Studiegids voor artikelsamenvattingen bij Vaders aan de Universiteit Leiden

Artikelsamenvattingen bij Vaders aan de Universiteit Leiden

  • Samenvatting bij voorgeschreven artikelen in 2024-2025

Image

Check: summaries and supporting content in full
Artikelsamenvatting bij Integrating father involvement in parenting research van Pleck - 2012

Artikelsamenvatting bij Integrating father involvement in parenting research van Pleck - 2012

Pleck beschrijft in dit artikel de fundamentele constructies van vaderschap en vaderlijke betrokkenheid, waarbij de focus ligt op de ontwikkeling en evolutie ervan en worden de bronnen en gevolgen ervan geanalyseerd. De auteur beschrijft ook implicaties van constructies van vaderschap en vaderlijke betrokkenheid.

Wat houdt het construct van vaderlijke betrokkenheid in?

Lamb, Pleck, Charnov, and Levine stelde in 1985 het construct Vaderlijke Betrokkenheid voor, wat bestaat uit 3 componenten:

  1. Betrokkenheid: de directe interactie met het kind door middel van zorg, spel of andere activiteiten.
  2. Toegankelijkheid: de beschikbaarheid van vader voor het kind.
  3. Verantwoordelijkheid: het zorgen voor het welzijn van het kind en middelen voor hen regelen.

Het doel van het construct is het herkennen van de veranderende sociale rollen van vaders en hun belang in ouderschap buiten de traditionele normen.

Wat zijn sterktes en zwaktes van de componenten over betrokkenheid en verantwoordelijkheid?

Sterk punten van de component betrokkenheid zijn (1) het behandelen van nieuwe aspecten van vaderschap en (2) de grote, representatieve steekproeven waarbij ontwikkelingen over een langere periode onderzocht worden. Een zwak punt van dit component is dat onderzoek geen duidelijk verband liet zien tussen de hoeveelheid tijd van vaderlijke betrokkenheid en de uitkomsten van het kind. Hierdoor is het onduidelijk wat de impact van het vaderschap op de ontwikkeling van het kind is.

Een sterk punt van de component verantwoordelijkheid is het richten op sociale zorgen over vaderschap. Maar ook hier missen de empirische correlaties tussen vaderlijke verantwoordelijkheid en de uitkomsten van het kind. Daarnaast is de inhoud van dit component onvoldoende afgebakend en omvat het toezicht op de zorgverlening en het regelen van middelen. Bovendien meten onderzoekers verantwoordelijkheid vaak door te vragen naar de betrokkenheid van ouders bij activiteiten, wat juist meer bij de component betrokkenheid past.

Wat houdt de herziene conceptualisering van vaderlijke betrokkenheid in?

Pleck stelde in 2010 een herziene conceptualisering van Vaderlijke Betrokkenheid voor met 3 hoofdcomponenten:

  1. Positieve betrokkenheid: interacties ten behoeve van een positieve ontwikkeling van het kind.
  2. Warmte en reactiviteit: onderliggende elementen aan de positieve betrokkenheid van vader.
  3. Controle: toezicht houden op de activiteiten van het kind.

Daarnaast zijn er 2 hulpdomeinen toegevoegd:

  1. Sociale en materiële indirecte zorg: ouders gebruiken financiële middelen om de ontwikkeling van hun kind te bevorderen.
  2. Procesverantwoordelijkheid: ouders zorgen dat aan de behoeften van het kind wordt voldaan.

Welke bronnen van vaderlijke betrokkenheid zijn er?

Lamb en Pleck stelden een vierfactorenmodel voor om de bronnen van vaderlijke betrokkenheid te beschrijven, wat bestaat uit:

  1. Motivatie
  2. Vaardigheden en zelfvertrouwen
  3. Sociale steun (vooral van de moeder van het kind)
  4. Afwezigheid van institutionele barrières (vooral op de werkplek)

In dit artikel worden alleen motivatie en moederlijke invloed besproken.

Hoe wordt vaderlijke betrokkenheid beïnvloedt door motivatie in de vorm van attitudes van vaders?

Dit perspectief ziet de opvattingen van individuen over vaderschap als motivatie voor vaderschapsgedrag, hoewel de onderzoeksresultaten gemengd zijn. In eerder onderzoek correleerde een positievere houding ten opzichte van vaderlijke betrokkenheid met meer betrokkenheid, warmte en controle. Veranderingen in attitudes werden in verband gebracht met overeenkomstige veranderingen in vaderschapsgedrag. De zelfgerapporteerde attitudes van vaders kwamen overeen met de rapporten van moeders over onderwijsactiviteiten, maar niet over zorgen of spelen. De attitudes over betrokkenheid waren positiever voor alleenstaande vaders dan voor gehuwde biologische vaders en stiefvaders, wat van invloed was op de correlatie tussen vadertype en vaderlijke betrokkenheid.

Hoe wordt vaderlijke betrokkenheid beïnvloedt door motivatie in de vorm van vaderlijke identiteit?

Vaderlijke identiteit weerspiegelt de zelfopvattingen van mannen als individuele vaders en verschilt van attitudes over vaderbetrokkenheid. Onderzoek wijst uit dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen brede, op rollen gebaseerde vaderidentiteit en specifieke domeinen binnen het vaderschap. De associatie tussen vaderlijke identiteit en gedrag is complex; het is sterker voor gendercongruente domeinen (bijvoorbeeld de vader als kostwinner) in vergelijking met genderincongruente domeinen (bijvoorbeeld de vader als mantelzorger). Eerdere onderzoeken laten ook zien dat vaders met een co-ouderlijke identiteit de neiging hebben om meer opvoedtaken en gezelschap met hun kinderen op zich te nemen.

Hoe beïnvloedt de moederlijke invloed vaderlijke betrokkenheid?

Onderzoeken naar moederlijke invloed op vaderlijke betrokkenheid laten inconsistente resultaten zien over het verband tussen de houding van moeders en het gedrag van vaders. Waargenomen 'poortwachters'-gedrag van de moeder (ondermijning en gebrek aan ondersteuning) correleert aan verminderde vaderlijke betrokkenheid. Pleck en Hofferth (2008) onderzochten de invloed van de mate van betrokkenheid van moeders op de mate van betrokkenheid van vaders. Zij veronderstelde dat de betrokkenheid van moeders dient als uitgangspunt voor vaders om hun eigen rol te kalibreren, en rolmodellering door moeders beïnvloedt de betrokkenheid van vaders. Uit de resultaten bleek dat er geen sprake was van wederzijdse invloed: de betrokkenheid van moeders had invloed op de betrokkenheid van vaders, maar niet andersom.

Wat zijn consequenties van vaderlijke betrokkenheid?

Volgens Lamb et al. (1985) had vaderlijke betrokkenheid consequenties voor de kinderen, de moeder, de huwelijksrelatie en de vaders zelf.

Wat zijn de consequenties voor de kinderen?

Onderzoek naar moederschap gaat ervan uit dat het de ontwikkeling van kinderen beïnvloedt, terwijl de impact van de betrokkenheid van vaders in twijfel wordt getrokken.  Studies tonen aan dat de betrokkenheid van de vader een positieve invloed heeft op de resultaten van het kind wanneer positieve activiteit, betrokkenheid, warmte en controle worden geïntegreerd. Uit een onderzoek onder inwonende vaders bleek dat gedeelde activiteiten en communicatie positieve resultaten bevorderden, maar emotionele nabijheid niet. De betrokkenheid van niet-inwonende vaders werd beïnvloed door de uitkomsten van de adolescentie. De focus verschoof van de totale tijd doorgebracht met het kind naar de kwalitatieve aspecten van betrokkenheid. Verlovingstijd modereerde de effecten van interactiekwaliteit op de hechtingsveiligheid bij peuters.

