Doelgroep: ouders en kinderen in de U.S. en Nederland
Methode: interviews met ouders
Aparte ‘Westers brein’
-> ligt dichtbij individualisme/onafhankelijkheid vs. Collectivisme/interdependence/ sociocentrisch
Cultureel metamodel: een cluster van ideeën dat culturen op een breed level karakteriseert en dat logischerwijs brede functies voor de organisatie van mensontwikkeling en sociale relaties zou moeten hebben
-> zijn bovengenoemde begrippen
- mediërende link:
- ouderlijke ethnotheorieën: cultureel gedachtesysteem dat ouders hebben ten opzichte van de natuur van kinderen, ontwikkeling, ouderschap en familie.
Geen duidelijke grenzen aan einde Westerse wereld, ook binnen deze wereld zijn er verschillen in mindset.
De manier waarop ouders in de U.S. en Nederlandse gemeenschappen hun kind beschrijven en erop reageren, vereist een nieuwe conceptie van het individu in de sociale context.
U.S. ouders (individualistisch): kinderen beschrijven op basis van hun intelligentie (cognitie)
Nederlandse ouders (sociocentrisme): kinderen beschrijven op basis van hun sociale kwaliteiten
U.S. en Nederlandse ouders hebben verschillende ideeën over kinderen deze kunnen genoemd worden in termen van globale categorieën als individualisme en sociocentrisme, afhankelijk en onafhankelijk, gehoorzaam en geïnteresseerd, sterke wil & ondernemend.
De sleutel om de culturele betekenissen van deze verschillende patronen te begrijpen ligt in de context van of ze gebruikt worden in de redevoering.
Afhankelijkheid
1. aandacht vragen 2. Comfort, nabijheid, fysiek contact, affectie vragen
-> ze zijn het erover eens dat deze begrippen bij afhankelijkheid horen
-> verschillen van interpretatie en reacties op dit gedrag
NL: normaal en positief bij jonge kinderen
-> ze hebben het nodig en de vraag moet geaccepteerd worden
US: ‘craving’, ‘clingy’, problematisch voor ouder
-> het is teveel en het leidt tot stress bij de ouder. Negatief
Onafhankelijkheid
1. ‘do things by oneself’ 2. Alleen spelen, zichzelf vermaken 3. Zelfstandig
-> ze zijn het erover eens dat deze begrippen bij onafhankelijkheid horen, maar NL benadrukken alleen spelen en zichzelf vermaken meer. En eigen beslissingen maken, eigen men ing en wil
-> ook verschil in het belang van de kwestie
US: intern gevecht in het kind: ze willen bij de ouder blijven maar tegelijkertijd ook dingen zelf doen.
NL: natuurlijk ontwikkelingsproces om ‘zelf’ te ontdekken
Kagitcibasi: onafhankelijkheid en apartheid komen voor als vereisten van autonomie. Een interdependent zelf zou autonomie op deze manier uitsluiten.
‘autonomous relational self’: niet alleen adaptief in bepaalde sociaaleconomische situaties maar biedt ene gezondere oplossing tot de basische mens behoefte voor zowel verbondenheid als agentschap dan eerdere psychologische theorieën doen.
-> verklarend voor verschillen
-> tekort: K. gaat ervanuit dat dit alleen gevonden kan worden buiten de Westerse samenleving.