Hoe verlopen bewuste en onbewuste processen? - Chapter 14

Hoe verloopt de studie naar bewustzijn?

Psychologie ontstond als een aparte discipline naast filosofie en biologie aan het eind van 1800. In deze jaren, was het bewustzijn een belangrijk onderwerp van onderzoek. Zo probeerde Wilhelm Wundt in Duitsland de elementen van bewustzijn te ontdekken in zijn laboratorium. William James was in Amerika bezig met het begrijpen van de 'stroom' van bewustzijn. Toch verdween deze nadruk op het bewustzijn vrij snel, omdat onderzoekers in het veld van psychologie stelden dat het een subjectief en niet-wetenschappelijk onderwerp was. Dit leidde ertoe dat in de vroege jaren van 1900, er vrijwel geen onderzoek meer werd gedaan naar bewustzijn. Echter, in de afgelopen tientallen jaren, is er wel weer onderzoek gedaan naar het bewustzijn en is er ook veel progressie geboekt in het begrijpen van wat het bewustzijn nou precies is. Toch zijn vragen over het bewustzijn wel erg gecompliceerd, omdat het een fenomeen is dat voor iedereen behalve een individu zelf, onzichtbaar is. Toch weten we onderhand redelijk veel over het bewustzijn. 

Er zijn echter nog steeds een aantal onduidelijkheden, zoals over de definitie van bewustzijn. Voor nu wordt deze definitie aangehouden: "Bewustzijn is een staat van bewustheid van sensaties of ideeën, wat ertoe leidt dat men kan reflecteren op deze sensaties en ideeën, dat men kan weten hoe het voelt om deze sensaties of ideeën te ervaren en dat men aan anderen kan vertellen dat hij of zij zich bewust is van de sensaties en ideeën." 

Wat is het cognitieve onbewuste?

Activiteiten zoals denken, onthouden en categoriseren verlopen snel en moeiteloos. Deze activiteiten zijn echter alleen uit te voeren door dat er processen en mechanismen "achter de schermen" aan het werk zijn. Psychologen noemen deze activiteit het cognitieve onbewuste: de brede set van mentale activiteiten waar men zich niet van bewust is, maar die benodigd zijn bij alledaagse interacties in de wereld. 

Onbewuste processen, maar bewuste producten

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de producten die men creëert (overtuigingen, conclusies) en de processen die hebben geleid tot deze producten. Het onderscheid hier bij is dat men zich wél bewust is van de producten, maar niet van de processen. Als jij bijvoorbeeld een etentje hebt gehad in een restaurant en later eraan terugdenkt, is dit een product (jouw herinnering). Echter, de manier waarop jij tot deze herinnering bent gekomen, is een proces. Dit proces ben jij je niet bewust van. Hierdoor kan je ook niet goed weten wat er in je herinnering écht is en welke delen je wellicht hebt aangevuld (denk aan: was er een menukaart aanwezig? Zelfs als dit niet het geval was, is de kans groot dat je denkt van wel, omdat dit gewoonlijk is bij een restaurant). Mede hierdoor zijn herinneringsfouten vaak niet op te merken: het proces dat leidt tot de herinnering is onbewust, dus jij kan niet weten of je herinnering fout is en wat er dan precies fout is gegaan. 

Een ander voorbeeld is dat van twee groepen participanten. De ene groep kreeg het woord CORN te zien en de andere groep kreeg het woord CQRN te zien. Echter, door middel van onbewuste processen, zeiden beide groepen van participanten dat zij het woord 'CORN' hadden gezien. Zij dachten ook echt dat dit zo was, wat weer de invloed van onbewuste processen weergeeft.

