TentamenTests bij Klinische Neuropsychologie van Kessels - 1e druk
- Hoe heeft de klinische neuropsychologie zich ontwikkeld? - TentamenTests 1
- Hoe geschiedt de neuropsychologie in de praktijk? - TentamenTests 2
- Wat is de wetenschappelijke aanpak van de neuropsychologie? - TentamenTests 3
- Hoe kunnen de hersenen in beeld worden gebracht? - TentamenTests 4
- Hoe verlopen de behandeling en het herstel? - TentamenTests 5
- Wat is visuele waarneming? - TentamenTests 6
- Wat is ruimtelijke cognitie? - TentamenTests 7
- Waar bestaat het geheugen uit? - TentamenTests 8
- Hoe is taal opgebouwd? - TentamenTests 9
- TentamenTickets per hoofdstuk bij de 1e druk van Klinische Neuropsychologie van Kessels et al. - hoofdstuk 1 t/m 9
- Meer TentamenTests & Tentamentickets - Hoofdstuk 10 t/m 27 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)
Hoe heeft de klinische neuropsychologie zich ontwikkeld? - TentamenTests 1
Vragen bij hoofdstuk 1
Vraag 1
Wat houdt de celtheorie in?
- De mens heeft een hogere-orde ziel die zich bevindt in drie cellen (ventrikels) van de hersenen.
- Gebieden in de hersenen communiceren door middel van cellen met lange uitlopers, ook wel neuronen genoemd.
- De hersenen bestaan uit verschillende cellen (gebieden) die allemaal hun eigen functie hebben, zoals de subcorticale cel voor waakzaamheid en aandacht.
Vraag 2
Op wat voor manier testte Franz Joseph Gall zijn opvattingen?
- Hij nam klinische interviews af bij patiënten om zowel hun gedrag te beoordelen als de mogelijke beschadigingen aan het hoofd.
- Hij geloofde dat mensen alles aanleren (associationisme) en bekeek hersenbeschadigingen per individu, zonder algemene conclusies te trekken over hersenfuncties.
- Hij onderzocht patiënten post mortem en relateerde de beschadigingen van de hersenen aan het gedrag dat ze vertoonden.
- Door op het hoofd te voelen of er knobbels en bulten aanwezig waren en die te linken aan de kenmerken van de patiënt.
Vraag 3
Waarom bood Luria een oplossing voor het probleem van de holisten dat zij geen goed alternatief hadden voor lokalisatie?
- Hij vond dat een gedragsstoornis nooit direct gerelateerd kan worden aan de intactheid van specifieke gebieden, maar tegelijkertijd vond hij dat een nauwkeurige analyse een gestoorde factor kan aantonen.
- Het idee dat de hersenen uit verschillen zones bestaan zette de lokalisten buiten spel.
- Hij zag de hersenen als een systeem waarbij ieder subgebied een eigen bijdrage levert aan een algemene functie, waardoor de theorie holistisch was, maar ook aansloot bij de lokalisten.
- De secundaire zones, voor multimodale integratie, waren het alternatief voor lokalisatie dat de holisten nog niet hadden gevonden.
Vraag 4
Welke van de onderstaande functies hebben computermodellen die cognitieve functies nabootsen niet gemeen met de hersenen?
- Als knopen worden beschadigd valt niet de hele functie uit maar zal een deel van de informatie wegvallen.
- Een klein deel van de informatie kan het hele geheugenspoor activeren.
- Leren via 'trial-and-error'.
- De knopen communiceren met elkaar door specifieke elektrische reacties die ontstaan nadat een bepaalde waarde is overschreden.
Antwoorden bij hoofdstuk 1
- A
- C
- A
- D
Hoe geschiedt de neuropsychologie in de praktijk? - TentamenTests 2
Vragen bij hoofdstuk 2
Vraag 1
Waaruit bestaat de diagnostische cyclus?
