| |
Anxiety | Ervaren van angst wanneer er geen directe dreiging is. Optreden van angst is onvoorspelbaar en lijkt constant op de achtergrond aanwezig te zijn. |
Fear | Ervaren van angst wanneer er een directe dreiging is. De angst zakt af wanneer de dreiging is weggenomen. |
NICE richtlijnen | National Institute for Health and Clinical Excellence. Richtlijnen die in 2007 in Engeland zijn geïmplementeerd over behandelplannen voor mensen met een angststoornis. |
| |
| |
Two-stage theory of anxiety | Theorie van Mowrer die ervan uit gaat dat angst vermijdingsgedrag motiveert en dat wanneer angst verminderd wordt door vermijding, dit als een bekrachtiger geldt. Angst houdt als het ware zichzelf in stand. |
safety signals hypothesis | Hypothese die ervan uit gaat dat wanneer er veiligheidssignalen in de omgeving zijn, iemand minder snel vermijdingsgedrag zal vertonen. |
| |
| |
Anxiety sensitivity | Gevoeligheid voor het ervaren van angst door het verkeerd interpreteren van lichamelijke signalen. |
Anxiety Sensitivity Index (ASI) | Instrument om bovenstaande gevoeligheid te kunnen meten. |
Hypervigilance | Waakzaamheid. Mensen met een angststoornis hebben vaak een continue verhoogde waakzaamheid. |
State anxiety | Angst die opkomt bij een waargenomen dreiging en weer afneemt als de dreiging is afgenomen. |
State-Trait Anxiety Inventory (STAI) | Test (zelfrapportage) om onderscheid tussen state en trait anxiety te kunnen meten. |
Trait anxiety | Zorgt ervoor dat iemand sneller angstig op bepaalde stimuli/situaties reageert, ook als deze niet bedreigend zijn. |
| |
| |
Expliciete geheugenbias | Het zich bewust kunnen herinneren van negatieve gebeurtenissen die angstgevoelens oproepen. |
Impliciete geheugenbias | Iemands cognities en gedragingen worden wel degelijk bepaald door negatieve gebeurtenissen uit het verleden, maar diegene is zich hier niet bewust van. |
Self-focused attention | Versmalling van de aandacht na het detecteren van een mogelijk bedreigende stimulus in de omgeving. Dit kan zowel intern als extern zijn. |
Test Anxiety | Faalangst. Mensen die hier aan lijden ervaren angst wanneer zij zich in een situatie bevinden waarin zij beoordeeld zullen worden. |
| | |
| |
Conditionering | Leerproces waarbij een angstreactie gekoppeld wordt aan een bepaalde stimulus, die voorheen neutraal was. Het zien van deze stimulus zal in het vervolg een angstreactie oproepen. |
Extinction | Het uitdoven van geconditioneerde reacties wanneer de conditionering niet bevestigd wordt. |
Objectieve anxiety | Angstreacties op extern gevaar. Reactie is meestal rationeel en doelgericht. |
Prepared fears | Sommige onderzoekers gaan ervan uit dat bij mensen een aantal angsten ingebouwd zitten om ons vanuit evolutionair oogpunt te beschermen tegen gevaar. |
Neurotische anxiety | Angstreactie die niet rationeel is, maar juist overmatig en verlammend. |
| |
| |
Conditioneringstheorie | Volgens deze theorie zijn angsten niet aangeboren, maar worden ze door ervaringen aangeleerd. |
Fobieën | Extreme angst voor een specifieke categorie: Sociale fobieën, fobieën voor dieren en letsel/ziekte fobieën (inclusief angst voor verstikking). |
In vivo | Techniek die tijdens therapie wordt gebruikt waarbij de patiënt daadwerkelijk geconfronteerd wordt met zijn of haar angst. |
| |
| |
Paniekaanval | Aanval van intense paniek, die plotseling op komt zetten en waarbij iemand overtuigd is dat er iets verschrikkelijks gaat gebeuren. Een aanval duurt meestal tussen de 5-20 minuten. |
Paniekstoornis | Stoornis waarin mensen die eerder een paniekaanval hebben gehad nu onder meer openbare plaatsen vermijden uit angst dat ze opnieuw een paniekaanval zullen krijgen. |
Suffocation alarm system | Volgens Klein wordt een paniekaanval uitgelokt wanneer dit systeem onterecht getriggerd wordt en iemand denkt dat er te weinig zuurstof beschikbaar is. |
| |
| |
Agorafobie | Betekent letterlijk ‘angst voor de marktplaats’. Is een angststoornis waarbij men openbare plaatsen en openbaar vervoer vermijdt. In het ernstigste geval worden patiënten volledig huisgebonden. |
| |
| |
Compulsies | Dwangmatige handelingen. Mensen weten dat deze handelingen irrationeel zijn, maar kunnen toch de drang om de handeling uit te voeren niet weerstaan. |
Exposure and response prevention | Behandeling waarbij een patiënt langzaam en gecontroleerd blootgesteld wordt aan stimuli die angst kunnen oproepen, gevolgd door inhibitie van compulsief gedrag. |
Hoarding | Overmatig hamsteren. |
Obsessies | Dwangmatige gedachten die meestal een weerzinwekkend karakter hebben zodat mensen zich ertegen proberen te verzetten. |
Thought-action-fusion | Verschijnsel waarbij men denkt dat het hebben van een bepaalde gedachte over een negatieve gebeurtenis de waarschijnlijkheid dat deze gebeurtenis zal plaatsvinden vergroot. |
| |
| |
Health Anxiety Disorder (HAD) | Angststoornis waarbij men een overmatige angst heeftvoor zijn of haar huidige gezondheid en/of die in de toekomst. |
Hypochondrie | Overtuiging dat iemand op dat moment ernstig ziek is. Is niet zo zeer op de toekomst gericht. |
| |
| |
Anxiety programs | Anatomische ‘programma’s’ die lichamelijke veranderingen teweeg brengen wanneer ze geactiveerd worden, zoals zweten en overmatig blozen. |
Post event processing | Neiging van sociaal angstige mensen om sociale ervaringen in het verleden opnieuw te overdenken en hierbij extra stil te staan bij wat er mis ging. |
Sociale angst | Intense angstgevoelens voorafgaand aan een sociale gelegenheid. Men is vaak bang zichzelf voor schut te zetten of door andere beoordeeld te worden. |
| |
| |
Gegeneraliseerde Angststoornis (GAD) | Angststoornis waarbij de persoon zich meer dagen wel dan niet angstig voelt voor een periode van tenminste 6 maanden en de angsten niet specifiek op iets gericht zijn. |
Hoofdstuk M | |
Post-Traumatische stress stoornis (PTSD) | Angststoornis die ontstaat na het meemaken van een trauma en ervoor zorgt dat mensen het gevoel hebben dat de dreiging van het trauma nog niet geweken is. |
Situationally accessible memory | Deel van het geheugen waar herinneringen liggen opgeslagen die niet toegankelijk zijn. Dit deel van het geheugen wordt geactiveerd door de omgeving en bepaalde stimuli. |
Verbally accessible memory | Deel van het geheugen waar herinneringen liggen opgeslagen die toegankelijk zijn. |