Hoofdstuk 5 | Taal |
Language acquisition device (LAD) | Werd voor het eerst door Chomsky naar voren gebracht; een aangeboren mogelijkheid die kinderen hebben voor het aanleren van de gesproken taal. |
Fonotactische patronen van taal | Taalklanken en de relaties tussen deze klanken die zo gebruikt worden dat ze woorden vormen waaruit de taal bestaat. |
Motherese / kindgerichte spraak (infant-direct speech/IDS) | Een bepaalde manier van spreken die verzorgers gebruiken als ze tegen kinderen praten, hierbij wordt op een overdreven manier de nadruk gelegd op woord- en zinsgrenzen. |
Fonemen | De individuele klankelementen waar woorden in een taal uit bestaan. De notatie van een foneem wordt afgeleid van de fysische stimulus, de klank dus. |
Perceptueel magneeteffect (perceptual magnet effect) | Prototypische klanken in een taal die als een “magneet” werken voor perceptueel gelijkende klanken, zodat ze tot dezelfde categorie worden gerekend, ook al is dat misschien niet zo. |
Prosodie | De melodie en de ritmes van taal. |
Head turn preference procedure | Hierbij krijgen kinderen geluiden te horen wanneer zij naar een knipperend licht kijken dat gepresenteerd wordt aan de linker- of rechterkant. Kinderen kijken langer naar het licht als de stimuli bekend zijn. |
Syntax | Kennis of hoe woorden gecombineerd kunnen worden zodat ze zinnen en uitdrukkingen vormen. |
Morfologie | De regels over de interne structuur van woorden. |
Canonisch babbelen (caconical babbling) | Het babbelen dat begint wanneer kinderen ongeveer 7 tot 10 maanden oud zijn en waarbij ze lettergrepen bestaand uit klinkers en medeklinkers produceren, die zouden kunnen functioneren als delen van woorden. |
Linguïstische hypothese | Deze hypothese over babbelen stelt dat de productie van structurele ritmische en temporale patronen van de taal een cruciaal deel is van het verwerven van taal. |
Motorische hypothese | Deze hypothese stelt dat het ritme van babbelen wordt bepaald door de fysiologische bewegingen van de kaak. |
Manual babbling | Handbewegingen van dove baby’s die het babbelen van horende kinderen benaderen. |
Mismatch negativity (MMN) | Een toegenomen EEG-respons wanneer een bepaalde klank onverwacht op een andere klank volgt. |
Het gebied van Broca (Broca’s area) | De linker inferieure frontale gyrus; is gerelateerd aan de productie van spraak, herhaling in stilte en het kortetermijngeheugen. |
Lexicale ontwikkeling | Het ontwikkelen van een vocabulaire: het leren van wat woorden betekenen. |
Comprehension preceeds production | Het gegeven dat kinderen in het begin van de taalontwikkeling meer woorden begrijpen dan kunnen produceren. |
Vocabulary spurt | Een naar het schijnt plotselinge spurt waarin kinderen ineens veel nieuwe woorden leren. Vindt plaats rond 17 tot 19 maanden. |
Overextensie | Wanneer een kind een bepaald label gebruikt voor het benoemen van meerdere, verschillende objecten, ook al is dit niet correct. Bijv.: een kind gebruikt het woord ‘hond’ voor zowel honden als katten en leeuwen. |
Fast mapping | Het vermogen om snelle en ruwe (maar wel correcte) hypotheses te vormen over de betekenis van nieuwe woorden. |
Over-regulariseren | De neiging om o.a. onregelmatige werkwoorden te vervoegen volgens de regels voor regelmatige werkwoorden. Engels vb.: go – goed (i.p.v. went). |
CHILDES | Staat voor: Child Language Data Exchange Scheme; een database van spontane uitlatingen van kinderen in de leeftijd 2-4 jaar en hun verzorgers. |
Mean length of utterance (MLU) | Een maat voor taalontwikkeling, waarbij het aantal morfemen in een taaluiting van kinderen wordt gemeten. Het aantal morfemen neemt langzaamaan toe in de vroege kindertijd. |
Pragmatiek | Het onderzoek naar het gebruik van taal om effectief te kunnen communiceren. |