeling en interventie gericht op psychosociale problemen, leerproblemen en ontwikkelingsproblemen

    Waar gaat deze pagina over?

    • Soort: samenvattingen van wetenschappelijke artikelen en academische papers
    • Taal: Nederlands
    • Toegang: publiek toegankelijk

    Waar kan je hierna heen?

    Lees verder voor de samenvattingen per artikel

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij De diagnostiek van zeer jonge kinderen van Carter e.a. - 2004

      Artikelsamenvatting bij De diagnostiek van zeer jonge kinderen van Carter e.a. - 2004

      Uit onderzoek van het afgelopen decennium blijkt dat een significant aantal zeer jonge kinderen sociaal-emotionele problemen hebben of psychopathologische kenmerken vertonen. In de groep 2- en 3-jarigen betreft het ongeveer 10 tot 15 %, gebaseerd op de gedrags- of sociaal-emotionele problemen die door de ouders gemeld worden. Bovendien blijkt dat de problemen vaak blijvend zijn en de ontwikkeling kunnen verstoren, mits niet wordt ingegrepen. In sommige gevallen kunnen niet-herkende sociaal-emotionele problemen escaleren en/of de effectiviteit van de opvoeders dusdanig verminderen. Daarom is het van belang dat op vroege leeftijd wordt gediagnosticeerd en zo nodig wordt ingegrepen. Er is echter ook weerstand tegen het idee dat 1- tot 4-jarigen ook gedrags- en/of sociaal-emotionele problemen kunnen hebben. Er zijn hiervoor 4 verklaringen te geven:

      1. De impact van cognitie en taalontwikkeling van zeer jonge kinderen krijgt meer aandacht dan de mentale gezondheid.

      2. De invloed van emotionele ervaringen van zeer jonge kinderen op het sociaal vermogen en cognitief vermogen is pas recentelijk geaccepteerd.

      3. Er is sprake van een sociaal stigma wat betreft de mentale gezondheid van kinderen; de ouders vrezen vaak als schuldigen te worden bestempeld wanneer er iets mankeert aan de mentale gezondheid van hun kinderen.

      4. In de maatschappij bestaat een soort mythe dat de vroege kindertijd enkel een gelukkige en veilige periode kan zijn in iemands leven. Dat er eventuele sociaal-emotionele problemen kunnen zijn wordt ontkend.

      Daarnaast is er ook sprake van vier moeilijkheidsfactoren bij het diagnosticeren van zeer jonge kinderen. In de volgende sectie gaan we hier verder op in.

      De 4 moeilijkheidsfactoren bij de diagnosestelling voor zeer jonge kinderen

      Diagnoses stellen voor 0- tot 4-jarigen is een proces dat bemoeilijkt wordt door vier factoren:

      • De snelle ontwikkelingsovergangen in de vroege kindertijd

      • het vinden van valide en betrouwbare meetinstrumenten

      • diagnose stellen bij een andere cultuur

      • het inschatten van de gevolgen in het dagelijks leven en ontwikkeling van het kind.

      De eerste factor

      De snelle ontwikkelingsovergangen zorgen voor problemen bij het stellen van een diagnose, omdat de normgerelateerde groep een kleine leeftijdspan heeft om te vergelijken. Zo bedraagt de leeftijdsspan van 0 tot 2 jaar slechts 1maand. Een dreumes van 11 maanden kan dus niet vergeleken worden met een dreumes van 13 maanden, wat betreft de ontwikkeling. Bovendien is er een gebrek aan informatie over de normale sociaal-emotionele ontwikkeling van zeer jonge kinderen. De combinatie van een kleine leeftijdsspan en gebrek aan informatie maakt het diagnosticeren moeilijk. Verder zijn sommige leeftijdsspecifieke gedragingen in de vroege kindertijd, symptomen van sociaal-emotionele problemen op latere leeftijd. Als de problemen gekenmerkt worden door de graad van intensiteit, frequentie en duur wordt diagnosticeren bemoeilijkt. Bijvoorbeeld, agressie op de leeftijd van twee is zeer gewoon. Bij Disruptive Behavior Disorders zijn regelmatige woede-uitbarstingen één van de symptomen. Een tweejarige die woede-uitbarsting heeft is dan ook moeilijk te diagnosticeren. Het is dan ook van belang dat een cluster van gedraging wordt gebruikt bij het diagnosticeren in plaats van enkele symptomen.

      De tweede factor

      Hoewel er onderzoek wordt gedaan naar de normale ontwikkeling van zeer jonge kinderen en nieuwe meetinstrumenten worden ontwikkeld, voldoen de huidige meetinstrumenten niet om op zichzelf de problematiek bij de kinderen vast te stellen. Het advies luidt om informatie te verzamelen met meerdere instrumenten vanuit meerdere bronnen, om zo een completer en duidelijker beeld te krijgen van de ontwikkeling van het kind. Meetinstrumenten om de gevolgen van de stoornis bij zeer jonge kinderen vast te stellen zijn zeldzaam. De Vineland adaptive Behavior Scale is zo`n meetinstrument. Dit instrument kan het huidige functioneren van het kind goed meten. Echter of een vertraging van de ontwikkeling komt door psychopathologische redenen kan bij dit instrument niet worden vastgesteld. De conclusie is dan ook dat er geen meetinstrument is die de gevolgen van sociaal-emotionele problemen op zeer jonge leeftijd kan weergeven.

