Hoorcollege 14: Persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheid: geheel van stabiele gedragingen, gedachten en gevoelens dat gedurende de levensloop vertoont wordt door iemand en in verschillende situaties naar voren komt. Karaktertrekken ontwikkelen vanuit een wisselwerking tussen aangeboren persoonlijkheidstrekken en aanwezige omgevingsfactoren.
Five-factor-model
Persoonlijkheidsstoornis: consistent patroon (over tijd en context) van gedragingen die zich buiten de norm van je eigen normgroep bewegen. Is dus cultuurafhankelijk. Voornamelijk de omgeving leidt hieronder, maar kan ook interfereren met levensgebieden zoals werk, relaties.
Vaak traumagerelateerd. Er is dan een onveilige hechting, waardoor ze niet goed de wereld hebben kunnen ontdekken en strategiën hebben aangeleerd
Stoornis in de interactie tussen individu en andere personen
Prevalentie: is verschillend per stoornis. De prevalentie in de normale bevolking is 10-20% en in de GGZ 50-60%
Verschijning ervan verloopt anders over leeftijd, zo verzwakt borderline
Vaker gediagnosticeerd in steden
Er is een gebrek aan emotieregulatievaardigheden
Dissociatie: is veelvoorkomend en wordt getriggerd door onderliggende trauma’s
De 3 P’s van een persoonlijkheidsstoornis
Pathologisch - afwijken van de populatienorm.
Persistent - het komt over lange tijd voor.
Pervasief - het komt in een veelheid aan situaties voor
Van primaire zorgers leert een kind het volgende:
Welke emoties ze ervaren
Wat ze moeten doen als ze bepaalde emoties ervaren
Hoe ze emoties moeten uitleggen aan de ander
Hoe ze om moeten gaan met emoties
Window of tolerance: mate van omgang met emoties. Worden helemaal weggestopt of gaan juist alle kanten op.
Upper limit: mensen tonen soort hyper-arousal, met een vecht/vlucht respons, ze zijn angstig en sympathisch.
Under limit: mensen tonen soort hypo-arousal, et depressie of dissociatie, en parasympathisch.
CPTSS (wel in ICD-11): Als op latere leeftijd sprake is van traumatisering nadat vroeger al een onderliggend trauma heeft geleid tot persoonlijkheidsproblematiek. Hierbij horen naast PTSS symptomen ook affect- en emotieregulatieproblemen
Behandeling: traumaverwerking gericht met imaginaire exposure en EMDR. Van uit hotspots (trauma herinneringen) pas je EMDR toe en verminder je spanning.. Met imaginaire exposure wordt vermijding doorbroken. Uiteindelijk kunnen ook nog emotieregulatievaardigheden worden aangereikt.
Drie clusters persoonlijkheidsstoornissen
Cluster A ( Buitenbeentjes): weten niet hoe ze met emoties om moeten gaan, zijn vreemd en excentriek. Soms hebben ze psychotische kenmerken. Het zijn vaak mensen die alleen leven of wonen en weinig contact hebben met anderen en in isolatie leven
Cluster B (Laspakken): impulsief, onverantwoordelijk en vinden het moeilijk om met hun emoties om te gaan.
Cluster C (Angsthazen): mensen die bang zijn, om relaties aan te gaan, of om mensen te verliezen. Ze vermijden conflicten. De angst is altijd de drijvende kracht.
Cluster A
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis: wantrouwend. Onderontwikkeld vertrouwen en harmonie. Zijn vaak scherp en goed geïnformeerd. Vragen continu verantwoording op van anderen
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis: afstandelijk, drukken beperkt emoties uit, weinig interpersoonlijke relaties. Moeilijk te onderscheiden van autisme
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis: onvermogen in sociaal contact, weinig hechte relaties, problemen met benoemen van emoties, perceptuele stoornissen (waanachtig)
Cluster B
Borderline persoonlijkheidsstoornis: instabiliteit, verlatingsangst, actief, idealisatie van anderen, denken heel zwart/wit, kunnen ook omklappen
Antisociale persoonlijkheidsstoornis: voor 15e al sprake van normoverschrijdend gedrag, agressief en impulsief, niet werkende impulscontrole, verlegging van schuld, eisen zichzelf veel toe
Narcistische persoonlijkheidsstoornis: overtuigd van eigen geweldigheid, gebrek aan empathie, niet delen met anderen en groepsidentificatie, vinden zichzelf erg belangrijk
Histrionische persoonlijkheidsstoornis: aandacht eisend, emotioneel, aanwezig, glamorous zelfbeeld, erotiseren graag
Cluster C
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis: behoefte aan verzorging, onderontwikkelde autonomie, verlatingsangst, hulpeloos en incompetent zelfbeeld, zoeken goedkeuring en hebben weinig daadkracht. Verschilt per cultuur
Vermijdende persoonlijkheidsstoornis: onderontwikkelde assertiviteits en groepsgevoel, “niet goed genoeg”, sensitief voor andermans meningen, verlegen
Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis: preoccupatie met ordelijkheid en perfectionisme, verminderde spontaniteit, efficiëntie en openheid. Differntiaaldiagnostiek met autisme (handelingen geven een gevoel van rust) of dwangstoornis (fluctueert meer in tijd) is ingewikkeld
Stromingen in behandeling
Schema focused therapy: in de kindertijd ontstaan schema’s door schending van basisbehoeften en poging tot pijn verminderen. Deze schema’s worden aangepakt.
Dialectical behavior therapy: gericht op emotieregulatie, het versterken van gezonde processen en gedragsvaardigheden aanleren. Heel concreet, en lijkt op CGT.
Mentalization based therapy: gericht leren mentaliseren en zo in contact komen met anderen. Voornamelijk voor borderline, meer psychodynamisch
Transference-focused therapy (Kernberg): gaat over persoonlijkheidsorganisatie en identiteitsdiffusie, hoe stabiel ben je en hoeveel stress kan je aan