Deloitte & Touche c.s./Stichting Vie d’Or (HR 13-10-2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080; NJ 2008, 528)
Op 13 oktober 2006 heeft de Hoge Raad drie* arresten gewezen rondom het faillissement van levensverzekeraar Vie d’Or. De Stichting Vie d’Or behartigt de belangen van de gedupeerde polishouders. De Stichting vordert op basis van artikel 3:305a BW een verklaring voor recht dat de toezichthouder, accountants en actuaris onrechtmatig hebben gehandeld jegens hen en daarom aansprakelijk zijn voor de schade die zij in het faillissement hebben geleden. Daarnaast vordert de Stichting vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. In dit tweede arrest gaat het in het bijzonder om de vraag of de accountants onrechtmatig hebben gehandeld.
Bij de beantwoording van de vraag of een accountant** onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden onderzocht wat van hem als redelijk handelende en redelijk bekwame accountant moest worden gevergd in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak.
De belangen die met een goede uitoefening van de taak van een accountant zijn gemoeid, zijn niet beperkt tot die van de rechtspersoon. In het maatschappelijk verkeer mogen derden verwachten dat de informatie die namens de accountant naar buiten komt een getrouw beeld geeft van de onderneming, voldoet aan de vereisten die wet en regelgeving stellen en in overeenstemming is met de normen en standaarden die in deze beroepsgroep algemeen worden aanvaard. Ook derden moeten hun gedrag kunnen afstemmen op die informatie en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. Aldus dient deze taakuitoefening van een accountant mede een wezenlijk publiek belang. Dit betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de zorg die een accountant naar in het maatschappelijk verkeer geldende zorgvuldigheidsnormen moet betrachten bij zijn werkzaamheden.
Bij de beantwoording van de vraag of een accountant heeft gehandeld in overeenstemming met de van hem in het concrete geval te vergen mate van zorg, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. (Zie voor die omstandigheden de “catalogus” in r.o. 5.4.2, 2e alinea.)
Bij de beantwoording van de vraag of een accountant ter zake van de uitoefening van zijn taak uit onrechtmatige daad aansprakelijk is, kan de burgerlijke rechter betekenis toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen, met dien verstande dat het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer betekent dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.
Bij de beantwoording van de vraag of een accountant onrechtmatig heeft gehandeld, moet worden onderzocht wat van hem als redelijk handelende en redelijk bekwame accountant moest worden gevergd in het kader van een zorgvuldige uitoefening van zijn taak. De taakuitoefening van een accountant dient ook een wezenlijk derdenbelang. Bij de beantwoording van de vraag of een accountant heeft gehandeld in overeenstemming met zijn zorgplicht, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van de vraag of een accountant ter zake van de uitoefening van zijn taak uit onrechtmatige daad aansprakelijk is, kan de burgerlijke rechter betekenis toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen.
In zijn NJ-annotatie gaat Van Dam in op die aspecten van deze drie arresten die in het algemeen van belang zijn voor de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren en toezichthouders en voor de vergoeding van buitengerechtelijke kosten bij collectieve acties.
Aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren
De reikwijdte van de aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar is breed. De zorgplicht van de beroepsbeoefenaar strekt in beginsel tot bescherming van een onbeperkte groep derden. De enige beperking is dat het moet gaan om derden die bij hun beslissingen zijn afgegaan op de door de beroepsbeoefenaar verschafte informatie. Dit vormt een bijzonder contrast met HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012; NJ 2006, 281 (Duwbak Linda) inzake de aansprakelijkheid van toezichthouders, als ook de Engelse en Duitse benadering. Het gedrag van de beroepsbeoefenaar moet worden getoetst aan dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende professional. Hierbij komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Deze omstandighedencatalogus lijkt af te doen aan de ruime verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaar en de hoge mate van de door hem te betrachten zorg. De tuchtrechter, anders dan de civiele rechter, lijkt minder geïnteresseerd in het causaal verband tussen de fout en de schade.
Aansprakelijkheid voor toezichthouders
De norm voor de toezichthouder is die van de behoorlijk en zorgvuldig handelende toezichthouder. Het komt hierbij aan op alle omstandigheden van het geval. Het uitgangspunt is de eigen verantwoordelijkheid van de verzekeraar. De toezichthouder beschikt over een aanzienlijke beleids- en beoordelingsvrijheid. Dit brengt een terughoudende toetsing door de rechter mee. Het gaat erom of de toezichthouder in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, niet of achteraf een andere beslissing beter was geweest. De toezichthouder behoort evenwel het belang van de polishouder in zijn afwegingen te betrekken. Als de toezichthouder voor een “toezichthoudersdilemma” komt te staan – dat wil zeggen: een situatie waarin de belangen van de polishouders enerzijds juist gebaat zijn bij maatregelen van de toezichthouder, maar anderzijds die maatregelen de continuïteit van de bedrijfsvoering van de verzekeraar in gevaar brengen, hetgeen de belangen van de polishouders juist kan schaden – is het van belang in hoeverre hij er zelf toe heeft bijgedragen dat dit dilemma ontstond door zaken op hun beloop te laten. De toezichthouder moet zo handelen dat het risico op een deconfiture zo gering mogelijk blijft en niet pas maatregelen treffen bij een onmiddellijk dreigend gevaar. De toezichthouder moet nauwkeurig in de gaten houden of zijn maatregelen effectief zijn en anders een meer effectieve maatregel nemen. De Hoge Raad snoert de beleids- en beoordelingsvrijheid van de toezichthouder dus in. De terughoudende toets van de rechter is geen marginale. Civielrechtelijk bestaat er geen beginselplicht tot handhaven voor de toezichthouder. Het wettelijk toezicht beoogt mede de belangen van polishouders te beschermen tegen het gevaar dat verzekeraars niet aan hun verplichtingen jegens hen kunnen voldoen. Volgens de Hoge Raad is het verschil met het Duwbak Linda-arrest (eerder aangehaald) dat de polishouders in beginsel een (wél) bepaalbare groep van (potentiële) benadeelden vormden. Dit argument overtuigt niet. De Hoge Raad heeft in HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1296, NJ 2006, 430 (Proefverlof tbs-gestelde), waarin het ging om overheidsaansprakelijkheid en bescherming tegen personenschade, en hier, waar het gaat om de bescherming tegen derving van levensonderhoud, relativiteit aangenomen. In Duwbak Linda ging het om bedrijfsschade en werd relativiteit afgewezen, terwijl de Hoge Raad daar de mogelijkheid lijkt open te hebben gelaten dat relativiteit wel wordt aangenomen in een geval van personenschade.
De vergoeding van buitengerechtelijke kosten bij collectieve acties
Een redelijke uitleg van artikel 3:305a BW jo. artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW brengt volgens de Hoge Raad mee dat (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daaraan doet niet af dat de Stichting deze kosten zelf heeft gemaakt en dat de aangesprokene voor de schade jegens de Stichting zelf niet aansprakelijk is. Hij legt hierbij de nadruk op het belang van een efficiënte afdoening van massaschadeclaims. In de praktijk betekent deze beslissing een forse steun in de rug van stichtingen en belangenorganisaties die individuele claims bundelen door middel van het vorderen van een verklaring voor recht.