- Klachtenanalyse, probleemanalyse, diagnosestelling, behandeling
- Klachtenanalyse, probleemanalyse, diagnosestelling, indicatiestelling
- Observatie, interpretatie, behandeling
- Anamnese, testafname, testinterpretatie, indicatiestelling
Vraag 2
In welk van de onderstaande situaties zorgt een heteroanamnese voor de meeste informatie?
- Els (27) is afgelopen jaar verhuisd, heeft een nieuwe baan gekregen en haar moeder is ernstig ziek. Sinds een paar weken kan ze zich niet zo goed concentreren op haar werk en heeft ze vermoeidheidsklachten.
- Henk (54) komt bij een psycholoog vanwege problemen met zijn vrouw. Volgens haar is hij de laatste tijd erg veranderd: hij luistert niet naar haar problemen, eet veel ongezonde dingen en lijkt snel geïrriteerd. Henk zelf is het niet eens met zijn vrouw en vindt dat er niks aan de hand is.
- Een paar maanden geleden was Peter (21) betrokken bij een auto-ongeluk. Sindsdien stapt hij niet graag meer in de auto. Soms heeft hij last van paniekaanvallen.
- Vivian (37) en haar man hebben een scheiding aangevraagd. Ze merkt dat haar stemming is veranderd: ze is vaak somber, huilt veel en vraagt zich af hoe ze verder moet als ze er alleen voor staat.
Vraag 3
Welke vraag heeft niet te maken met validiteit?
- In hoeverre zegt de score op cijferreeksen werkelijk iets over het werkgeheugen?
- Heeft een patiënte met een extreem lage score op reactiesnelheid last van cognitieve belemmering in haar dagelijks leven?
- Meet de test wat het op het eerste gezicht lijkt te meten?
- In hoeverre is zijn de resultaten van een test hetzelfde als ze op een ander moment worden verzameld?
Vraag 4
Meneer Osterham (87) scoort veel lager dan verwacht op de Stroop-test. Achteraf vertelt hij dat hij erg zenuwachtig was en de nacht ervoor nauwelijks had geslapen. Er was dus sprake van
- stoorfactoren
- een te lage ecologische validiteit
- een lage Cohen's kappa
- gebrekkige observatie door de proefleider
Antwoorden bij hoofdstuk 2
- B
- B
- D
- A
Wat is de wetenschappelijke aanpak van de neuropsychologie? - TentamenTests 3
Vragen bij hoofdstuk 3
Vraag 1
Wat is het verschil tussen klinisch neuropsychologisch onderzoek en fundamenteel onderzoek?
- Fundamenteel onderzoek wordt gedaan door wetenschappers en klinisch neuropsychologisch onderzoek niet.
- Klinisch neuropsychologisch onderzoek kijkt naar patiënten; fundamenteel onderzoek houdt zich alleen bezig met achterliggende theorieën.
- Fundamenteel onderzoek houdt zich bezig met differentiaaldiagnose; klinisch neuropsychologisch onderzoek met het antwoord geven op adviesvragen.
- Klinisch neuropsychologisch onderzoek kijkt naar het ziektebeeld en het verloop van een ziekte; fundamenteel onderzoek kijkt naar begrip over de stoornis en de gerelateerde hersenstructuren.
Vraag 2
Bij welke van de onderstaande onderzoekssituaties is er sprake van longitudinaal onderzoek?
- Via het ziekenhuis worden 100 ouders van kinderen met epilepsie benaderd. Als de ouders toestemming geven voor het onderzoek, wordt het kind iedere 5 jaar gevraagd voor een vragenlijstonderzoek en een fMRI scan. Na tien meetmomenten, dus vijftig jaar later, worden de gegevens geanalyseerd.
- Patiënt F.D. wordt onderzocht vanwege ernstige psychoses na een ongeluk op zijn werk. Hij moet verschillende vragenlijsten invullen en er wordt een scan van zijn hersenen gemaakt.
- Onderzoekers doen een groot onderzoek naar autisme. Er zijn vijf leeftijdsgroepen: 10-19, 20-29, 30-39, 40-49 en 50+. Per leeftijdsgroep worden 10 mannen en 10 vrouwen benaderd voor een onderzoek dat ongeveer één dag duurt.
