EHRM 11 juli 2006, NJ 2007, 226 (Jalloh)
Casus
In deze zaak was een Duitse drugsdealer aangehouden en verdacht van het slikken van drugsbolletjes. Hij werd door agenten vastgehouden terwijl een arts een maagsonde inbracht en daarmee een braakmiddel in zijn maag liet vloeien om bewijs van het bolletjesslikken te verkrijgen. Hiermee werd hij dus gedwongen direct belastend materiaal af te staan, namelijk het uitspugen van een bolletje cocaïne.
EHRM
In deze zaak werd geoordeeld dat er ook in het geval van materiaal dat onafhankelijk van de wil bestaat, sprake kan zijn van een schending van het nemo tenetur-beginsel.
Drie criteria wanneer er sprake kan zijn van een schending:
- de verdachte wordt door de aard van de dwang gedwongen direct belastend materiaal
(real evidence) af te staan,
- de mate van dwang houdt een ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijke
integriteit in,
- de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het onder dwang verkregen materiaal in de
strafprocedure (en of dit het enige bewijsmiddel is tegen de verdachte).
Kern
Het EHRM heeft i.c. het nemo tenetur beginsel verruimd door het
Saunders criterium (het recht om niet aan de eigen veroordeling mee te werken valt
samen met het zwijgrecht) uit te breiden tot de wijze van bewijsverkrijging namelijk het
gebruik van via foltering verkregen bewijsmateriaal. De gedwongen medische ingreep bij Jalloh was een schending van het folterverbod (art 3 EVRM).