Samenvatting van Cognitive Behavior Therapy: Core Principles for Practice van O'Donohue en Fisher - 1e druk

Samenvattingen per hoofdstuk bij Cognitive Behavior Therapy: Core Principles for Practice

Samenvattingen per hoofdstuk bij Cognitive Behavior Therapy: Core Principles for Practice

  • Voor samenvattingen bij alle hoofdstukken van de 1e druk van Cognitive Behavior Therapy: Core Principles for Practice van O'Donohue & Fisher, zie de supporting content van deze pagina

Inhoudsopgave

  • Hoofdstuk 1 - Wat zijn de basisprincipes van cognitieve gedragstherapie (CBT)?
  • Hoofdstuk 2 - Wat houdt klinische functie analyse in?
  • Hoofdstuk 4 - Wat is exposure therapy en wanneer wordt het gebruikt?
  • Hoofdstuk 6 - Wat is cognitive restructuring en wanneer wordt het gebruikt?
  • Hoofdstuk 7 - Wat is problem solving therapy en wanneer wordt het gebruikt?
  • Hoofdstuk 9 - Wat is behavioral activation en wanneer wordt het gebruikt?
  • Hoofdstuk 13 - Wat houdt positieve psychologie in?
  • Hoofdstuk 14 - Wat betekent de term acceptance binnen de CBT?

Gerelateerde samenvattingen en studiehulp

Image

Check: summaries and supporting content in full
Wat zijn de basisprincipes van cognitieve gedragstherapie (CBT)? - Chapter 1

Wat zijn de basisprincipes van cognitieve gedragstherapie (CBT)? - Chapter 1

Wat is er bijzonder aan CBT?

Cognitive behavior therapy (CBT) kan gezien worden als het enige paradigma in de psychotherapie. Iets mag zich een paradigma noemen als het een bewezen probleem-oplossend vermogen bezit. Wanneer het niet bewezen effectief is wordt het een theorie genoemd. CBT is hiernaast effectief bij vele soorten stoornissen, in contrast tot specifieke behandelvormen als EMDR (alleen voor PTSD symptomen). Andere voordelen van CBT zijn dat het een snelle behandelvorm is, wat het ook goedkoper maakt, en dat het kan worden beschreven in een manual, waardoor het geschaald kan worden en makkelijker te leren is aan anderen. Een nadeel van een manual is dat het wellicht slecht generaliseerbaar is naar alle stoornissen omdat de ene stoornis de andere niet is, echter is het onmogelijk voor iedere stoornis een andere manual te maken. Ook moet men de manual en de hoofd en bijzaken hierin wel goed kunnen begrijpen, waardoor het vooral belangrijk is dat het onderliggende idee en de principes van verandering en therapie worden begrepen.

Exposure en het modificeren van overtuigingen zijn belangrijk bij angststoornissen. Vaardigheidstraining en crisis management (contingency management) zijn belangrijk bij ontwikkelingsstoornissen en autisme spectrum stoornissen.

Therapie is geen kunst dat sommigen wel kunnen en anderen niet, in dat opzicht kan het een techniek genoemd worden waarin bekwaam de actieve componenten van verandering toegepast worden. Een therapeut moet zich dan ook elke sessie afvragen welke technieken tot verandering hij toepast in de therapie. Dit houdt ook in dat therapeuten niet zo maar een therapie kunnen kiezen die hun interesseert, maar dat zij therapieën moeten toepassen welke effectief zijn gebleken. Onspecifieke factoren zijn hierin wel belangrijk, zoals empathie en warmte. Therapeutisch eclecticisme is ook uitgesloten (technieken toevoegen aan CBT van therapieën die niet bewezen effectief zijn), behalve als er onderdelen van andere empirisch bewezen therapieën worden toegevoegd.

Nog een voordeel van het expliciteren van de kern principes van effectieve therapie is dat dit kan leiden tot het ontwikkelen van nieuwe, alternatieve wijzen om deze principes toe te passen. Individuele therapie is vaak duur en niet toegankelijk, maar door het weten van effectieve principes kan gezocht worden naar manieren om deze principes op een toegankelijkere manier beschikbaar te maken (bijvoorbeeld zelfhulpboeken en e-health).

Wat zijn de principes van CBT?

CBT begon met een paar principes in de jaren ’50 (Skinner: contingency management; Wolpe: relaxatie en exposure in zijn systematische desensitisatie), maar bestaat nu uit vele principes welke alle samenhangen. De principes bestaan uit verschillende lagen, beginnend aan de oppervlakte met denkbeelden van filosofie en wetenschap, daaronder de theorieën van CBT, daaronder empirische wetmatigheden, vervolgens de principes afgeleid uit andere bronnen, daaronder principes (algemene regels welke potentiële werkingsmechanismen beschrijven, bijvoorbeeld exposure) en tot slot technieken (concretisering van een principe, bijvoorbeeld systematische desensitisatie).

De 13 hoofdprincipes:

  1. Functie analyse en contingengy management
  2. Vaardigheidstraining
  3. Exposure
  4. Relaxatie
  5. Cognitieve herstructurering
  6. Problem solving
  7. Zelfregulatie
  8. Gedragsactivatie
  9. Sociale vaardigheden
  10. Emotie-regulatie
  11. Communicatie
  12. Positieve psychologie
  13. Acceptatie
Access: 
Public
Wat houdt klinische functie analyse in? - Chapter 2

Wat houdt klinische functie analyse in? - Chapter 2

Wat is functie analyse (FA)?

Functie analyse is de identificatie van belangrijke, controleerbare, veroorzakende functionele relaties toepasbaar op een specifieke set van gedragingen van een individuele cliënt. Dit bevordert precieze koppeling van klachten aan een effectieve interventie. FA kan huidige diagnostiek en behandeling aanvullen wanneer de cliënt niet precies past binnen een stoornis of wanneer er geen goede therapie beschikbaar is voor de stoornis. FA is een alternatief van het ‘diagnosticeer en behandel paradigma’ (indien behandeling faalt, opnieuw diagnosticeren, daarna andere therapie toepassen).

FA is gebaseerd op de principes van functionalisme (uit de late 19e eeuw, gebaseerd op James en Darwin). Functionalisme zoekt naar het doel van psychologische processen en gedrag, door middel van observatie, kijkt naar de omgeving om gedrag te verklaren (in tegenstelling tot het structuralisme, wat zocht naar interne processen door middel van introspectie). In dit kader is al het gedrag adaptief. Begin 20e eeuw kwam het behaviorisme op door de bevindingen van Watson, Skinner en Pavlov, waarin het voorspellen en controleren van gedrag centraal stond. Watson kwam met het radicaal behaviorisme, wat operante conditionering en de interactie tussen een organisme en de consequenties in de omgeving benadrukte. Ook interne processen werden werden betrokken bij gedrag. FA werd in deze periode vooral gebruikt voor de behandeling van observeerbaar probleemgedrag in personen met ontwikkelingsstoornissen. De laatste jaren wordt FA ook toegepast in andere populaties. FA van private processen als emoties bestaat uit het identificeren van antecedenten en consequenties (omgevingsinvloeden) van dit gedrag/deze emotie. Er zijn een aantal onderdelen die FA onderscheiden van andere vormen van assessment:

  • Focus op de functie van gedrag in plaats van op topografie: FA focust niet op de vorm of beschrijvende kenmerken van gedrag (topografie, zoals in de DSM), maar op de functie van gedrag, omdat topografie omgevingsinvloeden niet meeneemt. Wanneer naar de functie wordt gekeken is het mogelijk factoren te identificeren welke het gedrag controleren, wat handvatten kan bieden voor de wijze waarop het veranderd kan worden.
  • De eenheid van analyse: Hiermee wordt bedoeld dat de hele persoon interacteert in en met de omgeving. Door gedrag te analyseren in de specifieke omgeving kan het doel van het gedrag begrepen worden.
  • Ideografische benadering: FA focust op de individuele persoon en wat in dat geval, met de gegeven omgevingsfactoren de beste benadering is. Dit in tegenstelling tot de DSM, welke zich op groepen individuen richt.
  • Versterkte bruikbaarheid van de behandeling: Hiermee wordt de mate bedoeld waarin assessment bijdraagt aan een gunstige uitkomst van de behandeling. Een goede FA leidt tot het identificeren van het doel-probleem en het selecteren van een specifieke empirisch bewezen interventie (kijkend naar omgevingsinvloeden welke uit de FA zijn gekomen).
  • Dynamisch en herhalend: FA is een dynamisch proces waarin de behandeling aangepast kan worden wanneer nieuwe informatie over het individu en de context naar boven komt. Wanneer de gewenste uitkomst niet wordt bereikt, kan opnieuw gekeken worden naar de FA.

Wat voor een rol spelen antecedenten?

De assumptie van FA dat gedrag wordt gestuurd door de context worden ook wel de ‘onvoorziene omstandigheden (contingencies) van gedrag’ genoemd. Deze contingencies bestaan uit drie delen: antecedenten (vergroten de kans op gedrag), gedrag (vergroot van de kans op de consequentie) en consequenties (vergroten of verkleinen de kans dat gedrag in de toekomst wordt uitgevoerd). Samen vormen zij een dynamisch proces.

Antecedenten zijn stimuli uit de omgeving waarin bepaald gedrag plaatsvindt. Ze kunnen verbaal zijn (bijvoorbeeld een berichtje van een vriend, je eigen gedachten) of non-verbaal. Wanneer de antecedent eigen gevoelens of gedachten zijn moet er altijd verder worden gekeken naar invloeden die de gedachten/gevoelens veroorzaken. Antecedenten worden gegroepeerd door het gedrag dat ze veroorzaken (bijvoorbeeld kou of lawaai leiden alle twee tot het sluiten van de ramen).

Gedrag bestaat uit dingen die een individu doet, denkt of voelt. In FA wordt een specifiek gedrag gekozen als doel voor de behandeling. Ook hier wordt gedrag beschreven in termen van invloed van en op de omgeving. Gedragingen die hetzelfde effect hebben worden gegroepeerd in een ‘response class’ (bijvoorbeeld dagdromen in de les en ’s nachts tv kijken kunnen beide als doel hebben schoolwerk te vermijden).

Wat voor soorten consequenties zijn er en wat voor een rol spelen deze in FA?

Consequenties zijn veranderingen in de omgeving na bepaald gedrag, welke de kans veranderen dat het gedrag in de toekomst wordt uitgevoerd. Het kan vaker worden uitgevoerd (reinforcing contingency), gelijk blijven of afzwakken (punishing contingency). Er zijn positieve contingencies (stimuli worden toegevoegd) en negatieve contingencies (stimuli worden weggehaald).

