Bernardus Henricus Funnekotter and Others v. Zimbabwe (An Arbitral Tribunal Established under the auspices of ICSID, 22-04-2009, ICSID Case No. ARB/05/6)
Feiten
I.c. gaat het om een zaak bij het arbitragetribunaal van het Internationale Centrum voor de beslechting van investeringsgeschillen (ICSID). Dit was de eerste arbitrage waarin third party funding voor een niet-commercieel doel centraal stond. In deze zaak ging over een groep (Nederlandse) boeren die de beslissing van Zimbabwe om hen te onteigenen aanvochten. De regering had hun grote, commerciële boerderijen onteigend. De zaak werd gedeeltelijk gefinancierd door de NGO „Open Society Initiative for Southern Africa‟. Het doel van de NGO was o.a. de versterking van de democratie en bescherming van de mensenrechten. Ook moedigt de NGO goed bestuur aan. De NGO wilde met deze zaak die waarden uitdragen.
In 1996 is tussen Nederland en Zimbabwe een bilateraal investeringsverdrag (BIT) gesloten. Dit verdrag bepaalt (conform het internationale recht) dat partijen niet tot het ontnemen van eigendom van onderdanen van de andere partij zullen overgaan, noch direct noch indirect, tenzij dat gebeurt in het algemeen belang, zonder discriminatie en met betaling van een billijke vergoeding.
Bernardus Henricus Funnekotter en tien andere Nederlandse boeren claimden dat hun boerderijen en gronden in de periode 2001-2003 naar internationaalrechtelijke maatstaven onrechtmatig waren onteigend, in ieder geval zonder dat zij daarvoor enige financiële compensatie hadden ontvangen. Voor de onteigening waren de boeren (met veel geweld) al van hun land verdreven. De Nederlandse boeren eisten een grote schadevergoeding als compensatie voor het eigendomsverlies en voor de aangerichte schade. Zimbabwe had gesteld dat de landhervormingen in het algemeen belang waren en volgens rechtmatige procedures tot stand waren gekomen.
ICSID
Het tribunaal oordeelde dat Zimbabwe zijn verplichting om ‘just compensation’ te betalen had geschonden. Het tribunaal verwierp het beroep van Zimbabwe op het beginsel van noodzaak. Al zou er een ‘toestand van noodzaak’ zijn, die zou een regering niet beletten om de boeren (in overeenstemming met het BIT) voor het eigendomsverlies te compenseren.
Dan moet worden bepaald wat de hoogte is van de schadevergoeding. Zimbabwe wilde een flinke reductie van de te betalen schadevergoeding vanwege de vele nationalisaties. Het tribunaal ging hier niet in mee. Volgens het tribunaal moet de waarde van een investering onafhankelijk van het aantal en doel van de onteigeningen worden bepaald. De berekeningen van de boeren waren daarentegen te hoog. Er was namelijk niet voldoende rekening gehouden met de instabiele economische situatie in Zimbabwe te tijde van de onteigening.
Het tribunaal gaf wel aan dat de boeren een aanvullende vergoeding zouden moeten krijgen
vanwege de kosten om elders opnieuw een bestaan op te bouwen. Dit bovenop de compensatie van de waarde van hun oorspronkelijke eigendommen. De claim van de boeren voor een vergoeding van morele schade werd afgewezen.
Kern
Zimbabwe had boerderijen van buitenlandse blanke boeren onteigend. Een groep Nederlandse boeren maakten op grond van het bilateraal investeringsverdrag (BIT) tussen Nederland en Zimbabwe een procedure aanhangig bij het ICSID. Dit arbiratgetribunaal oordeelde dat Zimbabwe in strijd had gehandeld met de overeenkomst omdat het geen ‘just compensation’ had betaald voor de eigendommen.