- Onderzoekers willen weten of een medicijn voor depressie ook werkt wanneer iemand gediagnosticeerd is met ADHD. Hun onderzoek bestaat uit vier groepen: één groep met ADHD en het medicijn, één groep met ADHD en een placebo, één groep zonder ADHD en met het medicijn en één groep zonder ADHD en met placebo. Na de interventie worden de depressiescores van de verschillende groepen met elkaar vergeleken.
Vraag 3
Bij welke van de onderstaande onderzoekssituaties is er sprake van een 'single-case' studie?
- Via het ziekenhuis worden 100 ouders van kinderen met epilepsie benaderd. Als de ouders toestemming geven voor het onderzoek, wordt het kind iedere 5 jaar gevraagd voor een vragenlijstonderzoek en een fMRI scan. Na tien meetmomenten, dus vijftig jaar later, worden de gegevens geanalyseerd.
- Patiënt F.D. wordt onderzocht vanwege ernstige psychoses na een ongeluk op zijn werk. Hij moet verschillende vragenlijsten invullen en er wordt een scan van zijn hersenen gemaakt.
- Onderzoekers doen een groot onderzoek naar autisme. Er zijn vijf leeftijdsgroepen: 10-19, 20-29, 30-39, 40-49 en 50+. Per leeftijdsgroep worden 10 mannen en 10 vrouwen benaderd voor een onderzoek dat ongeveer één dag duurt.
- Onderzoekers willen weten of een medicijn voor depressie ook werkt wanneer iemand gediagnosticeerd is met ADHD. Hun onderzoek bestaat uit vier groepen: één groep met ADHD en het medicijn, één groep met ADHD en een placebo, één groep zonder ADHD en met het medicijn en één groep zonder ADHD en met placebo. Na de interventie worden de depressiescores van de verschillende groepen met elkaar vergeleken.
Vraag 4
Wat is een reden op gebruik te maken van een controletest?
- Om te kijken of er sprake is van een verschil tussen de experimentele groep en de controle groep.
- Om te kijken of de gebruikelijke test een andere gemiddelde score oplevert dan de controletest.
- Om te kijken of er een specifiek effect plaatsvindt op functie A na de behandeling.
- Om te kijken of er geen sprake is van een placebo-effect.
Vraag 5
Er is sprake van een test-hertesteffect wanneer...
- ...de patiënt beter scoort op een test door bekendheid met de instructies en de situatie
- ...de patiënt beter scoort op een test door thuis te hebben geoefend
- ...de test bij een tweede patiënt iets anders meet dan bij de eerste patiënt
- ...de test bij de tweede afname van dezelfde patiënt een compleet andere score oplevert
Antwoorden bij hoofdstuk 3
- D
- A
- B
- C
- A
Hoe kunnen de hersenen in beeld worden gebracht? - TentamenTests 4
Vragen bij hoofdstuk 4
Vraag 1
Welke uitspraak over een CT-scan is juist?
- Op het beeld van een CT-scan kan het verschil tussen witte en grijze stof duidelijk worden gezien.
- Een CT-scan werkt door middel van de doorlating van röntgenstralen.
- Een CT-scan heeft als voordeel dat het een hogere resolutie oplevert dan een MRI-scan.
- Bij een CT-scan komt er minder kankerverwekkende straling van dan bij een MRI scan.
Vraag 2
Waarin verschilt functionele beeldvorming van structurele beeldvorming?
- Functionele beeldvorming kan gebruikt worden bij psychische stoornissen; structurele beeldvorming kan gebruikt worden bij hersenbeschadiging door beroertes of ongelukken.
- Functionele beeldvorming kan gebruikt worden bij hersenbeschadiging door beroertes of ongelukken; structurele beeldvorming kan gebruikt worden bij psychische stoornissen.
- Functionele beeldvorming laat niet zien welke gebieden actief zijn, structurele beeldvorming wel.
- Functionele beeldvorming laat zien welke gebieden actief zijn, structurele beeldvorming niet.
Vraag 3
Welke uitspraak over fMRI is waar?