Versterking (reinforcement) is een toename van gedrag als de functie van de consequenties. Bij positieve reinforcement wordt iets plezierigs toegevoegd, bij negatieve reinforcement wordt iets onplezierigs weggehaald. Bestraffing (punishment) is een afname van gedrag als de functie van de consequenties. Positieve punishment is als iets negatiefs wordt toegevoegd, negatieve punishment is als iets positiefs wordt weggehaald. Wanneer gedrag niet meer wordt gevolgd door de consequentie, ontstaat een proces van extinctie (het doorbreken van de contingency tussen gedrag en consequentie). Het proces van extinctie begint meestal met een extinctie burst, een enorme toename van het gedrag, waarna het gedrag afneemt en stopt.
Het proces van FA wordt omschreven als een trechter waarin de focus van de assessment met iedere stap vernauwd. Er zijn richtlijnen voor het uitvoeren van een FA:

  • Stap 1: het identificeren van de karakteristieken van de cliënt d.m.v. een brede assessment. Het doel is het ontdekken van het probleem en het verzamelen van relevantie informatie. Voordat je begint aan een gedrags-assessment moet je fysieke problemen uitsluiten die tot de problemen kunnen leiden. Er wordt hier gebruik gemaakt van vele verschillende manieren van data-verzameling als self-report, observatie en interviews. In deze fase werken cliënt en therapeut samen aan de beschrijving van het probleem en de doelen. Een evaluatie van sterke en zwakke kanten van de cliënt wordt hier ook gemaakt, waarin veel aandacht wordt besteed aan aanwezige reinforcers in de Clints omgeving. In deze stap kan een systeem als de DSM een startpunt leveren, omdat het kan helpen in de communicatie en een richtlijn kan geven welke aspecten uit te vragen, waarop een FA volgt.
  • Stap 2: Ontwikkel voorafgaande analyses in termen van gedragsprincipes. Hier wordt de informatie uit stap 1 georganiseerd in voorafgaande analyses van de moeilijkheden van de cliënt in termen van gedragsprincipes (operante en klassieke conditionering om de functie van gedrag te bepalen). De focus wordt versmalt naar variabelen die controleerbaar zijn, omdat het doel is causale relaties te ontdekken die in de interventie fase veranderd kunnen worden. In deze stap zijn er hypotheses en worden er contingencies getest welke het gedrag mogelijk beïnvloeden. Hierbij wordt gekeken naar lange-termijn patronen. De therapeut houdt een collaboratieve, transparante houding aan waarin hij de cliënt de principes van FA leert. Visuele representaties kunnen behulpzaam zijn, net als self-monitoring records.
  • Stap 3: verkrijg verdere informatie en rondt de analyse af. Na het maken van de voorafgaande analyses is het mogelijk dat verdere informatie nodig is. Aan de cliënt wordt vertelt dat ze een werkhypothese zullen testen. Andere manieren van data-verzameling zijn ook mogelijk, zoals het spreken met een partner.
  • Stap 4: bedenk een interventie gebaseerd op stap 3. Ontwikkel een principe-gebaseerde interventie welke is gelinkt aan de analyse. Het doel is het veranderen van gedrag door middel van een combinatie van de volgende: 1. Behavioral skills training. 2. Het veranderen van de omgeving. 3. Modificatie van ongepaste of gebrekkige statements welke problematisch gedrag verklaren. De interventie moet gericht zijn op het vergroten van het repertoire van de cliënt zodat de cliënt in contact komt met nieuwe contingencies welke nieuw gedrag ondersteunen en behouden.
  • Stap 5: interventie toepassen en verandering meten. Kijk of de interventie succesvol is. Verwerk nieuwe data in de FA.
  • Stap 6: als de interventie onvoldoende effect heeft, is de FA gebrekkig en moet de conceptualisatie v.h. gedrag opnieuw worden geëvalueerd door terug te gaan naar stap 2 of 3.

De twee voornaamste limitaties van FA zijn validiteit en betrouwbaarheid, die niet zijn geëvalueerd. Een gebrek aan methodologische specificiteit, waaronder een duidelijke rationale voor welke gebieden te onderzoeken zijn, is een andere limitatie. Ook wordt gesteld dat er geen tijd en middelen zijn om alle data te verzamelen nodig voor een FA. Een FA wordt daarom gezien als handig wanneer een standaard niet beschikbaar is of niet goed genoeg de causale factoren aan kan pakken.

Functie analyse is de identificatie van belangrijke, controleerbare, veroorzakende functionele relaties toepasbaar op een specifieke set van gedragingen van een individuele cliënt. Dit bevordert precieze koppeling van klachten aan een effectieve interventie. FA kan huidige diagnostiek en behandeling aanvullen wanneer de cliënt niet precies past binnen een stoornis of wanneer er geen goede therapie beschikbaar is voor de stoornis. FA is een alternatief van het ‘diagnosticeer en behandel paradigma’ (indien behandeling faalt, opnieuw diagnosticeren, daarna andere therapie toepassen).

Access: 
Public
Wat is exposure therapy en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 4

Wat is exposure therapy en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 4

Wat gebeurde er voor de ontwikkeling van exposure therapy?

Een behandel principe is een specifiek mechanisme waardoor behandel procedures tot verandering leiden. Exposure therapie is geen principe, aangezien het geen mechanisme is voor vermindering van symptomen, maar een procedure om extreme angst en gerelateerde emoties te verminderen. Irreële angst ontstaat wanneer er een betekenis van gevaar wordt gegeven aan een veilige stimulus. Bij exposure wordt een persoon blootgesteld aan de beangstigende stimulus om de angstreactie te verminderen. Er zijn drie typen exposure: in vivo (in het echt), imaginal en interoceptive. Deze vormen kunnen op diverse manieren toegepast worden, variërend in lengte (kort-lang), arousal tijdens de exposure (laag-hoog), mode (in vivo-imaginair). Systematische desensitisatie is bijvoorbeeld imaginair, kort en laag van arousal. Flooding daarentegen is in vivo en heeft hoge arousal. Exposure wordt meestal toegepast op een hiërarchische manier, waarin wordt begonnen met de minst angstige stimulus, eindigend met de meest beangstigende stimulus.

Klassieke conditionering (Pavlov) houdt in dat een voorheen neutrale stimulus (CS) betekenis krijgt door een associatie met een betekenisvolle stimulus (US), wat een respons uitlokt (UR). Wanneer de CS en US vaak samen voorkomen, begint de CS ook te leiden tot de UR (CR). Door generalisatie zullen ook stimuli die lijken op de CS leiden tot de CR. Pavlov liet zien dat de associatie ongedaan kon worden gemaakt door een proces van extinctie (CS niet meer laten voorkomen met de US) of door counter conditionering (CS wordt gepaard met een plezierige stimulus). Deze processen hebben Watson, Rayner en Jones laten zien bij Little Albert en Peter, wat leidde tot de assumptie dat alle fobieën zijn ontstaan door traumatische conditionering en dat ze ongedaan gemaakt kunnen worden door extinctie.

Mowrer’s two factor model integreerde vermijding om het aanhouden van angst te verklaren (gebaseerd op operante conditionering van Skinner). Volgens deze theorie ontstaat angst door klassieke conditionering en wordt het in stand gehouden door operante conditionering. Dit leidt tot de gedachte dat therapie moet focussen op exposure en stoppen van vermijding. Skinner liet zien dat individuen gedrag veranderen gebaseerd op de consequenties van het gedrag. Het vermijden van angst is hierin een negatieve reinforcer, echter krijgt de persoon hierdoor niet de kans in te zien dat de stimulus niet eng is, wat extinctie tegenhoudt.

Foa en Kozak gingen met hun ‘Emotional processing theory’ (EPT) door op de principes van Mowrer en componenten van Lang’s concept van fear-structures te integreren. Volgens het bioinformatiemodel van Lang is de angst structuur een manier om gevaar te vermijden of eruit te ontsnappen en bevat het representaties van de beangstigende stimulus, responsen en de betekenis van beide. Deze structuur wordt geactiveerd bij blootstelling aan een aspect uit de structuur. In de EPT theorie benadrukt het belang van betekenis van de angststructuur. Normale angststructuren produceren adaptief gedrag. Pathologische angststructuren treden op wanneer de associaties tussen stimuli, betekenis en respons de werkelijkheid niet meer representeren en de angststructuur bij ongevaarlijke dingen wordt geactiveerd.

Volgens deze theorie werkt exposure doordat het emotioneel verwerken activeert, waardoor accurate informatie wordt opgeslagen in de angststructuur. Daartegenover stellen Foa en McNally dat exposure werkt doordat er alternatieve structuren worden aangemaakt welke geen pathologische elementen bevatten. Bij goede therapie worden deze structuren makkelijker toegankelijk dan de pathologische structuur, waardoor deze wordt geactiveerd bij blootstelling aan de stimulus.

EPT stelt dat twee condities nodig zijn om angst af te doen nemen, ten eerste moet de angststructuur geactiveerd worden zodat hij bewerkt kan worden en ten tweede moeten nieuwe elementen beschikbaar zijn om te worden verwerkt in de angststructuur. De basis van EPT is dan ook het integreren van informatie in strijd met de angst in de angststructuur, wat leidt tot angstreductie.

De eerste succesvolle CBT behandeling voor angst was de op exposure gebaseerde systematische desensitisatie van Wolpe. Hierin worden cliënten imaginair blootgesteld aan de angst in combinatie met ontspanningsoefeningen. Deze therapie was gebaseerd op de ‘theory of reciprocal inhibition’, welke stelt dat het verminderen van angst alleen plaats kan vinden door de geconditioneerde stimulus te paren met gedrag dat tegen de angst in gaat (zoals relaxatie). Systematische desensitisatie werd minder populair omdat het nadelen had en in vivo exposure succesvoller bleek te zijn. In de jaren ’50 was er de ‘implosive therapy’, wat de basis lag voor flooding technieken omdat het ervan uit ging dat een sterkte respons extinctie zou bevorderen. Echter heeft flooding het ook niet overleefd, omdat het even effectief is als graduele exposure, maar veel belastender voor de cliënt. Sinds de jaren ’70 kennen we CBT (combi cognitief en gedragstherapie) zoals we hem nu zien.

De angststructuren verschillen per stoornis, de activatie van het netwerk hangt af van de match tussen stimuli in de omgeving en de aspecten van het netwerk. Dus exposure is gericht op de pathologische kenmerken welke een bepaalde stoornis karakteriseren en op het verdwijnen van karakteristieke vermijdingsstrategieën.

Wat voor specifieke fobieën zijn er?

Er is angst voor een specifiek object of situatie, waarbij vaak de kans wordt overschat dat het schade aan kan brengen. Deze overtuiging leidt tot vermijding, waardoor de persoon niet geconfronteerd wordt met ontkrachtende informatie. Exposure is dan ook gericht op confrontatie met de stimulus zodat de angststructuur wordt geactiveerd en ontkrachtende informatie kan worden toegevoegd. In vivo exposure lijkt het meest effectief en is net zo effectief als de combinatie van exposure met cognitieve therapie. Een exposure sessie lijkt al voldoende te zijn (net zo effectief als 5 sessies). Groeps- en virtuele exposure zijn mogelijk ook effectief, observationele of ‘plaatsvervangende’ exposure lijkt minder effectief dan in vivo, voor self-directed exposure zijn gemixte bevindingen.W

Wat is een paniek stoornis?

De angststructuur in paniek stoornissen bestaat uit verkeerde overtuigingen over lichamelijke sensaties. Paniek en angst zorgen voor lichamelijke sensaties, dus situaties die paniek of angst veroorzaken worden vermeden (agorafobie). Exposure bestaat uit confrontatie met lichamelijke sensaties door interoceptieve exposure en met situaties welke sensaties uitlokken door middel van in vivo exposure. Ook is het gericht op het verwijderen van safety signals. CBT met interoceptieve exposure blijkt het meest effectief. De rol van in vivo exposure wordt betwist, aangezien Panic Control Therapy geen gebruik maakt van in vivo exposure maar wel heel effectief is. Er wordt gesteld dat agorafobie alleen ontstaat door angst voor sensaties en als deze angst dus weg gaat (door interoceptieve exposure) neemt agorafobie ook af, waardoor geen in vivo meer nodig is. Medicatie is niet effectief in paniekstoornis, en verhoogt zelfs de kans op terugval. Virtual reality en internet-based programma’s lijken ook effectief.

Wat is een sociale angststoornis?

De angststructuur bestaat uit misvattingen over sociale interacties. Deze mensen vermijden subtiel door onder andere weinig oogcontact. Bij de behandeling is het lastig om opvattingen over dat anderen hen bekritiseren onderuit te halen, omdat in de samenleving open, harde kritiek wordt ontmoedigd. Clark gebruikt rollenspellen welke worden opgenomen en waar feedback op volgt, zodat de cliënt een beeld krijgen hoe ze objectief overkomen en hoe anderen hen zien in de interacties. Foa en collega’s hebben hieraan nog in vivo en imaginaire exposure aan toegevoegd. Voor de rollenspellen en exposure moeten cliënten verwachtingen formuleren, zodat deze getest kunnen worden. Ook hier worden veiligheidssignalen weggehaald. Exposure alleen is zeer effectief en het toevoegen van CBT (vooral cognitive restructering wordt toegevoegd) is niet effectiever. Er is gedacht dat groepstherapie bij sociale fobie goed zou zijn omdat deze mensen geen sociaal netwerk hebben om sociale vaardigheden op te oefenen. Echter blijkt individuele therapie effectiever.

Wat is een gegeneraliseerde angststoornis?

In GAD is er geen specifieke angststructuur, maar zijn het meer overdrijvingen in het gevoel van kans op schade in het algemeen en veel piekeren. Piekeren/zorgen maken wordt gezien als een vermijdingsstrategie (uit de weg gaan van meer distressing mentale beelden). Op de korte termijn wordt piekeren negatief bekrachtigd door het uitblijven van distress, maar op de lange termijn hindert het het emotioneel verwerken van beangstigende dingen. Hiernaast vermijden mensen met GAD ook situaties die zij associëren met vergroot gevaar. Imaginaire en in vivo exposure wordt vaak gebruikt om de vermijding tegen te gaan, emotioneel verwerken te stimuleren en te leren dat mentale beelden die distress veroorzaken en onzekerheid handelbaar zijn. Exposure is bij GAD minder effectief dan bij andere angststoornissen.

Wat is een obsessief compulsieve stoornis?

Er zijn veel verschillende angststructuren binnen OCD, maar de meesten worden gekarakteriseerd door een verhoogd gevoel van kans op dreiging en de overtuiging dat compulsies de enige manier zijn om angst te verlagen. Effectieve exposure bestaat uit 1. confrontatie met angst-uitlokkende stimuli en 2. het voorkomen van rituelen. Het toevoegen van imaginaire exposure verbeterd langetermijneffecten. Self-directed behandelingen zijn minder effectief. Het trainen van familieleden als co-therapeuten heeft positieve effecten, het toevoegen van medicatie niet.

Wat is een posttraumatische stressstoornis (PTSS)?

Er is sprake van een specifieke pathologische angststructuur waarin onjuiste associaties tussen stimulus en respons ten tijde van het trauma en hun betekenis zitten. Ten eerste zijn er vele stimuli welke onjuist worden geassocieerd met gevaar, waardoor het vaak wordt opgeroepen en de overtuiging geeft dat de wereld gevaarlijk is. Ten tweede is er een beeld van zelf-incompetentie, door het beeld hoe de persoon heeft gehandeld tijdens het trauma evenals de PTSS symptomen. Deze twee punten leiden tot vermijding van alles dat aan het trauma doet denkenverhinderd emotioneel verwerken. Het doel is om ontkrachtende informatie in de angststructuur te brengen. Prolonged Exposure Therapy werkt het beste, wat zich richt op het bevorderen van veilige confrontaties met de stimuli om disfunctionele cognities te bewerken. Toevoegingen van cognitieve therapie leveren geen beter effect. Er ontstonden wel vragen of exposure wel tolereerbaar en veilig is voor mensen met PTSS, echter is geen bewijs gevonden dat het de symptomen kan versterken of anderszins niet goed zou zijn.

Wanneer is er sprake van prolonged exposure?

In een natuurlijk verloop na traumas worden mensen blootgesteld aan trauma-gerelateerde stimuli. Deze natuurlijke manier van exposure zorgt dat ontkrachtende informatie binnenkomt en het trauma kan worden verwerkt. Mensen met (chronische) PTSS duwen trauma herinneringen weg en vermijden situaties waarin ze trauma-gerelateerde stimuli tegen kunnen komen, wat ertoe leidt dat de overtuigingen over het trauma en zichzelf in stand blijven en er geen emotionele verwerking plaatsvindt. Ze denken dat de angst voor altijd zal duren als ze opnieuw geconfronteerd worden en denken dat ze de distress niet aan kunnen. Het doel van PE (Prolonged Exposure) is het bevorderen van emotionele verwerking door graduele blootstelling aan trauma-gerelateerde stimuli door middel van in vivo (veilige situaties die de persoon als gevaarlijk of als reminders beschouwd) en imaginaire exposure. Ook behavioral activation en weghalen van veiligheidsgedrag zijn delen van de therapie. De angstige situaties voor mensen met PTSS zijn vaak ook enge situaties. Het is daarom belangrijk om cliënten te leren onderscheid te maken tussen veilig en gevaarlijk. In vivo exposure van situaties die door de gewone bevolking als ‘veilig’ worden beschouwd worden als huiswerk opgegeven. Imaginaire exposure gebeurt in de sessies en is dan ook het belangrijkst, dit wordt gebruikt om het verschil te leren tussen herinneren en herbeleven, omdat cliënten vaak denken dat bij herinneren de angst voor altijd zal blijven en ze terug zullen zijn in het moment. Daarnaast ook voor ontkrachtende informatie en voor habituatie. Belangrijk is wel dat de cliënt er echt ‘bij’ is tijdens de imaginaire exposure omdat de angststructuur anders niet wordt geactiveerd (underengagement, tegengaan door gedetailleerde beschrijving trauma) of omdat ontkrachtende informatie niet wordt geïntegreerd door hoge distress (overengagement, tegengegaan door open ogen houden).

Cliënten met PTSS hebben vaak moeite ontkrachtende informatie zelf te zien en te integreren, dus na de imaginaire exposure moet de therapeut daar aandacht aan besteden (processing). Hierbij worden tegenstrijdigheden onderzocht en wordt naar habituatie gekeken, zodat ze inzien dat exposure uiteindelijk leidt tot vermindering van distress.

Nadat extinctie heeft plaatsgevonden is het mogelijk dat er een terugval komt. De angst respons (CR) kan terugkomen wanneer de US aanwezig is zonder de CS, wanneer de CS plaatsvindt in een omgeving anders dan de extinctie omgeving of spontaan. Dit laat zien dat extinctie niet de originele conditioneel leren principes volgt.
Exposure kan ook gebruikt worden bij pathologische rouw, depressie.

Een behandel principe is een specifiek mechanisme waardoor behandel procedures tot verandering leiden. Exposure therapie is geen principe, aangezien het geen mechanisme is voor vermindering van symptomen, maar een procedure om extreme angst en gerelateerde emoties te verminderen. Irreële angst ontstaat wanneer er een betekenis van gevaar wordt gegeven aan een veilige stimulus. Bij exposure wordt een persoon blootgesteld aan de beangstigende stimulus om de angstreactie te verminderen. Er zijn drie typen exposure: in vivo (in het echt), imaginal en interoceptive. Deze vormen kunnen op diverse manieren toegepast worden, variërend in lengte (kort-lang), arousal tijdens de exposure (laag-hoog), mode (in vivo-imaginair). Systematische desensitisatie is bijvoorbeeld imaginair, kort en laag van arousal. Flooding daarentegen is in vivo en heeft hoge arousal. Exposure wordt meestal toegepast op een hiërarchische manier, waarin wordt begonnen met de minst angstige stimulus, eindigend met de meest beangstigende stimulus.

Access: 
Public
Wat is cognitive restructuring en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 6

Wat is cognitive restructuring en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 6

Hoe ontstaan biases?

Cognitieve modellen van psychopathologie gaan ervan uit dat problemen in gedrag en emotie ontstaan door biases in de interpretatie of evaluatie van gebeurtenissen. Biases houden ook problemen in stand of versterken ze, zoals te zien bij depressie. Cognitieve biases worden dan ook gezien als mediators in depressie. De biases leiden tot schematisch verwerken: de neiging om informatie te filteren door een specifieke lens. Een schema is een concept dat de manier van informatieverwerking beïnvloed. Als iemand jou bijvoorbeeld vertelt dat Anne extravert is, en je ziet Anne in een film, zal je haar meer extravert vinden en zelfs informatie bij verzinnen om het beeld te bevestigen.

Volgens het model van Beck worden depressie en angststoornissen gekenmerkt door automatische negatieve gedachten, welke stemmingsafhankelijk zijn. Een aantal typische biases zijn: personalizing (‘event was directed at me’ ‘it was my fault’), catastrophizing (dingen zien als verwoestend), dichotoom denken (zwart-wit denken), fortune telling (toekomst voorspellen op basis van weinig info), discounting the positives (alleen naar het negatieve kijken), overgeneralizing (conclusies trekken aan de hand van één gebeurtenis), mindreading (toekennen van gedachten en gevoelens aan anderen op basis van weinig info) en labeling (jezelf of anderen zien in termen van stijve persoonskenmerken of moraal falen). Deze gedachten houden angst en depressie direct en indirect (negatieve impact op gedrag) in stand. Automatische negatieve gedachten worden ondersteund door aannamen, welke bestaan uit ‘should-statements’, ‘if-then statements’ en andere overgeneraliserende richtlijnen. Cognitive restructuring probeert de automatische gedachten te ontdekken, de situaties waarin ze worden opgeroepen en de gedachten wijzigen. Ook pakt het de aannamen aan.

Wat voor een rol spelen schema's bij persoonlijkheidsstoornissen?

Schema’s worden vaak behouden door de confirmatie-bias, de neiging om informatie te selecteren die in overeenstemming is met het schema. Schema’s zijn ook belangrijk bij persoonlijkheidsstoornissen. De cognitieve theorieën van Beck, Freeman en Davis en Young’s Schema Focused Therapy kijken naar de onderliggende schema’s onder specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Persoonlijke schema’s worden gekarakteriseerd door onderontwikkeling (bij OCD bijvoorbeeld spontaniteit) en worden vaak behouden door een gebiaste perceptie van anderen (bij OCD: anderen zijn onzorgvuldig). Young en collega’s noemen schema’s ‘early maladaptive schema’s’, wijzend naar de rol van socialisatie. Coping met een schema kan door ‘schema maintenance’  (mishandeld als kind, en later dominerende man zoeken), ‘schema avoidance’ (later vermijden van intieme relaties) of ‘schema overcompensation’ (proberen perfect te zijn).

Explanatory biases spelen een rol in geleerde hopeloosheid. De neiging om negatieve dingen toe te schrijven aan interne, stabiele oorzaken, om negatieven te generaliseren en veel waarde hechten aan het bepaalde gedrag, leidt tot een kwetsbaarheid voor depressie.

Wat voor visies bestaan er over cognitieve herstructurering?

Cognitieve herstructurering is een meerstaps procedure, bestaande uit 1. Ontdekken van automatische negatieve gedachten over zichzelf, de wereld en de toekomst, 2. Formuleren van rationele responsen op de gedachten, 3. Identificeren en verwijderen van cognitieve fouten, 4. Corrigeren van foute aannamen, assumpties en verwachtingen door middel van een socratisch dialoog. Het is ook belangrijk coping strategieën aan te leren en om positieve aannamen te ontwikkelen. Cognitieve herstructurering is een belangrijk actief onderdeel van CBT en is erg effectief voor onder andere depressie, angst, PTSS en woede.

De grondleggers van CBT zijn Ellis en Beck, welke leefden in de tijd van de psychoanalyse waarin een grote nadruk lag op het ego. Zij gingen op zoek naar een meer hier-en-nu benadering. De cognitieve revolutie ging langzaam, Kelly kwam in 1955 met ‘personal constructs’. De constructen die hij hier bedoelde staan gelijk aan wat wij nu kennen als schema’s. Kelly gaf aan dat psychopathologie kwam door verschillen in een individu’s constructie van de realiteit. Constructen verschillen per persoon, qua inhoud, openheid voor ontkrachting, en gemak waarmee nieuwe informatie geïntegreerd kan worden. Kelly kwam ook met de term ‘constructive alternativism’, mensen verschillen in de mogelijkheid alternatieven of opties te zien.

In het veld van de ontwikkelingspsychologie werd het idee dat alles even associeerbaar is onderuitgehaald. Chomsky gaf aan dat taal veel te complex en te universeel is om te kunnen worden geleerd via gewone reinforcement. Chomsky noemde dat alle mensen geboren zouden zijn met de vaardigheid taal te leren, ‘language acquisition device (LAD)’, wat mensen ‘language learners’ maakt. In sociale psychologie kwam naar voren dat schema’s invloed hebben op de manier waarop we dingen herinneren en dat schema’s aandacht sturen.
Seligman begon met het idee dat depressie de consequentie is van de perceptie dat gedrag en uitkomsten ongerelateerd zijn (noncontingent, hoe hard ik ook mijn best doe, het heeft geen invloed op de uitkomst). Dit model werd aangepast naar een cognitief model van depressie (aangeleerde hopeloosheid, reformulated model) onder de invloed van Weiner’s attribution cube. Volgens Weiner kan succes op een taak worden toegeschreven aan interne (vaardigheid of moeite) of externe factoren (moeilijkheid van de taak of geluk) en deze factoren kunnen stabiel (vaardigheid) of variabel (moeite) zijn. Weiner integreerde hiermee het idee dat cognitieve biases ten grondslag kunnen liggen aan depressie. Volgens het reformulated model is depressie een consequentie van het geloof dat falen komt door stabiele, interne factoren, wat gegeneraliseerd wordt naar alles dat als belangrijk wordt gezien. De ‘naive psychology’ van Heider had weer invloed op de ideeën van Weiner, naive psychology was geïnteresseerd in hoe mensen psychologische constructen als intentie en motivatie vormden en hoe mensen gedrag verklaren.

Volgens Ellis’s Rationeel Emotieve Therapie komt psychopathologie door irrationele aannamen (should-statements: ik moet leuk gevonden worden, awfulizing: het is vreselijk als ik niet slaag, en lage frustratie tolerantie: ik kan niet tegen wachten). Beck testte het freudiaanse idee dat depressie kwam door naar binnen gekeerde frustratie. Beck onderzocht dromen van depressieve mensen met de verwachting dat daar veel boosheid in naar voren kwam. Echter kwamen dezelfde thema’s naar voren als overdag: verdriet, falen en leegheid. Toen hij deze thema’s ging onderzoeken concludeerde hij dat depressieven negatieve automatische gedachten en een negatieve triade hebben: een negatief beeld van zichzelf, belevingen en de toekomst. De automatische gedachten werden aandachtspunt van therapie door te focussen op het veranderen en testen van deze gedachten.

Cognitieve herstructurering omvat methoden en technieken om de inhoud of geloofwaardigheid van gedachten te veranderen (onder andere ‘evaluating the evidence). Het verschilt van bijvoorbeeld positieve psychologie doordat het overtuigingen onderzoekt of test, wat ook kan leiden tot de conclusie dat de gedachte juist is. Een therapeut zal het cognitief model uitleggen aan de cliënt en het verschil duiden tussen gedachten en gevoelens. Ook bibliotherapie wordt vaak gebruikt bij de psychoeducatie (geven van flyers/boeken). Technieken bij cognitieve herstructurering:

  • Identificeren, monitoren en categoriseren van automatische gedachten: hierbij wordt vaak gebruik gemaakt van zelf-monitoren (zoals thought records) van situaties, gedachten, gevoelens en denkfouten. Cliënten gaan vaak patronen zien in de cognitieve fouten. Door het geloof in een gedachte erbij aan te geven kan geëvalueerd worden of de cognitieve herstructurering werkt.
  • Onderzoeken van de voor- en nadelen van de gedachten: er zijn vaak gedachten over gedachten (metacognities), zoals denken dat de gedachten ook voordelen hebben. Door dit te onderzoeken kun je achter conditionele regels of assumpties komen, welke ook onderzocht kunnen worden.
  • Definiëren van de termen: iemand kan zeggen dat hij een loser is, wanneer je vraagt wat een loser is en wat het tegenovergestelde is, komt er vaak een dichotoom antwoord: loser-winner. Er kan worden gekeken naar de voor- en nadelen van deze dichotome opvatting en de continuüm-techniek kan worden toegepast. Hierbij wordt gekeken of de cliënt ook voorbeelden kan noemen langs een continuüm van 0-100 van het construct (loser-winner). Dit leidt tot het herevalueren van het dichotoom, catastrofaal denken en het meer zien van proporties.
  • Onderzoeken van bewijzen voor en tegen de gedachte (examining the evidence): CBT gaat over de kracht van realistisch denken en gedragen. Essentieel voor het dealen met de werkelijkheid is om de werkelijkheid accuraat waar te nemen. Negatieve gedachten kunnen worden voorgelegd aan reality-checks door de bewijzen voor en tegen te onderzoeken en deze tegen elkaar af te wegen. Het doel is niet de gedachte te veranderen, maar om twijfel naar de negatieve gedachte te creëren. Een mogelijke techniek is de ‘defense attorney’, waarbij de cliënt wordt gevraagd of de rechter overtuigd zou zijn van de bewijzen voor de negatieve gedachte.
  • Vertical descent: de eerste negatieve gedachte is meestal niet de meest hinderlijke waardoor de therapeut dieper moet graven. Een techniek daarvoor is vertical descent, het constant vragen naar ‘als dat waar is, wat zou dat voor jou betekenen?’ ‘wat zou er dan gebeuren?’ ‘zijn er ook alternatieven?’ ‘hoe groot is de kans dat dat gebeurd?’. De informatie die daaruit komt leidt vaak tot de realisatie van de cliënt dat de gedachte absurd is.
  • Rational role-play against the belief: het achterhalen van onderliggende negatieve verdedigingen van automatische gedachten door middel van rollenspellen. Hierbij kan de cliënt de positie van de positieve, negatieve of alternatieve respons innemen en tegen of voor deze respons pleiten. Hierbij komen vaak andere verdedigingsmechanismen of aannamen naar boven, welke ook onderzocht kunnen worden op voor- en nadelen, bewijzen dat het werkt en vervolgens het onderzoeken van alternatieven.
  • Double-standard techniek: mensen zijn redelijk als zij anderen beoordelen, maar hard en kritisch als zij zichzelf beoordelen. De double-standard techniek onderzoekt de aard en redenen voor het aanhouden van een bepaalde standaard voor zichzelf en een veel lossere standaard voor anderen. Ook hier kan gebruik gemaakt worden van rollenspellen (wat als je iemand anders was?) en de gedachten of assumpties die naar voren komen kunnen weer onderzocht worden.
  • Gedragsexperimenten om de overtuiging te testen: dit is deel van het verzamelen en onderzoeken van bewijzen van negatieve gedachten. Een voordeel van gedragsexperimenten is dat het de gedachte direct uitdaagt en ontkrachtend bewijs kan opleveren. Daarnaast is het een manier van gedragsactivatie. Er worden specifieke verwachtingen opgesteld welke kunnen worden onderzocht. Diverse vormen van gedragsexperimenten zijn exposure (hoe lang denk je dat angst aanhoudt op 95%), mogelijkheid werk klaar te krijgen (hoeveel denk je dat je doen kunt?), voorspellen van plezier (hoe plezierig zal het zijn?) of voorspellen van discomfort (hoe onplezierig zal het zijn?).
  • Ontwikkelen van meer adaptieve gedachten en strategieën: wanneer een cliënt negatieve gedachten heeft ontdekt, onderzocht en uitgedaagd, meer adaptieve gedachten en gedragingen worden de focus van aandacht. Dingen die hierbij kunnen helpen zijn ‘coping kaarten’ (bijvoorbeeld negatieve gedachte aan de ene kant, aan de andere kant meer rationele, hulpvolle gedachten), specifieke plannen of een ‘bill of rights’, waarin bijvoorbeeld staat ‘meer acceptatie van zelf’. Ook meer adaptieve schema’s kunnen worden geïdentificeerd.

Gedachten komen niet voor in isolatie, maar hangen samen met gedrag, emoties en omgeving. Daarom wordt cognitive restructering gebruikt in combinatie met principes die de andere modaliteiten aanpakken en met het begrip dat er een bidirectionele invloed bestaat tussen de modaliteiten (verandering in het ene domein heeft ook invloed op het andere domein). Gedragsactivatie leidt bijvoorbeeld ook in veranderingen in gedachten door het doorbreken van de negatieve cirkel. Ook helpt het doelen te ontdekken en stellen en past het (gedrags-)strategieën toe om piekeren te verminderen, wat allemaal cognitief is. Dit maakt het ook lastig om te zeggen of het toevoegen van cognitive restructering noodzakelijk is, omdat ook zonder dit element veranderingen in cognities plaatsvinden en therapie effectief is. Ook wordt afgevraagd of het nodig is gedachten te ‘veranderen’. Acceptance and Commitment Therapy (ACT) stelt dat emotionele problemen niet komen door de inhoud van gedachten, maar de context van gedachten (hoe de persoon de gedachte ziet). ACT probeert mensen dan ook afstand te doen nemen van negatieve gedachten (mindfulness, acceptance) en ze niet actief uit te dagen, net als in Dialectical Behavior Therapy (DBT), welke gebruik maakt van acceptatie gerichte strategieën.

Cognitieve modellen van psychopathologie gaan ervan uit dat problemen in gedrag en emotie ontstaan door biases in de interpretatie of evaluatie van gebeurtenissen. Biases houden ook problemen in stand of versterken ze, zoals te zien bij depressie. Cognitieve biases worden dan ook gezien als mediators in depressie. De biases leiden tot schematisch verwerken: de neiging om informatie te filteren door een specifieke lens. Een schema is een concept dat de manier van informatieverwerking beïnvloed. Als iemand jou bijvoorbeeld vertelt dat Anne extravert is, en je ziet Anne in een film, zal je haar meer extravert vinden en zelfs informatie bij verzinnen om het beeld te bevestigen.

Access: 
Public
Wat is problem solving therapy en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 7

Wat is problem solving therapy en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 7

Wat is social problem solving?

Social problem solving (SPS) is een multidimensionaal proces waarin personen een effectieve manier proberen te vinden om om te gaan met een grote variëteit van stressvolle problemen waar men in het dagelijks leven tegenaan loopt. Er kunnen verschillende coping-responsen zijn voor verschillende situaties en tijden. Volgens de SPS-theorie worden de uitkomsten van SPS bepaald door: 1. Problem orientation, en 2. Problem-solving style.

Problem orientation is een set van stabiele cognitief-affectieve schema’s welke iemands aannamen, houdingen en emotionele reacties op problemen bevat en iemands mogelijkheid om succesvol om te gaan met deze problemen. Er zijn twee soorten problem orientation en het is belangrijk in therapie te onderzoeken welke problem orientation iemand heeft omdat het grote invloed kan hebben op de motivatie en vaardigheid om zich te focussen op het oplossen van problemen.

  • Een positieve problem orientation: problemen zien als uitdagingen, optimistisch zijn in het denken dat problemen oplosbaar zijn, een groot gevoel van eigen kunnen, tijd en moeite willen steken in probleemoplossen en negatieve emoties zien als deel van het proces.
  • Een negatieve problem orientation: problemen als bedreiging en onoplosbaar zien, twijfel over eigen kunnen van coping en gefrustreerd raken wanneer men wordt geconfronteerd met negatieve emoties of problemen

Problem solving style zijn de cognitief-gedragsmatige activiteiten die mensen uitvoeren wanneer ze problemen oplossen. Er zijn drie typen.

  • Rational problem solving: constructieve benadering waarin personen systematisch de volgende vaardigheden toepassen:
  1. Problem definition: probleem verduidelijken, doel opstellen, obstakels identificeren
  2. Generation of alternatives: oplossingen bedenken voor mogelijke obstakels
  3. Decision making: voorspellen van de consequenties van de alternatieven, hierop een kosten-baten analyse maken, oplossings-plan maken
  4. Solution implementation and verification: plan uitvoeren en evalueren
  • Impulsive or careless style: niet adaptieve stijl gekarakteriseerd door impulsieve, haastige en zorgeloze pogingen doen om problemen op te lossen.
  • Avoidant problem solving: niet adaptieve stijl gekarakteriseerd door uitstelgedrag, passiviteit afhankelijkheid van anderen om met oplossingen te komen.

Wat is problem solving therapy?

Het doel van problem solving therapie is het bevorderen van het aannemen en goed implementeren van adaptieve coping-strategieën en gedragingen. Het is ook gebruikt als middel voor terugvalpreventie, om therapietrouw te verbeteren, en om toekomstige psychopathologie te voorkomen in kwetsbare personen door hun vatbaarheid voor stress te verminderen. Problemen waar men tegenaan kan lopen in de therapie zijn: 1. Beperkte mogelijkheid om effectieve emotionele regulatie te gebruiken, 2. Gebiaste cognitieve verwerking, en 3. Beperkte motivatie door gevoelens van hopeloosheid. Om deze obstakels te overkomen heeft PST de volgende doelstellingen:

  1. Verbeteren van positieve problem orientation.
  2. Verminderen van negatieve problem orientation.
  3. Verbeteren doeltreffendheid rational problem solving.
  4. Minimaliseren van avoidant problem solving.
  5. Minimaliseren van impulsieve problem solving.

PST maakt gebruik van vier problem-solving toolkits om deze doelen te bereiken en oefent vaardigheden (guided practice) op real-life problemen, evenals in anticipatie op problemen in de toekomst. De vier toolkits zijn als volgt:

Problem Solving Multitasking Toolbox: deze box bestaat uit het helpen om problemen te overkomen terwijl met stressvolle situaties moet worden omgegaan (cognitieve overload). Ons brein is niet in staat om grote hoeveelheden informatie in ons werkgeheugen te verwerken tegelijkertijd met het oplossen van problemen of het maken van een beslissing. Personen wordt geleerd gebruik te maken van drie multitasking vaardigheden: externalisering (informatie extern weergeven, zoals ideeën opschrijven), visualisatie (begeleide visuele imaginatie van het probleem en mogelijke oplossingen) en simplificatie (opbreken van een groot probleem in hanteerbare kleine onderdelen).

Stop, slow down, think and act toolkit (SSTA): vooral belangrijk als het doel het verlagen van klinisch significante emotionele distress is of wanneer voorkomen moet worden dat emotionele zorgen extreem belangrijk gaan worden. De vaardigheid om negatieve emotionele arousal te moduleren en een meer bedachtzame manier van problem solving aan te nemen staat centraal. Ten eerste gaan mensen leren meer mindful te zijn door te focussen op het hoe en wat van stemming, cognitieve, gedrags- en fysieke symptomen. Vervolgens komt ‘stop’, gedragingen om de rem te zetten op en om het beter te kunnen hanteren van emotionele arousal (bijvoorbeeld schreeuwen). Dan 'slow down', het verlagen van het versnelde tempo waarmee negatieve emoties komen door technieken als meditatie en tot 10 tellen. De laatste twee stappen, ‘think’ en ‘act’ refereren naar het toepassen van de vier rationele problem solving stappen (defining, alternatives, decision making en implementation).

Healthy thinking and imagery toolkit: Deze kit richt zich voornamelijk op negatief denken en gevoelens van hopeloosheid en bevat strategieën voor cognitieve verandering om optimisme en een gevoel van bekwaamheid (self-efficacy) te verhogen. Er wordt gebruik gemaakt van het ABC model (A= activating event, B= beliefs/attitudes, C= emotional consequence gebaseerd op het belief) om te bepalen of een negatieve gedachte veranderd moet worden. Ook wordt gebruik gemaakt van omgekeerde advocaat van de duivel rollenspellen (therapeut neemt attitude cliënt aan en cliënt rol van therapeut die het onderuit moet halen). De tweede tool in deze kit is visualisatie om motivatie te verhogen en hopeloosheid te verminderen. Dit wordt gedaan om de cliënt te laten voelen hoe het is om iets goed te hebben opgelost, om het licht aan het eind van de tunnel te zien.

Planful problem solving toolkit: Deze bevat training in de vier rationele problem-solving stappen. Bij de eerst stap (problem definition: onderscheiden van feiten en assumpties, stellen van doelen, obstakels identificeren) wordt gebruik gemaakt van problem-focused doelen (situatie veranderen aan het probleem) en emotion-focused doelen (veranderen van cognitief-emotionele reacties aan situaties die niet veranderd kunnen worden). In de tweede stap (generation alternatives) wordt gebruik gemaakt van brainstormen.

Er wordt vanuit gegaan dat psychopathologie vaak begrepen kan worden als gevolg van ineffectieve coping. Dit wordt ondersteund door de bevinding dat mensen met ineffectieve problem solving strategieën vaker problemen in het leven ervaren, meer gezondheids- en fysieke problemen ervaren en meer alcohol misbruik, psychologische problemen, en zorgen rapporteren. SPS lijkt een moderator te zijn in de relatie stress-distress, waarbij in dezelfde situatie mensen met een ineffectieve stijl meer distress ervaren. PST blijkt ook een effectieve therapie, met training in problem orientation en huiswerkopdrachten als moderatoren voor therapie uitkomst.

Twee trends hebben bijgedragen aan het ontwikkelen van PST, ten eerste de interesse in cognitieve processen welke zelfcontrole faciliteren, ten tweede de herkenning dat doeltreffendheid van interventies verbeterd kan worden door strategieën toe te voegen welke gericht zijn op het ontwikkelen van positieve vaardigheden om sociale competentie en probleem oplossing verbeteren. Hierop volgend kwamen D’Zurilla en Goldfried met een trainingsmodel voor SPS, bestaande uit twee componenten: 1. Algemene oriëntatie (later: problem orientation), 2. Probleemoplossend vermogen. Hierbij gaven zij richtlijnen hoe de training toe te passen. Later is een lijst ontwikkeld voor het meten van SPS, de ‘Social Problem Solving Inventory’.
Naast individuele therapie is PST onder andere effectief bij groepstherapie. Het protocol bestond uit discussies van huidige problemen, maar bevatte geen systematische training in probleem oplossende vaardigheden. Dit bleek effectiever in het verbeteren van probleemoplossen en het verplaatsen van de locus of control naar intern dan andere therapieën. Het blijkt dat het betrekken van een significante andere in individuele therapie gunstige effecten heeft. PST wordt vaak gecombineerd met andere delen van CGT, PST met relaxatie en educatie bleek effectief te zijn in het verlagen van de bloeddruk door verbeterde SPS vaardigheden in mensen met hypertensie. Ook is PST gecombineerd met Graded Activity (GA), wat effectief bleek te zijn (minder ziektedagen op werk). PST kan ook worden toegevoegd aan therapie als middel om therapietrouw te verbeteren of terugval te voorkomen of kan worden gebruikt als preventiestrategie.

Er is ook gekeken of PST over de telefoon gegeven kan worden omdat veel mensen niet bij centra kunnen komen waar PST gegeven wordt. Dit bleek veel minder effectief dan face-to-face therapie. In mensen met borstkanker met lage basisniveaus van SPS bleek de interventie niet effectief (wellicht meer sessies nodig of face-to-face contact). Bij mensen met een gemiddelde of goede SPS aan het begin bleek het wel effectief (betere mentale gezondheid). Internettherapie is ook geprobeerd. Dit bleek net zo effectief als internet-CBT in het verminderen van depressie, maar gaf sneller resultaat dan CBT. PST kan ook worden opgenomen in een Collaborative Care Model, zoals IMPACT, het hele model bleek effectief, maar het losse effect van PST kon niet onderzocht worden.

Meer onderzoek is nodig naar:

  • De rol van PST op optimaal functioneren.
  • Interventies bij cardiovasculaire ziekten omdat dit grote impact heeft op iemands dagelijks leven.
  • Het voorkomen van ziekten met PST door het overkomen van obstakels van een gezonde levensstijl.
  • De hoe en wat van PST, moderators, mediators, het werkingsmechanisme en voor wie het werkt.
  • Nieuwe methoden om PST te leveren, zoals therapie via internet en telefoon.

Social problem solving (SPS) is een multidimensionaal proces waarin personen een effectieve manier proberen te vinden om om te gaan met een grote variëteit van stressvolle problemen waar men in het dagelijks leven tegenaan loopt. Er kunnen verschillende coping-responsen zijn voor verschillende situaties en tijden. Volgens de SPS-theorie worden de uitkomsten van SPS bepaald door: 1. Problem orientation, en 2. Problem-solving style.

Problem orientation is een set van stabiele cognitief-affectieve schema’s welke iemands aannamen, houdingen en emotionele reacties op problemen bevat en iemands mogelijkheid om succesvol om te gaan met deze problemen. Er zijn twee soorten problem orientation en het is belangrijk in therapie te onderzoeken welke problem orientation iemand heeft omdat het grote invloed kan hebben op de motivatie en vaardigheid om zich te focussen op het oplossen van problemen.

Access: 
Public
Wat is behavioral activation en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 9

Wat is behavioral activation en wanneer wordt het gebruikt? - Chapter 9

Wat is de achterliggende gedachte achter behavioral activation (BA)?

Behavioristen zien positieve reinforcement (PR) als fundamenteel voor menselijke ervaringen. Het is een eerste en continue invloed op gedrag, emotie en cognitie. Wanneer men onder invloed staat van PR voelt men zich ongecontroleerd, ongedwongen, dus vrij. Volgens behavioristen wordt de betekenis van gedrag gevonden in de reinforcers, consequenties en antecedenten van gedrag. Een betekenisvol leven bestaat uit contact met diverse, stabiele en persoonlijke betekenisvolle positieve reinforcers. Het doel van gedragsactivatie/behavioral activation (BA) is om iemand in contact te brengen met deze reinforcers, waardoor symptomen afnemen en meer betekenis aan het leven wordt gegeven. BA maakt gebruik van primaire (activity scheduling om in contact te komen met PR) en secundaire technieken (obstakels overkomen, goede activiteiten kiezen).

Hoe gaat BA in zijn werking?

Er zijn veel verschillende behandelprotocollen voor BA, maar een element dat overal terugkomt is ‘activity scheduling’. Activity scheduling wordt gekenmerkt door een aantal principes/kenmerken, waarvan de definities worden bekritiseerd:

  1. Het inplannen van specifieke activiteiten (dit geeft problemen in de definitie van BA, omdat er ook veel gebruik gemaakt wordt van technieken zoals activiteiten monitoren, vaardigheidstraining enz.).
  2. De focus ligt op activerende gedragingen om in contact te komen met positieve reinforcers (probleem: neemt niet mee dat BA ook focust op vermindering van vermijding en negatieve reinforcers).
  3. De term ‘reinforcement’ laat de theorie van BA meeliften op de grote hoeveelheid kennis over reinforcement, terwijl beter de term ‘beloning’ zou kunnen worden gebruikt
  4. De reinforcement moet stabiel, divers en persoonlijk betekenisvol zijn, waardoor dus niet alle reinforcers als gelijk behandeld worden.

