Territoriumgedrag
Individuen en groepen hechten aan territoria: wie hoort waar?
Primair: vb eigen slaapkamer, stoel
Secundair: vb eigen kantoor op je werk
Publiek: vs eigen zitplaats in collegezaal
Hoe meer behoefte aan controle = hoe sterker de claim op die plek = hoe sterk de verdediging
Mensen bakenen hun territoria af. Territoria hebben een functie, bijvoorbeeld hun eigen kamer. Als er mensen over de vloer komen, doen ze de slaapkamer dicht. We hebben allemaal behoefte aan een eigen plek. Op sommige plekken heb je recht, bijv kantoor, dan is het raar als mensen daar gaan zitten. Het voelt raar als je op iemands plek gaat zitten die iemand heeft afgebakend.
Mensen hebben de behoeften om een stukje van de ruimte toe te eigenen, bijv door iets persoonlijks op te hangen.
Inter-persoonlijle en inter-groepsruimte
Individuen en groepen hebben een eigen ruimte: een space. In tegenstelling tot een territorium, draag je je space met je mee:
- Intieme zone: alleen voor je partner en je kinderen, heel dichtbij, tegen je aan;
- Persoonlijke zone: wanneer je met elkaar aan het praten bent, op de bank zit;
- Sociale zone: ruimte die je hebt als collega's, hoe dicht zouden de stoelen naast elkaar zetten;
- Publieke zone: openbaar vervoer, bioscopen, meer vreemde mensen;
- 'remote' zone: e-contact.
Mensen worden ongemakkelijk als je in hun personal space komt. Zeker met vreemden.
Hoe hoger de status persoon, hoe verder je daarvan af blijft.
Wat doen mensen als ze zich te dicht benaderd voelen: gevoel van psychologische evenwicht te houden (bijv. opschuiven, stap opzij, de andere kant op te kijken) --> in je hoofd je eigen hoofd ruimte te creëren.
Synomorfie
De afstemming tussen fysieke en sociale context om een groepstaak goed uit te voeren.
Bijv.
- De opstelling tafels in het onderwijs
- Meubilair in gedeelde werkkamers
- Zitpositie vergadervoorzitter
- Zitpositie coöperatie vs competitie
Sociopetaal: je kijkt naar elkaar toe --> bevordert interactie
Sociofugaal: zo gaan zitten dat je niet naar elkaar kijkt --> ontmoedigt interactie
Verschillende groepsopstellingen
- Theater
- Classroom
- Cabaret (tafels van 4)
- Boardroom (een grote tafel)
- U-shaped
- Circle of chairs
De opstelling bepaalt hoe je kan samenwerken. In ruimtes die er niet gemaakt zijn om samen te werken, is samenwerken ook niet fijn.
Communicatiepatroon
Steinzor effect:In groepen zonder leider: de neiging van een groepslid om (direct) te reageren op iets wat gezegd wordt door iemand recht tegenover hem/haar zit. Je reageert niet op wat naast je gezegd wordt.
Head of the table effect: waar neemt de leider/voorzitter plaats? Logischerwijs aan het hoofd van de tafel.
Coöperatie vs competitie
Bij coöperatie: naast elkaar en allebei bij de hoek.
Bij competitie: (schuin)tegenover elkaar
Gedrag in collectieven: gedrag in grote massa's
Dedeïndividuatie theorie: je zelf kwijtraken
Omgevingscontext: hoe warmer, hoe meer geluid, hoe hoger de spanning, hoe overbevolkt het is (density) --> gecombineerd met de sociale context leidt tot een gevoel van crowding overload(je voelt de overbevolking) leidt tot een verlies aan controle. Je raakt er opgewonden van (arousal) --> je gaat doen wat je van nature het beste doet, het intensifieert wat al gaande is in de groep. Als er een paar aan het roepen is, dan gaat iedereen roepen/ als een paar gaan rennen, dan gaat iedereen rennen. Meestal gaat het slecht (anti-sociaal), maar er zijn situaties dat er iets positiefs gebeurt (pro-sociaal).
Pro-sociaal: heldhaftig gedrag (zou je normaal niet doen).
Anti-sociaal: KKK, hooligans.
De neiging om over je eigen grenzen heen te gaan.
Stanford Prison Study (Zimbardo): er werd voor gezorgd dat de individuatie van de bewakers en gevangenen minder werd.