      De derde factor

      Over het algemeen bevatten testen die worden ingevuld door ouders meetfouten. Deze meetfouten komen voort uit de partijdigheid van de ouders ten opzicht van hun kind. Als de ouders afkomstig zijn uit een cultuur die afwijkt van de dominante cultuur, wordt dit effect versterkt. Daarnaast zijn de dagelijkse routine en de opvoeding gekleurd door cultuur. De diagnosticus moet dan zich bewust worden van de cultuur en kijken of gedragingen van het kind cultuurafhankelijk is. Op deze wijze zijn vooroordelen en meetfouten te voorkomen. Bij culturele verschillen wordt door de DSM outline for culturale formulation aangeraden om met de familie te praten over:

      • moeilijkheden of stress van het kind

      • hoe het gedrag van het kind gezien wordt in de cultuur

      • culturele verklaringen voor het gedrag

      • ervaringen van ouders en voorkeur voor behandeling van het kind

      De vierde factor

      Bij zeer jonge kinderen valt moeilijk te beoordelen hoe een stoornis of een sociaal-emotioneel probleem het dagelijks leven en de ontwikkeling wordt beïnvloed. De reden hiervoor is dat het leven van het kind en de opvoeders op een dergelijke wijze met elkaar verweven is. De gevolgen voor het kind enerzijds en het gezin anderzijds zijn moeilijk te onderscheiden. De gevolgen moet worden in ieder geval worden beschreven op deze 4 gebieden:

      • Het aanpassingsvermogen in verschillende omgevingen van het kind

      • De ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en kennis van het kind

      • Het sociaal functioneren en de relaties van het kind

      • De fysieke gezondheid van het kind

      De opvoeders spelen een actieve rol bij de regulatie van de emoties en het gedrag van het kind. Aldus, de opvoeders kunnen een bepaalde invloed hebben op het kind zodat, de gevolgen en zelfs symptomen van de stoornis niet zichtbaar zijn. Bijvoorbeeld, de ouders ontwijken situaties waar het kind het negatieve gedrag vertoont. Om deze reden is het gepast de gevolgen van de stoornis niet alleen te beschrijven voor het kind maar ook voor het gezin. In de volgende sectie gaan we hier verder op in.

      Het gezin en de familie

      Het is cruciaal om de omgeving van het kind te begrijpen wanneer de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind wordt onderzocht. Het is namelijk niet ongebruikelijk dat, bepaalde probleemgedragingen van het kind specifiek zijn voor de context of de opvoeder. Er zijn 4 stappen voor het schetsen van een duidelijk beeld van de familiesituatie.

      1. identificeren van het gezin (de primaire opvoeders) en de huidige relatie met het kind en elkaar in beeld krijgen.

      2. identificeren van de familie (secundaire opvoeders), de familie is in deze context niet per se biologisch verwant aan het kind.

      3. De wederkerige interactiepatronen tussen kind en primaire opvoeders in kaart brengen.

      Deze wederkerige interactiepatronen hebben invloed op sociaal-emotioneel gedrag en ontwikkelen zich. Deze relatie is dan ook van groot belang voor het welzijn van het kind. De volgende meetinstrumenten meten de interactiepatronen:

      • The Nursing child assesment satellite

      • Clinical Problem-Solving Procedure

      • Emotional Availability Scale

      • Parent-child early relational Assessment

      Naast het analyseren van het gezin en de familie zouden risicofactoren die buiten het gezin liggen moeten worden meegenomen in het onderzoek, bijvoorbeeld armoede.

      De ontwikkeling

      Een ander aandachtspunt dat moet worden meegenomen in het onderzoek zijn de ontwikkelingen op andere domeinen. Met name taalachterstand, want kinderen met taalachterstand hebben een verhoogd risico op sociaal-emotionele en gedragsproblemen. De volgende meetinstrumenten kunnen worden gebruikt voor de meeting van ontwikkeling.

      • The Ages and Stages Questionnaires: Parent-Completed, Child Monitoring System. Dit meetinstrument meet de communicatie, grove motoriek, fijne motoriek, probleemoplossend vermogen en sociaal vermogen van kinderen tussen 4 en 60 maanden. Dit meetinstrument heeft een hoge betrouwbaarheid en een acceptabel validiteit.

      • The Macarthur Communicative Development Inventory Short Form. Dit meetinstrument meet de productieve vocabulaire van kinderen tussen 12 en 26 maanden. Dit meetinstrument heeft een hoge betrouwbaarheid.

      • The Brigance Infant and Toddler Screen. Tweeledig meetinstrument de infant version is te gebruiken voor kinderen 0 en 11 maanden en de toddler version is te gebruiken voor kinderen van 12 tot 36 maanden. Het instrument meet de fijne en grove motoriek, zelfstandige vaardigheden, luister en spreek taalvaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden. Dit instrument heeft een acceptabel betrouwbaarheid en validiteit

      • The language Development Survey. Dit instrument meet de taalachterstand van kinderen van 18- 35 maanden. Dit instrument heeft een hoge validiteit en betrouwbaarheid.

      Naast meetinstrumenten voor specifieke domeinen zijn er twee testen die de gehele ontwikkeling meten;The Mullen Scale of Early learning en Bayley Scale of Infant Development.

      De ideale situatie

      In de introductie is het belang onderstreept van vroege detectie van sociaal-emotionele problemen. In de ideale situatie worden alle zeer jonge kinderen gediagnosticeerd op het consultatiebureau. Het diagnoseproces heeft drie stappen. Stap 1 is een algemene test, die op het consultatiebureau doorlopen wordt. Zodoende, worden kinderen die risico lopen geïdentificeerd. Het is belangrijk, dat het meetinstrument zo wordt afgesteld dat de balans tussen valse identificatie en juiste identificatie goed is. Een balans is goed wanneer, 80 % of meer kinderen juist geïdentificeerd worden.

      De volgende screening instrumenten kunnen worden gebruikt:

      • The Ages and Stages Questionnaire- Social-emotional version

      • The Brief Infant Toddler Social Emotional Assessment

      Deze meetinstrumenten moeten nog getest worden op de validiteit in de kliniek, met andere woorden het is nog onduidelijk of deze meetinstrumenten juist zijn afgesteld. Bij Stap 2 wordt een kindrapport ingevuld door de ouders. Tevens, wordt geïnformeerd naar de zorgen van de ouders en teken van verstoring in de dagelijkse routine. Bij stap 3 wordt een uitgebreide diagnostische evaluatie gedaan met meerdere testen of één uitgebreide test. De volgende drie meetinstrument zijn adequaat voor een uitgebreide meting voor sociaal-emotionele problemen:

      • Infant -Toddler Social and Emotional Assessment. Meetinstrument voor kinderen van 12 tot 36 maanden

      • Child Behavior Checklist. Meetinstrument voor kinderen van18 tot 60 maanden.

      • Preschool Age Psychiatric Assessment. Meetinstrument voor kinderen tussen 24 en 60 maanden.

      De uitkomst van deze testen wordt verwezen naar een interventie of alsnog geconcludeerd dat er geen sprake is van sociaal-emotionele problemen.