Onbewust redeneren

Ook is er sprake van onbewust redeneren. Een voorbeeld hiervan is dat van een ooggetuige bij een misdrijf. De politie laat deze getuige een rij met mensen zien. Stel dat de getuige de tweede persoon als dader kiest. Wanneer de persoon vervolgens feedback krijgt (Hoofdstuk 8), wat inhoudt dat de politie bijvoorbeeld zegt: "goed zo, deze persoon is ook onze verdachte", dan is éénenzeventig procent van de getuigen zeker van hun zaak, vergeleken met éénenveertig procent wanneer de politie niks zegt. Dit kan verklaard worden door onbewust redeneren. De ooggetuige dacht waarschijnlijk zoiets als: "De politie zegt dat ik het goede antwoord heb gegeven. Ik kan mijn twijfels dus nu aan de kant zetten." Echter zijn de ooggetuigen zelf zich niet bewust van deze verandering in hun 'zekerheid': het is dus een onbewust gedachteproces. Daarnaast leidt deze feedback er toe dat ooggetuigen hun herinnering aanpassen: ze denken nu echt dat zij de dader langer, duidelijker en beter hebben gezien dan dat eigenlijk het geval was. 

Interpretatie en interferentie

De invloed van onbewust denken komt ook naar voren bij experimenten. Eén van deze experimenten werd uitgevoerd door Nisbett en Schachter. In dit experiment werd aan participanten gevraagd een aantal schokken te ondergaan. Elke volgende schok zou hierbij sterker zijn dan de schok daarvoor. Het doel van de onderzoekers was om te onderzoeken hoe ver de participanten zouden gaan: wat was de maximale schok die zij zouden accepteren? Voordat het experiment begon, kregen sommige participanten een pil en werd hen verteld dat deze pil de pijn zou verminderen, maar wel bijwerkingen had, zoals trillen, het gevoel van 'vlinders in de buik, onregelmatig ademhalen et cetera. Niks van dit was waar. In plaats daarvan was de pil een placebo en had het geen analgetische eigenschappen (geen pijn reducerende eigenschappen). Toch was het innemen van de pil enorm effectief: de participanten die de pil in namen, accepteerden vier keer de sterkte van de schokken vergeleken met de participanten die geen pil in namen. De reden dat deze placebo zo effectief was, is dat de participanten in de controlegroep (dus zonder pil), merkten dat hun handen trilden en dat hun buik vervelend deed. Dit zijn uitingen van angst, wat normaal is, omdat de participanten de anticipatie van schokken hebben! De participanten gebruikten deze somatische markers (trillende handen, buik, eigenlijk alles wat er op dat moment in het lichaam omgaat), als een aanwijzing dat zij wel bang moesten zijn voor de schokken. Door deze angst, accepteerden ze minder schokken.

Echter, de groep die de placebo (de pil) kreeg, merkte deze somatische markers ook op. Denk terug aan de bijwerkingen van de pil: precies dezelfde effecten als die van angst. Door dat zij te horen kregen dat de pil deze bijwerkingen kon geven, merkten zij de somatische markers ook op, maar wezen zij dit toe aan de pil. Hierdoor stelden zij minder snel vast dat zij bang waren en leidde dit er toe dat zij meer schokken accepteerden. Deze redenering is echter totaal onbewust. Een bewijs hiervoor is dat wanneer onderzoekers deze groep vroegen of zij nog hadden gedacht aan de pil tijdens het experiment, zij nee zeiden.

Er moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen onbewuste processen en de bewuste producten die ontstaan vanuit deze processen. In andere woorden, je komt tot een conclusie (een idee, overtuiging), maar de manier waarop je tot deze conclusie bent gekomen, is vaak niet duidelijk. Toch voelt het soms alsof je wél bewust hebt nagedacht en bewust tot een conclusie bent gekomen. Als iemand je vraagt naar hoe je tot een bepaalde keuze bent gekomen, dan ben je soms ook in staat om hier redenen en argumenten voor te geven. Toch lijkt het er op dat dit 'bewustzijn' een illusie is. Een voorbeeld hiervan is een experiment waarin participanten een klein stuk van een verhaal lazen. Later moesten zij aangeven wat voor emotioneel impact dit stuk tekst had en waarom dit zo was. Eén groep participanten kreeg hierbij iets te lezen over het gehuil van een baby en een andere groep kreeg hetzelfde verhaal te lezen, zonder dit stuk. De ene groep participanten gaf aan dat het stuk hen had geraakt en dat dit kwam door het stuk over het gehuil van de baby. De andere groep reageerde op precies dezelfde emotionele manier op het verhaal. Dus, de redenen die mensen benoemen voor hun (emotionele) reactie, lijkt niet te kloppen. De introspecties die de mensen hebben, kloppen dus niet.