Manos et al. hebben een BA-model gemaakt voor het ontstaan van psychopathologie, bestaande uit diverse onderdelen:

  • R: positieve reinforcement. Reinforcers kunnen worden verloren door bijvoorbeeld verlies van je werk of een geliefde. Hiernaast zijn reinforcers voor iedereen anders, de verschillen kunnen komen door genetische, biologische of cognitieve factoren (Lewinsohn). Ook is er de mogelijkheid dat positieve reinforcers aanwezig zijn in iemands omgeving, maar dat iemand de vaardigheid niet heeft ontwikkeld om contact te krijgen/behouden met de reinforcer of dat reinforcers van iemand ontnomen worden (bijvoorbeeld kind dat wordt mishandeld, financiële problemen).

    • R-: verhoogde negatieve reinforcement. Door het vermijden van nare dingen kom je ook niet in contact met positieve reinforcers. Hierdoor kunnen stoornissen als depressie ontstaan en worden ze in stand gehouden.
    • R+: verhoogde positieve reinforcement. Er bestaat ook positieve reinforcement voor problematisch gedrag. Een voorbeeld is een depressieve man die positieve aandacht van zijn vrouw krijgt omdat hij thuisblijft van werk. Om achter deze factoren te komen moet een functie analyse worden gedaan.
  • M: mood (stemming). Mood en reinforcers zijn in het model samen genomen in een overeenkoepelende box omdat ze vaak samen covariëren. Wanneer positieve reinforcements verdwijnen, ontstaan klachten in mood.
  • B: behavior (gedrag). Wanneer positieve reinforcement afneemt, zal het gedrag dat behouden werd door de reinforcement afnemen of verdwijnen. Voor zover reinforcers gegeneraliseerd en groot waren, verwachten we ook grote, gegeneraliseerde afname in gedrag (Activatie). Tegelijkertijd wordt de omgeving gekarakteriseerd door meer negatieve en positieve reinforcement voor depressief gedrag, wat leidt tot vermijding en depressief gedrag. Wanneer gedrag veranderd is in respons op de omgeving, zal de omgeving meer veranderen (niet meer socializen door vermijding - verlies positieve reinforcers - meer depressie - meer vermindering gedrag). Dit wordt in het model aangegeven door de pijl van B naar R.
  • D: depressie. Depressie wordt volgens het model niet verklaard door vermindering van positive reinforcement en verminderd gedrag, maar het resultaat van een vicieuze cirkel tussen reinforcers, stemming en gedrag.

Het model kan ook worden aangepast naar doelen van behandeling (T). Activity scheduling zorgt direct voor een toename van gedrag en secundaire technieken zorgen voor een vermindering van vermijding en depressief gedrag. Technieken (vooral contingency management) de omgeving direct veranderen in plaats van via gedrag van de cliënt. Deze verandering in omgeving, samen met de verandering in omgeving door verandering in gedrag van de cliënt zorgt voor het doorbreken van de vicieuze cirkel en het ontstaan van een gezondere cirkel gekarakteriseerd door: positieve reinforcement van activerend gedrag -> versterken en behouden van omgevingsinvloeden (pijl van R naar B) -> verbetering in mood -> minder depressie.

Tegen wat voor uitdagingen en problemen loopt men aan met BA?

Onderzoek naar BA’s model van psychopathologie heeft gebruik gemaakt van ‘Pleasant Events Schedule’s’ (PES). PES meet reinforcement over een periode, maar dit model klopt niet helemaal. PES verwart R en M, alleen plezierige items werden opgenomen in het model en het model gebruikt M als indicator voor R, dit kan alleen niet omdat R en M niet uit elkaar te halen zijn. Huidige modellen gebruiken activiteiten als metingen van R. Hiernaast verwart PES R met B, het BA model kijkt naar gedrag dat volgt op R (R -> B), het PES kijkt naar gedrag dat leidt tot R (B -> R). Ook al is het model niet perfect, resultaten van studies die PES gebruiken komen overeen met resultaten uit BA studies. Zo wordt in beide gevonden dat er een relatie is tussen R en D, maar niet duidelijk is of D leidt tot vermindering van R of dat vermindering van R leidt tot D. Veel studies hebben gebruik gemaakt van dagboeken. Uit deze onderzoeken is gebleken dat veel relaties uit het BA model bestaan, alleen kan causaliteit niet worden vastgesteld. Zo is gevonden door Carvalho en Hopko dat R een mediator is tussen vermijdingsgedrag en depressie (B -> R -> D: de lijn van B naar R in het model), maar ook hier kan geen causaliteit vastgesteld worden.

Treatment outcome research laat goede effectsizes zien voor BA, het staat gelijk aan cognitieve therapie. Treatment process research onderzoekt het werkingsmechanisme, dit laat zien dat T leidt tot verandering in R, M, B en D, omdat gebruik werd gemaakt van het PES model kan geen directie aangegeven worden. De onderzoeken laten ook zien dat BA’s veranderingsmechanisme specifiek is voor BA behandelingen. Andere vormen van behandeling laten ook verbetering zien in stemming, verhoogde activiteit en in elementen die als R worden gezien. Dit suggereert dat de relatie tussen M en R ook anders kan lopen als in het BA model (R -> M), namelijk van M -> R. Dit is geen probleem voor het BA model, zolang het model wordt gezien als één mogelijk model en niet als het enige model. Dit wordt bevestigd door een aantal single-subject onderzoeken waarin het BA model klopte voor een aantal cliënten, maar niet voor alle.

Veel onderzoek is consistent met het BA model. Zo is aangetoond in bijvoorbeeld het ARMDA model (Activity Restriction Model of Depressed Affect) dat stressvolle levensgebeurtenissen kunnen leiden tot depressie. Levensgebeurtenissen worden hier gezien als R en bestonden uit onder andere ziekten of het zorgen voor zieke naasten (R -> D). Volgens dit model zorgen de levensgebeurtenissen voor een vermindering van activiteiten die als belonend worden gezien, zoals sporten, wat leidt tot depressieve symptomen (R -> B -> D).

Control theorie suggereert dat depressie komt door hindering in het behalen van doelen. BA noemt als doel van activity scheduling ‘het in contact komen met diverse, stabiele en persoonlijk betekenisvolle bronnen van positieve reinforcement’. Er is gevonden dat de beste manier om op lange termijn mentaal gezond te blijven het streven naar diverse hogere-orde doelen, wat activiteiten een doel geeft om naartoe te werken. Een verstoring in iemands kunnen om deze doelen te halen voorspelt depressie.

Bij mensen met depressie is het reward circuit in de hersenen verstoord. Dit hangt samen met het BA model omdat veranderingen in reinforcement uit de omgeving veranderingen teweeg moeten brengen in stemming en gedrag, maar ook in het onderliggende reward circuit dat stemming en gedrag medieert. Er is gevonden dat verstoringen in het reward circuit normaliseren (R) na BA therapie.

Skinner was de eerste die de relatie tussen depressie en verstoringen in positieve reinforcement. Lewinsohn ging hierop door en ontwikkelde een behandel-manual waarin technieken als activity scheduling en social skills training werden opgenomen. Later werd de manual uitgebreid met cognitieve en relaxatie trainingen. In deze vroege fase van BA werd duidelijk dat zowel gedragstherapie als cognitieve therapie werkzaam waren voor depressie en vele vormen van BA ontstonden (alle met als centraal component activity scheduling). In de jaren ‘70/’80 ontstond steeds meer een trend naar een gecombineerde cognitieve-gedragstherapie. Grote invloed daarop had de cognitieve therapie van Beck. Hierin werd activity scheduling opgenomen als secundaire techniek gericht op het faciliteren van cognitieve verandering (in plaats van gedragsverandering). In een componenten analyse bleek echter dat activity scheduling zonder cognitieve technieken voldoende was voor de behandeling van depressie, waarna het een opzichzelfstaande therapie is geworden.

Aan de hand van de componenten analyse zijn twee vormen van gedragstherapie ontstaan: BA en BATD (behavioral activation treatment for depression). Beide gaan ervan uit dat depressie komt door te weinig positieve reinforcement, maar verschillen ook op diverse vlakken. BA gaat uit van Lewinsohn’s model, welke focust op activity scheduling en activatie technieken welke ook in CT worden gevonden (activity monitoring, contingency management, skills training). Het is theoretisch gebaseerd op het functioneel contextueel perspectief en Fernster’s idee dat depressieven ook veel vermijdingsstrategieën gebruiken wat leidt tot vermindering van positive reinforcement. BA focust dan ook op vermijding en leert mensen functioneel analytische technieken om hun gedrag te begrijpen. BATD is gebaseerd op de ‘matching law’, wat niet alleen naar positive reinforcement kijkt, maar naar de ratio tussen reinforcement voor depressief gedrag ten opzichte van reinforcement voor niet-depressief gedrag. BATD is gestructureerder dan BA, het begint met een assessment waarin een hiërarchie wordt opgesteld van specifieke activiteiten waarna de therapie zich focust op activity scheduling en contingency management (om de familie te betrekken voor steun en het veranderen van de omgeving). BA en BATD zijn effectief gebleken in vele populaties.

Ook al is er uit component analyse gebleken dat BA voldoende is en CT niet hoeft te worden toegevoegd, zijn de resultaten niet eenzijdig. Andere studies laten zien dat CT technieken wel degelijk bijdragen aan betere resultaten. Het is moeilijk vast te stellen wat tot verandering leidt omdat de twee componenten (CT en BA) met elkaar verweven zijn en vaak met elkaar verward worden in metingen. Geconcludeerd kan worden dat behavioral activation een actief component is in de meeste gevallen bij zowel CT als BA, het werkingsmechanisme is nog niet duidelijk.

Naast activity scheduling zijn er andere technieken die worden gebruikt in BA. Deze technieken worden beschouwd als consistent met BA als ze meewerken aan het doel van het plannen van activiteiten om in contact komen met positive reinforcement, als nieuw gedrag wordt geleerd dat positief reinforcing is. Relaxatie bijvoorbeeld heeft als doel angst te verminderen (niet consistent met BA) en wordt als deel van BA gezien als de angst iemand ervan weerhoudt om activiteiten te ondernemen.

Behavioristen zien positieve reinforcement (PR) als fundamenteel voor menselijke ervaringen. Het is een eerste en continue invloed op gedrag, emotie en cognitie. Wanneer men onder invloed staat van PR voelt men zich ongecontroleerd, ongedwongen, dus vrij. Volgens behavioristen wordt de betekenis van gedrag gevonden in de reinforcers, consequenties en antecedenten van gedrag. Een betekenisvol leven bestaat uit contact met diverse, stabiele en persoonlijke betekenisvolle positieve reinforcers. Het doel van gedragsactivatie/behavioral activation (BA) is om iemand in contact te brengen met deze reinforcers, waardoor symptomen afnemen en meer betekenis aan het leven wordt gegeven. BA maakt gebruik van primaire (activity scheduling om in contact te komen met PR) en secundaire technieken (obstakels overkomen, goede activiteiten kiezen).

Access: 
Public
Wat houdt positieve psychologie in? - Chapter 13

Wat houdt positieve psychologie in? - Chapter 13

Wat is positieve psychologie?

