Bevat een blokspecifiek oefententamen met antwoorden uit voorgaande collegejaren.
1. Doormiddel van merkel lichaampjes kan men drukveranderingen en vervormingen voelen (de tastzin). Deze lichaampjes bevinden zich in de huid, maar in welk deel van de huid bevinden zich de merkel lichaampjes?
A: Epidermis
B: Dermis
C: Hypodermis
2. De darmen hebben verschillende liggingen, welk deel van de darmen ligt intraperitoneaal gelegen?
A: Colon ascendens
B: Colon sigmoideus
C: Rectum
D: Duodenum
3. Het colon ascendens en het duodenum liggen secundair retroperitoneaal en het rectum heeft sub peritoneale ligging. Paracelluair transport is transport van moleculen dat tussen de cellen door gaat. Welk eiwit heeft een belangrijke rol in dit paracelluaire transport?
A: Connexine
B: Integrine
C: Cadherine
D: Claudine
4. Claudine (tevens ook occludine, echter is dit niet een antwoordmogelijkheid) is een onderdeel van de tight junction. Paracelluaire transport vindt plaats langs/door de tight junctions. Nadat een bot gebroken is zijn er in het herstelproces verschillende stadia van elkaar te onderscheiden. Ook zijn er verschillende cellen aanwezig in bepaalde perioden nadat het bot gebroken is. Één type cel dat als eerste verschijnt op de plek van een botbreuk in het herstelproces is:
A: Fibroblast
B: Neutrofiele granulocyt
C: Osteoprogenitor cel
D: Chondroblast
5. Vul de juiste structuur in op de ontbrekende puntjes: … levert een bijdrage aan het maternale deel van de placenta.
A: Trophoblast
B: Epiblast
C: Decidua
D: Allantois
6. De trophoblast levert een bijdrage aan het foetale deel van de placenta. Tijdens de vorming van collageen wordt een bepaald aminozuur gehydroxyleerd, welk aminozuur wordt gehydroxyleerd bij de vorming van collageen?
A: Cysteine
B: Methionine
C: Proline
D: Glycine
7. De N. laryngeus recurrens heeft een belangrijke rol bij de aansturing en de coördinatie van het slikproces. Een enkelzijdige uitval van deze nervus heeft een kenmerkend klachtenpatroon. Welke klacht kan een enkelzijdige uitval van de N. laryngeus recurrens geven tijdens het slikken?
A: Gestoorde passage van de voedselbolus
B: Nasale regurgitatie
C: Aspiratie
D: Reflux van de maaginhoud
8. Bij aspiratie is er sprake van een verslikking. Dit komt doordat bij een enkelzijdige uitval van de N. laryngeus recurrens de stembanden niet worden aangestuurd en dus stil staan. Hierdoor kan de larynx zich niet goed sluiten. Geef de juiste omschrijving van het begrip ‘mediane halscyste’.
A: Een kieuwboog afwijking
B: Een uiting van een vergrote lymfeknoop
C: Een aanlegstoornis van de schildklier
D: Een maligne aandoening met vochtholte
9. Men spreekt van een ‘laterale halscyste’ wanneer er een afwijking in de kieuwboog is. De ondergrens van de longen verschilt bij inspiratie (inademen) en expiratie (uitademen). Op welke hoogte naast de wervelkolom bevindt zich de ondergrens van de longen bij diepe inspiratie?
A: 6e
rib
B: 8e
rib
C: 10e
rib
D:12e
rib
10. Bij normale inspiratie (ademhaling in rust) ligt de grens bij de 10e
rib. In welke volgorde vindt lichamelijk onderzoek plaats wanneer men de buik wilt onderzoeken? Zet de volgende begrippen in de juiste volgorde, noem het onderdeel wat je als eerste uitvoert als eerste. Inspectie, palpatie, percussie, auscultatie.
A: Inspectie: kijken
B: Auscultatie: luisteren
C: Percussie: kloppen
D: Palpatie: voelen
11. Na de bevruchting vinden een aantal belangrijke embryologische processen plaats. Welk alternatief geeft de juiste chronologische volgorde aan van vroeg naar laat?
A: Gastrulatie, implantatie, neurulatie
B: Gastrulatie, neurulatie, implantatie
C: Implantatie, gastrulatie, neurulatie
D: Implantatie, neurulatie, gastrulatie
E: Neurulatie, gastrulatie, implantatie
F: Neurulatie, implantatie, gastrulatie
12.Epidermolysis bullosa simplex is een erfelijke blaarvormende huidaandoening die wordt veroorzaakt door genetische mutaties in intermediaire filamenteiwitten waardoor de hechting van huidcellen (keratinocyten) aan de basale membraan is verstoord. Welke celverbindingsstructuur heeft door de mutaties zijn functionaliteit verloren?