Feiten die men krijgt te horen na een gebeurtenis

De vraag is hoe het kan dat mensen soms zulke fouten maken bij het bepalen van hun conclusies, gedachten of gevoelens. Het antwoord ligt in dat de processen die mensen gebruiken om tot deze conclusies te komen, onbewust zijn.  Mensen kunnen deze processen dus niet bekijken en beoordelen (er is geen introspectie mogelijk). Dus, als zij hun gedrag beoordelen, hebben ze een andere bron van informatie nodig. Dit gaat als volgt: na een gebeurtenis, vragen mensen zich af: "Waarom gedroeg ik mij zo? Ik weet het niet precies, maar misschien kan ik gebruik maken van de kennis die ik heb over hoe mensen zich normaal gesproken gedragen in deze situatie. Op die manier kan ik proberen te begrijpen waarom ik mij zo gedroeg in de situatie." Dit leidt vaak tot plausibele (geloofwaardige) redeneringen. Een voorbeeld is: "Waarom ben ik boos op Zara? Ze beledigde me zojuist en ik weet dat mensen vaak boos worden wanneer ze worden beledigd. Daardoor denk ik dat ik nu boos ben op Zara omdat zij mij heeft beledigd." Echter kan deze reconstructie ook fout zijn. 

Een onbewuste gids voor bewust denken

Iedereen zou willen geloven dat hij of zij zichzelf goed kent. Echter spreken onderzoekers dit idee tegen. Zij stellen dat wij niet weten waar onze overtuigingen, emoties en acties vandaan komen. We weten niet welke herinneringen écht zijn en welke interferenties zijn. Echter zijn mensen zich soms zeer bewust van hun gedachten en maken ze beslissingen op basis van een 'innerlijke dialoog' met zichzelf. Toch zijn er ook mechanismen of een 'steunend systeem' nodig die deze innerlijke dialoog mogelijk maakt. Zelfs tijdens deze innerlijke dialoog worden mensen beïnvloed door onbewuste processen. Denk hierbij aan de probleemoplossing set die mensen hebben. Deze set is vaak goed, omdat het helpt om geconcentreerd te blijven. Toch kan deze set soms een obstakel vormen voor het oplossen van problemen. Omdat deze set onbewust is, is het erg moeilijk om dit obstakel te overwinnen. Ook werd er in Hoofdstuk 12 benoemd dat de manier waarop beslissingen worden 'geframed',  belangrijk is. Zo kan iemand enorm gericht zijn op zijn of haar beslissing en zich bewust zijn van zijn of haar mogelijkheden, maar toch worden beïnvloed door de manier waarop de keuze is geframed. Toch zijn mensen zich hier vaak niet van bewust.

Verstoringen van het bewustzijn

Ander bewijs voor onbewuste processen komt van patiënten met het syndroom van Korsakoff. Deze patiënten hebben geen bewuste herinneringen van dingen die zij hebben gezien of die zij hebben gedaan. Als zij worden gevraagd naar de gebeurtenissen, dan stellen zij dat ze geen herinneringen hebben. Wanneer hen wordt gevraagd taken uit te voeren (zoals wandelen naar een winkel), dan gaat dit dus ook vaak fout. Echter scoren deze patiënten normaal op tests die het impliciete geheugen meten. Ze lijken dus wel dingen te herinneren wanneer dit op een indirecte manier wordt getest. Dit wordt ook wel "geheugen zonder bewustzijn" genoemd.

Blindzien

Er is iets soortgelijks met perceptie. Denk hierbij aan blindzien. Patiënten met blindzien, zeggen dat zij niks zien. Ze reageren ook niet op lichtflitsen en voelen zich angstig tijdens het wandelen, omdat ze bang zijn obstakels tegen te komen. Ook bij deze patiënten tonen tests die het impliciete geheugen meten, aan dat zij wel degelijk dingen kunnen zien. Toch voelt het voor de patiënt alsof hij of zij niks kan zien. Een verklaring hiervoor is dat er "eilandjes" met weefsel zijn in de beschadigde hersengebieden, die nog intact zijn. Een andere verklaring voor blindzien is dat er meerdere neurale wegen zijn die de informatie van de oogbal naar de hersenen vervoeren. Schade aan één van deze wegen is de reden dat patiënten blind lijken te zijn. Toch kan informatie nog vervoerd worden door andere neurale wegen, wat er toe leidt dat patiënten visuele informatie wel binnenkomt, maar niet bewust wordt gezien. Een andere verklaring is dat er een verschil is tussen perceptie en  bewuste perceptie. Het lijkt dus mogelijk om waar te nemen zonder hier bewust van te zijn. 

