Artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wil een mogelijkheid bieden om op te kunnen treden tegen rechtspersonen die kunnen handelen in strijd met de openbare orde. Op grond van het Europees Verdrag inzake de erkenning van rechtspersoonlijkheid van internationale niet-gouvernementele organisaties en andere regels betreffende terrorisme(lijsten), is de Wet Conflictenrecht Corporaties (hierna: WCC) uitgebreid met twee artikelen, namelijk 5a en 5b WCC. Deze artikelen voorzien in een rechtsverklaring dat het doel of de werkzaamheid van een bedrijf in strijd is met de openbare orde. Deze bepalingen zijn in 2012 toegevoegd aan het BW als art. 10:122 en 10:123 BW.
Daarnaast is deelname aan voortzetting ban de werkzaamheid van een rechtspersoon die verboden is verklaard en is ontbonden strafbaar op grond van artikel 140 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De verboden rechtspersoon is opgenomen in Boek 2, in artikel 2:15 BW.
Indien de werkzaamheid van het doel van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, moet deze rechtspersoon verboden verklaard worden. Hiervoor hebben verschillende regels gelding. Met het doel wordt gedoeld op het statutaire doel of de middelen die in de statuten worden vermeld. De werkzaamheid is een feitelijk criterium, de organisatie dient rechtstreeks betrokken te zijn bij de gedragingen die verboden zijn. Al doen derden de gedraging, kan dit pas aan de rechtspersoon worden toegerekend als bijzondere omstandigheden of feiten daartoe aanleiding geven.
Handelingen zijn in strijd met de openbare orde als ze inbreuk maken op algemeen aanvaarde grondvesten van het rechtsstelsel. Denk bijvoorbeeld aan de ongerechtvaardigde aantasting van iemands vrijheid, menselijke waardigheid, geweld, discriminatie, fraude etc. Dit is een aantasting van de beginselen van het rechtsstelsel, op grote schaal zou dit de samenleving kunnen ontwrichten.
Om handelingen die in strijd met de openbare orde te kunnen laten leiden tot een verbodenverklaring, is meer dan enkel ongewenst gedrag vereist. Dit moet naar maatschappelijk oogpunt zo zijn. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel en mag dus niet bij ieder ongewenst gedrag ingezet worden. Enkel gedragingen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van de beginselen van ons rechtsstelsel, kunnen leiden tot een verbodenverklaring. Er moet dus een risico zijn op ontwrichting van de samenleving.
De rechter dient daarnaast te beoordelen of het verbod verklaren van de rechtspersoon in de democratische samenleving noodzakelijk wordt geacht. Hierbij is grote terughoudendheid gewenst.
Ten opzichte van politieke partijen geldt de terughoudendheid van de rechter nog zwaarder. Dit geldt ook voor kerkgenootschappen.
Voor een verbodenverklaring zijn geen civiele gevolgen. Wel heeft een verbodenverklaring gevolgen als het gaat om art. 140 Sr.
Een ontbinding van de verbodenverklaring kan worden verzocht door het OM. De rechtspersoon kan op grond van lid 2 in de gelegenheid worden gesteld om het doel van de rechtspersoon te wijzigen, zodat er geen strijd meer is met de openbare orde. Dit heet ook wel ‘Terme de grâce’.
Het gevolg van de ontbinding is dat vereffening plaatsvindt (art. 2:19 lid 5 BW). Er komt dan een gerechtelijk vereffenaar (art. 2:23 BW).
Terwijl het verzoek om ontbinding loopt kan onderbewindstelling plaatsvinden. Daarnaast kan de bevoegdheid om aandelen over te dragen of te belasten ontnomen worden (art. 2:22 & art. 2:22a BW).
Het Europees Verdrag inzake de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van internationale niet-gouvernementele organisaties en de regels met betrekking tot in een terrorismelijst vermelde organisaties hebben regels toegevoegd aan de Wet van 20 november 2006.
Organisaties die op de terrorismelijst staan zijn van rechtswege verboden. Zij kunnen geen rechtshandelingen meer verrichten, wegens strijd met art. 2:20 BW. Dit is in het leven geroepen om het vermogen van de organisaties te bevriezen.