      De aanpassingen

      Het is niet alleen nodig om een meetinstrument aan te passen voor de sociaal-emotionele problematiek van zeer jonge kinderen, maar ook de criteria van sommige stoornissen moeten worden aangepast. Zeer jonge kinderen kunnen namelijk:

      • Andere symptomen vertonen

      • Minder frequent of intens de symptomen vertonen bij depressie

      • De vereiste symptomen liggen buiten de cognitieve capaciteit van het kind, bijvoorbeeld bij Posttraumatic Stress Disorder (PTSD)

      • De symptomen zijn nog niet aanwezig

      Conclusie

      Dit artikel beschrijft de noodzaak om te diagnosticeren op zeer jonge leeftijd, maar ook de obstakels van diagnosticeren op deze leeftijd. Op dit moment is er een discrepantie tussen de huidige situatie en de ideale situatie. Onderzoek naar psychopathologie bij zeer jonge kinderen en het ontwikkelen van adequate meetinstrumenten zijn nodig om de ideale situatie te realiseren.

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Prechtl's beoordeling van gegeneraliseerde bewegingen van Einspieler & Prechtl - 2005

      Artikelsamenvatting bij Prechtl's beoordeling van gegeneraliseerde bewegingen van Einspieler & Prechtl - 2005

      Inleiding

      In dit artikel wordt een nieuwe manier om het jonge zenuwstelsel te analyseren gepresenteerd. Deze methode betreft het observeren en beoordelen van de kwaliteit van gegeneraliseerde bewegingen. Foetaal motorisch gedrag wordt beschreven als gegeneraliseerde bewegingen (‘general movements’, GM’s). Dit zijn bewegingen van het hoofd, de romp, de armen en de benen. De bewegingen worden gekenmerkt door elegantie en variabiliteit. Ze variëren van enkele seconden tot minuten. De GM’s zijn de eerste bewegingen die de menselijke foetus ontwikkelen.

      Geschiedenis

      Het zenuwstelsel van baby’s en jonge kinderen werd vroeger onderzocht aan de hand van het testen van de reflexen en reacties. Reflexen en het reactievermogen zijn echter geen goede indicatoren van hersenletsel. Veel van het vroegere onderzoek naar reflexen is gebaseerd op gedecerebreerde dieren en behandelde ruggengraten, omdat dat de beste manier was om de relatie tussen sensorische input en reflexieve motorische output te bestuderen. Echter, men heeft hierdoor te weinig aandacht besteed aan de expressies van spontane neurologische activiteit, ook wel spontane beweeglijkheid genoemd. Deze spontane beweeglijkheid is een zeer goede indicator van neurale dysfunctie als gevolg van hersenschade.

      Spontane beweeglijkheid in foetussen en jonge kinderen

      Foetussen en jonge kinderen maken bewegingen zonder dat zij sensorische input krijgen. Deze gegenereerde bewegingen beginnen negen tot twaalf weken postmenstruele leeftijd. De bewegingen gaan gewoon door na de geboorte en veranderen niet. Van alle verschillende bewegingen die het kind maakt tijdens zijn ontwikkeling van foetus naar jonge kind, zijn de GM’s het meest effectief voor het analyseren van het jonge zenuwstelsel. De GM’s zijn complex, ze vinden vaak plaats en ze duren vaak lang genoeg om te kunnen worden geobserveerd. Ze betreffen het hele lichaam in een willekeurige volgorde van bewegingen van de armen, benen, nek en romp. Ze verschillen in intensiteit, kracht, snelheid en hebben een gradueel begin en eind. De bewegingen worden preterm GM’s genoemd wanneer zij plaatsvinden voor de geboorte. Vanaf de geboorte tot aan zes tot negen weken postterm ziet men vooral zogenaamde ‘writhing’ bewegingen (kronkelen). Na deze zes tot negen weken verdwijnen de bewegingen langzaam en ziet men vooral ‘fidgety’ bewegingen (onrustig). Deze bewegingen zijn zichtbaar tot aan het einde van de eerste zes maanden van het kind. Daarna gaan vooral bewuste bewegingen een rol spelen.

      De relatie tussen GM’s en het zenuwstelsel

      Men weet al heel lang dat de relatie tussen GM’s en hersenschade niet worden geïndiceerd door de kwantiteit van de GM’s, maar door de kwaliteit van de GM’s. Als gevolg van hersenschade zijn GM’s minder complex, hebben een minder variabel karakter, hebben een slecht repertoire, zijn chaotisch, of zijn ‘cramped-synchronized’.

      Slecht bewegingsrepertoire

      Bij deze GM’s zijn de bewegingen monotoon en minder complex. De bewegingen kunnen echter worden opgevolgd door abnormale en normale bewegingen, en hebben daardoor maar weinig voorspellende kracht.

      ‘Cramped-synchronized’

      Deze bewegingen zijn zeer stijf en missen het normale soepele en vloeiende karakter. Alle spieren in de ledematen en de romp trekken tegelijkertijd samen en ontspannen. Als deze bewegingen worden waargenomen voor een aantal weken is dit zeer voorspellend voor de ontwikkeling van hersenschade.

      Chaotisch

      Deze bewegingen van alle ledematen zijn groot en chaotisch. De bewegingen lijken abrupt te zijn. Vaak ziet men dat kinderen met chaotische GM’s later ‘cramped-synchronized’ GM’s vertonen.

      Abnormale onrustige bewegingen

      Deze bewegingen lijken op de gewone onrustige bewegingen, maar ze zijn uitbundiger, sneller, en abrupter. Deze bewegingen hebben weinig voorspellende waarde.

      Afwezigheid van onrustige bewegingen

      Als er tussen de negen en twintig weken postterm geen onrustige bewegingen worden waargenomen, wordt dat ‘afwezigheid van onrustige bewegingen’ genoemd. Dit is een belangrijke voorspeller voor latere neurologische tekortkomingen.

      Onderzoeksmethode

      De volgende methode moet worden gestandaardiseerd. Het kind moet gemakkelijk worden gekleed, het liefst met de armen en benen bloot. Het kind wordt op de rug liggend gefilmd. Hoe lang er wordt gefilmd is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Het waarnemen van drie GM’s duurt gemiddeld een half uur tot een uur. Er hoeft niemand bij deze opname te blijven en de opname hoeft ook niet door de onderzoeker te worden bekeken. De belangrijke delen uit de video worden gekopieerd. De uiteindelijke beoordeling is gebaseerd op globale visuele Gestalt perceptie. Hierbij moet oog voor detail worden vermeden. De omgeving kan sterke negatieve invloed hebben op het resultaat, en er moet dan ook geen geluid zijn, en er mogen geen andere personen of reflecties in de video zijn. Het beoordelen duurt niet langer dan een tot drie minuten en vereist een speciale training.

      Aanwijzingen voor hersenschade

      Met deze methode is het mogelijk om latere hersenschade al vroeg te ontdekken. ‘Cramped-synchronized’ GM’s wijzen op latere ernstige hersenschade. Een andere belangrijke aanwijzer is het ontbreken van onrustige bewegingen.

       

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Mapping evidence-based treatments for children and adolescents: Application of the distillation and matching model to 615 treatments from 322 randomized trials van Chorpita & Daleiden - 2009

      Artikelsamenvatting bij Mapping evidence-based treatments for children and adolescents: Application of the distillation and matching model to 615 treatments from 322 randomized trials van Chorpita & Daleiden - 2009

      De laatste jaren is er meer nadruk op het begrijpen van de werkzame elementen, de relevantie en de fit van psychologische behandelingen binnen de praktijk. De werkzame elementen van een behandeling kunnen op veel verschillende manieren onderzocht worden. Zo kan er worden gekeken naar de intensiteit, de focus of de theoretische onderbouwing van verschillende behandelingen. Er bestaat echter nog geen systematische review van de klinische strategieën die horen bij evidence-based behandelingen. Er is veel onderzoek gedaan naar de resultaten van behandelingen, maar er zijn weinig aanbevelingen over het definitieve analyseniveau. Vroeger werden behandelingen als geheel onderzocht en werden er uitspraken gedaan over of de behandeling als geheel effectief was. Tegenwoordig is het analyseniveau vaak het behandelingsprotocol in plaats van de theorie of de werkzame ingrediënten van een behandeling. Het is echter belangrijk om te weten welke specifieke strategieën van behandelingen effectief zijn. Dit zal bijdragen aan kennis over behandelingen en over de onderliggende mechanismen. Deze strategieën worden daarom onderzocht in dit onderzoek.

      Wat is het Destillatie- en Matchingmodel?

      Het destillatie en matchingmodel (DMM) kan worden gebruikt om strategieën die horen bij evidence-based behandelingen te beschrijven. Ook beschrijft het de consequenties van het gebruik van protocollen als analyseniveau. Binnen dit model wordt er gebruik gemaakt van frequentiepatronen in behandeltechnieken om een distillatietabel op te stellen. Deze tabel organiseert geselecteerde literatuur op basis van een aantal vooraf geselecteerde variabelen (zoals stoornistype, leeftijd, etniciteit). Het model is ontworpen om een ​​overzicht te krijgen van de behandelpraktijken die gunstige resultaten opleveren, begrip te bevorderen van de relaties tussen behandelingen en cliënt- of contextvariabelen, en het genereren van hypotheses over mogelijke voorschriften die toegepast kunnen worden in nieuwe situaties.

      Welke methode werd er gebruikt?

      Voor dit onderzoek werd een uitgebreide enquête gehouden onder 322 gerandomiseerde onderzoeken naar belangrijke psychische stoornissen bij kinderen en adolescenten. De DMM werd hierbij gebruikt. Dit omvat het gebruik van een uitgebreide set van codes om de behandelingen te categoriseren volgens specifieke therapeutische procedures die worden gebruikt. Zo worden factoren die mogelijk van invloed zijn op de behandelingseffectiviteit, zoals probleemtype, leeftijd, geslacht en etniciteit onderzocht. Er werd verder gebruik gemaakt van gestandaardiseerde vragenlijsten met bewezen betrouwbaarheid om de gegevens te verzamelen. Op basis hiervan kunnen er expliciete beslissingen genomen worden over de afbakening van de literatuur. De resultaten worden gepresenteerd in een distillatietabel die de behandelingen rangschikt op basis van de mate van bewijs uit de onderzoeksgegevens.

      Wat kan er worden geconcludeerd?

      De resultaten tonen aan dat behandelingen worden gekenmerkt door een groot aantal praktijkelementen die aanzienlijk variëren afhankelijk van verschillende variabelen van interesse. Het probleemgebied van het kind was de primaire factor waarmee de componentpraktijken van effectieve behandelingen werden georganiseerd, wat enige empirische ondersteuning biedt voor de traditionele "stoornisgestuurde" benadering van andere beoordelingen. Een klinische implicatie van de resulterende praktijkpatronen is dat ze kunnen dienen als gids voor:

      • De selectie van een op bewijs gebaseerd protocol dat potentieel het "meest representatief" is voor de literatuur waarin het zich bevindt
      • Het ad-hoc-ontwerpen van een behandeling (bijvoorbeeld door aanpassing van de gebruikelijke zorg) door de selectie van praktijkelementen die relevant lijken voor een bepaalde groep

      De bevindingen suggereren ook dat bij het selecteren van behandelingen special cases een grotere rol zouden moeten spelen in het behandelingsselectie proces. Dit houdt in dat bij het plannen van de behandeling van een 13-jarige met autisme, men niet alleen naar de evidence base van zeven gerandomiseerde onderzoeken moet kijken, maar ook naar een enkele-case studie waarvan de populatievergelijkbaar was en waarvan de behandelpraktijken verschillend waren van de grotere autisme-literatuur. Op dezelfde manier zou men bij het werken met Aziatische gezinnen moeten overwegen om trots op te nemen als factor, gezien de bevinding dat het trainen van ouders om vaker trots uit te spreken naar hun kinderen in studies naar angstbehandelingen met Aziatische kinderen effectief blijkt. Het DMM biedt zo een definitie van de hiërarchische sets vanuit de literatuur waar clinici gebruik van kunnen maken. Dit artikel was de eerste wetenschappelijke poging om de componenten van evidence-based praktijken breed in de literatuur te onderzoeken, en het vertegenwoordigt een nieuwe weg voor het in kaart brengen van een literatuur die in de loop van de tijd steeds complexer zal worden. Het artikel beschrijft een patroon waarbij succesvolle behandelingen die verschillen in samenstelling zichzelf organiseren in clusters die in de eerste plaats overeenkomen met problematische gebieden van het kind. Binnen problematische gebieden bestaan verschillende speciale gevallen, wat suggereert dat sommige kindkenmerken geassocieerd zijn met een uniek patroon van behandeling. Het model heeft over het algemeen een werkende kaart van de literatuur geproduceerd die snel zowel de clinici als onderzoekers wijst op grotere collecties van relevante onderzoeksgroepen en het kleine aantal uitzonderingen dat relevant kan zijn bij de behandelingselectie of het ontwerp. In vergelijking met de huidige traditie om alleen te generaliseren vanuit rationeel gedefinieerde probleemgebieden, toont het DMM duidelijker wanneer de literatuur van toepassing kan zijn op een specifieke subgroep, evenals wanneer die literatuur een uniek patroon van praktijken heeft gedefinieerd.

      Bulletpoints

      Wat is het Destillatie- en Matchingmodel?

      • Het destillatie en matchingmodel (DMM) kan worden gebruikt om strategieën die horen bij evidence-based behandelingen te beschrijven. Ook beschrijft het de consequenties van het gebruik van protocollen als analyseniveau. Binnen dit model wordt er gebruik gemaakt van frequentiepatronen in behandeltechnieken om een distillatietabel op te stellen. Deze tabel organiseert geselecteerde literatuur op basis van een aantal vooraf geselecteerde variabelen (zoals stoornistype, leeftijd, etniciteit). Het model is ontworpen om een ​​overzicht te krijgen van de behandelpraktijken die gunstige resultaten opleveren, begrip te bevorderen van de relaties tussen behandelingen en cliënt- of contextvariabelen, en het genereren van hypotheses over mogelijke voorschriften die toegepast kunnen worden in nieuwe situaties.

      Wat kan er worden geconcludeerd?

      • De resultaten tonen aan dat behandelingen worden gekenmerkt door een groot aantal praktijkelementen die aanzienlijk variëren afhankelijk van verschillende variabelen van interesse. Het probleemgebied van het kind was de primaire factor waarmee de componentpraktijken van effectieve behandelingen werden georganiseerd, wat enige empirische ondersteuning biedt voor de traditionele "stoornisgestuurde" benadering van andere beoordelingen. Een klinische implicatie van de resulterende praktijkpatronen is dat ze kunnen dienen als gids voor:
      • De selectie van een op bewijs gebaseerd protocol dat potentieel het "meest representatief" is voor de literatuur waarin het zich bevindt
      • Het ad-hoc-ontwerpen van een behandeling (bijvoorbeeld door aanpassing van de gebruikelijke zorg) door de selectie van praktijkelementen die relevant lijken voor een bepaalde groep
      • De bevindingen suggereren ook dat bij het selecteren van behandelingen special cases een grotere rol zouden moeten spelen in het behandelingsselectie proces. Dit houdt in dat bij het plannen van de behandeling van een 13-jarige met autisme, men niet alleen naar de evidence base van zeven gerandomiseerde onderzoeken moet kijken, maar ook naar een enkele-case studie waarvan de populatievergelijkbaar was en waarvan de behandelpraktijken verschillend waren van de grotere autisme-literatuur. Op dezelfde manier zou men bij het werken met Aziatische gezinnen moeten overwegen om trots op te nemen als factor, gezien de bevinding dat het trainen van ouders om vaker trots uit te spreken naar hun kinderen in studies naar angstbehandelingen met Aziatische kinderen effectief blijkt. Het DMM biedt zo een definitie van de hiërarchische sets vanuit de literatuur waar clinici gebruik van kunnen maken. Dit artikel was de eerste wetenschappelijke poging om de componenten van evidence-based praktijken breed in de literatuur te onderzoeken, en het vertegenwoordigt een nieuwe weg voor het in kaart brengen van een literatuur die in de loop van de tijd steeds complexer zal worden. Het artikel beschrijft een patroon waarbij succesvolle behandelingen die verschillen in samenstelling zichzelf organiseren in clusters die in de eerste plaats overeenkomen met problematische gebieden van het kind. Binnen problematische gebieden bestaan verschillende speciale gevallen, wat suggereert dat sommige kindkenmerken geassocieerd zijn met een uniek patroon van behandeling. Het model heeft over het algemeen een werkende kaart van de literatuur geproduceerd die snel zowel de clinici als onderzoekers wijst op grotere collecties van relevante onderzoeksgroepen en het kleine aantal uitzonderingen dat relevant kan zijn bij de behandelingselectie of het ontwerp. In vergelijking met de huidige traditie om alleen te generaliseren vanuit rationeel gedefinieerde probleemgebieden, toont het DMM duidelijker wanneer de literatuur van toepassing kan zijn op een specifieke subgroep, evenals wanneer die literatuur een uniek patroon van praktijken heeft gedefinieerd.
      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Getraumatiseerde ouders en de relatie met hun kinderen van de Kok - 2019

      Artikelsamenvatting bij Getraumatiseerde ouders en de relatie met hun kinderen van de Kok - 2019

      Ouderlijk trauma kan een significante impact hebben op de ontwikkeling van kinderen. Traumatische ervaringen van ouders kunnen de hechting, interactie en opvoedingsstijl beïnvloeden, wat kan leiden tot problemen in de ontwikkeling van het kind.

      Hechting

      Een veilige hechting tussen ouder en kind is cruciaal voor de ontwikkeling van het kind. Getraumatiseerde ouders kunnen moeite hebben om een veilige hechting met hun kind te creëren. Dit kan komen doordat ze:

      • Moeite hebben met het reguleren van hun emoties, wat kan leiden tot conflicten en inconsistentie in de opvoeding.
      • Afgestemd zijn op hun eigen trauma en niet op de behoeften van hun kind.
      • Moeite hebben met het uiten van liefde en affectie.

      Interactie

      De interactie tussen ouder en kind is een belangrijke bron van leren en ontwikkeling voor het kind. Getraumatiseerde ouders kunnen moeite hebben om met hun kind te communiceren en te spelen op een manier die stimulerend en bevredigend is. Dit kan komen doordat ze:

      • Zich terugtrekken en emotioneel afwezig zijn.
      • Hypervigilant zijn en snel reageren op triggers.
      • Moeite hebben met het begrijpen van de signalen van hun kind.

      Opvoedingsstijl

      De opvoedingsstijl van ouders heeft een grote invloed op de ontwikkeling van het kind. Getraumatiseerde ouders kunnen een autoritaire of overbeschermende opvoedingsstijl hanteren. Dit kan komen doordat ze:

      • Angst hebben om hun kind te verliezen.
      • Controle willen houden over hun kind.
      • Moeite hebben met het stellen van grenzen.

      Gevolgen voor het kind

      De problemen in de hechting, interactie en opvoedingsstijl van getraumatiseerde ouders kunnen leiden tot verschillende problemen in de ontwikkeling van het kind, zoals:

      • Angst- en depressieklachten.
      • Problemen met hechting en vertrouwen.
      • Problemen met emotieregulatie.
      • Leerproblemen.
      • Agressief gedrag.

      Traumagerichte interventies

      Traumagerichte interventies kunnen ouders helpen om hun trauma te verwerken, hun emoties te reguleren en gezondere relaties met hun kinderen op te bouwen. Deze interventies kunnen bestaan uit:

      • Therapie voor ouders.
      • Groepsbijeenkomsten voor ouders.
      • Parent-child interaction therapy (PCIT).

      Preventie en vroege interventie

      Het is belangrijk om preventieve maatregelen te nemen om te voorkomen dat kinderen worden blootgesteld aan de negatieve gevolgen van ouderlijk trauma. Dit kan door:

      • Ouders te screenen op trauma.
      • Voorlichting te geven over de impact van trauma op kinderen.
      • Vroege interventies te bieden aan kinderen van getraumatiseerde ouders.

      Conclusie

      Ouderlijk trauma kan een significante impact hebben op de ontwikkeling van kinderen. Het is belangrijk om de effecten van trauma te begrijpen en traumagerichte interventies te implementeren om de hechting, interactie en opvoedingsstijl te verbeteren.

      Belang van dit artikel

      Dit artikel draagt bij aan een beter begrip van de impact van ouderlijk trauma op de ontwikkeling van kinderen. Het biedt waardevolle informatie voor professionals die werken met getraumatiseerde ouders en hun kinderen.

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Help, ik word hulpverlener! van Leunen - 2019

      Artikelsamenvatting bij Help, ik word hulpverlener! van Leunen - 2019

      Doel artikel: een pleidooi voor de inzet van peer support om zo ruimte te scheppen voor zelfonthulling en het aanboren en ontwikkelen van aanwezige ervaringskennis van studenten > het concept van peer support moet stevig verankerd worden binnen het hedendaags Social Work onderwijs.

      Tot voor kort was het voor hulpverleners ongebruikelijk om eigen ervaring/kwetsbaarheid in te zetten. De campagne ‘Zet ervaringskennis in’ roept een brede doelgroep op om meer ervaringskennis in te zetten.

      Deskundigheid door ontwrichting en herstel

      Vanwaar de groeiende belangstelling voor ervaringsdeskundigheid? Te danken aan inzet van een groeiende herstelbeweging, erkenning door het werkveld dat de zorg veranderd moet worden en meer ondersteunend moet zijn bij de herstelprocessen van hen die van de zorg gebruik maken.

      Wat is ervaringsdeskundigheid? Door eigen ervaringen te analyseren en erop te reflecteren, ontstaat ervaringskennis. Deze kennis is eenzijdig en wordt verbreed door ervaringen te delen met lotgenoten, die ook geanalyseerd en gereflecteerd worden. Zo ontstaat er een brede en genuanceerde ervaringskennis. Wanneer deze ervaringskennis op professionele wijze wordt ingezet in cliëntcontact, is er sprake van ervaringsdeskundigheid

      Het potentieel aan ervaringskennis

      Veel (aankomend) hulpverleners blijken over een behoorlijk potentieel aan ervaringskennis te beschikken, ze hebben alleen geleerd dat het niet professioneel is om deze ervaringen bekend te maken of te gebruiken. Opmerkelijk: ‘op afstand het meest nabij’, ‘critical friend’. Wetenschappelijke kennis, beroepspraktijkkennis en ervaringskennis kunnen elkaar juist aanvullen en versterken. Echter, vanwege gebrek aan veiligheid en andere basale randvoorwaarden blijven vele kansen onbenut.

      Een introductie op het concept peer support

      Wat is peer support?

      ‘Sociaal-emotionele ondersteuning, vaak gekoppeld aan praktische steun, dat onderling gegeven wordt door personen met een psychische aandoening, teneinde een gewenste sociale of persoonlijke verandering te helpen tot stand te brengen.’ Sleutelbegrippen hierbij zijn: respect, gedeelde verantwoordelijkheid en een gedeelde opvatting over wat helpend is.

      Peer support-programma’s komen in verschillende vormen voor, maar meestal betrekken ze altijd mensen met vergelijkbare achtergronden die emotionele, sociale of praktische ondersteuning bieden aan elkaar. Een belangrijke veronderstelling van het concept peer support is, dat vanwege gedeelde ervaringen en levensomstandigheden, peers beter in staat zijn om een steunvolle vertrouwensrelatie tot stand te brengen met mensen die hulp nodig hebben.

      Is het effectief?

      Onderzoek laat zien dat peer support vergelijkbare of verbeterde resultaten oplevert ten aanzien van traditionele behandelmethoden waarbij geen peers worden ingezet (minder ziekenhuisopnamen, toegenomen gevoel van controle en onafhankelijk, verhoogd zelfbeeld en vertrouwen, uitgebreidere sociale ondersteuningsnetwerken en verbinding met de gemeenschap, verbeterde sociale vaardigheden etc.). Drie belangrijke voordelen:

      1. Een groter gevoel van hoop door positieve zelfonthulling;
      2. Gebruik van vergelijkbare achtergrond en ervaring (ervaringskennis) om positieve rolmodellering te faciliteren;
      3. Meer vertrouwen, begrip, en empathie tussen de peer-supporter en de ontvanger.

      Angst voor zelfonthulling

      Wat zijn de verschillende rollen van een zorgprofessional? De expertrol (meer kennis hebben dan de leek), de niet-wetenrol (zoals vaak gehanteerd in psychotherapie) en de persoonlijke rol: de relatie van mens tot mens. Bij de persoonlijke rol hoort ook professionele zelfonthulling: een professional verschaft persoonlijke informatie aan de cliënt.

      Waarom delen studenten dikwijls hun verhaal niet? Ze voelen schaamte/ongemak wanneer het eigen ervaringen betreft of zijn zich er onvoldoende van bewust dat dergelijke ervaringen zodanig gebruikt kunnen worden dat ze hierdoor juist iets extra’s te bieden hebben in de praktijk.

      Begeleiding tijdens de studie

      Bijna zeven op de tien studenten ervaart vaak tot zeer vaak prestatiedruk in het dagelijks leven. Bovendien heeft 14,4% zeer serieuze angst- en depressieklachten en zou bijna een op de vijf studenten een hoog risico op zelfdoding hebben.

      Wat is het probleem? Studenten blijven rondlopen met psychische klachten of delen problemen uitsluitend in eigen kring. Een peer-supportprogramma maakt de weg vrij om het hebben van psychische problemen bespreekbaar te maken binnen de opleiding > leren van elkaars ervaringen en onderlinge ondersteuning bij het studeren met psychische problemen.

      Ervaringskennis als kennisbron, pilot peer support op de HU

      De HU heeft in het afgelopen jaar grote stappen gezet in het positioneren van ervaringskennis als een waardevolle en gelijkwaardige kennisbron naast andere kennisbronnen. De wens van studenten om meer te doen met eigen ervaringen en psychische kwetsbaarheid is vertaald in een peersupportgroep voor studenten.

      Wat gebeurt er in zo’n peersupportgroep voor studenten? Aankomend sociaal werkers delen ervaringen gerelateerd aan de ontwikkeling van hun beroepsidentiteit. Dit helpt hen bij de overweging of en hoe ze persoonlijke ervaringen in willen/kunnen zetten ten behoeve van hun professionalisering al sociaal werker.

      Hoe ziet het programma eruit? Acht bijeenkomsten zijn onderverdeeld in vier thema’s: herstel, empowerment en stigma, ervaringsdeskundigheid en herstelondersteuning. Deelnemers hebben tijdens en na afloop van de bijeenkomsten meermaals benadrukt hoe inspirerend en leerzaam het is om in deze setting ervaringen en ervaringskennis met elkaar te delen.

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Help, ik word hulpverlener! Peer support als instrument om ruimte te scheppen voor zelfonthulling en inzet ervaringskennis van aankomend sociaal werkers van Leunen - 2019

      Artikelsamenvatting bij Help, ik word hulpverlener! Peer support als instrument om ruimte te scheppen voor zelfonthulling en inzet ervaringskennis van aankomend sociaal werkers van Leunen - 2019

      Wat is ervaringsdeskundigheid?

      Ervaringsdeskundigheid is het vermogen om op grond van eigen herstelervaring voor anderen ruimte te maken voor herstel. Het gaat om meer dan alleen het hebben van ervaring. Iemand moet zijn eigen ervaring delen met lotgenoten om brede en genuanceerde ervaringskennis te ontwikkelen. Vervolgens moet geleerd worden die kennis in te zetten ten behoeve van anderen. Het gaat er dus om de vaardigheid om de kennis en ervaring over het eigen herstelproces gecombineerd met ervaringen van anderen op professionele wijze in te zetten in cliëntcontact.

      Wat is peer support?

      Peer support is de sociaal-emotionele ondersteuning, vaak gekoppeld aan praktische steun, dat onderling gegeven wordt door personen met een psychische aandoening, met als doel een gewenste sociale of persoonlijke verandering tot stand te brengen. Het is gebaseerd op het idee dat vanwege gedeelde ervaringen en levensomstandigheden, peers beter in staat zijn om een steunvolle vertrouwensrelatie tot stand te brengen met mensen die hulp nodig hebben. Kameraadschap, steun, empathie en het delen van adviezen gaan gevoelens van eenzaamheid, discriminatie, frustratie en afwijzing die door mensen met een psychiatrische aandoening worden beleefd, tegen.

      Wat zijn de voordelen van peer-supportprogramma´s vergeleken met traditionele benaderingen in de geestelijke gezondheidszorg?

      • Een groter gevoel van hoop door positieve zelfonthulling.

      • Meer vertrouwen, empathie en begrip tussen de peer-supporter en de ontvanger.

      • Het gebruik van vergelijkbare achtergrond en ervaring om positieve rolmodellering te faciliteren.

      Wat is professionele zelfonthulling?

      Bij professionele zelfonthulling verschaft een (zorg)professional persoonlijke informatie aan de cliënt. De relatie van mens tot mens speelt een belangrijke rol in de psychische zorg, maar persoonlijke ervaringen die gerelateerd zijn aan het beroep van de professional blijven vaak verzwegen en onbenut. Ook in de zorgverleningsopleidingen bestaat er een taboe op het doorbreken van eigen ervaringen en wordt dit vaak als onprofessioneel beschouwd.

      Wat is het belang van peer-supportprogramma´s in hulpverleningsopleidingen?

      Psychische kwetsbaarheden kunnen een belemmering vormen voor de beroepsontwikkeling. Peer-supportprogramma´s kunnen psychische problemen bespreekbaar maken, zodat peers kunnen leren van elkaar ervaringen, elkaar emotionele ondersteuning kunnen bieden en tips kunnen uitwisselen. Deze verkenning helpt hen bij de overweging of en hoe ze persoonlijke ervaringen in willen of kunnen zetten in hun werk. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van de ervaringsdeskundigheid van de toekomstige hulpverlener.

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Kleuter in een groot lichaam: Werken met mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen van Kindermans - 2015

      Artikelsamenvatting bij Kleuter in een groot lichaam: Werken met mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen van Kindermans - 2015

      Inleiding

      Dit artikel bespreekt de uitdagingen van het werken met mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. De auteur, Kindermans (2015), beschrijft hoe deze mensen vaak vastzitten in een "kleuter in een groot lichaam"-patroon, wat kan leiden tot frustratie en agressie.

      Problematiek

      Mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen hebben vaak moeite met:

      • Het begrijpen van sociale regels en verwachtingen.
      • Het reguleren van hun emoties.
      • Het communiceren van hun behoeften.

      Dit kan leiden tot frustratie en agressie, wat hun relaties met anderen en hun participatie in de maatschappij kan belemmeren.

      Vicieuze cirkel

      De frustratie en agressie van mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen kan leiden tot een vicieuze cirkel. De omgeving kan negatief reageren op hun gedrag, wat hun frustratie en agressie alleen maar kan versterken.

      Behandeling

      De behandeling van mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen is complex en vereist een multidisciplinaire aanpak. De volgende elementen zijn belangrijk:

      • Gedragstherapie: Dit kan mensen helpen om hun gedrag te leren begrijpen en reguleren.
      • Psychotherapie: Dit kan mensen helpen om hun emoties te leren begrijpen en te verwerken.
      • Sociale vaardigheidstraining: Dit kan mensen helpen om sociale regels en verwachtingen te leren begrijpen en om te gaan met anderen.
      • Medicatie: In sommige gevallen kan medicatie nodig zijn om agressie te verminderen.

      Omgeving

      De omgeving speelt een belangrijke rol in de behandeling van mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Het is belangrijk om een omgeving te creëren die:

      • Veilig en gestructureerd is.
      • Duidelijke regels en verwachtingen heeft.
      • Bevestiging en ondersteuning biedt.

      Conclusie

      Mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen hebben complexe behoeften. Het is belangrijk om een multidisciplinaire aanpak te gebruiken om hen te helpen hun frustratie en agressie te verminderen en hun kwaliteit van leven te verbeteren.

      Belang van dit artikel

      Dit artikel draagt bij aan een beter begrip van de uitdagingen van het werken met mensen met een verstandelijke beperking en gedragsproblemen. Het biedt waardevolle informatie voor professionals die met deze doelgroep werken.

      Access: 
      Public
      Artikelsamenvatting bij Ingrediënten van effectieve ouderbegeleiding bij gedragsproblemen van jonge kinderen van Leijten - 2022

      Artikelsamenvatting bij Ingrediënten van effectieve ouderbegeleiding bij gedragsproblemen van jonge kinderen van Leijten - 2022

      Inleiding

      Gedragsproblemen bij jonge kinderen komen veel voor en kunnen een aanzienlijke impact hebben op hun ontwikkeling, welzijn en dat van hun omgeving. Ouderbegeleiding wordt gezien als een effectieve interventie om deze problemen te verminderen. Dit artikel belicht de essentiële ingrediënten van effectieve ouderbegeleiding bij gedragsproblemen van jonge kinderen, met nadruk op de rol van professionals in signalering, bevestigen, preventie en vroege interventie.

      Ingrediënten van effectieve ouderbegeleiding

      Het literatuuronderzoek van Leijten (2022) identificeert de volgende essentiële ingrediënten van effectieve ouderbegeleiding:

      • Doelgroepgerichte interventies: Programma's die specifiek gericht zijn op de behoeften van de doelgroep, zijn effectiever dan algemene programma's.
      • Focus op vaardigheden: Het aanleren van vaardigheden aan ouders, zoals positieve bekrachtiging en time-out , is effectiever dan psycho-educatie alleen.
      • Combinatie van methoden: De combinatie van psycho-educatie, vaardigheidstraining en gedragstherapie is het meest effectief.
      • Thuisbegeleiding: Ouderbegeleidingsprogramma's die thuis worden aangeboden, zijn effectiever dan programma's in een klinische setting.
      • Motivatie van ouders: De motivatie van ouders om deel te nemen aan ouderbegeleiding is een belangrijke factor voor het succes van de interventie.

      Rol van professionals

      Naast het aanbieden van effectieve ouderbegeleidingsprogramma's, spelen professionals een cruciale rol in:

      • Signalering: Professionals, zoals pedagogen, jeugdhulpverleners en psychologen, zijn getraind om signalen van gedragsproblemen te herkennen bij kinderen en hun ouders.
      • Bevestigen: Na signalering is het belangrijk dat professionals de zorgen van ouders bevestigen en erkennen dat de gedragsproblemen van hun kind een impact hebben op hun leven.
      • Informeren: Professionals informeren ouders over de oorzaken en gevolgen van gedragsproblemen, en over beschikbare interventies.

      Preventie en vroege interventie

      Het artikel benadrukt het belang van preventie en vroege interventie om de negatieve gevolgen van gedragsproblemen te verminderen. Professionals kunnen hieraan bijdragen door:

      • Training: Professionals worden getraind in het signaleren van risicofactoren voor gedragsproblemen.
      • Voorlichting: Ouders worden geïnformeerd over opvoeding en kindontwikkeling, met aandacht voor het bevorderen van prosociaal gedrag.
      • Ondersteuning: Professionals ondersteunen ouders bij het creëren van een positieve en gestructureerde omgeving voor hun kind.
      • Doorverwijzing: Wanneer nodig, worden ouders doorverwezen naar gespecialiseerde hulpverlening.

      Conclusie

      Effectieve ouderbegeleiding bij gedragsproblemen van jonge kinderen is complex en vereist een multidisciplinaire aanpak. Programma's die gericht zijn op de doelgroep, vaardigheden en een combinatie van methoden, zijn het meest effectief. Professionals spelen een cruciale rol in signalering, bevestigen, preventie en vroege interventie. Door professionals te trainen en te ondersteunen, en door ouders te informeren en te helpen, kunnen we de negatieve gevolgen van gedragsproblemen verminderen en de kwaliteit van leven van kinderen en hun families verbeteren.

      Access: 
      Public
      Rapportsamenvatting bij Algemeen en specifiek werkzame factoren in de jeugdzorg. Stand van de discussie van Van Yperen e.a. - 2010 - Exclusive
      Access: 
      Public

      Image

      Check more: this content refers to
      Pedagogy and education - Theme
      Join: WorldSupporter!

      Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

      Check: concept of JoHo WorldSupporter

      Concept of JoHo WorldSupporter

      JoHo WorldSupporter mission and vision:

      • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

      JoHo concept:

      • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
      • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

      Join JoHo WorldSupporter!

      for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

      Check: how to help
      Share: this page!
      Follow: Social Science Supporter (author)
      Add: this page to your favorites and profile
      Statistics
      1763
      Submenu & Search

      Search only via club, country, goal, study, topic or sector