Subliminale perceptie

Uit onderzoek blijkt dat mensen beïnvloed kunnen worden door visuele input die zij niet bewust zien. Dit wordt subliminale perceptie genoemd. Een voorbeeld hiervan is het héél kort tonen van een stimulus (zoals: Eat Popcorn) in een bioscoop, wat ertoe leidt dat de verkoop van popcorn met vijftig procent stijgt. Een ander voorbeeld is een experiment waarbij participanten drie woorden te zien kregen. De eerste twee woorden werden kort getoond en werden gevolgd door een 'masker', wat ertoe leidde dat de woorden niet bewust werden gezien. Vervolgens werd er een derde woord getoond. Dit woord werd langer getoond en zonder masker, zodat participanten dit woord wel bewust zagen. In dit experiment ging het om het meten van de 'N400' golf. Deze golf werd in Hoofdstuk 10 genoemd. Hier werd genoemd dat deze golf ontstaat wanneer participanten niet-kloppende zinnen lezen, zoals: "Hij drinkt zijn koffie met melk en hond". In deze studie was de N400 golf groter wanneer het woord "oorlog" als derde woord werd getoond en het woord "gelukkig" als tweede woord. Dus, ondanks dat mensen het woord "gelukkig" niet bewust waarnemen heeft dit toch invloed. Wanneer zij "gelukkig" en "oorlog" zien, dan is er een N400 golf, wat aantoont dat de subliminale woorden toch zijn gedetecteerd en waargenomen en perceptie hebben beïnvloed.

Wat valt er te zeggen over bewustzijn en executieve controle?

De beperkingen van het onbewuste 

Het blijkt dus dat mensen veel dingen onbewust doen. De vraag hierbij is waarom het onbewust zijn  belangrijk is. In andere woorden: wat zijn de functies van het onbewust zijn en wat kan men níet onbewust doen?

Onbewuste oordelen en inferenties zijn snel, efficiënt en passen vaak bij de situatie waar mensen zich in bevinden. Echter toont dit ook gelijk een beperking van het onbewust zijn aan. Onbewuste processen kunnen complex en goed zijn, maar worden sterk beïnvloed door de situatie waar mensen zich in bevinden óf door hun gewoonten. Dit houdt in dat wanneer mensen (onbewust) conclusies trekken of een selectie maken, dit vaak conclusies zijn die zijn gebaseerd op 'bekendheid' of die zijn gestuurd door de situatie. Dit zou betekenen dat onbewuste processen niet te controleren zijn. Dit lijkt te kloppen. Dit leidt vaak tot fouten, maar het weten van dit proces, leidt niet tot vermindering in fouten. Net zoals mensen er niet voor kunnen kiezen een illusie niet te zien, kunnen zij er ook niet voor kiezen om een geheugenfout te vermijden of om interferenties te vermijden. Dit wordt verklaard doordat het proces van interferenties maken, onbewust is. Dit kan vervelend zijn. Een voorbeeld hiervan is wanneer mensen hun scriptie aan het 'nalezen' zijn. Het is hierbij heel moeilijk om deze scriptie te lezen vanuit het perspectief van een ander. De schrijver van de scriptie weet namelijk precies wat hij of zij wil neerzetten, en maakt dus automatisch interferenties tijdens het lezen van de scriptie. Ook gewoontes zijn belangrijk. Dit komt naar voren tijdens 'action slips'. Dit zijn momenten waarop je iets wil doen, maar in plaats daarvan iets heel anders doet (hetgeen wat normaal is, of hetgeen wat je altijd doet). Dit wordt ook wel 'macht der gewoonte' genoemd.

