Wat is pedagogiek en hoe doe je empirisch pedagogisch onderzoek? - Chapter 1 - Exclusive
Wat is pedagogiek en hoe doe je empirisch pedagogisch onderzoek? - Chapter 1
...........Read more
Wat is pedagogiek en hoe doe je empirisch pedagogisch onderzoek? - Chapter 1
...........Read moreHoe kun je goed onderzoek doen met statistiek? - Chapter 2
...........Read moreUit welke bronnen kan informatie gehaald worden? - Chapter 3
...........Read moreWelke pedagogische ideeën staan ten grondslag aan de gehechtheidstheorie? - Chapter 4
...........Read moreWat is de rol van neurobiologisch onderzoek binnen de pedagogische wetenschappen? - Chapter 5
...........Read moreWat is de invloed van genetica op de ontwikkeling van een kind? - Chapter 6
...........Read moreWelke cultuurverschillen in opvoedingsstijlen zijn er te vinden? - Chapter 7
...........Read moreWat zorgt voor onzekerheid bij ouders betreffende hun manier van opvoeden? - Chapter 8
...........Read moreHoe zijn de ouderrollen verdeeld en wat is het verschil in opvoeding tussen jongens en meisjes? - Chapter 9
...........Read moreWat is de invloed van nieuwe media op de opvoeding? - Chapter 10
...........Read moreHoe is de kinderopvang in kinderdagverblijven en gastoudergezinnen? - Chapter 11
...........Read moreHoe bevorder je sensitiviteit in de opvoeding? - Chapter 12
...........Read moreHoe hebben adoptie en pleegzorg zich ontwikkeld? - Chapter 13
...........Read moreDe Wet op Jeugdzorg omschrijft kindermishandeling als elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de form van fysiek of psychisch letsel.
Er worden vijf vormen van mishandeling onderscheden:
Publiciteit heeft een grote rol gespeeld in de herkenning van kindermishandeling. Veel individuele gevallen van kindermishandeling die in de media kwamen, hebben geleid tot de oprichting van stichtingen tegen kindermishandeling, zoals de Society for the Prevention of Cruelty to Children in New York. In Nederland heerste lange tijd de benadering van een niet goed functionerend gezin, dat een opgroeiend kind in gevaar bracht: de mishandeling zou het kind misdadig maken, en daarom moest het kind beschermd worden.
Seksueel misbruik in Nederland kwam in de belangstelling met de oprichting van de Vereniging tegen Kindermishandeling (nu de Stichting Voorkoming van Kindermishandeling) in 1970. De aandacht voor dit probleem blijft toenemen.
Rond 1960 werd kindermishandeling gezien als vooral fysiek geweld waar zeer jonge kinderen het slachtoffer van werden. De term battered child syndrome werd door artsen gebruikt voor kinderen die fysieke verwondingen opliepen zonder dat er sprake was van een ongeluk. Kindermishandeling werd gezien als een symptoom van disfunctionerende relatiepatronen binnen het gezin.
Door de aandacht voor kindermishandeling vond er een verschuiving plaats in het denken over de opvoeding. Tot dan was de opvatting dat kinderen moesten gehoorzamen en zich moesten onderwerpen aan gezagspersonen zoals ouders en leerkrachten. In de nieuwe opvatting stonden zelfstandigheid, autonomie en authenticiteit veel meer centraal. Deze deugden waren niet met ‘harde hand’ af te dwingen en kindermishandeling werd steeds minder gezien als een gerechtvaardigd middel in de opvoeding. Het werd een aantasting van de integriteit van het kind als persoon.
Sinds 1980 is het begrip kindermishandeling uitgebreid naar seksueel misbruik van kinderen. De vrouwenbeweging vroeg aandacht voor seksueel misbruik. Dit leidde tot een campagne tegen seksueel misbruik van kinderen. Doordat de vrouwenbeweging de aanleiding was, werd seksueel misbruik van kinderen sterk gezien als seksetypisch probleem: de daders waren vooral mannen.