A: Desmosoom
B: Focal adhesion
C: Gap junction
D: Hemidesmosoom
E: Tight junction
F: Zonula adherens
13. Het kruis bevindt zich ten opzichte van de cirkel ...
A: Craniaal
B: Lateraal
C: Mediaal
D: Distaal
14. Het colon sigmoideus ligt intraperitoneaal.
A: Juist
B: Onjuist
15. De bursa omentalis is een holte in de buik. Welk orgaan ligt dorsaal van de bursa omentalis?
A: Maag
B: Oesofagus
C: Pancreas
1. Wat is een belangrijke functie van de satellietcel?
A: Deze verbetert de geleiding van de zenuw
B: Deze verbindt spierwezels met elkaar
C: Deze bevat de kernen van de spievezels
D: Deze maakt nieuwvorming van spiervezels mogelijk
2. Botmatrix en kraakbeenmatrix bevatten beide:
A: Glycosaminoglycanen
B: Calcitonine
C: Hydorxieapatiet
D: Osteoid
3. Spierweefsel is op te delen in drie verschillende soorten. Een van deze soorten is het hartspierweefsel. Kenmerken van dit type spierweefsel zijn:
A: Dwarsgestreept, meerkernig
B: Dwarsgestreept, eenkernig
C: Gladgestreept, meerkernig
4. In welke laag van de aortawand bevinden zich veel elastische lamellen?
A: Tunica adventitia
B: Tunica intima
C: Tunica media
5. Welke cellen vormen in het perifere zenuwstelsel de myelineschede rond de axonen?
A: Astrocyten
B: Ependymcellen
C: Microgliacellen
D: Oligodendrocyten
E: Schwann cellen
6. Welke onderdelen van een spinale zenuw worden gebruikt om de sensibiliteit van de vingertoppen aan het ruggenmerg door te geven?
A: Dorsale wortel en dorsale tak
B: Dorsale wortel en ventrale tak
C: Ventrale wortel en dorsale tak
D: Ventrale wortel en ventrale tak
7. Op grond waarvan is rotatie in de lumbale wervelkolom beperkt?
A: De afwezigheid van spieren met een rotatiemoment
B: De stand van de gewrichtsvlakken
C: De stugheid van de discus intervertebralis
D: De vaste verbinding met het os sacrum
8. Cellen in het bindweefsel worden ofwel tot “bewoners” ofwel tot de “passanten”gerekend. Welke cellen behoren tot de “bewoners”?
A: Fibroblast,macrofaag,granulocyt
B: Fibroblast,macrofaag,vetcel
C: Lymfocyt, granulocyt, vetcel
D: Lymfocyt, plasmacel, vetcel
9. De epidermis bestaat uit een aantal lagen. Welk alternatief geeft de juiste volgorde aan van buiten naar binnen?
A: Stratum basale - stratum granulosum - stratum spinosum - stratum corneum
B: Stratum corneum - stratum granulosum - stratum spinosum - stratum basale
C: Stratum corneum - stratum spinosum - stratum granulosum - stratum basale
D: Stratum spinosum - stratum corneum - stratum basale - stratum granulosum
10. Welke structuur in de lumbale wervelkolom vindt zijn oorsprong in de ribaanleg?
A: Processus accessorius
B: Processus costalis
C: Processus mamillaris
D: Processus spinosus
E: Processus transversus
11. Welk type kraakbeen wordt aangetroffen in de tussenwervelschijven?
A: Elastisch
B: Hyalien
C: Vezelig
12. Met welk type epitheel is de slokdarm (oesophagus) bekleed?
A: Eenlagig cilinderepitheel
B: Meerlagig kubisch epitheel
C: Meerlagig niet-verhoornend plaveiselepitheel
D: Meerrijig (= pseudomeerlagig) cilinderepitheel
E: Overgangsepitheel
13. Skeletspieren kunnen uit verschillende typen spiervezels bestaan. Welk vezeltype bevindt zich voornamelijk in de loopspieren van een sprinter?
A: Type I
B: Type IIa
C: Type IIb
14. Welke rol speelt de hydrolyse van ATP dat het myosine molecuul gebonden heeft in de spiercontractie?
A: Het maakt tropomyosine gevoelig voor Ca 2+
B: Het zorgt voor de binding van myosine aan actine
C: Het zorgt voor de vormverandering van het myosine molecuul
D: Het zorgt voor een vormverandering van de tropomyosine
15. Een motor unit is: een zenuwvezel en alle spiervezels die …
A: … deze ene zenuwvezel innerveert
B: … een spiervezel en alle bijbehorende zenuwvezels
C: ... een spiervezel met alle daarin aanwezige sarcomeren
D: ... een groep gladde spiervezels die middels gap-junctions contact met elkaar hebben
Oefententamen 1
1. A
2. B
3. D
4. C
5. C
6. C
7. C
8. C
9. D
10. Inspectie, auscultatie, percussie, palpatie.
11. C
12. D
13. D
14. A
15. C
Oefententamen 2
1. D
2. A
3. B
4. C
5. E
6. B
7. B
8. B
9. B
10: B
11. C
12. C
13. C
14. B
15. A