Een rol voor controle

Het idee is dus dat onbewuste processen een soort 'mentale reflexen' zijn. Deze reflexen worden beïnvloed door de situatie en passen daardoor vaak bij de situatie. Echter, deze reflexen zijn wel erg 'inflexibel'. Het niet hebben van controle is echter vaak nuttig. Het leidt er toe dat veel processen tegelijkertijd kunnen plaatsvinden, wat zorgt voor meer snelheid en efficiëntie, omdat je niet je aandacht aan deze onbewuste processen hoeft te geven.

De voorwaarden voor controle

Onbewuste acties ontstaan dus zónder hulp van de executieve controle. Echter, wanneer je je eigen mentale processen wil sturen, heb je wel executieve controle nodig. De vraag is dan wat executieve controle precies is.

In de eerste plaats zijn er middelen nodig die bepaalde gewenste acties kunnen uitvoeren en ongewenste handelingen kunnen stoppen. In de tweede plaats is het nodig dat er een representatie van doelen en subdoelen is, zodat ze actie kunnen sturen. In de derde plaats moet er kennis zijn over datgene wat zich afspeelt in de geest. In de vierde plaats is het ook handig om informatie te hebben over hoe eenvoudig en vlekkeloos bepaalde processen werken. Deze claims passen goed bij de kenmerken van bewuste ervaring en de hieraan verbonden biologische claims.

Metacognitie

John Flavell merkte op dat kinderen die zich ontwikkelen, ook metacognitie ontwikkelen. Metacognitie gaat over dat men zijn of haar eigen gedachten kan monitoren en controleren. Deze metacognitie is nodig voor veel verschillende dingen, maar vooral voor het geheugen. Hierdoor richten onderzoekers zich op 'metageheugen': de kennis, bewustzijn en controle die mensen hebben over hun eigen geheugen. Metacognitie is ook belangrijk voor volwassenen. Een voorbeeld hiervan is wanneer je studeert voor een tentamen. Tijdens het leren merk je dat sommige dingen makkelijk gaan en andere dingen moeilijker. Vervolgens kies je ervoor om meer aandacht en tijd te besteden aan de dingen die voor jouw gevoel moeilijker gaan. Ook heeft metageheugen invloed op je overtuigingen, zoals of je gelooft dat mnemonieken nuttig zijn, of dat diepe verwerking leidt tot betere herinneringen. Er is een overeenkomst tussen metacognitie en executieve controle. In beide gevallen is er namelijk behoefte aan zelf-monitoring, zelfcontrole en zelf-directie. Ook word je in beide gevallen geleid door je doelen. 

De cognitieve neurowetenschap en het bewustzijn

In de laatste tien jaar, is er veel onderzoek gedaan naar het bewustzijn en hersenfuncties. Sommige onderzoeken hebben zich hierbij gericht op hersenschade (amnesie of blind zicht). Andere onderzoeken hebben zich gericht op wat normale hersenen zijn en wat er gebeurt in de hersenen wanneer mensen zich bewust worden van een stimulus. Hierbij wordt dus gekeken naar de neurale correlaten van het bewustzijn.

De verschillende hersengebieden die benodigd zijn voor het bewustzijn

Met behulp van PET, fMRI of EEG scans is er gekeken naar hoe de hersenactiviteit verandert wanneer iemand zijn aandacht verplaatst. Ook kijken onderzoekers naar welke veranderingen er plaatsvinden in hersenactiviteit wanneer mensen zich bewust worden van een stimulus, die al lang zichtbaar voor hen is. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat er veel verschillende hersengebieden zijn die cruciaal zijn voor het bewustzijn. Er is dus niet één groep neuronen of één gebied in de hersenen die bestempeld kan worden als "het gebied van bewustzijn". Echter zijn er wel twee categorieën van hersengebieden die passen bij twee soorten bewustzijn. Ten eerste zijn er hersengebieden die belangrijk zijn voor iemand zijn of haar niveau van alertheid (denk aan slaperig of moe zijn en extreem alert zijn). Dit aspect van bewustzijn wordt belemmerd wanneer iemand schade heeft in thalamus of het reticulaire activatie systeem. Dit is een systeem die de algehele niveaus van arousal in het voorbrein reguleert en belangrijk is bij het verschil tussen slaperig en wakker zijn.

