Vraag 1
Wanneer voert een onderzoeker een ANOVA uit?
Vraag 2
Waarom worden hiervoor geen t-testen gebruikt?
Vraag 3
Wat zijn contrasts?
Vraag 4
Wat wordt bedoeld met een significante F-ratio?
Vraag 5
Wat wordt bedoeld met een type I fout? En wat wordt bedoeld met een type II fou?
Vraag 6
Wat is de power van een test?
Vraag 7
Welke procedures gebruikt een onderzoeker om te kijken welke groepen daadwerkelijk van elkaar verschillen?
Vraag 8
Welke test wordt uitgevoerd als assumpties worden geschonden en ANOVA niet kan worden uitgevoerd?
Vraag 9
Hoeveel is de Type 1 fout als drie testen door een t-test met elkaar vergeleken worden?
Vraag 1
Wanneer onderzoekers meer dan twee condities willen vergelijke wordt de ANOVA.
Vraag 2
Omdat losse t-testen de kans op een type I error vergroten. Dit wordt kanskapitalisatie genoemd.
Vraag 3
Dit zijn alternatieve coderingsschema’s.
Vraag 4
Dit wil zeggen dat de gemiddelden van de groepen verschillen.
Vraag 5
Een type 1 fout ontstaat wanneer een effect gedetecteerd wordt terwijl deze niet aanwezig is. In dit geval wordt H0 ten onrechte verworpen. Een type II fout ontstaat wanneer een effect niet gedetecteerd wordt terwijl deze wel aanwezig is. In dit geval wordt H1 ten onrechte verworpen.
Vraag 6
De mogelijkheid van een test om een effect te detecteren van een bepaalde grootte (.80 is goed).
Vraag 7
Post-hoc procedures.
Vraag 8
De Kruskall-Wallis test.
Vraag 9
Per test is de Type 1 fout 0.95 (5% kans op het verkeerd verwerpen van de nul hypothese). Dus het antwoord is: 0.95 x 0.95 x 0.95= 0.857 waardoor 1 - 0.857 = 14.3% het goede percentage is.