Materieel Strafrecht casuscollege 2 - UL Rechten B2 - Legaliteit en daderschap
1. Welke onderwerpen worden in het casuscollege behandeld?
Het gaat deze week vooral over het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel. Daarnaast gaat het over de voorwaarden voor strafbaarheid, met name de eerste voorwaarde van de menselijke gedraging.
Casus 1
A en B bewonen een nieuw appartement in de binnenstad van Amsterdam. Onder hen wonen twee studenten, C en D. Het valt hen op dat ze na de intrek van A en B opeens veel betere Wi-Fi hebben. De nieuwe Wi-Fi van A en B hapert juist. Na een aantal maanden komen ze erachter dat hun onderburen hun Wi-Fi gebruiken. Daarom plaatst B snel een wachtwoord op de Wi-Fi. Hij overweegt echter ook aangifte te doen, omdat hij vindt dat zijn internetverbinding gestolen is. De OvJ besluit C en D te vervolgen voor diefstal in de zin van art. 310 Sr.
Is internetverbinding (bandbreedte) een goed in de zin van art. 310 Sr?
Voor deze vraag is het Runescape-arrest een belangrijke bron. In dit arrest werd het slachtoffer door de dader gedwongen bepaalde virtuele goederen over te geven aan de dader. De Hoge Raad bepaalde dat ook virtuele objecten een bepaalde waarde kunnen vertegenwoordigen. In casu werden de virtuele goederen, waar het slachtoffer tijd en energie in gestoken had, uit zijn beschikkingsmacht gehaald door de dader. Het slachtoffer verloor zo het ongestoorde genot ervan.
In de bovenstaande casus lijkt het Runescape-arrest ook op te gaan. Wel is het zo dat hier niet de beschikkingsmacht over de internetverbinding verloren werd; deze werd alleen trager, dus van mindere kwaliteit. Je kunt met deze vraag dus twee kanten op. Enerzijds beschikten A en B nog wel over bandbreedte, dus is hun niets ontstolen. Anderzijds is de kwaliteit van hun internetverbinding wel verminderd.
Stel nu dat A en B geen onbeperkt internet, maar een abbonnement met datalimiet hadden. Richting het einde van de maand merken ze dat hun data op is, dit komt vanwege het gebruik door C en D.
Zorgt dit nieuwe feit voor een andere kwalificatie van het handelen van C en D?
Ja, nu is het duidelijk dat het verbruikte internet niet meer onder de beschikkingsmacht van A en B valt, en is er dus duidelijk voldaan aan de voorwaarden van art. 310 Sr.
Casus 2
Klaas staat onder verdenking van het witwassen van een bedrag van ten minste continu € 105.000 in de periode 1 januari - 1 augustus 2002. Hij gebruikte dit geld als dagelijks betaalmiddel. Hij was zich ervan bewust dat dit geld afkomstig was uit de drugshandel van zijn broer. Lange tijd wist hij onder de radar te blijven, maar nu is hij toch gepakt. Sinds 1 januari 2015 staat er een hogere straf op gewoontewitwassen, het delict waar Klaas van verdacht wordt. De maximumgevangenisstraf is nu acht jaar. Dit betekent dat het misdrijf ook minder snel verjaart. Zonder de wetswijziging van 2015 was vervolging van Klaas dan ook onmogelijk geweest. Op 21 november 2018 vaardigt de OvJ een aanhoudingsbevel uit.
Na hoeveel jaren is vervolging voor het delict gewoontewitwassen onder de huidige wetgeving verjaard? Welke verjaringstermijn was vóór de wetswijziging van 2015 van kracht?
Gewoontewitwassen is in de wet te vinden in art. 420ter Sr. De termijn van vervolgingsverjaring is daarom 20 jaar (art. 70 lid 1 onder 4 Sr). Tot 1 januari 2015 was de maximale straf 6 jaar, dus was de verjaringstermijn 12 jaar.
Is de aanhouding van Klaas op 21 november 2018 rechtmatig gezien het verbod van terugwerkende kracht?
Op 2 augustus 2014 was het feit verjaard. Dit betekent dat de verjaring op 1 januari 2015 al voltooid was. Dit betekent dat de aanhouding niet rechtmatig was. Het is niet mogelijk om voltooide verjaringen met terugwerkende kracht terug te draaien als zijnde onvoltooid vanwege een wetswijziging.
Naast het verbod van terugwerkende kracht heeft het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel nog andere onderdelen. Welke zijn dat?
De inhoud van het recht moet duidelijk en vastgesteld zijn: het bepaaldheidsgebod. Daarnaast zijn er grenzen aan de rechterlijke interpretatievrijheid en is er het mildheidsgebod.
2. Welke onderwerpen worden besproken die niet worden behandeld in de literatuur?
Er worden geen onderwerpen besproken die niet worden behandeld in de literatuur.
3. Welke recente ontwikkelingen in het vakgebied worden besproken?
Er worden geen recente ontwikkelingen in het vakgebied besproken.
4. Welke opmerkingen worden er tijdens het college gedaan door de docent met betrekking tot het tentamen?
Er worden geen opmerkingen gedaan met betrekking tot het tentamen.
5. Welke vragen worden behandeld die gesteld kunnen worden op het tentamen?
Zie bovenstaande.