Vraag 1
Beoordeel de juistheid van de volgende stellingen over ministers en staatssecretarissen.
I Als een minister ergens voor verantwoordelijk is, is diens staatssecretaris dat ook.
II Als een staatssecretaris ergens voor verantwoordelijk is, is diens minister dat ook.
- Beide stellingen zijn juist
- Alleen stelling I is juist.
- Alleen stelling II is juist.
- Beide stellingen zijn onjuist.
Vraag 2
Stel je het volgende voor: men komt erachter dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toestaat dat haar minderjarige dochter feestjes organiseert. Men komt er verder achter dat de echtgenoot van de minister daarvoor alcoholische versnaperingen aanschaft en dat de minister hiervan op de hoogte is. Onduidelijk is of de minister zelf ook op de feestjes aanwezig is.
In de Tweede Kamer ontstaat consternatie, aangezien het nog niet zo lang geleden is dat de verkoop van alcohol aan minderjaren juist door deze minister aan banden is gelegd.
Wat is juist ten aanzien van de inlichtingenplicht (artikel 68 Grondwet) van de minister ten opzichte van de Tweede Kamer in de bovenstaande casus?
- De minister moet de Kamer desgewenst van inlichtingen voorzien, ongeacht of dit een privékwestie betreft.
- De minister moet de Kamer desgewenst van inlichtingen voorzien, omdat dit een privékwestie betreft.
- Omdat dit een privékwestie betreft, komt de minister een beroep op het verschoningsrecht uit artikel 68 Grondwet toe.
Vraag 3
Deze vraag betreft een vervolg op de casus uit de voorgaande vraag.
Welk van de volgende stellingen is niet juist?
- Als ook Kamerleden van coalitiepartijen de minister aan de tand zouden voelen, zou dat een aanwijzing zijn voor een dualistische relatie tussen Kamer en regering.
- Als enkel en alleen Kamerleden van oppositiepartijen de minister aan de tand zouden voelen, zou dat een aanwijzing zijn voor een monistische relatie tussen Kamer en regering.
- Als Kamerleden van zowel de coalitie- als de oppositiepartijen de minister aan de tand zouden voelen, zou dat een aanwijzing zijn voor een dualistische relatie tussen Kamer en regering.
- Als Kamerleden van zowel de coalitie- als de oppositiepartijen de minister aan de tand zouden voelen, zou dat een aanwijzing zijn voor een monistische relatie tussen Kamer en regering.
Vraag 4
In een land worden verkiezingen gehouden voor de volksvertegenwoordiging op nationaal niveau (de “Kamer”). Na afloop van de verkiezingen wordt door partijen in de Kamer naar een meerderheidscoalitie gezocht. Nadat de coalitie is gevonden, voeren diverse Kamerleden gedurende de navolgende zittingsduur van de Kamer namens de coalitie het dagelijks bestuur over het land, maar zij hebben geen zelfstandige bevoegdheden. De Kamer functioneert in dit stelsel onder afwisselend voorzitterschap van één jaarlijks door de Kamer gekozen Kamerlid, dat zich gedurende dat jaar ‘president’ mag noemen.
Van wat voor regeringsvorm is hier sprake? Er is sprake van een:
- klassiek stelsel.
- conventioneel stelsel.
- parlementair stelsel.
- presidentieel stelsel.
Vraag 5
Een minister moet inlichtingen geven aan de Tweede Kamer:
- Indien ten minste één Kamerlid dit wenst.
- Indien ten minste 30 Kamerleden dit wensen.
- Indien ten minste een meerderheid van de Kamerleden dit wenst.
Vraag 6
Marijke is pilote van sproeivliegtuigen waarmee pesticiden worden gespoten over de akkers van boeren. In een ministeriële regeling van de minister van Economische Zaken (verder: de regeling sproeivliegtuigen) staat dat dit alleen mag vanaf een hoogte van maximaal 50 meter. Voor Marijke betekent dit dat ze er erg lang over doet om één akker te besproeien. Liever zou zij van grotere hoogte sproeien. Marijke vraagt de minister van Economische Zaken om de regeling sproeivliegtuigen te wijzigen zodat sproeien vanaf een hoogte van 100 meter wordt toegestaan. Twee weken later ontvangt Marijke een brief van de minister waarin zijn beslissing staat: haar verzoek wordt niet ingewilligd.
Is deze beslissing een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
- Ja, de beslissing voldoet aan alle vereisten van artikel 1:3 Awb.
- Nee, de beslissing is niet schriftelijk gegeven.
- Nee, de beslissing is niet afkomstig van een bestuursorgaan.
- Nee, de beslissing behelst geen rechtshandeling.
Vraag 7
Welke van onderstaande beslissingen is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb?
- De schriftelijke beslissing van de burgemeester tot het opleggen van een gebiedsverbod aan een voetbalhooligan (waartoe hij bevoegd is op grond van artikel 172a Gemeentewet).
- De schriftelijke beslissing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om een ziekenhuis te sluiten vanwege het niet naleven van zijn aanwijzingen omtrent verbetering van hygiëne (waartoe hij bevoegd is op grond van artikel 27 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).
- De schriftelijke beslissing van een rechtbank, waarbij een bedrijf in staat van faillissement wordt verklaard (waartoe hij bevoegd is op grond van artikel 1 Faillissementswet).
Vraag 8
Welke van onderstaande functies voldoet eveneens aan de definitie van bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 sub a Awb (een a-orgaan)?
- De korpschef van de nationale politie.
- De voorzitter van de Eerste Kamer.
- De voorzitter van de Stichting Autoriteit Financiële Markten.
Vraag 9
Beoordeel de juistheid van de volgende stellingen over besluiten.
I Beschikkingen zijn altijd besluiten
II Besluiten kunnen alleen worden genomen door bestuursorganen
- Beide stellingen zijn juist.
- Alleen stelling I is juist.
- Alleen stelling II is juist.
- Beide stellingen zijn onjuist.
Vraag 10
Wat wordt bedoeld met het ‘negatieve aspect van het legaliteitsbeginsel’? Daarmee wordt bedoeld dat:
- het vanuit een oogpunt van flexibiliteit nadelig is dat een overheid voor veel van haar handelen een wettelijke grondslag nodig heeft.
- uitoefening van overheidsbevoegdheden alleen binnen de grenzen van de wet mag plaatsvinden.
- voor sommige vormen van overheidshandelen juist geen wettelijke grondslag vereist is.
C. Alleen stelling II is juist.
A. De minister moet de Kamer desgewenst van inlichtingen voorzien, ongeacht of dit een privékwestie betreft.
D. Als Kamerleden van zowel de coalitie- als de oppositiepartijen de minister aan de tand zouden voelen, zou dat een aanwijzing zijn voor een monistische relatie tussen Kamer en regering.
B. conventioneel stelsel.
A. Indien ten minste één Kamerlid dit wenst.
D. Nee, de beslissing behelst geen rechtshandeling.
C. De schriftelijke beslissing van een rechtbank, waarbij een bedrijf in staat van faillissement wordt verklaard (waartoe hij bevoegd is op grond van artikel 1 Faillissementswet).
A. De korpschef van de nationale politie.
A. Beide stellingen zijn juist.
A. het vanuit een oogpunt van flexibiliteit nadelig is dat een overheid voor veel van haar handelen een wettelijke grondslag nodig heeft.