Theorieën:
- Contagion: gedragsbesmetting: mensen besmetten anderen met hun gedrag;
- Convergence: eerst: Freudiaanse analyse (zet mensen in een groep en de onderdrukte gevoelen knallen eruit) later ook sociologisch;
- Dïndividuation: individuele identiteit verliezen, raken zichzelf helemaal kwijt;
- Emergent norms: tijdelijke lokale groepsnorm; minder variatie in gedrag --> je raakt wel iets kwijt, maar er komt iets voor in de plaats (wat er van je verwacht wordt);
- Social identity: identiteit op groepsniveau; individuele identiteit herwinnen --> wat er eigenlijk gebeurt is dat je je identiteit in de massa verliest en dat je de identiteit van de groep terug wilt.
Deïndividuatie:
Input | --> | Subjective change | --> | Output behaviors |
- Anonimity
- Diffused responsibility
- Arousal
- Sensory overload
- Physical involvemet
- Unstructured situation
- Altered state of cons.
| | - Less self-monitoring
- Weakenings of control
- Lowerd threshol for expressing inhibited behaviors
| | Behaviors - Emotional
- Impulsive
- Extreme
- Repeated
- Irrational
- Contagious
- Destructive
|
Individuele identiteit: Ik ben mezelf kwijtgeraakt, maar ik doe iets voor de groep --> ga de identiteit van de groep terugwinnen.
Bystander effect: mensen krijgen minder snel hulp wanneer er veel mensen zijn (diffusion of responsibility) --> wie moet er helpen, een ander doet het wel.
- Kenmerken van degene die hulp nodig heeft, doen er toe --> een zakenman wordt snel geholpen, "normale" vrouw en man niet.
Stelling: Hoe groter de groep onbekende omstanders, hoe kleiner de kans dat iemand in nood door die omstanders geholpen wordt = waar
Bij een incident heb je een coördinatie probleem en een motivatie probleem.
- Coördinatie probleem: Wie van ons allen… doet wat? / wanneer? / met wie?
- Motivatie probleem: doe je (n)iets omdat je denk dat… anderen het wel doen/ anderen het (ook) niet doen.
Tit-for-tat kan je niet gebruiken, dat past niet zo goed in een situatie met een grote groep mensen. (met zn tweeën wel). In een grote groep weet je niet op wie je moet rekenen.
Tit-for-tat (strikte reciprociteit) is niet zo effectief in n-persoons situaties als in 2-persoons situaties: lastig:
- Coördinatie: wie voelen zich aangesproken? Hoeveel anderen zijn nodig/handig? Welke vaardigheden zijn nodig?
- Motivatie: op wie reageer jij net (n)coop? Wie reageert er met jou op (n)coop? Met wie ben je samen bereid tot coop? Wie dragen de kosten van coop?
Wel/niet hulp bieden: model
Mensen die een situatie tegenkomen die om hulp vraagt, dat zij zich de volgende vragen stellen. De vragen hebben escapes. Van de ene vraag ga je door naar de volgende vraag.
- Is er iets aan de hand
- Soms ja
- Veelal nee --> zal wel niets zijn.
- Moet iemand daar iets aan/tegen doen?
- Moet ik iets doen?
- Soms ja
- Veelal nee --> is niet mijn taak. Hebben we instanties voor
- Kan ik iets doen?
- Soms ja
- Veelal nee --> ik kan het niet, ik heb geen bhv.
- Ga ik dit doen?
Andermansveiligheid
Proefpersoon hoort monteur in de gang van de trap vallen en pijn leiden:
- Wanneer iemand alleen is, dan gaat deze wel helpen
- Met een bevriende persoon, gaan mensen ook helpen
- Hoe meer mensen blijven zitten, hoe minder mensen gaan helpen.
Eigenveiligheid --> staat in het boek
Proefpersoon ziet rook binnendringen in onderzoeksruimte:
Wanneer mensen in de kamer blijven, dan blijft de persoon ook. In je eentje gaat de persoon 75% wel de kamer actie.
Andermans+ eigenveiligheid
Persoonlijk verantwoordelijk?
Bijvoorbeeld:
- De enige aanwezig zijn
- Eigen naam zichtbaar op je kleding
- Tekens van eigen professie zichtbaar (arts)
- Toegewezen rol (BHV)
- (vage) bekende van het slachtoffer
- Door slachtoffer zelf aangesproken worden (slachtoffer moet wel bij kennis zijn)
- Individuele vaardigheden, bijv. EHBO (je kunthelpen)
- Vertrouwen in jezelf, eigen veiligheid
- Vertrouwen op hulp van medestanders
Aansprakelijkheid
In hoeverre ben jij aansprakelijk of zelfs strafbaar wanneer jij de andergeen hulp biedt? De vraag van de rechter is dan: In hoeverre was daarbij jouw eigenveiligheid in het geding? Dus op het moment dat je zelf in gevaar komt, dan is het niet strafbaar om niet te helpen.
Add new contribution