Ten tweede zijn er hersengebieden die belangrijk zijn voor de inhoud van het bewustzijn. Soms denk je aan je directe omgeving, soms denk je aan dingen die in het verleden zijn gebeurd en soms denk je aan dingen die nog moeten gebeuren. Deze inhoud is afhankelijk van verschillende hersengebieden. Zo zijn hersengebieden in het visuele systeem vooral actief wanneer je dingen waarneemt in je directe omgeving. Hersengebieden in het voorbrein zijn vooral actief wanneer je denkt aan dingen die niet in je directe omgeving zijn. 

De neuronale werkplaats

Er zijn verschillende theorieën met betrekking tot de vraag wat in de hersenen het bewustzijn mogelijk maakt. De neurale werkplaats hypothese stelt dat verschillende hersengebieden erg gespecialiseerd zijn in hun functies. Zo zijn er verschillende hersengebieden voorzien en voor horen. Ook binnen deze gebieden zijn er verschillen voor verschillende elementen. Om tot waarneming en bewustzijn te komen, is het nodig dat de verschillende hersengebieden met elkaar communiceren en dat al deze verschillende elementen (bijvoorbeeld horen en zien), samen worden gevoegd. Met andere woorden, alle verschillende elementen moeten worden geïntegreerd tot één geheel. Ook aandacht is hierbij belangrijk. Zo zal een stimulus die zich recht voor je ogen beweegt, een bepaald hersengebied activeren. Een rode stimulus activeert een ander hersengebied. Nu wordt aandacht belangrijk. Wanneer je geen aandacht besteed aan deze stimuli, dan leidt dit tot twee onafhankelijke neurale reacties. Echter, als jij aandacht besteed aan één stimulus die zo wel beweegt als rood is, dan vuren de neuronen tegelijkertijd (in synchronie). Wanneer deze synchronie plaatsvindt, dan verbindt het brein deze verschillende hersengebieden aan elkaar en dit leidt ertoe dat je de stimulus als één geheel waarneemt.

Voordat deze synchronisatie kan plaatsvinden, is het nodig dat neuronen in één gebied kunnen communiceren met neuronen in een ander gebied. Deze communicatie wordt mogelijk gemaakt door "werkplaats neuronen", die letterlijk het ene hersengebied aan het andere verbinden. Dit proces is echter wel selectief, dus niet elk stuk van elke neuron verbindt aan elk stuk van elk neuron. In plaats daarvan is er sprake van competitie tussen de verschillende processen en wordt de "winnaar" (het meest actieve proces) gecommuniceerd naar de andere hersengebieden en andere informatie niet. Aandacht is bepalend voor wie de winnaar is. Als jij aandacht besteedt aan een stimulus, dan is er activiteit in de prefrontale cortex die zorgt voor aandacht in andere neurale systemen en dit bepaalt wat de competitie wint. Er is dus een gelimiteerde overdracht van informatie en deze overdracht van informatie is controleerbaar, doordat men zelf kiest waar hij of zij aandacht aan besteedt. De uiteindelijke hypothese op basis van deze informatie is dus dat er geïntegreerde activiteit is, dat mogelijk wordt gemaakt door de werkplaats neuronen. Deze werkplaats neuronen integreren of 'lijmen' dus alle stukken informatie aan elkaar.

De functie van de neurale werkplaats

Elk idee dat men heeft, wordt gerepresenteerd in het brein door middel van een activiteitenpatroon. Hierbij representeert elk verschillend hersengebied een element van het idee. Men wordt zich echter pas bewust van het idee wanneer de verschillende elementen aan elkaar verbonden worden. Hierbij zijn een paar feiten over het bewustzijn: de ervaring die men heeft, voelt unitair en coherent. Je bent je dus niet bewust van 'oranje, rood en rond', maar van 'een sinaasappel'. Dit ontstaat door het werk van de werkplaats neuronen. Ook is bewuste ervaring selectief: men is zich dus bewust van een specifiek aantal dingen. Daarnaast is deze bewuste ervaring controleerbaar: men kan dus kiezen waar zij zich op richten. 

De neurale werkplaats en executieve controle

De werkplaats geldt als een basis voor executief functioneren. Daarnaast leidt de werkplaats ertoe dat mensen kunnen vergelijken wat er in hen omgaat en dat zij conflict kunnen detecteren. Er lijkt zelfs een specifieke plek voor het detecteren van conflict: de anterieure cingulaire cortex (ACC). Deze structuur is verbonden met de frontale cortex en andere structuren die invloed hebben op emotie, motivatie en beloning gevoelens (zoals de amygdala, de nucleus accumbens en de hypothalamus). 

