International Court of Justice, The North Sea Continental shelf cases, (Federal Republic of Germany v. Denmark and Federal Republic of Germany v. Netherands), Judgement Merits, 20 February 1969
Casus
Ten aanzien van de verdeling van het continentaal plateau van de Noordzee, waren er tussen Duitsland en Nederland en Duitsland en Denemarken afspraken gemaakt. Hoe de verdelingslijnen getrokken moesten worden, wilden de pp. Voorleggen aan het ICJ: "elke principes en regels van internationaal recht zijn van toepassing bij de afbakening van de gebieden van pp. Op het Noordzee Continentaal plateau ?"
Het Hof voegde de twee zaken bij elkaar. Nederland en Denemarken beriepen zich op art. 6-2- (csc): er zouden in dit geval speciale omstandigheden zijn. Duitsland beriep zich op een verdeling volgens de doctrine van eerlijke en rechtvaardige verdeling.
Het Hof verwierp zowel het standpunt van Ned./Den. als dat van Duitsland. Hof: is er bij art. 6-2 csc sprake van de vorming van gewoonterecht? voor het bestaan van gewoonterecht kunnen 5 criteria gelden:
Het moet gaan om een regel met een fundamenteel normerend karakter die beschouwd kan worden als de basis voor een algemene rechtsregel.
Art. 6-2 voldoet hier niet aan : het is een subsidiaire regel ( de eerste regel is: begrenzing middels overeenkomst) en er kan een voorbehoud bij dit artikel worden gemaakt.
Er hoeft niet een geruime tijd verstreken te zijn t.a.v. het gebruik van de regel, als die maar wijdverbreid en representatief wordt toegepast.
In dit geval is de deelname en ratificatie van de csc onvoldoende om aan dit criterium te voldoen.
Er moet een redelijke verlopen zijn ten aanzien van de mogelijkheid het verdrag te ratificeren.
Daarvan is hier geen sprake.
De statenpraktijk dient extensief en nagenoeg uniform te zijn, m.n. als het gaat om staten wier belangen er sterk bij zijn betrokken.
dit is hier niet het geval
De staten moeten niet alleen handelen volgens een gevestigde praktijk, maar zij moeten er tevens van overtuigd zijn dat het een verplichting is dat ze juist op die wijze handelen (opinio iuris -vereiste)
ook daarvan kan hier geen sprake zijn.
Daarom besluit het Hof:
dat er in dit geval geen bindende verdelingsregel is aan te wijzen.
de principes en regels van intern. Recht die hier van toepassing dienen te zijn; er moet een overeenkomst gesloten worden tussen pp. Ten aanzien van de afbakening die gebaseerd is op rechtvaardige principes en die alle relevante omstandigheden in acht neemt, zodat elk land een rechtvaardig deel krijgt.