HR 21 november 2006, NJ 2006, 653 (Controle zigeunervrouwen)
Essentie:
Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM op de grond dat de politie haar controlebevoegdheden o.g.v. de Wegenverkeerswet heeft misbruikt, is door het hof onvoldoende gemotiveerd verworpen. Toch geen cassatie, want het bestaan van een verdenking staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, mits bij aanwending daarvan tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen.
Feiten:
Het ging in dit arrest om de controlebevoegdheden die werden ingezet tegen personen die als verdachte konden worden aangemerkt.
Hoge Raad:
Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd beslist op het verweer. Toch geen cassatie, nu het verweer slechts kon worden verworpen. Het bestaan van een verdenking staat niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, mits bij aanwending daarvan tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (r.o. 3.5.1). Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de politie o.g.v. de Wegenverkeerswet bevoegd was het stopteken te geven en verdachte, bestuurster, naar haar rijbewijs te vragen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren deze bevoegdheid in ieder geval mede hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften conform art. 160 lid 4 Wegenverkeerswet 1994.
Aan de rechtmatigheid van de uitoefening van deze bevoegdheid kan de enkele omstandigheid dat zij is aangewend n.a.v. informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid van de inzittende(n) van de auto bij een strafbaar feit, niet afdoen. Ook indien die stelling juist zou zijn, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel (het verrichten van opsporingshandelingen) dan waarvoor deze is verleend. Ook overigens had het verweer slechts kunnen worden verworpen. Niet-ontvankelijkverklaring van het OM conform art. 359a Sv komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. De enkele stelling dat de politieambtenaren van hun controlebevoegdheid conform art. 160 Wegenverkeerswet 1994 misbruik hebben gemaakt, leidt niet tot de gevolgtrekking dat van een zodanig ernstige inbreuk op beginselen van een goede procesorde sprake is, dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.