- Bij fMRI wordt hemoglobine als natuurlijke contrastvloeistof gebruikt.
- fMRI is vrij schadelijk.
- Bij fMRI wordt water radioactief gemaakt, waarna het zuurstofgebruik in beeld kan worden gebracht.
- fMRI levert beelden op met een zeer goede temporele resolutie.
Antwoorden bij hoofdstuk 4
- B
- D
- A
Hoe verlopen de behandeling en het herstel? - TentamenTests 5
Vragen bij hoofdstuk 5
Vraag 1
Patiënt P. heeft hersenbeschadiging als gevolg van een aanrijding. Een tijd lang lijkt zijn cognitief functioneren vooruit te gaan, maar na een jaar komt deze vooruitgang tot stilstand. P. leert echter wel beter omgaan met zijn verminderde concentratievermogen, vergeetachtigheid en trillerigheid in zijn handen en armen. Dit beter leren omgaan noemt men ook wel:
- positieve restverschijnselen
- negatieve restverschijnselen
- herstel op neurologisch niveau
- de restauratieve stroming van revalidatie
Vraag 2
Wat is de term voor het gebrek aan vooruitgang dat patiënt P. ervaart (vorige vraag)?
- Suboptimale coping
- Neurologische eindtoestand
- Plasticiteit
- Growing into deficit
Vraag 3
Welke uitspraak over plasticiteit is niet waar?
- Plasticiteit is een levenslang proces.
- De mate van plasticiteit is afhankelijk van het ontwikkelingsstadium.
- Onderzoek ondersteunt het Kennard-principe: de prognose na een hersenbeschadiging op jonge leeftijd is beter dan de prognose na hersenbeschadiging op latere leeftijd.
- Onderzoek ondersteunt de double hazard hypothese: jongere kinderen die ernstig letsel oplopen hebben de slechtste prognose.
Vraag 4
Wat houdt state dependent learning in?
- Dat leren afhankelijk is van de emotionele toestand waarin een patiënt zich bevindt.
- Dat leren afhankelijk is van de mate van hersenbeschadiging van een patiënt.
- Dat leren afhankelijk is van de context waarin het leren gebeurt.
- Dat leren onmogelijk is zonder motivatie van de patiënt.
Vraag 5
Welke uitspraak over training bij hersenbeschadiging is waar?
- Er is veel bewijs gevonden voor de werkzaamheid van trainingen die vallen onder het restauratieve model.
- Vaardigheidstraining is een voorbeeld van een training die hoort bij het compensatoire model.
- Bij psycho-educatie geeft een patiënt uitleg over ervaringen aan lotgenoten, om zo de sociale steun en het netwerk te vergroten.
- Functietraining is een voorbeeld van een training die hoort bij het compensatoire model.
Antwoorden bij hoofdstuk 5
- A
- B
- C
- C
- B
Wat is visuele waarneming? - TentamenTests 6
Vragen bij hoofdstuk 6
Vraag 1
Welke uitspraak over sensorische verwerking is onjuist?
- Alle primaire sensorische gebieden zijn modaliteitspecifiek.
- De primaire visuele cortex ligt in het centrum van de occipitaalkwab.
- In de tertiaire gebieden vindt er koppeling plaats met andere sensorische informatie.
- Gezichtsherkenning valt onder het primaire visuele gebied (V1).
Vraag 2
Wat is het verschil tussen de waar-route en de wat-route?
- De waar-route bevindt zich in het occipito-pariëtale gebied; de wat-route bevindt zich in het occipito-temporale gebied.
- De waar-route richt zich primair op waar in het visuele veld een stimulus zich bevindt; de wat-route richt zich primair op hoe die stimulus beweegt.
- De waar-route verwerkt alleen basale informatie; de wat-route dient ter verwerking van meer complexere informatie.
- De waar-route is betrokken bij visueel-ruimelijke verwerking en lokalisatie van objecten; De wat-route is betrokken bij de herkenning van objecten en de verwerking van kleur, vorm en textuur.
Vraag 3
Patiënt Q. ziet alleen fletse tinten. Een scan wijst uit dat dit het gevolg is van een laesie. Wat heeft Q. waarschijnlijk?
- Prosopagnosie
- Akinetopsie
- Achromatopsie
- Een apperceptieve agnosie
Vraag 4
Welke uitspraak over prosopagnosie is niet waar?
- Mensen met prosopagnosie kunnen gezichten van anderen niet herkennen, maar het beeld van het eigen gezicht in de spiegel blijft wel altijd intact.
- Prosopagnosie is vaak het het gevolg van een bilaterale laesie in de occipitaal-temporale regio.
- Bij prosopagnosie speelt de fusiform face area een rol.
- Prosopagnosie is een hogere-orde visuele stoornis.
Vraag 5
Hoe verloopt de herkenning van gezichten in het model van Bruce en Young?
- Na de activering van de person identity node (PIN), wordt de face recognition unit (FRU) geactiveerd, waarna de naam van de persoon kan worden opgehaald.
- Na de activering van de face recognition unit (FRU), wordt de person identity node (PIN) geactiveerd, waarna de naam van de persoon kan worden opgehaald.
- Na de activering van de person identity node (PIN), wordt de naam van de persoon opgehaald, waarna de face recognition unit (FRU) kan worden geactiveerd.
- Na de activering van de face recognition unit (FRU), wordt de naam van de persoon opgehaald, waarna de person identity node (PIN) kan worden geactiveerd.
Antwoorden bij hoofdstuk 6
- C
- D
- C
- A
- B
Wat is ruimtelijke cognitie? - TentamenTests 7
Vragen bij hoofdstuk 7
Vraag 1
Uit welke deeldomeinen bestaat het ruimtelijk geheugen?
- Het aanleren en onthouden van routes, dynamische ruimtelijke informatie en het geheugen voor objectlocaties.
- Landmarks, allocentrische kennis en egocentrische kennis.
- Het ruimtelijk werkgeheugen, allocentrische kennis en egocentrische kennis
- Het aanleren en onthouden van routes, het ruimtelijk werkgeheugen en het geheugen voor objectlocaties.
Vraag 2
Patiënt L. heeft last van unilateraal neglect door een beschadiging in de linkerhersenhelft. Hij krijgt de opdracht om een huis te tekenen. Wat tekent L.?
- L. tekent iets compleet anders dan een huis.
- L. tekent maar één helft van het huis.
- L. tekent alleen de bovenkant van het huis.
- L. tekent een huis, maar plaats de deur en de ramen buiten het huis.
Vraag 3
Op een taak ziet L. (vraag hierboven) een figuurtje wel als er maar één wordt aangeboden, maar bij meerdere figuurtjes wordt het niet meer opgemerkt. Hoe heet dit?
- Extinctie
- Gedeeltelijk neglect
- Bilaterale neglect
- Aandachtsneglect
Vraag 4
Patiënt F. kan de weg naar haar huis prima vinden, maar sinds haar laesie lukt het haar niet om de route naar de theeclub, waar ze sinds kort lid van is, te onthouden. Waarschijnlijk heeft F.:
- egocentrische desoriëntatie
- syndroom van Bálint-Holmes
- anterograde desoriëntatie
- neglect
Vraag 5
Welke van de volgende uitspraken is niet waar voor het syndroom van Balint-Holmes?
- De wereld lijkt voor patiënten een chaotische opvolging van enkelvoudige objecten.
- Er is sprake van simultaanagnosie, oculomotorische apraxie en optische ataxie.
- Ondanks de beperking kunnen patiënten nog redelijk in de wereld bewegen.
- Er is sprake van een bilaterale beschadiging van het occipito-pariëtale gebied.
Antwoorden bij hoofdstuk 7
- D
- B
- A
- C
- C
Waar bestaat het geheugen uit? - TentamenTests 8
Vragen bij hoofdstuk 8
Vraag 1
Welke van de volgende is geen onderdeel van het lange-termijngeheugen (LTG)?
- Het declaratief geheugen
- Het impliciete geheugen
- De fonologische lus
- Het semantische geheugen
Vraag 2
Patiënt F. (78) heeft moeite met het herinneren van gebeurtenissen, maar als ze achter een piano gaat zitten, kan ze stukken die ze in haar jeugd heeft geleerd nog perfect spelen. Welk onderdeel van haar geheugen is niet beschadigd?
- Het impliciete geheugen
- Het expliciete geheugen
- Het declaratief geheugen
- Het werkgeheugen
Vraag 3
Welke drie factoren bepalen hoe goed informatie later herinnerd kan worden?
- Hoe goed de informatie is opgeslagen, cues en het soort test.
- Cues, de mate van overschrijving en het soort test.
- Cues, het retentie-interval en de mate van overschrijving.
- Hoe goed de informatie is opgeslagen, het retentie-interval en het soort test.
Vraag 4
Welk van de onderstaande processen valt onder het niet-declaratieve lange-termijn geheugen?
- Het onthouden van een woordenlijst.
- Het sneller herkennen van een woord als vlak daarvoor een gerelateerd begrip is getoond.
- Het kunnen voorstellen van de indeling van je huis.
- Het herinneren van een bijzondere gebeurtenis.
Vraag 5
Wanneer is er sprake van het amnestisch syndroom?
- Als de patiënt zowel anterograde als retrograde amnensie heeft.
- Als de patiënt anterograde amnesie heeft.
- Als de patiënt retrograde amnesie heeft.
- Als er sprake is van abnormaal snel vergeten.
Vraag 6
Welke uitspraak over transient global amnesia (TGA) is waar?
- Bij een TGA wordt de amnesie niet beter; de patiënt blijft altijd geheugenproblemen houden.
- De etiologie van TGA is heel duidelijk.
- Soms is epilepsie de oorzaak van een TGA. We spreken dan van een transient epileptic amnesia (TEA).
- Psychiatrische stoornissen zoals depressie of schizofrenie kunnen nooit de oorzaak zijn van een TGA.
Antwoorden bij hoofdstuk 8
- C
- A
- D
- B
- A
- C
Hoe is taal opgebouwd? - TentamenTests 9
Vragen bij hoofdstuk 9
Vraag 1
Welke informatie over woorden is te vinden in het mentale lexicon?
- Betekeniseigenschappen, vormeigenschappen en fonetische eigenschappen.
- Betekeniseigenschappen, grammaticale eigenschappen en vormeigenschappen.
- Overeenkomsten tussen woorden, verbindingen tussen woorden en verschillen tussen woorden.
- Overeenkomsten tussen woorden, grammaticale eigenschappen en informatie over zinsbouw.
Vraag 2
Patiënt A. heeft een ernstige vorm van afasie. De neuropsycholoog stelt haar diverse vragen en neemt een aantal tests met haar af, maar ze antwoord alleen “ik weet het niet” en “hoe zeg je dat”. Hoe noem je deze vorm van automatische spraak?
- Echolalie
- Seriële spraak
- Stereotypie
- Perseveratie
Vraag 3
Patiënt U. heeft een ernstige vorm van afasie. Hij wil vertellen dat zijn vrouw gisteren op bezoek kwam en hij koekjes heeft gekregen. Dat doet hij als volgt: “Pien...bezoeken...gisteren...Ik....koek...krijgen.” Hoe wordt deze vorm van zinsbouwproblematiek genoemd?
- Agrammatisme
- Paragrammatisme
- Pseudogrammatisme
- Antigrammatisme
Vraag 4
Wanneer is er sprake van Broca's afasie?
- Als de spraak vloeiend is, maar het taalbegrip aangetast.
- Als het taalbegrip intact is, maar de spraak en articulatie aangetast.
- Als het grootste probleem is dat woorden niet herhaald kunnen worden.
- Als spraak, taalbegrip en herhaling aangetast zijn.
Vraag 5
Uit tests blijkt dat patiënt F. een intact taalbegrip heeft. Er is geen sprake van paragrammatisme, parafasieën, een vertraagd spreektempo of agrammatisme. Als F. praat, heeft ze duidelijk ernstige problemen met het vinden van woorden. Welke vorm van afasie heeft F. waarschijnlijk?
- Broca's afasie
- Wernicke's afasie
- Transcorticale afasie
- Amnestische afasie
Vraag 6
Wat is het verschil tussen dyspraxie en dysartrie?
- Bij dyspraxie gaat er iets fout bij de programmering van articulatieorganen; bij dysartrie is er sprake van verminderde controle over de articulatiespieren.
- Bij dyspraxie is hebben patiënten moeite met schrijven; bij dysartrie hebben patiënten moeite met lezen.
- Bij dyspraxie hebben patiënten moeite met langere woorden; bij dysartrie hebben patiënten moeite met clusters van medeklinkers.
- Bij dyspraxie hebben patiënten schade in de hersenen of het zenuwstelsel; bij dysartrie hebben patiënten schade aan spieren.
Antwoorden bij hoofdstuk 9
- B
- C
- A
- B
- D
- A
TentamenTickets per hoofdstuk bij de 1e druk van Klinische Neuropsychologie van Kessels et al. - hoofdstuk 1 t/m 9
Hoe heeft de klinische neuropsychologie zich ontwikkeld? - TentamenTickets 1
In dit hoofdstuk worden vooral de belangrijkste namen genoemd van de geschiedenis van de neuropsychologie, zorg dat je deze helder hebt voordat je aan de rest van het boek begint.
De meeste begrippen en namen komen uitgebreider terug in de rest van het boek, dus als na het lezen van dit hoofdstuk veel nog onduidelijk is, maak je geen zorgen.
Hoe geschiedt de neuropsychologie in de praktijk? - TentamenTickets 2
De belangrijkste termen voor diagnostiek en onderzoek worden genoemd in dit hoofdstuk. Dit is erg belangrijke stof voor zowel dit vak als in de rest van de studie: deze begrippen zijn binnen de gehele psychologie belangrijk om paraat te hebben.
De verschillende soorten validiteit worden besproken. Het is van belang dat je deze goed kunt onderscheiden.
Onthoud de volgorde van de diagnostische cyclus: Klachtenanalyse, Probleemanalyse, Diagnosestelling en Indicatiestelling.
Wat is de wetenschappelijke aanpak van de neuropsychologie? - TentamenTickets 3
Dit hoofdstuk beschrijft, net zoals hoofdstuk 2, algemene begrippen uit het neuropsychologische onderzoek. Het is wederom belangrijk om alle begrippen goed te kennen.
De begrippen enkele en dubbele dissociatie zijn soms moeilijk voor je te zien. Teken daarom dit gedeelte uit: dat helpt je om te zien hoe het precies in elkaar zit en beter te onthouden voor het tentamen.
Hoe kunnen de hersenen in beeld worden gebracht? - TentamenTickets 4
Het is belangrijk om het onderscheid te weten tussen beeldverwerking en beeldvorming. BeeldVORMING is dataverzameling, beeldVERWERKING is het verwerken ervan.
Er worden in dit hoofdstuk veel verschillende methoden besproken. Maak een lijstje van welke techniek bij welke beeldvorming/beeldverwerking hoort, zodat het leren ervan wat behapbaarder is.
Hoe verlopen de behandeling en het herstel? - TentamenTickets 5
Het is belangrijk om te onthouden dat herstel niet hetzelfde betekent als terugkeren naar de staat vòòr het ongeluk. Het betekent dat er vooruitgang geboekt word tten opzichte van de staat tijdens en na het ongeluk.
Het Kennard-principe stelt dat hersenletsel beter op jongere leeftijd kan gebeuren. Dit kan je onthouden aan dat Kennard klinkt als KIND.
Je moet het verschil weten tussen variability of practice (VP) en linkage to site of application (LA). Het onderscheid kan je onthouden door te bedenken dat LA ook een plaats is, en dat je het leergedrag naar LA zou moeten verplaatsen.