Wat zijn de consequenties voor de moeders, de huwelijksrelatie en vaders zelf?

Onderzoek wijst uit dat een grotere vaderlijke betrokkenheid positieve effecten heeft op kinderen, moeders en vaders zelf. Zo laten longitudinale onderzoeken zien dat positieve vaderlijke betrokkenheid tijdens verschillende levensfasen van invloed kan zijn op het huwelijkssucces van vaders, de beroepsmobiliteit en de generativiteit op middelbare leeftijd. Longitudinaal onderzoek op korte termijn suggereert dat vaderlijke betrokkenheid het welzijn en de relaties van vaders ten goede komt. De richting van causaliteit is echter nog niet vast te stellen op basis van deze resultaten.

Zijn er universele en optimale opvoedingspatronen?

Onderzoek naar vaderbetrokkenheid biedt waardevolle inzichten voor ouderschapsonderzoek. Het onderzoekt vaderschap in diverse culturele contexten en onthult variaties in vaderrollen en sociale constructies. Een belangrijke vraag rijst: zijn er universele opvoedingspatronen tussen geslachten? Momenteel ontbreekt het onderzoek aan een definitief antwoord. Onderzoek naar vaderlijke betrokkenheid biedt echter, door zich te concentreren op unieke aspecten van het ouderschap van vaders, een lens om ouderschap breder te onderzoeken:

  1. Het benadrukt het belang van de kwantiteit van ouderbetrokkenheid, naast het type en de kwaliteit van ouder-kindinteractie, bij het beoordelen van optimaal ouderschap. Het onderzoeken van gedragingen in het dagelijks leven is van cruciaal belang aangezien observaties in een gecontroleerde omgeving mogelijk onvolledig representatief zijn voor het echte ouderschap.
  2. Het benadrukt het belang van materiële indirecte zorg van ouders, die vaak over het hoofd wordt gezien in de bredere discipline, en die gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van het kind.
  3. Het draagt ​​bij aan de bestaande opvoedingsdimensies en benadrukt het belang van de betrokkenheid van ouders bij het kind, materiële indirecte zorg en sociale indirecte zorg die verder gaat dan het bevorderen van relaties met leeftijdsgenoten. Deze dimensies zijn cruciaal voor het begrijpen van optimaal ouderschap.
  4. Het richt zich op de motivatie voor betrokkenheid, een dimensie die in onderzoek naar moeders niet zo uitgebreid wordt onderzocht. Ouderlijk identiteitsonderzoek, vooral gericht op vaders, biedt inzichten voor het bestuderen van opvoedmotivatie bij moeders.
  5. Het onderzoekt de langetermijngevolgen van ouderschap, zoals generativiteit, voor ouders, partners en huwelijk. 

Wat zijn implicaties voor interventies en sociaal beleid?

Er zijn drie belangrijke punten wanneer het aankomt op interventies en sociaal beleid om vaderlijke betrokkenheid te bevorderen. Ten eerste moet onderzocht worden of biologische en evolutionaire factoren vaderlijke betrokkenheid beperken, waardoor het voor vaders moeilijker is om betrokken te zijn in vergelijking met moeders. Ten tweede moet onderzocht worden welke interventies en beleid om de betrokkenheid van vaders te bevorderen er al bestaan en wat de effecten zijn. Het derde punt betreft de beweegredenen voor deze initiatieven. Het heersende geloof in "vaderlijke essentie" suggereert dat vaders cruciaal zijn voor de positieve ontwikkeling van kinderen vanwege hun unieke mannelijke bijdrage. Uit onderzoek blijkt echter dat betrokken vaders belangrijke beschermende factoren zijn in de ontwikkeling van het kind, maar niet noodzakelijkerwijs essentieel in letterlijke zin.

Wat is de conclusie van dit artikel?

Sinds de afgelopen twee decennia is er en stijging in onderzoek naar vaderschap en wordt het moederschap niet meer verondersteld synoniem te zijn aan ouderschap. Toekomstig onderzoek moet zich richten op hoe de concepten en benaderingen onderscheidend zijn in onderzoek naar vaderlijke betrokkenheid en hoe dit kan bijdragen aan een beter begrip van moederschap en aan het begrip van ouderschap in een gender-inclusief perspectief.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Paternal stimulation and father-infant attachment van Olsavsky e.a. - 2020

Artikelsamenvatting bij Paternal stimulation and father-infant attachment van Olsavsky e.a. - 2020

Er is een gebrek aan onderzoek naar hechtingsrelaties tussen vader en kind in vergelijking met gehechtheid tussen moeder en kind. In dit artikel wordt er onderzoek gedaan stimulerend gedrag van vaders en hun associaties met veilige hechting tussen vader en kind, naast voorspellers zoals gevoeligheid en opdringerigheid.

Waar gaat dit artikel over?

Dit artikel richt zich op onderzoek naar vader-kind hechtingsveiligheid, wat verschilt van moeder-kind hechtingsonderzoek. De moederlijke sensitiviteit is uitgebreid onderzocht als een voorspeller van een veilige moeder-kind gehechtheid, maar de vaderlijke sensitiviteit blijkt een zwakkere voorspeller te zijn van een veilige vader-kind gehechtheid. Daarnaast zijn er verschillen in de manieren waarop moeders en vaders omgaan met hun kinderen. Vaders hebben de neiging om meer intense, fysieke en spelgerichte interacties aan te gaan, terwijl moeders zich richten op zorgverlening en meer sociaal georiënteerd zijn met affectieve signalen. Ondanks deze verschillen in opvoedgedrag wordt erkend dat kinderen in de tweede helft van hun eerste levensjaar hechtingsrelaties aangaan met beide ouders.
Dat vaderlijke sensitiviteit een zwakkere voorspeller voor een veilige vader-kind hechtingsrelatie is, suggereert dat er mogelijk andere aspecten van het opvoedgedrag van vaders zijn, zoals het stimuleren van spel en ruige interacties, die een veilige hechting tussen vaders en hun kinderen bevorderen.

Eerder onderzoek laat zien dat de sensitieve en stimulerende fysieke interacties van vaders met kinderen, ook wel spelgevoeligheid, de interne gehechtheidsrepresentaties van het kind in latere jaren kan voorspellen. Deze interacties stimuleren exploratie en bieden een veilige basis voor de ontwikkeling van kinderen. Echter is er maar weinig onderzoek gedaan naar de directe rol van het stimuleren van ouderschapsgedrag in de ontwikkeling van de hechtingsrelatie tussen vader en kind. Bovendien hebben sommige onderzoeken aangetoond dat vaders angstaanjagender gedrag (bijvoorbeeld dreigend fysiek en gezichts-/verbaal gedrag) kunnen vertonen dan moeders, wat ook een belangrijke rol kan spelen in de hechtingsrelatie tussen vader en kind. Dit ondersteunt het idee dat het angstaanjagende, ook wel activerende en destabiliserende, gedrag van vaders belangrijke componenten zijn van het hechtingsproces.

Wat wordt er onderzocht in deze studie?

Deze studie richt zich op het onderzoeken van de associatie tussen vaderlijke stimulatie en vader-kind hechtingsveiligheid, rekening houdend met de modererende effecten van vaderlijke gevoeligheid en opdringerigheid. De hypothese is dat hogere vaderlijke stimulatie gekoppeld zou zijn aan veilige vader-kind gehechtheid, vooral in combinatie met hoge sensitiviteit en lage opdringerigheid.

Welke methodes zijn gebruikt?

Hoe ziet de steekproef en het onderzoeksproces er uit?

