College met veel interactie.
Ethiek gaat over:
Goed handelen: wat te doen in bepaalde situatie? Praktisch gericht – ‘smalle ethiek’
Goed leven: hoe leid ik een goed leven? Levenshouding – ‘brede ethiek’
Waarden en normen
Vanzelfsprekendheid: doorbroken
Waarden zijn algemeen, is antwoord op vraag ‘wat is belangrijk?’, ideaal, motiverende kracht, achtergrond een rol spelen, eindigt vaak op ‘heid’/’eit’.
Normen is specifiek/voorschrijvend, is antwoord op vraag ‘wat moet ik doen?’, richtlijn/regel, bindende kracht, op de voorgrond rol spelen!
Het subjectieve – emoties/smaak- beleven/voelen – is het waarachtig?
Het objectieve – feiten – kennen/weten – is het waar?
Het normatieve – waarden/normen – waarderen – is het goed?
Stromingen in de ethiek
Deugd-ethiek
Deugd is de morele kwaliteit of eigenschap van iemand, die ervoor zorgt dat hij of zij de juiste keuze maakt. Daarvoor moet je ontwikkelen:
inzicht wat juist handelen is
vermogen te onderscheiden wat tot welzijn en geluk leidt
idee waar het je om begonnen is ‘de bedoeling’
Gaat vooral over houding/karakter – vrij of verkrampt
Deugdethiek: hoe goed te leven? Brede ethiek als mens, als professionals. Het juiste midden = afhankelijk van context
Waarden: wat vind ik belangrijk?
Deugden: verwerfbare eigenschap – waardoor je de juiste keuze maakt. Verschil tussen waarden en deugden: Deugd = persoonlijk; waarde = abstract. Hoe doe je iets: het handelen staat centraal
Norm: wat moet ik dan doen?
Nodig voor ethische afwegingen:
Argumenten zoeken/ formuleren
Vrijheid = noodzakelijke voorwaarde
Je eigen overtuigingen tijdelijk kunnen ‘parkeren’