Het verschil tussen wakker zijn en slapen wordt ook beïnvloed door de neurale werkplaats. Het is niet zo dat men niks voelt tijdens slaap, omdat het brein inactief is. In plaats daarvan is het zo dat er geen communicatie meer plaatsvindt, waardoor de verschillende hersengebieden niet meer met elkaar in contact zijn. Het idee is dan dat deze communicatie vereist is voor het bewustzijn en daardoor zijn mensen in een staat van onbewust zijn tijdens hun slaap.

Wat zijn fenomenale ervaringen?

In het kort gezegd zorgt de werkplaats dus voor vergelijking tussen verschillende verwerkingssystemen en deze vergelijkingen zorgen ervoor dat de executieve mentale processen kan monitoren en ervoor zorgen dat er geen conflicten zijn. Ook wordt er op basis van deze vergelijkingen gekozen voor processen die passen bij de doelen die men heeft. Daarnaast zorgt de werkplaats ervoor dat neurale activiteit wordt volgehouden.

Qualia

Verschillende onderzoekers zijn van mening dat we onderscheid moeten maken tussen verschillende soorten bewuste ervaringen. In dit hoofdstuk is vooral access bewustzijn aan bod gekomen, dit heeft te maken met de manier waarop informatie toegankelijk is en wordt gebruikt in de geest. Er is minder gezegd over de subjectieve ervaring van bewustzijn, wat ook wel fenomenaal bewustzijn wordt genoemd. Zulke ervaringen worden ook wel qualia genoemd. Onderzoek naar mentale vloeiendheid wijst uit dat we gebruik maken van qualia. Er is echter nog veel onduidelijk met betrekking tot dit gebied. Een belangrijk probleem dat gerelateerd is aan bewustzijn is het lichaam-geest probleem. Het is onduidelijk hoe de geest en het lichaam precies aan elkaar gerelateerd zijn.

Verwerkingsvloeiendheid

Qualia zijn dus moeilijk te bestuderen, omdat niemand anders dan de individu zelf het kan ervaren. Een voorbeeld van qualia is verwerkingsvloeiendheid. Sommige mentale processen gaan snel en anderen kosten meer tijd en moeite. Mensen merken deze mate van vloeiendheid op: ze weten wanneer ze makkelijk tot een conclusie zijn gekomen en wanneer niet. Deze verwerking heeft veel invloed op hoe mensen dingen interpreteren. Vaak als zij merken dat zij snel iets verwerkt hebben, dan geven ze er een speciale betekenis aan. Dan denken zij dat zij deze persoon eerder hebben gezien. Echter klopt dit niet altijd. Door middel van repetitie verloopt de verwerking van stimuli ook vloeiender. Als mensen dus herhaaldelijk iets herinneren, dan lijkt het uiteindelijk alsof deze herinnering sterker is. Het herhalen van iets, dus ook onechte herinneringen, maakt mensen er zekerder van dat zij het zich juist herinneren. 

Wat valt er nog meer te zeggen over het bewustzijn?

Er is nog veel dat onderzoekers niet weten over het bewustzijn. Zo is het onduidelijk wat er precies verandert in het bewustzijn tijdens meditatie en het nemen van drugs. Daarnaast is de vraag hoe iets van ongeveer 1,4 kilo kan zorgen voor de bewuste ervaringen die mensen hebben. Het brein is namelijk fysiek tastbaar, maar gedachten zijn dit niet. De vraag is dan hoe het kan dat een fysieke entiteit (het brein) kan zorgen voor niet-fysieke gedachten en gevoelens. Daarnaast is het ook de vraag hoe gedachten en gevoelens het brein en het lichaam beïnvloeden. Dit wordt ook wel het mind-body probleem genoemd. Deze term refereert naar dat de 'mind' heel anders is dan het fysieke lichaam. Toch kunnen deze twee dingen elkaar heel sterk beïnvloeden. Het mind-body probleem gaat over hoe dit precies verloopt.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2810
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector