In dit hoorcollege gaat het wederom over het Romeins Goederenrecht.
Er worden geen onderwerpen besproken die niet terug te vinden zijn in de literatuur. Hoofdstuk 5 van Prota is van belang.
Geen sprake van recente ontwikkelingen.
Op het tentamen wordt vaak gevraagd welke vorm van schenking niet geldig is.
- Welke vorm van schenking is niet mogelijk?
Dit is geval van schenking in een huwelijk gedaan. Deze schenkingen aan elkaar als echte lieden is nietig. Eigendom van de gegeven zaak kan dus niet over zijn gegaan, er is geen objectieve geldige titel.
Consensus
Voor iedere overeenkomst in het Romeinse Recht is consensus vereist. Dit is de wilsovereenstemming bij de overeenkomst. In het Nederlands Recht is dit anders, bij ons komt er soms toch nog een overeenkomst tot stand ondanks een gebrekkige wilsovereenstemming (derdenbescherming) . In het Romeinse Recht moet er consensus zijn. Indien er dissensus over de overeenkomst is, dan komt er geen overeenkomst tot stand. Indien dissensus over het object, dan komt er tevens geen overeenkomst. In het Nederlands recht kom je in zo'n geval dan bij art.3:35 BW.
Dwaling
In het Nederlandse recht hebben we dwaling. In het Romeinse Recht werd dit niet beschouwd als wilsgebrek, maar ze vonden het een toepassing van de regel van consensus. Als de consensus ontbrak, dan was er geen overeenkomst tot stand gekomen. Het Romeins Recht kende alleen de tweezijdige dwaling. Het moet gaan om dezelfde zaak maar allebei moeten ze een onjuiste voorstelling van zaken hebben.
Een voorbeeld. Beide partijen hebben het over een fles rode wijn. Deze wijn is echter verzuurd. Is er dan sprake van dwaling? Volgens de Romeinen niet, want er zit wel degelijk rode wijn in alleen is de zuurgraag anders. Dat was onvoldoende voor dwaling bij de Romeinen en de koper heeft in zo'n geval pech. Als er bijvoorbeeld in plaats van wijn, azijn in de fles zat dan was er wel sprake van dwaling.
Bedrog
In het Ius Civile gold het volgende. 'Deceptus tamen volui' - ik ben misleid, maar ik heb wel gewild.
Ratihabitio / praetorische rechtsmiddelen
Als het gaat om een overeenkomst die nog niet is uitgevoerd dan geldt exceptio doli: oftewel vernietiging. Gaat het om een overeenkomst die wel als is uitgevoed, dan spreekt men van restitutio in itegrum: herstel van oude toestand.
Bijzonder bedrog
De schuldeiserbenadeling, de actio Pauliana, gaan over transacties verricht tot een jaar voorafgaand aan de faillissementverkoop. Zijn die ten nadele van de schuldeisers of vernietigbaar door de vertegenwoordiger van de benadeelde? Eerst moet er worden bepaald wat Paulianeus is:
Het moet gaan om iemand diens vermogen is afgenomen. U weet nog snel geld terug te krijgen van de persoon die binnen één jaar failliet is gegaan.
Het betalen van een schuld door de debiteur is niet Paulianeus.
Het verwerpen van een nalatenschap is niet Paulianeus
Het vestigen van een pandrecht voor een oude bestaande schuld is wel Paulianeus.
De Praetor kan tevens zeggen dat het Paulianeus is, dan moet alles teruggedraaid worden.
Dwang
In het Ius Civile gold: coactus tamen volui. De Praetor bepaalde dat wat onder dwang is geschied, hij niet zal laten gelden. Het maakte niet uit welke partij de dwang heeft uitgeoefend. Als er is geleverd, dan kon je herstelde toestand vorderen.
Voorwaarden
Er kunnen opschortende of ontbindende voorwaarden zijn. De bekendste opschortende voorwaarde was in het Romeins Recht het eigendomsvoorbehoud.
De opschortende voorwaarde kun je op twee manieren vormgeven. Stel er komt een hoger bod:
Obligatoir nevenbeding. De stipulatio treden in werking. B is verplicht de slaaf terug te geven aan A. Doet hij dit niet, dan kan A een persoonlijke actie instellen. Indien B de slaaf al aan een ander heeft gegeven, dan heeft A simpelweg pech.
Stel A zegt tegen B dat hij de slaaf terug moet brengen als er binnen een week een ander, logischerwijs beter, bod komt. Dat is een opschortende voorwaarde want er ontstaat een verplichting tot terugbrenging.
Een echte ontbindende voorwaarde doet zich voor indien de eigendom automatisch terugvalt naar bijvoorbeeld A. Ook indien B de slaaf aan een ander heeft overgedragen, dan blijft A alsnog eigenaar. Dit is natuurlijk de beste optie, A blijft eigenaar wat B er ook mee doet.