De steekproef bestaat uit gegevens van het New Parents Project, een longitudinale studie van tweeverdieners in de VS en hun eerstgeboren kinderen. Het onderzoek richt zich op een kleinere steekproef van 58 vader-kind duo's die deelnamen aan geobserveerde interacties en de Strange Situation Procedure (SSP) om de vader-kind-hechting te bepalen bij baby's van 12 tot 18 maanden. Demografische gegevens van deze vaders zijn vergelijkbaar met de volledige steekproef en er zijn geen significante verschillen gevonden in de interacties van vaders met hun baby's van 9 maanden tussen deelnemers en niet-deelnemers aan de SSP.

Hoe zijn de variabelen gemeten en welke statistische analyse is uitgevoerd?

Om vaderlijke ouderschap te meten, zijn video's van 5 minuten durende interacties tussen vader en kind opgenomen en gecodeerd voor vaderlijke gevoeligheid en opdringerigheid met behulp van de Parent-Child Coding Manual. Voor dit onderzoek zijn twee aanvullende beoordelingsschalen voor fysieke en objectstimulatie gemaakt om de frequentie en intensiteit van de stimulatie van vaders tijdens de interacties te meten. De codeurs codeerden alle video's dubbel en de betrouwbaarheid was acceptabel.

Om de vader-kind hechtingsveiligheid te beoordelen, is er gebruik gemaakt van de Strange Situation Procedure (SSP). Van de 58 vader-kind duo's is 55,2% geclassificeerd als veilig, 13,8% als vermijdend, 13,8% als resistent-ambigue en 17,2% als ongeorganiseerd. Vanwege de relatief kleine steekproefomvang zijn de onveilige groepen gecombineerd, resulterend in 32 vader-kind duo's gecodeerd als veilig en 26 als onveilig. Het geslacht van het kind is niet significant gerelateerd met de veilige gehechtheid aan vaders.

Vaderlijk object en fysieke stimulatie zijn gecombineerd tot een samengestelde variabele. Logistische regressie analyseerde de kans op veilige hechting tussen vader en kind na 12 tot 18 maanden op basis van vaderlijke stimulatie, gevoeligheid en opdringerigheid bij 9 maanden. Interacties tussen vaderlijke stimulatie en gevoeligheid, en vaderlijke stimulatie en opdringerigheid zijn ook getest.

Wat zijn de resultaten?

De statistische analyse toont aan dat vaderlijke stimulatie een significante voorspeller is van veilige hechting tussen vader en kind. Daarnaast is er een significante interactie tussen vaderlijke stimulatie en vaderlijke opdringerigheid, wat aangeeft dat de correlatie tussen vaderlijke stimulatie en hechtingsveiligheid gemodereerd wordt door de mate van vaderlijke opdringerigheid. Grotere vaderlijke stimulatie gaat gepaard met een hogere kans op veilige gehechtheid bij lage en gemiddelde niveaus van vaderlijke opdringerigheid, maar is niet-significant bij hoge niveaus van opdringerigheid.

Wat is de conclusie?

Deze studie onderzoekt hoe bepaald opvoedgedrag van vaders bijdraagt ​​aan de ontwikkeling van veilige vader-kind hechtingsrelaties. De onderzoekers kijken naar vaderlijk stimulerend gedrag, zoals fysieke en objectstimulatie, tijdens interacties met hun 9 maanden oude baby's. Ze houden ook rekening met de niveaus van vaderlijke gevoeligheid (reageren op de signalen van het kind) en vaderlijke opdringerigheid (overdreven controlerend of opdringerig gedrag).

De resultaten suggereren dat vaderlijke stimulatie een belangrijke rol speelt bij het voorspellen van veilige vader-kind gehechtheid. Vaders die hun baby's tijdens het spelen vaker en intenser stimuleren, hebben meer kans op veilig gehechte baby's op de leeftijd van 12 tot 18 maanden. Deze correlatie wordt gemodereerd door de mate van opdringerigheid van de vader. Wanneer vaderlijke opdringerigheid laag tot matig is, gaat een grotere vaderlijke stimulatie gepaard met een grotere kans op veilige gehechtheid. Wanneer vaderlijke opdringerigheid hoog is, is het verband tussen vaderlijke stimulatie en hechtingsveiligheid niet-significant. Deze bevindingen komen overeen met het begrip spelgevoeligheid en de vader-kind-activeringsrelatie, waarbij vaders exploratie stimuleren en het vertrouwen van kinderen ondersteunen bij het verkennen van nieuwe ervaringen. Verrassend genoeg was sensitiviteit van de vader niet direct geassocieerd met veilige gehechtheid en modereerde het de correlatie tussen stimulatie en gehechtheid niet.

Welke beperkingen aan deze studie zijn er?

Beperkingen van deze studie zijn een bescheiden steekproefomvang en een overwegend blanke, goed opgeleide en financieel zekere groep vaders. Dit kan de generaliseerbaarheid van de resultaten naar meer diverse populaties beperken. Bovendien waren de observaties van het gedrag van vaders relatief kort (5 minuten), en langere en uitgebreidere observaties kunnen een beter inzicht geven in hun opvoedingsgedrag. Ondanks deze beperkingen draagt de studie ​​bij aan het begrijpen van de diverse ouderlijke gedragingen die betrokken zijn bij veilige vader-kind gehechtheid en benadrukt het belang van het herkennen wanneer stimulerend gedrag opdringerig kan worden.

Waar zou toekomstig onderzoek zich op moeten richten?

Toekomstig onderzoek zou uitgebreidere observaties en grotere, diverse steekproeven moeten overwegen om een ​​uitgebreid begrip te krijgen van vroege vader-kindrelaties.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Artikelsamenvatting bij The adaptive human parental brain: implications for children's social development van Feldman - 2015

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. De neurale netwerken van zowel dieren als mensen betrokken bij ouderlijk opvoedgedrag, de verschillen tussen moeders en vaders en biologische gedragssynchronisatie worden besproken.

Waar gaat dit artikel over?

Dit artikel is een review over de hersenbasis van menselijk ouderschap. Ouderschap is van vitaal belang om te overleven, het beïnvloedt de ontwikkeling van de hersenen bij jonge individuen en wordt beïnvloed door interacties met zuigelingen, partners en gemeenschappen. De review richt zich op mensgericht onderzoek, waarbij onderzocht is welke hersennetwerken betrokken zijn bij ouderschap, wat hun gevoeligheid voor verschillende opvoedingsfactoren is, welke implicaties voor de ontwikkeling van baby's er zijn en hoe dit onderzoek kan bijdragen aan het begrijpen van bredere sociale functies zoals empathie en sociale synchronie. Feldman veronderstelt dat het brein van de ouders een hoogtepunt in de menselijke evolutie vertegenwoordigt en dat het overlevingsfuncties integreert met de complexiteit van het menselijk brein. Deze integratie biedt inzicht in mens specifieke sociale vaardigheden, zoals empathie en sociale synchronie.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij dieren?

Studies naar vrouwelijke knaagdieren laten zien dat het mediale pre-optische gebied (MPOA) in de hypothalamus geactiveerd wordt door zwangerschapshormonen en een belangrijke rol speelt bij het initiëren van moederlijk gedrag. Het verbetert de beloning en motivatie van de moeder door middel van dopaminecircuits. MPOA beïnvloedt de amygdala, wat de waakzaamheid van de moeder verhoogt en de vorming van sociale herinneringen ondersteunt. Bij het moduleren van het zorgcircuit en het gevoelig maken voor sociale ervaringen speelt oxytocine een rol. Het ouderschap bij knaagdieren omvat twee fasen:

  1. Het onderdrukken van afkeer van signalen van baby's
  2. Het vergroten van de motivatie van de moeder

Corticale processen en het oxytocinesysteem van de hersenen van het kind hebben echter minder aandacht gekregen in knaagdierstudies.

Wat is er bekend over het ouderbrein bij mensen?

Welke evolutionaire aspecten van het ouderbrein zijn er?

Het menselijke ouderbrein deelt evolutionaire aspecten van ouderlijke zorg met andere zoogdieren, waarbij de amygdala en beloningscircuits een rol spelen bij ouderlijke waakzaamheid , angst voor de veiligheid van baby's en de lonende aard van de ouder-kind gehechtheid. Daarnaast speelt oxytocine ook een modulerende rol in verschillende sociaal-affectieve functies bij mensen, zoals empathie, groepscohesie en sociaal begrip. Dit suggereert dat het overlevingssysteem, beïnvloed door zwangerschapshormonen, gedurende het hele menselijke leven sociale cognitieve functies van hogere orde blijft beïnvloeden, zoals empathie.

Een cruciaal verschil tussen menselijke en dierlijke ouderlijke zorg is de integratie van subcorticale structuren met meerdere isolerende en frontotemporopariëtale netwerken bij mensen. Deze netwerken worden geassocieerd met empathie, mentaliseren en emotieregulatie en vormen een flexibele en complexe basis voor menselijk ouderschap.

Wat houdt de ouder-kind band in?

In tegenstelling tot knaagdieren is menselijke binding exclusief en persoons specifiek, en vereist een continue reorganisatie van het breinnetwerk op basis van ervaringen uit het verleden. De plasticiteit van het menselijk brein, aangedreven door oxytocine, stemt de hersenen van ouders af om te reageren op individuele signalen van kinderen, wat de ontwikkeling van de sociale vaardigheden van kinderen ondersteunt.

Wat laten beeldvormingsstudies zien over het menselijk ouderbrein?

Functionele magnetische resonantiebeeldvorming (fMRI)-onderzoeken laten zien dat er sprake is van een wereldwijd ouderlijk opvoednetwerk in het brein als reactie op signalen van baby's. Het netwerk omvat de amygdala, de oxytocine-producerende hypothalamus en het dopaminerge beloningscircuit, onderling verbonden met corticale netwerken die betrokken zijn bij empathie, mentaliseren en emotieregulatie. Deze overlappende netwerken definiëren het menselijke "sociale brein" en ondersteunen verschillende aspecten van ouderschap.

Hoe is het ouderbrein geëvolueerd?

Het ouderbrein is niet geëvolueerd door complexe sociale functies te integreren in de ouderlijke context, maar deze structuren zijn eerder geëvolueerd binnen de context van het ouderschap om de overleving van het kind te maximaliseren. Hersenplasticiteit, hoge oxytocinespiegels na de bevalling en biologische synchronisatie van gedragingen dragen bij aan deze aanpassing, waardoor diverse culturele opvoedingspraktijken mogelijk zijn.

Waar hangt de reactie van het ouderbrein op signalen van baby's van af?

Activering van hersennetwerken van ouders wordt beïnvloed door het type signaal van baby's en het geslacht van de ouders. Het zien van de baby activeert het limbische netwerk van motivatie en beloning bij moeders, vaders en niet-ouders, wat een flexibel opvoednetwerk suggereert. Het ouderlijke netwerk van zoogdieren, gecentreerd rond de oxytocine-producerende hypothalamus, is minder actief bij menselijke moeders, terwijl de amygdala vooral bij moeders sterker wordt geactiveerd als reactie op het huilen van baby's. Ouderlijke hersenbanen omvatten structuren die gevoelig zijn gemaakt door zwangerschapshormonen en corticale netwerken op basis van ervaringen.

Hoe verschilt het ouderbrein tussen moeders en vaders?

Wat zijn de verschillen bij dieren?

Er zou meer onderzoek gedaan moeten worden naar de mechanismen van het vaderlijke brein, vooral hoe moeders en vaders hun inspanningen coördineren om hun kinderen groot te brengen. Biparentale knaagdierstudies tonen aan dat actieve vaderlijke zorg de informatieverwerking bij baby's verbetert en de integratie bevordert tussen hersennetwerken die betrokken zijn bij koestering, leren en motivatie. Door fMRI-reacties van moeders en vaders te vergelijken met de video van hun baby, vonden onderzoekers verschillende hersenactiveringspatronen: grotere amygdala-activering bij moeders en grotere corticale activering bij vaders. Deze resultaten ondersteunen het idee dat er afzonderlijke paden zijn tussen moeders en vaders. Oxytocine- en vasopressinespiegels correleerden met hersenactivaties bij respectievelijk moeders en vaders, waardoor de geslacht specifieke bindingsrollen van deze hormonen werden versterkt.

Wat zijn de verschillen in mensen?

Menselijk breinonderzoek richt zich op de gevonden overeenkomsten en verschillen in de hersenactivatie tijdens reacties van ouders in verschillende mantelzorg rollen (primaire en secundaire zorgverleners). Veranderingen in functionele connectiviteit en grijze stof volume werden waargenomen in moeders en vaders, wat laat zien hoe het ouderbrein zich aanpast aan de benodigde zorg van een kind. Brein tot brein synchronisatie ontstaat in de functionele netwerken tussen moeders en vaders, wat weerspiegelt hoe zij hun hersenreacties coördineren om efficiënt baby signalen te begrijpen.
Uit recente studies naar de invloed van hormonen in de ouderlijke zorg op de hersenactiviteit blijkt dat oxytocine gecorreleerd is met de hersenactivatie bij beloning, waakzaamheid, empathie, spiegelen, en mentaliserende netwerken in zowel moeders als vaders. Vaders' testosteron niveaus zijn gecorreleerd aan veranderingen in de hersenactivatie, wat een verschuiving weerspiegelt van paring naar ouderschap.

Maternale sensitiviteit en synchroniteit correleerden met hersenstructuren in belonings-, waakzaamheids-, empathie-, spiegel- en mentaliserende netwerken. Dit benadrukt de neuro-as die betrokken is bij de gedragsmatige reactie van de moeder op haar kind. De interactieve synchronie van vaders is echter geassocieerd met corticale structuren, niet de subcorticale structuren, wat het idee van een apart breinnetwerk voor vaderlijke zorg ondersteunt.
De effecten van tegenspoed op de hersenen van een moeder zijn ook onderzocht, met name in gevallen van postpartumdepressie, trauma of middelenmisbruik. Psychopathologische aandoeningen komen tot uiting in de hersenen door verminderde activatie in belonings- en empathiecircuits, verhoogde waakzaamheid, veranderde connectiviteit en effecten buiten het netwerk van ouderlijke zorg. Er is meer onderzoek nodig om te begrijpen hoe ongunstige omstandigheden specifieke netwerken in de hersenen vormen.

Wat is biologische gedragssynchronisatie in het sociale ouderbrein?

Het ouderbrein van zoogdieren is geëvolueerd door wederzijdse invloeden tussen de fysiologie van de moeder en het kind, gefaciliteerd door de ontwikkeling van de placenta en zwangerschapshormonen. Bij mensen duurt dit proces langer, omdat de hersenen van baby's bij de geboorte nog onvolwassen zijn. Dit leidt tot een langere periode van plasticiteit voor ouderlijke zorg. De hersenen van de ouder en het kind worden op elkaar afgestemd door middel van bio-gedragssynchronisatie, waardoor de basis wordt gelegd voor de levenslange sociale en aanpassingsvaardigheden van het kind. Oxytocine, ouderlijk gedrag en fysiek contact spelen een cruciale rol bij het vormgeven van deze lange termijn effecten. Ouderlijke oxytocinespiegels voorspellen de sociale betrokkenheid van kinderen, terwijl sensitief ouderschap in de kindertijd een positieve invloed heeft op sociale resultaten later in het leven.

Wat is de conclusie?

Het bestuderen van het ouderbrein geeft inzicht in de menselijke socialiteit door ouderschap tussen soorten te vergelijken. De neurobiologie van het ouderschap, waarbij hersenstructuren en oxytocine betrokken zijn, beïnvloedt verschillende sociale functies gedurende het hele leven en is gekoppeld aan sociale disfuncties. Het onderzoeken van hersen-tot-hersensynchronisatie tijdens interacties in het echte leven tussen ouders en kinderen helpt te begrijpen hoe de hersenen sociale signalen verwerken en banden vormen. Het aanpassingsvermogen en de samenwerkingsmogelijkheden van het brein van de ouders bieden een dynamisch model om te begrijpen hoe de hersenen synchroniseren voor een succesvolle opvoeding van kinderen en gezinscohesie.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Dads: Progress in understanding the neuroendocrine basis of human fathering behavior van Storey e.a. - 2020

Artikelsamenvatting bij Dads: Progress in understanding the neuroendocrine basis of human fathering behavior van Storey e.a. - 2020

Waar gaat dit artikel over?

Dit artikel gaat over recent onderzoek naar de hormoonspiegels van testosteron (T), prolactine (PRL), oxycotine (OT) en vasopressine (AVP) in vaders.

Hoe ziet de evolutie van het vaderlijke opvoedgedrag eruit?

Vaderlijk opvoedgedrag kan ontstaan zijn om kindermoord te voorkomen of als voortplantingsstrategie voor minder dominante mannen. Daarnaast vergroot vaderlijk opvoedgedrag de overleving en kwaliteit van de kinderen. 

Wat zijn de rollen van de hormonen testosteron, prolactine, oxycotine en vasopressine op opvoedgedrag in vaders?

Wat is de rol van testosteron?

T speelt een rol in het competitieve en partner aantrekkingsgedrag tijdens het zoeken van een partner. Eerder onderzoek toont aan dat vaders over het algemeen lagere T-niveaus hebben dan niet-vaders en dat vaders die meer betrokken zijn bij vaderactiviteiten nog lagere T-niveaus vertonen. De afname van T-niveaus is duidelijk te zien bij vaders van jongere kinderen en vaders die meer tijd doorbrengen met of samen slapen met kinderen. De effectgroottes zijn echter klein tot middelgroot en de context speelt een cruciale rol bij het begrijpen van deze variatie. De volgende factoren kunnen bijdragen aan de variatie in T-niveaus:

  • Paringssystemen, zoals lagere T-niveaus in systemen waarbij vaders opvoedgedrag laten zien. 
  • Individuele verschillen, zoals het aantal CAG-herhalingen voor androgeenreceptor (AR)-allelen. Minder AR-CAG herhalingen zijn gecorreleerd met mannen die meer gefocust zijn op competitief en paring gedrag, hogere T-niveaus hebben bij een mogelijke partner en vaker minder opvoedgedrag laten zien.
  • Het zoeken naar sensatie en mate van zelfbeheersing

Er lijkt een continuüm te zijn in hoe de mate van interactie met jonge kinderen de T-niveaus bij mannen beïnvloedt. Vaderlijk opvoedgedrag worden vaak geïnterpreteerd in termen van de Uitdagingshypothese (Challenge Hypothesis). Volgens deze hypothese kunnen mannen die vaderlijke zorg bieden zogenaamde toestandsveranderingen ondergaan om te schakelen tussen hoge T-niveaus (tijdens bijvoorbeeld verdediging en partnerbewaking) en lage T-niveaus (tijdens bijvoorbeeld kuikens voeren).

Wat is de rol van prolactine?

PRL speelt een rol bij voortplanting, metabolisme en immuniteit. Vaders vertonen stabiele PRL-niveaus tijdens interactie met hun kinderen en partner, terwijl niet-vaders juist lagere PRL-niveaus hebben tijdens interacties met kinderen. Dit suggereert dat PRL een rol speelt bij het initiëren van contact. Daarnaast waren PRL-niveaus hoger bij vaders van jongere kinderen, vaders die zich meer bezighielden met verkennend spellen en meer ervaren vaders.

Er bestaan ​​geen T/PRL-interactiestudies in de vaderlijke zorg, waardoor daar nog geen uitspraken over gedaan kunnen worden.

Wat zijn de rollen van oxytocine en vasopressine?

OT speelt een rol bij de voortplanting, sociaal gedrag en hechting. Hogere OT-niveaus verbeteren de interactie tussen vader en kind en kan de OT-niveaus van baby's beïnvloeden als reactie op het gedrag van vaders. Zo blijkt uit onderzoek dat baby's hogere OT-niveaus hebben als vaders ook hogere OT-niveaus hebben, doordat zij bijvoorbeeld OT toegediend hebben gekregen. Genetische variaties in oxytocinereceptoren beïnvloeden ook de gevoeligheid van ouders, waarbij mannen met met specifieke allelen hogere OT-niveaus hadden en hun baby's vaker aanraakten.

AVP speelt een rol bij vochtbalans en lijkt ook betrokken te zijn bij sociale interacties, zoals paren en ouderschap. Er is echter nog maar weinig onderzoek naar de rol van AVP in vaderlijk gedrag. Uit onderzoek blijkt dat jongere vaders en vaders die meer stimulerend spelen hogere AVP-niveaus hebben. Toegediende AVP kan vaders meer reactief maken op baby gerelateerde stimuli, maar dit kan ook als gevolg zijn van effecten van OT-niveaus vanwege een wisselwerking tussen de twee hormonen.

Wat houden de Dual Hormone Hypothesis en Steroid-Peptide Theorie in?

Er zijn in dit artikel twee theorieën die de wisselwerking tussen hormonen tijdens opvoedgedrag beschrijven:

  • De Dual Hormone Hypothesis (DHH) stelt dat de rol van T afhangt van cortisolniveaus, die sociaal gedrag beïnvloeden. Recent onderzoek toont aan dat vaders met lage T-niveaus en hoge cortisolniveaus sensitieve zorg vertonen, maar resultaten zijn inconsistent. Er lijkt dus beperkt bewijs te zijn voor deze theorie.
  • De Steroid-Peptide Theorie (S/P Theory) stelt dat T-niveaus zich aanpassen voor afwisselend paring- en opvoedgedrag, terwijl OT en AVP positief gecorreleerd zijn aan sociale binding. Hormooninteracties kunnen variëren op basis van context en subjectieve ervaring, zoals verhoogde T- en OT-niveaus tijdens seksuele intimiteit en verlaagde T-niveaus en verhoogde OT-niveaus tijdens koesterende intimiteit. De interacties tussen deze hormonen en het gevolg voor opvoedgedrag is complex en nog niet uitgebreid onderzocht.

Wat houdt het vaderlijk opvoedbrein in?

Moeders en vaders ondergaan tijdens het ouderschap neurobiologische veranderingen. Het neurale circuit van ouderlijke zorg omvat subcorticale structuren en corticale netwerken die verband houden met:

  • Spiegelneuronen: zijn betrokken bij het begrijpen en nabootsen van de acties en gezichtsuitdrukkingen van baby's, waardoor ouders sociaal kunnen reageren op hun behoeften.
  • Empathie: speelt een rol bij het vermogen van ouders om de innerlijke gevoelens van hun kinderen te begrijpen en attent te handelen op de huidige situatie.
  • Theory of mind: stelt ouders in staat om het cognitieve en emotionele perspectief van hun kinderen te begrijpen op basis van non-verbale signalen.

Structurele veranderingen in de hersenen verschillen tussen moeders en vaders, waarbij moeders meer activiteit in subcorticale structuren hebben en vaders meer activiteit hebben in hersengebieden die betrokken zijn bij de sociaal-cognitieve corticale gebieden. Deze verschillen in hersenactiviteit kunnen voortkomen uit de werking van betrokken hormonen bij vaders, maar zijn niet per se sekse-specifiek. Bij homoseksuele mannelijke paren lijkt de hersenactivatie namelijk op die van moeders, wat duidt op een plastische en wederkerige relatie tussen vaderlijk gedrag en de hersenen.

Waar zou toekomstig onderzoek zich op moeten richten?

Toekomstig onderzoek moet zich richten op het begrijpen van hormooninteractie in vaderlijk gedrag, het onderzoeken van genetische verschillen en het ontwikkelen van interventies om betrokken vaderschap te ondersteunen.

Access: 
Public
Article summary with The history of research on father involvement by Lamb - 2000

Article summary with The history of research on father involvement by Lamb - 2000

Reviewing past research into fatherhood, what are three major themes of study?

There are three broad and widely recognized themes when reviewing scientific studies into fatherhood:

  • The equation of responsible fatherhood with successful provisioning.
  • Direct interactions between fathers and children in the provision of care, coaching, education, discipline, companionship, supervision, and play.
  • The relationship between the parents as a primary determinant of the family climate, which in turn affects child development and adjustment.

How has the concept of fatherhood developed throughout history?

Fatherhood has always been a multifaceted concept. but throughout time people’s views of what is most important about fatherhood changes. We can observe changes in the definition of what it means to be a father in the following order:

  • Fathers were responsible for moral guidance, moral teaching, and ensuring that their children grew up with an appropriate sense of values and knowledge of the scripture.
  • From the mid-nineteenth century through the Great Depression (during centralized industrialization) it became more important for fathers to be breadwinners. Before industrialization, mothers and fathers shared the responsibility of provision for the family. Industrialization made subsistence agriculture and home industry less important and forced a separation between in- and out-of-home work.
  • In the 1930s and early 1940s there was a focus on the inadequacy of many fathers. Their role became to be good sex-role models and good examples for their sons.
  • Around the mid-1970s an emphasis was placed on the nurturance of fathers and their involvement in the day-to-day-care of their children.

What are important shortcomings in the research into fatherhood in the late 1970s?

Research into fatherhood mainly focused on the amount of time that fathers spent with their children. This narrow definition of fatherhood is problematic. Firstly because just looking at the amount of time spent with the children doesn’t recognize differences in the quality of the interactions. Secondly, focusing on direct interaction ignores the other ways in which fathers can make important contributions to their children’s welfare and development (for example through emotional support for the mother or financial support for the family).

Why is it difficult to compare studies into fatherhood?

The conceptualization of the essence of fatherhood changes throughout time. Paternal involvement has been viewed and conceptualized in different ways at different times. This makes comparisons of the extent of paternal involvement difficult to do, and if even possible, those comparisons are difficult to interpret.

How do researchers try to compare levels of paternal involvement?

To try and compare different studies into fatherhood, it is necessary to define a few components of fatherhood that may be used for comparison. At the very least, the following components of paternal involvement should be distinguished:

  • Level of engagement. This refers to the time spent in actual one-on-one interaction with the child.
  • Accessibility. This refers to the level of parental accessibility, for example, cooking in the kitchen while the child plays at the table.
  • Responsibility. This refers to the extent to which the parent takes ultimate responsibility for the child’s welfare and care. For example, time spent making important appointments for the child, buying clothes, doing the laundry, making baby-sitting arrangements.

What are behavioral and motivational differences between mothers and fathers?

Mothers and fathers engage in different types of interactions with their children. Mothers’ interactions are dominated by caretaking, the fathers’ with play. Mothers play more with their children in absolute terms, but as a proportion of the total amount of child-parent interactions, fathers play more with their children. The reason for this is yet to be investigated. Conceptions of fatherhood appear to be determined by the men’s socio-cultural background, their current social circumstances, and their earlier experiences, particularly the behavior of their own parents.

What is a sociobiological explanation for the motivational differences between mothers and fathers?

Both men and women strive to maximize the representation of their genes in future generations. Males, unlike females, can be biologically involved in many pregnancies simultaneously and don’t need to contribute physiologically to the physical survival of their offspring after insemination.

What is fatherhood today?

All four components of fatherhood (moral guidance, breadwinning, sex-role modelling, emotional support of mothers) are important today, but the extent of their importance varies across cultural, ethnic, religious, and social class groupings. In pluralistic societies, various conceptions of the father’s role coexist. Committed fathers may behave in different ways and the same behavior may be viewed as successful or unsuccessful depending on the definition held by those making the evaluations.

Access: 
Public
Article summary with Fathers in attachment theory and research: a review by Bretherton - 2009

Article summary with Fathers in attachment theory and research: a review by Bretherton - 2009

Which are the four phases in father attachment research according to Bretherton?

Bretherton distinguished four phases in father attachment research (in industrialized societies). Each phase is dominated by specific questions and associated with changes in the conceptualisation of child-father attachment. The phases are:

  • Phase 1 is dominated by research questioning if fathers can serve as attachment figures and if so, if their role is secondary or equal to mothers.
  • Phase 2 continued to focus on fathers’ place in an attachment hierarchy, but towards the end an interest developed in intergenerational issues.
  • Phase 3 looked at the comparative quality of an infants’ attachment to mother and father and whether intergenerational relationship qualities were independently transmitted from father and mother to the child.
  • Phase 4 is characterized by more nuanced questions like if developmental outcomes of father and mother attachment are different even if both relationships were secure in infancy and childhood, and if the same assessments are appropriate for studying attachment to mother and father.

What is monotropy?

The theory of monotropy was developed by psychiatrist John Bowlby (1907-1990). The idea is that infants form one special, significant attachment with their primary caregiver and that if they fail to form that attachment, they will suffer later in life. He argued that in most cases the main attachment figure is the mother.

What did psychologist Michael Lamb discover in his studies during the 1970s (phase 2)?

In the 1970s researchers developed laboratory experiments to compare infant attachment behavior to mothers, fathers, and strangers. Psychologist Michael Lamb made interesting observations regarding attachment theory:

  • Infants showed similar levels of approach and contact-seeking to mothers and fathers when either one or both the parents were present, but fathers were the recipients of more affiliative behaviors than mothers. When a stranger joined, infants shifted their attachment and affiliative behavior towards the mother. It appeared that stress heightened the visibility of mothers as principal attachment figures.
  • Father-infant and mother-infant relationships may involve different kinds of experiences for infants, resulting in differential influences on children’s personality development.

What is Bowlby’s theory about the role of representation in attachment relationships?

Bowlby believes that a child builds representations (internal working models) of the physical and social world. These allow the child to make predictions and guide behavior. These include working models of self and parents and are derived from day-to-day interaction patterns and experiences. The working models influence the child’s ability to form close relationships with others now and later in life.

What is the Adult Attachment Interview (AAI)?

The Adult Attachment Interview was developed in 1985 and is a qualitative systematic approach to interviewing used to assess how adults perceive their early attachment experiences with their primary caregivers. It consisted of 20 open-ended questions that invite parents to reflect on remembered attachment relationships in their family of origin.

Which are the four response patterns that were observed with the Adult Attachment Interview?

The AAI classifications denote an individual's overall state of mind with respect to attachment which is regulated by classification-specific ways of processing any attachment-relevant feelings, thought, speech, and behaviors. Four response patterns were identified:

  • Secure-autonomous. Mother’s/father’s narratives about family of origins are reasonably coherent, reflective, emotionally open, and valuing of attachment relationships.
  • Dismissing. Mother’s/father’s idealise their own parents’ behaviors in general terms, but cannot illustrate this with specific recollections.
  • Preoccupied. Mother’s/father’s provide unreflective, vacillating, and hard to follow accounts of conflicted childhood relationships with their own parents.
  • Unresolved/disorganized. This category was created for those who showed unusual behavior when doing the assessment, like freezing or shielding the face, and for those who showed lapses while describing traumatic experiences.

Which are the four conceptual models proposed by van IJzendoorn, Sagi, and Lambermon (1992) during phase 4 to study multiple attachments and subsequent personality development?

As longitudinal studies went on and children were followed into adolescence and young adulthood, new information emerged. Above mentioned researchers proposed several models to help make sense of the different ways in which multiple attachments to mothers, fathers, and others, may impact personality development. They recommended the following models:

  • The monotropy model: only the principal attachment figure has an impact on personality development.
  • The hierarchy model: attachment to the principal attachment figure (usually the mother) is the best predictor, while relationships with subsidiary attachment figures make weaker contributions.
  • The integration model: the quality of all attachment relationships taken together predicts optimal outcomes.
  • The independence model: all attachment relationships are equally important, but each contributes to development in distinct domains.
Access: 
Public
Article summary with Attachment security to mothers and fathers: A meta-analysis on mean-level differences and correlations of behavioral measures by Pinquart - 2021

Article summary with Attachment security to mothers and fathers: A meta-analysis on mean-level differences and correlations of behavioral measures by Pinquart - 2021

What is attachment security?

Attachment security is the state of being secure or untroubled with the availability of an attachment figure. A child that is securely attached is confident in protection and trusts the attachment figure to be available and willing to provide comfort in the case of stress or threat. Having a secure attachment to parents has positive consequences for child development.

What are the theoretical arguments for children being more likely to form secure attachments with their mothers than their fathers?

Attachment to several figures tends to be hierarchically organized. The primary attachment figure is usually the mother. Also, security is influenced by the sensitivity of the response of the parents to the infant’s preferential bids for comfort and mothers tend to be more sensitive than fathers. However, more research is necessary to really test whether children are more secure with their mothers than with their fathers.

Why is children’s attachment security with both parents expected to be correlated?

There is evidence for an intergenerational transmission of security from parents to their children and security of both parents tends to be positively correlated. Also, the child’s temperament may cause similarities of attachment to different caregivers.

Do children show higher levels of attachment security with mothers than fathers?

The meta-analysis done by Pinquart (2021) found the following results:

  • Attachment of children is, on average, slightly more secure with mothers than fathers.
  • Attachment security with mothers and fathers is correlated.
  • Correlations of attachments to mothers and fathers are larger in older children.
  • Mean-level differences are larger when more children from non-intact families participate.

What could explain the larger mean-level differences when more children from non-intact families participate?

The results showed that higher attachment security with mothers compared to fathers was amplified if samples included more children from non-intact families in which the children tend to live with their mother. It is possible that the physical custody by an individual caregiver facilitates the development of a secure attachment relationship between the child and its caregiver. The development of a secure attachment with the other parents is hindered because that caregiver is less available for attending to the attachment needs.

Why can it not be concluded that young children are more likely to form secure attachments with their mothers than with their fathers?

Children tend to be slightly more secure with their mothers than with their fathers, but the size of this difference is very small in the first years of life. Larger differences emerge in non-intact families in which many fathers have limited opportunities to meet the attachment needs of their child, indicating a steeper attachment hierarchy.

What could explain the larger association of security with mothers and fathers in recent years?

A possible explanation can be found in the changes in the quality of fathers’ behavior and changes in women’s roles. Fathers are no longer simply breadwinners and are more involved in the day-to-day caretaking of their children, and women are no longer just mothering and often work outside of the home as well. This needs to be studied further.

Access: 
Public
Article summary with The effect of oxytocin and vasopressin administration on fathers’ neural responses to infant crying: A randomized controlled within-subject study by Witte et al. - 2022

Article summary with The effect of oxytocin and vasopressin administration on fathers’ neural responses to infant crying: A randomized controlled within-subject study by Witte et al. - 2022

What is the purpose of investigating the hormonal mechanisms implicated in neural models of infant cry perception during the first year of fatherhood?

Crying is a way for infants to communicate their need for parental care. Parents who respond sensitively to it stimulate positive child development. Parental responses to infant crying may be shaped by parents’ neural processing of infant cry sounds, but most studies have only looked at mothers. It is possible that fathers’ neural responses to infant crying are affected by hormonal levels.

Which hormones are especially interesting in studying paternal neural responses to infant cry sounds?

Oxytocin and vasopressin are hormones and neurotransmitters that have been associated with social behavior regulation, pair bonding, and parental caregiving.

  • Oxytocin enhances the coding of social signals, in-group trust, empathy, and enhances positive parent-infant interactions. It exerts anxiolytic effects and attenuates endocrine and autonomic responses to stress.
  • Vasopressin plays a role in social memory, encoding human facial expressions, defensive and territorial behaviors, and paternal caregiving.

Why do early childhood experiences need to be controlled for when studying the effects of oxytocin and vasopressin on paternal neural responses to infant cry sounds?

The prosocial effects of oxytocin and vasopressin may be moderated by early childhood experiences. Early childhood experiences alter gene expression. This results in individuals being less or more susceptible for the prosocial effects of hormonal administration. Previous research indicates that fathers with less negative childhood experiences experience larger prosocial effects from oxytocin and vasopressin.

What is the effect of oxytocin and vasopressin administration on neural responses to infant cry sounds in first-time fathers in the first year of parenthood?

The experiment showed the following results:

  • Whole brain analyses revealed no significant effect of vasopressin or oxytocin administration on neural activation in response to infant cry sounds.
  • Fathers showed neural activation in response to infant crying in several brain regions, including the cerebellum, posterior cingulate, supramarginal gyrus, angular gyrus, and the middle and superior temporal gyrus.
  • Fathers’ early childhood experiences did not moderate the effects of oxytocin and vasopressin administration on neural responses to infant cry sounds.
  • Oxytocin administration decreases amygdala activation, and may decrease feelings of anxiety or aversion to a crying infant.

How can a ceiling effect explain these results?

Previous studies suggested more efficient processing and increased motivation to end infant distress in parents compared to non-parents. The current study however looked at fathers in their first year of fatherhood. They may have had higher levels of neural reactivity in the brain areas that are related to mentalizing, emotion regulation, and empathy than non-parents. This ceiling effect may explain why no significant effect was found of oxytocin administration on the brain areas that in previous research were indeed affected.

Access: 
Public
Article summary with White matter integrity moderates the relation between experienced childhood maltreatment and fathers’ behavioral response to infant crying by Alyousefi-van Dijk et al. - 2021

Article summary with White matter integrity moderates the relation between experienced childhood maltreatment and fathers’ behavioral response to infant crying by Alyousefi-van Dijk et al. - 2021

How can a fathers’ response to infant crying be related to his own childhood maltreatment?

For a father who has experienced childhood maltreatment, hearing his infant cry may trigger memories of child abuse and neglect and cause feelings like aversion, anxiety, or anger. Their experience of childhood maltreatment is known to be associated with emotional dysregulation throughout later life, and so the fathers may not be effectively managing these emotions that arise when hearing his infant cry. Adults who experienced more childhood maltreatment show more negative behavioral responses to child signals and respond with harsher reactions when they are exposed to infant crying.

What is a handgrip dynamometer?

A handgrip dynamometer is an evaluation tool that’s used to measure isometric grip force, or hand grip strength. It is used in parenting research as a behavioral marker of the ability to modulate a behavioral response while being exposed to infant crying. With regards to infant crying, more excessive handgrip force is seen in women with insecure attachment representations, maltreating mothers, and men and women with experiences of childhood maltreatment.

Why is it interesting to look at white matter fibers when studying childhood maltreatment and parental response to infant crying?

Experiencing childhood maltreatment affects the brain’s white matter structure. Atypical brain structure associated with childhood maltreatment has been found to mediate detrimental functional outcomes like psychopathology and vulnerability to stress. It is possible that the association between experienced maltreatment and fathers’ response to infant crying is mediated by the brain’s white matter structure. Also, brain structure may play a moderating role leaving fathers more or less susceptible to cognitive and emotional dysfunction after experiencing maltreatment.

What is the relation between childhood maltreatment experiences, handgrip force in reaction to infant crying, and white matter tract integrity in fathers?

The study done by Alyousefi-van Dijk et al. (2021) showed the following results:

  • Childhood maltreatment experiences were related to paternal behavioral responses.
  • Fathers with higher levels of experienced maltreatment used more excessive handgrip force while listening to infant crying.
  • Whole-brain analysis revealed no significant relation between reported maltreatment and white matter integrity, meaning that white matter integrity did not mediate the relation between maltreatment and handgrip force.
  • Childhood maltreatment experiences were only predictive of handgrip force during infant cry exposure in fathers with low levels of white matter integrity in the bilateral uncinate fasciculus.

What are possible explanations for fathers’ experiences of childhood maltreatment predicting more handgrip force in response to infant crying?

It is possible that maltreated fathers experience more aversion and anxiety when presented with negative infant signals and are therefore more likely to respond harshly. This could be the result of emotional dysregulation or deficient inhibitory control. Also, childhood maltreatment is known to be related to an attentional bias toward negative or threatening stimuli. This bias could be an adaptive mechanism preparing the person for frequent exposure to threatening situations. Finally, neural hyperactivation in regions involved in threat-detection in response to various emotional facial expressions points to a mechanism of interpreting emotional expressions as potentially dangerous in maltreated people.

Access: 
Public
Article summary with Childhood maltreatment history and trauma-specific predictors of parenting stress in new fathers by Granner et al. - 2023

Article summary with Childhood maltreatment history and trauma-specific predictors of parenting stress in new fathers by Granner et al. - 2023

What is parenting stress?

Parenting stress is a set of adverse reactions in response to a person adapting to the demands of parenthood. The parenting stress model identifies three domains: parental distress, perceived difficulty of the child, and parent-child dysfunctional interaction. Parenting stress leads to poorer parenting behavior, lower levels of engagement with the child, fewer positive parent-child interactions, and a higher probability of child maltreatment.

Why can becoming a father for the first time be a source of stress?

Becoming a father for the first time involves a change in identity, priorities, and responsibilities. It means changes in lifestyle and many fathers struggle balancing their work, their child, and their partner. There can be stress in the relationship, because a father doesn’t want to burden the pregnant partner with his issues, and there can be changes in their sexual relationship.

What is the role of parenting stress in the intergenerational pattern of trauma?

Parenting stress and fathers’ mental health are associated with less nurturing early parenting behaviors and less secure attachments for the infant. There are not many interventions available to address these issues. Knowing which factors are the strongest predictors of parenting stress, could lead to identifying targets for interventions to prevent the intergenerational transmission of trauma.

What are the intergenerational patterns of trauma in the transition to fatherhood?

The intergenerational pattern takes the form of a cycle. Let’s start with the child maltreatment trauma. A person who experienced child maltreatment has a higher risk for posttraumatic stress disorder and major depressive disorder. This is partly because chronic stress during childhood disrupts the early development of the brain, immune system, and nervous system. Also, those children struggle making attachments later in life, because they did not have a safe attachment figure growing up. This leads to the adult, here we talk about a father, who has a childhood trauma, and suffers from PTSD and depression. For them, parental distress reduces their capacity to deal with other stressors, it decreases self-regulation, and impulse inhibition. This in turn can lead to physical abuse of the children.

How is a history of child maltreatment related to parental stress and fathers’ abuse of their children?

The study by Granner et al. (2023) saw the following results:

  • Fathers with a history of child maltreatment shower poorer outcomes across many indicators of mental and emotional health.
  • Fathers with a history of child maltreatment had higher parenting stress.
  • PTSD and depression predicted higher parenting stress.
  • Interpersonal reactivity and outward anger expression predicted parenting stress and made PTSD and depression non-significant.
  • The most significant predictor of parenting stress was coparenting, followed by interpersonal reactivity, and outward anger expression.

Why is the perinatal period a good opportunity for providing mental health care interventions for new fathers with a history of child maltreatment?

The perinatal period is a time where the family is already in contact with health services, even if the fathers are not usually the direct recipients of that care, it does provide an opportunity. It is also a good time, because it offers a chance for prevention of abuse and neglect. For many, the perinatal period is a time of increased openness to change, which could increase the effectiveness of interventions aimed at changing attitudes and behaviors.

Who especially should these interventions be aimed at?

Fathers who have experienced child maltreatment and are currently experiencing mental health problems such as PTSD and depression appear to have higher parenting stress and may benefit most from the interventions. Especially maltreatment-related PTSD and depression have related behaviors that are relational and externalizing and most strongly associated with parenting stress, interpersonal reactivity, and anger expression.

Access: 
Public
Article summary with Paternal depression in the postnatal period and child development: a prospective population study by Ramchandani et al. - 2005

Article summary with Paternal depression in the postnatal period and child development: a prospective population study by Ramchandani et al. - 2005

What is the importance of studying paternal depression of new fathers?

A lot is known about maternal depression and its effect on young children, but not much is known about paternal depression. Depression in a parent can have adverse effects on the development of young children, among other things by interfering with the ability to provide responsive parenting. It is becoming more clear that the role of the father is very important in the upbringing of children. It appears that in the case of paternal depression, the effects are especially notable in boys.

How does paternal depression in the postnatal period affect child development?

The results of the study done by Ramchandani et al. (2005) can be summarized as follows:

  • Children of fathers who have depression during the postnatal period are at increased risk of behavioral problems at age 3 to 5, even after controlling for maternal depression and other factors.
  • The increased risk remains after controlling for later paternal depression. This suggests that paternal depression in the early months of a child’s life might be a particular risk factor for adverse development.
  • The association between paternal depression and child behavior problems is stronger in boys than in girls.

What are possible theoretical explanations for these results?

First, paternal depression may have a direct effect on the way fathers interact with their children. An effect on early interactions may itself lead to an increased risk for adverse development in the children. Second, this association may be due to indirect effects. For example, paternal depression can be linked to marital conflict which in turn has been linked to behavioral problems in children. Third, there may be genetic factors at play. Fourth, there may be child-to-parent effects. Early differences in the child before the onset of paternal depression could have increased the risk of depression in the father.

How did the association between depression in mothers and behavioral and emotional problems in their children differ from that seen with depression in fathers?

Firstly, an effect was seen across all the domains of child emotional and behavioral functioning. Secondly, there was no difference in the magnitude of effects seen in boys or girls.

Why is the effect of paternal depression different on sons than on daughters?

It is possible that boys are especially sensitive to the effects of parenting by fathers because of differential involvement by fathers with their sons. Also, boys may be more vulnerable than girls to a range of adverse parental influences, including paternal depression.

Access: 
Public
Artikelsamenvattingen bij Vaders in afgelopen jaren aan de Universiteit Leiden

Artikelsamenvattingen bij Vaders in afgelopen jaren aan de Universiteit Leiden

Artikelsamenvattingen bij Vaders in afgelopen jaren aan de Universiteit Leiden

Samenvattingen bij artikelen die vaak zijn voorgeschreven in afgelopen jaren bij het vak Vaders aan de Universiteit Leiden

Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Check more: this content refers to
Studiegids voor artikelsamenvattingen bij Pedagogiek Bachelor 3 aan de Universiteit Leiden

Studiegids voor artikelsamenvattingen bij Pedagogiek Bachelor 3 aan de Universiteit Leiden

Artikelsamenvattingen bij Pedagogiek Bachelor 3 aan de Universiteit Leiden

Inhoudsopgave

Nederlands:

  • Artikelsamenvattingen bij Kindermishandeling en verwaarlozing over de levensloop; een introductie
  • Artikelsamenvattingen bij Forensische aspecten van kindermishandeling
  • Artikelsamenvattingen bij Vaders
  • Artikelsamenvattingen bij Observatie van interacties binnen gezinnen

Engels:

  • Articlesummaries with Violence and the brain
...more on this page, or read on below >>
Access: 
Public
Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
3993 2
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector