Operationalisatie | Procedure waarmee de hypotheses onderzocht worden |
Neuropsychologische functietest | Onderzoeksmiddel om een cognitieve functie te meten |
Psychologische vragenlijst | Vragenlijst om een psychologisch construct te meten |
Validiteit | De mate waarin een instrument beïnvloed wordt door systematische meetfouten |
Betrouwbaarheid | Mate waarin een test beïnvloed wordt door toevallige meetfouten |
Normering | Vergelijking met normgroep die voldoende representatief is |
Relevantie van een psychodiagnostisch instrument | Mate waarin een instrument gedragskenmerken meet die van belang zijn voor het beantwoorden van de vraagstelling |
COTAN | Commissie Testaangelegenheden van het NIP die de kwaliteit van psychodiagnostische instrumenten beoordeelt |
Convenience sample | Steekproef die toevallig voorhanden is |
Oefeneffecten | Vooruitgang op de testscore vanwege herhaald testen |
Testwise | Eerdere ervaringen met testonderzoek leiden ertoe dat de geteste weet wat er verwacht wordt |
Screening | Beknopt NPO, bestaande uit meerdere tests |
Zuinigheidsprincipe | Het NPO moet niet meer tests bevatten dan nodig om de vraagstelling te beantwoorden en de hypothesen te toetsen |
Vaste batterij | Testbatterij waarbij de samenstelling van het instrumentarium van te voren vastligt |
Flexibele batterij | Individueel toegesneden samenstelling van de testbatterij |
Populatiespecifieke batterij | Testbatterij die bedoeld is voor toepassing bij een bepaalde aandoening |
Domeinspecifieke batterij | Testbatterij die gericht is op het uitgebreid testen van één cognitieve functie |
Gedragsneurologische proef | Korte, weinig gestandaardiseerde proef met de bedoeling om symptomen van een hersenfunctiestoornis uit te lokken |
Testvolgorde | Samenstelling van het NPO moet zodanig zijn dat de onderdelen niet met elkaar interfereren; daarnaast is er meestal een opbouw in complexiteit om bodem- en plafondeffecten te voorkomen |
Bodemeffecten | De minimaal te behalen score is al niet haalbaar, omdat de taak te moeilijk is |
Plafondeffecten | De maximaal te behalen score geeft niet het maximale prestatieniveau weer, omdat de taak te makkelijk is |
Oefeneffecten | De prestatie wordt beter als gevolg van herhaald testen |
Vermoeidheidseffecten | De prestatie wordt slechter als gevolg van langdurig presteren |
Standaardisatie | Expliciet geformuleerde instructies voor een test waar de normering op gebaseerd is |
Testing the limits | Het maximale prestatieniveau van de patiënt achterhalen buiten de standaardafnameprocedure |
Testbaarheid | Vermogen om getest te worden; kan verminderd zijn door extreem ernstige neurologische aandoeningen, emotionaliteit of gebrek aan motivatie |
Computerondersteunde diagnostiek | Geautomatiseerde testafname, registratie en scoring en soms interpretatie. |
Voordelen van computerondersteunde diagnostiek | Voordelen zijn dat standaardisatie beter is en betrouwbaarheid dus hoger, en de procedure is efficiënter. |
Nadelen van computerondersteunde diagnostiek | Nadelen zijn dat het niet volledig equivalent aan papier-en-potloodtests is, er zijn beperkingen in het aanbod van materiaal en de responsmogelijkheden, en er treedt snelle veroudering van de testsystemen op door snelle technologische ontwikkeling |
Invoerapparaten | Specifieke apparaten voor geautomatiseerde diagnostische tests, die gebruiksvriendelijk zijn voor patiënten met beperkingen |