Een kwart van de slachtoffers van seksueel misbruik is jonger dan zeven jaar. Jonge kinderen zijn extra kwetsbaar voor dit type misbruik, omdat ze nog erg afhankelijk zijn van volwassenen voor bijvoorbeeld het verschonen of in bad gaan. Meer meisjes dan jongens worden slachtoffer en jongens praten er minder snel over met anderen. Misbruikte kinderen komen vaker uit een gezin met een lagere sociaal economische status (SES), maar het wordt hier ook eerder vastgesteld doordat deze gezinnen vaker contact hebben met hulpverleningsinstanties. Slachtoffers onder de vijf jaar worden meestal misbruikt door familieleden of kennissen. Oudere kinderen lopen meer kans op misbruik buiten het gezin, waarschijnlijk omdat het aantal contacten buitenshuis toeneemt naarmate het kind ouder wordt.
Kinderen vertellen vaak niet wat er aan de hand is. Dit komt doordat jonge kinderen nog niet de verbale mogelijkheden hebben om erover te praten en omdat ze zich schamen over wat er is gebeurd. Ook komt het vaak voor dat de dader hen dwingt het geheim te houden. Kinderen denken ook vaak dat het misbruik hun eigen schuld is.
Seksueel misbruik is lastig te herkennen. De slachtoffers vertonen lang niet altijd fysieke signalen, daardoor is het detecteren van gedragssignalen nog belangrijker. Een paar signalen zijn een negatief lichaamsbeeld, zelfverwonding, depressieve gevoelens of schuldgevoelens, plotselinge terugval van schoolprestaties en angst voor jongens of mannen.
Een specifiek signaal voor seksueel misbruik is afwijkend seksueel gedrag. De meeste jonge kinderen hebben natuurlijk seksueel gedrag, voortkomend uit de wil van kinderen te weten hoe alles werkt. Maar veel seksueel misbruikte kinderen vertonen geen afwijkend seksueel gedrag. Omgekeerd kan afwijkend gedrag ook voorkomen bij niet misbruikte kinderen. Wat misschien een beter signaal is, is afwijkende seksuele kennis. Seksuele kennis is ook beter meetbaar door onderzoekers, want het kan in een interviewsetting gemeten worden. Uit een onderzoek bleek dat niet misbruikte kinderen weinig kennis bezitten over seksualiteit. Hun kennis beperkt zich tot basiskennis van sekseverschillen, geslachtsdelen en niet seksuele functies van genitaliën. Afbeeldingen over mogelijke seksuele handelingen, zoals een man die zich over een meisje in bed buigt, werden als onschuldig gezien. De kennis van de misbruikte kinderen week duidelijk af. Ze waren ook terughoudender in het uiten van hun kennis bij het zien van de afbeeldingen, wat wijst op hun ervaring van angst bij het seksueel misbruik.
Is jeugdhulp wetenschappelijk verantwoord? - Chapter 15
...........Read moreWat is het belang van interventie bij de opvoeding van kinderen en adolescenten met ernstige gedragsproblemen? - Chapter 16
...........Read moreIn principe groeien kinderen op bij hun ouders. Wanneer ouders het kind geen veilige opvoedingsomgeving kunnen bieden, kunnen kinderen in pleeggezinnen geplaatst worden of in de residentiële zorg terechtkomen. Bij de residentiële opvoeding groeit een kind op in een grote groep met kinderen van vergelijkbaar ontwikkelingsniveau met vrijwilligers of beroepsopvoeders.
Halverwege de 19e eeuw werden de eerste grote residentiële voorzieningen gesticht door dominees en priesters. Het doel van deze internaten was om een betere opvoeding te bieden dan de eigen ouders konden. Internaten waren afgelegen, om het contact tussen de ouders en het kind te minimaliseren.
Een aantal jaar later concludeerde men dat opvoeding in een internaat niet voorkwam bij kinderen die verder afgleden. Daardoor veranderde het doel van de kinderen beveiligen van de omgeving naar de omgeving beveiligen voor de kinderen.