Je kan op vier niveaus neuropsychologisch interveniëren: niveau van Leerbaarheid, Actieve rol van de patiënt, Ondersteuning van de omgeving en Strategieën voor compneseren: LAOS.
Wat is visuele waarneming? - TentamenTickets 6
Bij kegels denk je aan bowlen, waarbij er verschillende kleuren bowlingballen zijn. Bij staafjes denk je aan een zaklamp (vorm van een staaf) waarmee je kan zien in het donker.
M-cellen geven beweging door: movement-cellen. P-cellen geven kleurwaarneming door: painting-cellen.
Let op het verschil tussen de occipito-temporale (ventrale) wat route en de occipito-pariëtale (dorsale) waar route.
V3 = vorm (denk aan 3D), V4 = kleurwaarneming (er zijn 4 meest gebruikte kleuren), V5 = beweging.
Wat is ruimtelijke cognitie? - TentamenTickets 7
Egocentrisch representatie → EGO = IK, dus wanneer wij onszelf als referentiekader nemen. Allocentrische representatie → ALLO = anderen, wanneer je een soort helikopterview hebt.
Pak ook het hoofdstuk over geheugen (8) er bij als er gerefereerd wordt aan bijv. episodisch geheugen, zodat alle begrippen helder zijn.
Waar bestaat het geheugen uit? - TentamenTickets 8
Denk bij declaratief geheugen aan het Engelse woord declare: iets publiekelijk uitspreken. Het geleerde in het niet-declaratieve geheugen is dus niet zo goed uit te spreken.
Denk bij retrograde amnesie aan retro (vroeger): de herinneringen van vroeger zijn moeilijk op te halen.
Maak een overzicht voor jezelf met alle vormen van geheugen, zodat je weet dat bijv. het episodisch geheugen onder het langetermijngeheugen valt.
Hoe is taal opgebouwd? - TentamenTickets 9
Teken ook hier uit hoe de taalproductie tot stand komt. Het uittekenen helpt om te onthouden.
In dit hoofdstuk worden er stoornissen genoemd in de taalproductie, zinsbouw, taalbegrip, spraak, lezen en schrijven. Let op dat je hier goed onderscheid in maakt. Dysgrafie klinkt bijvoorbeeld als schrijven. De vormen die onder zinsbouwproblematiek vallen eindigen op grammatisme.
Meer TentamenTests & Tentamentickets - Hoofdstuk 10 t/m 27 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)
- Ben je aangesloten bij JoHo, log dan in en lees hieronder verder voor de vragen en tentamentickets bij hoofdstuk 10 t/m 27
- Nog niet aangesloten, sluit je dan eerst hier aan.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it support personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
- 1523 reads
Tentamens: oude tentamens voor Biopsychologie en neuropsychologie, oefenmateriaal en tentamentips
- TentamenTests bij Brain and Cognition van Goldstein e.a. - 4e Custom UU druk
- TentamenTests bij Brain and Cognition Custom edition UU van Kalat e.a. - 3e Custom UU druk
- TentamenTests bij Cognition: Exploring the Science of the Mind van Reisberg - 7e druk
- Tentamentest bij de 3e druk van Cognitive Development and Learning in Instructional Contexts van Byrnes
- TentamenTests bij de 2e druk van Cognitive Psychology van Goldstein & Van Hooff
- TentamenTests bij Human factors in simple and complex systems van Proctor en Van Zandt - 3e druk
- TentamenTests bij Klinische Neuropsychologie van Kessels - herziene 1e druk
- TentamenTests bij Klinische Neuropsychologie van Kessels - 1e druk
- TentamenTickets Biopsychosociale perspectieven op psychopathologie (BPOP) - Universiteit Utrecht
- Tentamens: startpagina voor oude tentamens en tentamentips per vak bij psychologie en gedrag
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden

Contributions: posts
Tentamens: oude tentamens voor Biopsychologie en neuropsychologie, oefenmateriaal en tentamentips
Oude tentamens voor Biopsychologie en neuropsychologie, oefenmateriaal en tentamentips
Search only via club, country, goal, study, topic or sector









Add new contribution