Essentie
Ontoereikend bewijs van medeplegen doodslag. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat er tussen de verdachte, die geen uitvoeringshandeling heeft uitgevoerd, en zijn medeverdachte sprake was van een samenwerking waardoor van medeplegen kan worden gesproken.
Casus
De verdachte had al een tijd onmin met het slachtoffer. Op een gegeven moment spreken ze af omdat de verdachte heeft gehoord van een opmerking die het slachtoffer heeft gemaakt tegen een derde over zijn moeder. Bij de verdachte was een ander aanwezig waarvan de verdachte wist dat hij een vuurwapen bij zich had en dat hij deze ook gebruikt had in het verleden. Deze medeverdachte heeft het wapen weer gebruikt en de verdachte heeft een schoppende beweging gemaakt naar het slachtoffer.
In feitelijke instanties
Het Hof heeft in hoger beroep ten aanzien van;
· medeplegen van doodslag;
· als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;
· bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gepleegd, meermalen gepleegd;
· handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie;
· veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf.
Hoge Raad
De eerste klacht is dat de bewezenverklaring van het eerste feit niet met redenen is omkleed. Ten aanzien hiervan oordeelt de HR dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte medepleger is en dat de plotselinge escalatie zodanig is gebeurd dat verdachte zich niet meer heeft kunnen distantiëren van het geweld dat uitgevoerd werd door de medeverdachte. De verklaring van de verdachte hierbij is dat hij een schoppende beweging naar het slachtoffer heeft gemaakt om het vuurwapen uit de handen van het slachtoffer te schoppen. Het middel slaagt. De HR vernietigt de bestreden uitspraak ten aanzien van het eerste feit en de strafoplegging. Verwerpt het beroep voor het overige.
Het zich niet tijdig kunnen distantiëren van de gedragingen van anderen kan onder omstandigheden tot de conclusie leiden dat van een bewuste samenwerking sprake is geweest, maar daaraan moet wel de grens worden gesteld dat het voor de betrokkene ook werkelijk mogelijk was zich te distantiëren. Dit was volgens de Hoge Raad niet het geval in dit arrest. De verdachte had zelf geen uitvoeringshandelingen verricht met betrekking tot de doodslag, die door degene met wie hij samen een ontmoeting met het slachtoffer had gearrangeerd tijdens de plotselinge escalatie, leidend tot een kortdurende schietpartij, was begaan. Niet viel in te zien hoe de verdachte zich van het door zijn medeverdachte uitgeoefende geweld kunnen distantiëren.
De vraag van het zich al dan niet kunnen distantiëren heeft dan ook pas relevantie als is vastgesteld dat degene die met een zekere betrokkenheid en dus niet louter toevallig bij een bepaald handelen van een of meer anderen aanwezig was, ook de wetenschap bezit, hetzij vanwege de voorfase van het gezamenlijk plan, hetzij op grond van waarnemingen en communicatie ter plaatse, dat het om wederrechtelijk handelen gaat. Alleen als dit tot zijn bewustzijn is doorgedrongen kan hem de rechtsplicht worden toegedicht om niet in te stemmen met het handelen, geen bijdrage aan de uitvoering van het betreffende delict te leveren en zich daarvan zoveel mogelijk te distantiëren, waarbij achteraf soms de vraag kan rijzen of dit laatste feitelijk nog wel mogelijk was. Per casus zal een en ander zich in zeer verschillende vormen en doseringen kunnen voordoen.
Add new contribution