In 1901 werd het juridisch mogelijk om een ouder uit het ouderlijk gezag te zetten. Dit was de eerste wet ter bescherming van kinderen. Internaten waren nu niet meer verplicht kinderen terug te plaatsen bij de ouders. Ouders uit arme milieus werden buiten proportioneel vaak uit de ouderlijke macht gezet.
Doordat de kinderbescherming haar doel voorbij schoot, ging men experimenteren met patronage: een dokter, notaris, dominee of andere notabele nam het gezin onder zijn hoede en gaf opvoedkundige adviezen. In 1921 werd dit door de wetgever een Wet op de Ondertoezichtstelling (OTS) genoemd. Deze maatregel beperkt het gezag, maar neemt het niet af. Het doel van een OTS was om de band tussen ouder en kind te herstellen. Gezinsvoogden konden de rechter wel vragen om een machtiging uithuisplaatsing wanneer dat nodig was.
In Nederland hebben we nog steeds internaten voor dove of blinde kinderen en orthopedagogische centra voor kinderen met een verstandelijke beperking. Daarnaast heeft Nederland behandelgroepen en behandelbedden voor psychiatrische behandeling. Dat is vaak voor korte opnames.
Bowlby heeft na de Tweede Wereldoorlog in opdracht van de Wereldgezondheidsorganisatie een rapport uitgebracht over de schade van de oorlog op kinderen. Hij concludeerde dat langdurige of permanente verbrekingen van het contact tussen moeder en kind schadelijke psychische effecten heeft op kinderen. Dit werd de ‘maternal deprivation theory’ genoemd.
Uit onderzoek van Bowlby in 1944 bleek dat jeugdige delinquenten die 'gestoord sociaal gedrag' lieten zien een een grote criminele carrière hadden, de affectionless characters, jongeren waren die een geschiedenis hadden met veelvuldige scheidingen en verliezen van ouderfiguren.
Kritiek op de Maternal deprivation theory leidde tot een nieuw onderzoek bij kinderen die vanwege een lichamelijke ziekte langdurig geïsoleerd werden van hun gezin. De langetermijneffecten van langdurige verpleging bleken mee te vallen, waardoor hij zijn theorie aanpaste. Langdurige scheiding van gehechtheidsfiguren pakt alleen voor sommige kinderen schadelijk uit.
Het meest overtuigende bewijs dat opgroeien in een gezinsomgeving beter is dan opgroeien in een tehuis is ontstaan door een onderzoek in de Roemeense tehuizen. Onder de Roemeense dictator werden ouders aangemoedigd veel kinderen te krijgen en desnoods kinderen in tehuizen op te laten groeien. Na de val van het regime werd hulp van Amerikaanse wetenschappers ingeroepen. Die wetenschappers hebben de voordelen van pleegzorg getoetst. Doordat er veel meer kinderen in tehuizen zaten dan dat er plaatsen in pleeggezinnen waren, werden kinderen op basis van loting in een pleeggezin geplaatst. Dit leidde tot een experimentele groep en een controlegroep.
Kinderen in pleeggezinnen hadden na een tijd een hoger IQ, groeiden beter op en lieten minder gedragsproblemen en psychische problemen zien. Ook hadden ze vaker een veilige gehechtheidsrelatie.
Een meta-analyse naar de effecten van residentiële zorg en behandeling wees uit dat er geen significante verschillen waren tussen de effecten van behandeling in een tehuis of niet residentieel. Het had daarbij geen invloed of de gebruikte behandeling bewezen effectief was. Wel kwam naar voren dat bewezen effectieve behandelingen in een residentiële instelling betere effecten hadden dan de gebruikelijke behandeling in die instelling. Of dit in een niet residentiële setting ook zo is, is niet bekend.
Naast residentiële hulpverlening is het ook mogelijk om te kiezen voor binnenlandse adoptie, pleegzorg of reünificatie (terugplaatsing bij eigen ouders na een periode van hulp in een pleeggezin). De effecten op de ontwikkeling van het kind waren het meest positief wanneer werd gekozen voor adoptie, gevolgd door pleeggezinnen en daarna reünificatie. Ondanks de risicofactoren in de gezinnen, bleek reünificatie positievere effecten te hebben dan residentiële hulpverlening. Ongewenste neveneffecten van residentiële hulpverlening zijn dat kinderen elkaar negatief kunnen beïnvloeden, ze kunnen problematisch gedrag van elkaar overnemen. Daarnaast kunnen kinderen elkaar tot slachtoffer maken van mishandeling en seksueel misbruik.
Uit onderzoek blijkt dat uithuisgeplaatste adolescenten een verhoogd risico hebben om seksueel misbruikt of fysiek mishandeld te worden. In tehuizen maken adolescenten meer misbruik en mishandeling mee dan in pleeggezinnen. De situatie in pleeggezinnen bleek ook niet ideaal, daar was het risico ook nog 1,7 keer hoger dan in de algemene bevolking. Seksueel misbruik werd meestal gepleegd door leeftijdgenoten, fysieke mishandeling meestal door pedagogisch medewerkers. Residentiële hulp zou moeten bestaan uit bewezen effectieve behandelprogramma’s.
Positive Outcomes for Orphanes (POFO) is een team wetenschappers dat pleit voor residentiële hulpverlening in ontwikkelingslanden. Zij hebben onderzocht in hoeverre de opvoedingssituaties verschillen met betrekking tot geestelijk en lichamelijk functioneren.
Zij bevonden dat tehuiskinderen bij de beginmeting beter functioneren dan de vergelijkingsgroep. De verschillen waren alleen wel erg verschillend. Na 3 jaar waren de verschillen kleiner geworden, de kinderen die niet in tehuizen woonden ontwikkelden zich beter. Tehuiskinderen hadden meer emotionele problemen, maar waren wel gezonder. De conclusie was dat tehuisopvoeding in sommige omstandigheden gunstig kan zijn. Echter, in dit onderzoek is geen rekening gehouden met belangrijke pedagogische uitkomsten, zoals gehechtheid. Daarnaast was dit niet het prototype tehuisopvoeding, de opvoeders waren vaak continu aanwezig.
Tegenwoordig is er sprake van ambulantisering, residentiële hulpverlening wordt alleen ingezet als het niet anders kan en dan zo kort mogelijk. Het nadeel van die ambulantisering is dat het de mogelijkheden voor een bepaald kind inperkt.
Diagnostische instrumenten om te bepalen of een kind thuis of in een pleeggezin kan wonen zijn nog niet voldoende getest op validiteit.
Hoe ervaren etnische of culturele minderheden de jeugdzorg? - Chapter 18
...........Read moreHoe wordt er omgegaan met antisociaal gedrag bij kinderen en jongeren? - Chapter 19
...........Read moreWat is het spectrum van autismespectrumstoornissen (ASS)? - Chapter 20
...........Read moreHoe uit sociale angst zich bij kinderen? - Chapter 21
...........Read moreWelke leerproblemen kan een kind hebben? - Chapter 22
...........Read moreHoe leert een kind lezen en spellen? - Chapter 23
...........Read moreWat is de invloed van de digitalisering op de leesvaardigheid? - Chapter 24
...........Read moreWat zijn neurowetenschappelijke inzichten in de ontwikkeling van rekenproblemen? - Chapter 25
...........Read moreWat zijn mogelijke interventies voor onderwijsleerproblemen? - Chapter 26
...........Read moreWat is het belang van het klasklimaat? - Chapter 27
...........Read moreWat is het belang van een goed schoolklimaat en morele opvoeding in het voortgezet onderwijs? - Chapter 28
...........Read moreWat is de rol van de neurowetenschappen in onderwijzen en leren? - Chapter 29
...........Read moreJoin with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
JoHo WorldSupporter mission and vision:
JoHo concept:
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results