Positieve psychologie is de studie naar optimaal functioneren met als doel het beter begrijpen en toepassen van dingen die personen en samenlevingen helpen te bloeien. Het perspectief van positieve psychologie zoekt balans tussen werken aan zwaktes en aandacht besteden en versterken van sterke kanten. Voor de Tweede Wereldoorlog was er aandacht voor positieve psychologie, echter na de Tweede Wereldoorlog verdween deze aandacht en kwam er alleen nog maar onderzoek naar behandeling van psychopathologie. De focus kwam op ziektemodel, waarin alleen naar zwakten en gebreken werd gekeken. Pas rond 1998 kwam de positieve psychologie weer op door Seligman. Positieve psychologie maakt gebruik van een aantal principes: Strengths theory, Broaden and Build Theory of positive emotions, Complete State model of Mental Health en de Four-front approach to client assessment.

Wat is de strengths theorie?

Strengths theorie stelt dat het begrijpen en bouwen op sterkte kanten, terwijl zwaktes worden beheerst essentieel is voor groei en welzijn. Dit gaat in tegen de meest voorkomende manier van denken, werken aan zwaktes en de sterkte kanten op zijn beloop laten, wat je bijvoorbeeld ziet op scholen en ook in therapie. Volgens de strengths theorie is deze manier van denken fout omdat wanneer je aandacht besteed aan sterkte kanten, deze zich veel beter zullen ontwikkelen. Een tweede denkfout is dat sterktes en zwaktes twee tegenstellingen zijn en dat door aandacht te besteden aan een zwakte deze een sterke kant kan worden. Je kunt niet alles over mentale gezondheid leren door alleen naar zwaktes te kijken, er moet ook gekeken worden zijn positieve bijdragen, wat een groot punt is om gedragsverandering te bewerkstelligen in positieve psychologie. Een laatste denkfout wat mensen weerhoudt om een positief psychologisch punt aan te nemen is de gedachte dat mensen alles kunnen, als ze het maar willen. Dit is onjuist omdat iedereen eigen sterktes heeft wat ze succesvol kan maken in het ene, maar niet in het andere. Als je vast blijft houden aan dingen waarin jouw sterkte niet ligt zal dit leiden tot negatieve gevoelens.

Wat is de Broaden and Build theory of positive emotions (B&B theorie)?

Er is veel onderzoek naar de functie van negatieve emoties, maar onderzoekers noemen dat positieve emoties geen andere functie hebben dan signaleren dat er geen negatieve emotie is. De B&B theorie laat zien dat positieve emoties wel van belang zijn. De theorie bestaat uit diverse hypotheses:

Broaden hypothese: volgens Frederickson leiden positieve emoties tot een verbreding van gedachten-actie repertoires. Je ziet dus meer mogelijkheden. Dit is het tegenovergestelde wat gebeurd bij negatieve emoties, waarin een tunnelvisie ontstaat waarin minder opties, maar specifiekere opties worden gezien (vluchtreactie), welke adaptief zijn in de situatie. Het verbreden van opties bij positieve emoties is ook adaptief, alleen op de lange termijn, voornamelijk door het opbouwen van bronnen. De hypothese werd onderzocht door filmpjes te laten zien welke een positieve, neutrale of negatieve emotie bevatte en dan de participanten een taak te laten maken waaruit zou blijken of ze breed of smal dachten (meer antwoorden of een breder antwoord bij positieve emoties).

Build hypothese: volgens deze hypothese worden persoonlijke bronnen opgebouwd door de tijdelijke verbreding van de gedachte-actie repertoires tijdens positieve emoties. Er worden fysieke bronnen (coördinatie, spierkracht en cardiovasculaire gezondheid), sociale bronnen (vriendschap, support en sociale vaardigheden), intellectuele bronnen (kennis en probleemoplossing) en psychische bronnen (creativiteit, optimisme en veerkracht) opgebouwd (denk aan spelende kinderen, ervaren plezier en bouwen de rest daardoor op). Deze bronnen behoud je over tijd. De hypothese wordt ondersteund door bevindingen dat veilig gehechte mensen meer open, flexibel en vasthoudend zijn in probleemoplossen en dat leren beter gaat wanneer je in een positieve emotionele staat bent.

Undoing hypothese: positieve emoties hebben de kracht om slepende negatieve emoties ongedaan te maken. Gedachte-actie repertoires kunnen niet tegelijkertijd verbreed en versmald worden. Dus door een positieve emotie op te wekken, wordt de lens waardoor je de wereld ziet verbreedt, waardoor de grip op de negatieve emotie afneemt. Dit ‘undoing’ effect vindt op zowel cognitief als fysiek gebied (bloeddruk, hartslag etc.) plaats. In een studie werden constant fysieke metingen verricht, een baseline, vervolgens gedurende inductie van angst, daaropvolgend gedurende de inductie van een tweede emotie (positief, neutraal of verdriet). In de positieve emotie conditie keerde de fysieke metingen sneller terug naar het baseline niveau.

Resilience hypothese: de hypothese noemt dat opwaartse spiralen van welzijn worden getriggerd door het verbredende effect van positieve emoties. Negatieve emoties leiden tot een neerwaartse spiraal doordat denken versmalt en negatief blijft. Dit leidt tot meer negatief affect. Positieve emoties verbreden denken, waardoor meer opties worden gezien en men optimistischer denkt. Dit versterkt de positieve emotie en helpt te bouwen aan coping-vaardigheden. Uit onderzoek is gebleken dat positief affect en coping elkaar versterken.

Flourish hypothese: ‘flourish’ is het optimaal leven en het ervaren van goede dingen in het leven als persoonlijke groei en veerkracht. Een voorspeller hiervoor is de ratio tussen positief en negatief affect, welke 2.9 (pos.) tot 1 (neg.) moet zijn om flourish te ervaren. Wanneer de ratio daaronder komt ervaart men problemen, ratio’s tot 11.6-1 promoten flourishing, daarboven leidt het weer tot verstoringen.

    Wat is een complete state model of mental health?

    Dit model stelt dat mentale gezondheid en mentale ziekte op twee verschillende continuüms liggen. Assessment levert een mate van gezondheid en een mate van ziekte op. Dit levert vier verschillende soorten cliënten op:

    • Compleet mentaal gezond/flourishing: lage mentale ziekte en hoge mentale gezondheid
    • Compleet mentaal ziek/floundering: hoge mentale ziekte en lage mentale gezondheid
    • Incompleet mentaal gezond/languishing: lage mentale ziekte en lage mentale gezondheid
    • Incompleet mentaal ziek/struggling: hoge mentale ziekte en hoge mentale gezondheid

    Cognitieve en gedragsveranderingen worden afgestemd op de categorie waarin je valt. Er wordt gestreefd naar de flourishing categorie. Er wordt dus zowel gewerkt aan het verminderen van mentale ziekte als aan het verhogen van mentale gezondheid.

    Wat is de four-front assessment approach?

    Dit stelt dat iedereen zowel krachten als zwakten heeft en zowel kansen als destructieve invloeden in de omgeving heeft. De therapeut moet naar alle vier deze gebieden kijken en niet alleen naar de zwakten en problematische omgevingsinvloeden (negatieve bias) omdat de krachten en hulpbronnen vanuit de persoon en omgeving dan niet volledig gebruikt worden. De omgeving wordt vaak vergeten mee te nemen omdat de informatie hierover minder bereikbaar is en vanwege een fundamentele attributie fout (de neiging om gedrag toe te schrijven aan interne factoren en geen rekening te houden met externe invloeden).

    De principes van positieve psychologie zojuist beschreven hebben geleid tot een aantal positief psychologische interventies:

    Wat is positieve psychotherapie?

    Deze therapie richt zich op het versterken van krachten en positieve emoties en het verhogen van betekenis in de levens van de cliënten om psychopathologie te verlichten en geluk te bevorderen. Therapeuten besteden aandacht aan en lokken positieve emoties en herinneringen uit in het gesprek met de cliënt. Ook gaan ze het gesprek aan over problemen van de cliënt, met als doel het positieve en negatieve te integreren (bijvoorbeeld in het helpen omgaan met een tragedie kan ook genoemd worden dat die tragedie heeft geleid tot ontwikkeling van een aantal sterke kanten). Deze vorm van therapie is gebaseerd op het werk van Seligman, wie stelt dat een geluk bestaat uit het plezierig leven (plezier: wordt bereikt als je positieve emoties kan ervaren over je verleden, het heden en de toekomst), het betrokken leven (betrokkenheid: bereikt wanneer je diep betrokken bent en opgaat in wat je doet in meerdere levensdomeinen) en het betekenisvolle leven (betekenis: je sterke kanten gebruiken in dienst van iets groters dan jijzelf). Het lege leven, wanneer een van deze elementen ontbreekt, is een risicofactor voor psychologische problemen. De therapie moet afgestemd worden op de cliënt.

    Wat is quality of life therapy?

    Dit mixt positieve psychologie met cognitieve therapie om cliënten te helpen doelen, behoeften en wensen te ontdekken en naar toe te werken zodat een leven van kwaliteit en tevredenheid ontstaat. In ieder stadium van therapie wordt een link gelegd tussen levensdoelen, behoeften, wensen, en de interventies. Er wordt bij cliënten naar zowel krachten, zwakten als psychopathologie gekeken in 16 gebieden van dagelijks functioneren. Deze vorm van therapie is gebaseerd op het CASIO model, waarin wordt gesteld dat tevredenheid in een levensdomein bestaat uit vier componenten:

    1. De objectieve Circumstances of Characteristics van het levensdomein
    2. De subjectieve Attituden, percepties en interpretaties van het domein
    3. De evaluatie over vervulling van het domein, gebaseerd op de Standaard over wat vervulling inhoudt op dat domein
    4. De Importance die toebedeeld wordt aan het levensdomein ten aanzien van algeheel welzijn

    De O staat voor de overall tevredenheid in het leven.

    In de therapie wordt gewerkt aan meer tevredenheid in belangrijke gebieden van hun leven door te kijken hoe ze hun doelen en behoeften kunnen bereiken door het volgen van het CASIO model (aanpassen omstandigheden/attituden/standaarden/doelen/waarde die eraan gehecht wordt). Er wordt gekeken naar wat te veranderen is, wat onder de controle van de cliënt ligt. Ten slotte wordt cliënten geleerd te kijken naar levensgebieden waar ze overheen hebben gekeken.

    Wat is well-being therapy?

    Dit is een korte, gestructureerde, directieve en probleemgerichte behandeling gebaseerd op Ryff’s cognitief model van psychologisch welzijn. Het maakt gebruik van zelf-observatie, dagboek bijhouden en cliënt-therapeut interacties om welzijn te vergroten. Ryff’s model van psychologisch welzijn bevat 6 dimensies: environmental mastery, persoonlijke groei, doel in het leven, autonomie, zelfacceptatie en positieve relaties met anderen. Het doel van therapie is mensen naar hoge levels van functioneren te begeleiden in deze 6 gebieden. Dit wordt gedaan door ervaringen van welzijn op deze gebieden te identificeren en ze te evalueren, zodat mensen bewust worden van hun welzijn. De volgende stap is het identificeren van gevoelens geassocieerd met welzijn evenals gedachten die welzijn in de weg staan (negatieve automatische gedachten, net als bij CBT). De gedachten worden uitgedaagd en gedragingen welke welzijn veroorzaken worden aangemoedigd. Ten slotte vindt educatie plaats over de zes gebieden van welzijn en moet de cliënt connecties leggen met zijn eigen leven. De belangrijkste technieken in deze therapie: cognitive restructuring, activity scheduling, assertiviteitstraining en problem solving.

    Wat is hope therapy?

    Het stelt dat emoties volgen op gedachten over het al dan niet behalen van doelen (wel behalen leidt tot positieve emotie; niet behalen leidt tot negatieve emotie). De therapie is kort, semi gestructureerd en focust op huidige doelen, kansen en successen in plaats van op problemen. In therapie worden doelen geconceptualiseerd, wordt geleerd diverse wegen erheen te bedenken en wordt energie gecreëerd om te kunnen blijven werken aan doelen, zodat zelf-percepties met betrekking tot hun vaardigheid de doelen te kunnen behalen positief veranderen. Hope therapie bestaat uit vier componenten:

    • Hope finding: het onderzoeken van de hoop die iemand heeft waarop gebouwd kan worden in het proces van verandering. Dit wordt gedaan door middel van verhalen en self-reports.
    • Hope bonding: het bouwen aan een sterkte therapeutische relatie door de cliënt te betrekken in het plannen van de therapie en einddoelen, terwijl geprobeerd wordt de cliënt als geheel te begrijpen.
    • Hope enhancing: het verhogen van hoopvol denken door de aandacht van de cliënt te verleggen van het verminderen van negatieve naar het verhogen van positieve gedragingen. Wat kan helpen is cliënten te vragen wat ze in het algemeen motiveert of heeft gemotiveerd in het verleden en hoe ze in het verleden obstakels zijn overkomen. Ook positieve self-talk over hun vaardigheden om een doel te bereiken en ze leren dat het proces naar een doel toe net zo leuk kan zijn als het behalen van een doel is behulpzaam.
    • Hope reminding: het leren van cliënten om hoopvolle gedachten te monitoren en om hoop-versterkende technieken te gebruiken zodat ze na therapie hoge levels van hoop kunnen behouden.

    Positieve psychologie is de studie naar optimaal functioneren met als doel het beter begrijpen en toepassen van dingen die personen en samenlevingen helpen te bloeien. Het perspectief van positieve psychologie zoekt balans tussen werken aan zwaktes en aandacht besteden en versterken van sterke kanten. Voor de Tweede Wereldoorlog was er aandacht voor positieve psychologie, echter na de Tweede Wereldoorlog verdween deze aandacht en kwam er alleen nog maar onderzoek naar behandeling van psychopathologie. De focus kwam op ziektemodel, waarin alleen naar zwakten en gebreken werd gekeken. Pas rond 1998 kwam de positieve psychologie weer op door Seligman. Positieve psychologie maakt gebruik van een aantal principes: Strengths theory, Broaden and Build Theory of positive emotions, Complete State model of Mental Health en de Four-front approach to client assessment.

    Access: 
    Public
    Wat betekent de term acceptance binnen de CBT? - Chapter 14

    Wat betekent de term acceptance binnen de CBT? - Chapter 14

    Wat is het idee achter "acceptance"?

    Acceptance heeft een prominente plaats ingenomen in CBT. Ten eerste omdat is gebleken dat acceptatie voordelen heeft ten opzichte van non-acceptatie en ten tweede de bevinding dat negatieve gedachten en emoties niet veranderbaar zijn en dus wellicht geaccepteerd moeten worden. Er zijn diverse definities van acceptatie, ACT (acceptance and commitment therapy) beschrijft het als ‘het nemen van een open, receptieve, niet beoordelende houding’. DBT (dialectical behavior therapy) voegt daaraan toe dat er niet aan de ervaring vastgehouden moet worden en niet geprobeerd moet worden van de ervaring af te komen. Experiential avoidance (vermijdingsgedrag) is het tegenovergestelde van acceptatie. Vermijding van private ervaringen (gedachten, gevoelens, herinneringen, lichamelijke sensaties en gedragsneigingen) is alleen effectief op de korte termijn, maar kan voor problemen op de lange termijn zorgen.

    Hoe wordt acceptance toegepast?

    In therapie wordt acceptatie op veel verschillende manieren toegepast. Bijvoorbeeld door het coachen van openheid voor de ervaring bij exposure door bijvoorbeeld te vragen het ongemak voor korte tijd te accepteren. In mindfulness maken ze gebruik van equanimity (berusting), wat inhoudt dat je gedachten en emoties ‘alleen opmerkt’. Om acceptatie te bereiken worden veel metaforen gebruikt. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect zowel acceptatie als vermijding:

    • Thought suppression: het actief onderdrukken van gedachten leidt op de korte termijn tot een grote toename van de gedachte (rebound effect, denk aan de roze olifant). Op de lange termijn blijkt het samen te hangen met klinische problemen als o.a. depressie en middelenmisbruik. Onderdrukking heeft hiernaast een grote kans op mislukken onder stressvolle omstandigheden en maakt individuen sensitief voor schadelijke omgevingsinvloeden.
    • Vermijdingsgedrag: dit hangt samen met slechtere mentale gezondheid en kwaliteit van leven. Het is geassocieerd met o.a. depressie, angst, specifieke fobieën en meer pijn.
    • Expressive writing: cliënten wordt gevraagd ‘dingen echt los te laten en je diepste emoties en gedachten te onderzoeken’. Het schrijven over je emoties blijkt positieve effecten te hebben op o.a. stemming, betere schoolprestaties en betere gezondheid in gezonde proefpersonen en in bredere populaties.
    • Acceptatie in vergelijking met andere coping-strategieën: Onderdrukking en vermijding zijn geassocieerd met verhoogde angst. Acceptatie gerichte coping is meer effectief gebleken dan controle-gebaseerde coping als onderdrukking, vermijding en cognitieve herstructurering (reappraisal). Uit een ander onderzoek bleek dat reappraisal (herwaardering) net zo effectief was als acceptatie en dat het effectiever was voor het veranderen van het subjectieve gevoel van angst en woede, maar dit was te verwachten omdat acceptatie niet als doel heeft subjectieve distress te verminderen. Wat gesteld kan worden is dat suppressie leidt tot verhoogde distress maar dat acceptatie niet per se leidt tot verminderde distress (dat zou ook raar zijn, want acceptatie en vermindering zijn twee verschillende dingen). Wat wel vreemd is, is dat in deze studies bleek dat acceptatie ook geen invloed had op taak volharding, terwijl dat wel wordt verwacht, maar mogelijk komt dit door de te korte instructies over acceptatie.

    Wat zijn de varianten van CBT?

    Acceptance werd geïntroduceerd in CBT door Ellis, met zijn Rational Emotive Therapy (RET). RET moedigt onvoorwaardelijke acceptatie van zelf en anderen aan en benadrukt dat niet een persoon moet worden beoordeeld, maar de gedachten, gevoelens en gedragingen. RET focust op het aanleren van acceptatie en het bouwen van tolerantie omdat het denkt dat psychopathologie zich ontwikkeld door het niet accepteren van dingen. Beck ziet acceptatie niet als mechanisme van verandering, maar erkent het wel als klein component. Hij ziet het als middel om cognitieve verandering te bewerkstelligen (acceptatie van discomfort is bijvoorbeeld nodig om exposure in te gaan).

    Nieuwere varianten van CBT zijn acceptatie gaan zien als een centraal mechanisme:

    • Acceptance-based behavior therapies: Breidt gewone CBT uit met acceptance-based componenten. Het is effectief gebleken in GAD, ook is gesuggereerd dat het acceptatie proces een actief veranderingsmechanisme is.
    • Acceptance en commitment therapie: Acceptatie wordt gebruikt als manier om te stimuleren in contact te komen met ervaringen die werden vermeden. Dit heeft als doel mensen naar een meer actieve manier van leven te leiden. ACT is effectief gebleken bij diverse stoornissen en minstens even effectief als andere behandelvormen.
    • Dialectical Behavior Therapy: DBT doelt op acceptatie, mindfulness, emotie regulatie, tolerantie van distress en interpersoonlijke vaardigheden. Het is effectief gebleken bij borderline patiënten.
    • Integrative Behavioral Couples Therapy: IBCT benadrukt dat intimiteit in een relatie kan door het accepteren van elkaar en elkaars gedrag. Ook helpt IBCT de partners hun eigen emotionele staten welke opkomen in de interactie te herkennen en accepteren.
    • Meta-cognitive therapy: Gebruikt acceptatie als middel om aandachtsprocessen te veranderen. Het veranderen van aandachtsprocessen wordt gesuggereerd het mechanisme te zijn wat gedachten doet veranderen.
    • Mindfulness-based cognitive therapy: cliënten wordt mindfulness meditatie geleerd, wat een open, niet beoordelende houding inhoudt ten opzichte van negatieve cognities, emoties en lichamelijke staten. Het is vooral effectief bij depressieve mensen die nergens anders op reageren en als terugvalpreventie bij mensen met terugkerende depressies.

    Wat is de context van acceptatie in CBT?

    Acceptatie hangt samen met andere componenten van CBT:

    • Relaxatie: dit kan samengaan met acceptatie (bijvoorbeeld in exposure helpt relaxatie arousal te accepteren), maar kan ook tegen werken (als het doel afleiding of vermindering van moeilijke emoties en cognities, dan is het vermijding).
    • Emotie regulatie: adaptieve emotie regulatie kan mindfulness zijn (acceptatie), maladaptieve regulatie is vermijding of overbetrokkenheid.
    • Exposure: acceptatie dient om het exposure-proces te faciliteren waardoor angstreductie plaats kan vinden. De vermindering van angst zou bijdragen aan betere levenskwaliteit. Een studie heeft gevonden dat angstreductie echter niet samenhangt met therapeutische uitkomsten. Dit suggereert dat in exposure meer psychoeducatie en acceptatie opgenomen moet worden omdat veel mensen angstig blijven na exposure.
    • Cognitive restructuring: het idee dat cognitieve interventies welke gedachten veranderen verantwoordelijk zijn voor therapeutische vooruitgang wordt steeds meer betwijfeld. Het lijkt dat, net als bij exposure, veel mensen na cognitieve interventies nog steeds klachten hebben, wat zou kunnen duiden dat acceptatie een grotere rol moet gaan spelen in de therapie. Dit wordt ondersteund door de effectiviteit van mindfulness gebaseerde interventies.
    • Behavioral activation: activiteiten gaan ondernemen, ook al zijn je emoties en cognities daarover negatief, vergt een mate van acceptatie.

    Meer onderzoek is nodig naar wat nou het werkingsmechanisme is van CBT en of het daadwerkelijk zo goed is. Steeds meer vraagtekens ontstaan of het aanpakken, uitdagen en veranderen van gedachten wel effectief is omdat vaak gedachten en emoties blijven bestaan. Onderzocht moet worden of acceptatie dan niet beter is.

    Acceptance heeft een prominente plaats ingenomen in CBT. Ten eerste omdat is gebleken dat acceptatie voordelen heeft ten opzichte van non-acceptatie en ten tweede de bevinding dat negatieve gedachten en emoties niet veranderbaar zijn en dus wellicht geaccepteerd moeten worden. Er zijn diverse definities van acceptatie, ACT (acceptance and commitment therapy) beschrijft het als ‘het nemen van een open, receptieve, niet beoordelende houding’. DBT (dialectical behavior therapy) voegt daaraan toe dat er niet aan de ervaring vastgehouden moet worden en niet geprobeerd moet worden van de ervaring af te komen. Experiential avoidance (vermijdingsgedrag) is het tegenovergestelde van acceptatie. Vermijding van private ervaringen (gedachten, gevoelens, herinneringen, lichamelijke sensaties en gedragsneigingen) is alleen effectief op de korte termijn, maar kan voor problemen op de lange termijn zorgen.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Psychotherapie en behandeling: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3639 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector