Begrippenlijst van Testtheorie: Inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth en Sijtsma - 4e druk
- Wat zijn de definitie, kenmerken en toepassingen van de test? - Chapter 2
- Welke indelingen, onderscheidingen en begrippen zijn er omtrent testtheorie? - Chapter 3
- Hoe worden items opgebouwd en reacties gekwantificeerd in tests en vragenlijsten? - Chapter 4
- Hoe worden tests afgenomen en verwerkt? - Chapter 5
- Wat is betrouwbaarheid? - Chapter 6
- Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er in de testtheorie en constructie? - Chapter 7
- Wat is de validiteit en betekenis van een test? - Chapter 8
- Wat is de validiteit en betekenis van een test? - Chapter 9
Wat zijn de definitie, kenmerken en toepassingen van de test? - Chapter 2
Test | Systematisch onderzoek van gedrag met het doel inzicht te krijgen in een psychologisch kenmerk van degene die onderzocht wordt in vergelijking tot anderen, door middel van geselecteerde vragen. Er sprake van efficiëntie, standaardisatie, normering, objectiviteit, betrouwbaarheid en validiteit. |
Efficiëntie | Het niet afhankelijk zijn van het moment waarin het gedrag zich voordoet. |
Standaardisatie | Het mogelijk maken van vergelijkingen tussen testprestaties door middel van het standaardiseren van de condities en invloeden op die testprestatie; de onderzochten worden getest in maximaal gelijke omstandigheden. |
Normering | Het mogelijk maken van vergelijkingen tussen testprestaties door het vaststellen van een rangorde, bijvoorbeeld van zeer goed tot zeer slecht. |
Objectiviteit | Het resultaat hetzelfde moet zijn, ongeacht wie het onderzoek doet. Openheid en reproduceerbaarheid van de test en evaluatie moeten mogelijk zijn. |
Cohens Kappa | Maat voor overeenkomst tussen beoordelaars. |
Betrouwbaarheid | Als een test op verschillende moment dezelfde score oplevert, heeft deze een hoge betrouwbaarheid. |
Validiteit | De test meet wat het beoogt te meten. Alternatieve verklaringen zijn weerlegd. |
Nominale schaal | Het gebruik van getallen om categorieën te onderscheiden en objecten in te delen. Er zijn geen rekenkundige operaties mogelijk. |
Ordinale schaal | Er is sprake van een rangorde. Niet alle rekenkundige operaties kunnen toegepast worden, maar het is wel mogelijk om rangordes te vergelijken. |
Intervalschaal | Er is sprake van een rangorde, waarbij de afstanden tussen de verschillen een positieve betekenis hebben. Er is sprake van een arbitrair nulpunt en de verhouding van afstanden tussen meetwaarden blijft constant. |
Verhoudingsschaal | Er is sprake van een rangorde met betekenis van de afstanden tussen de verschillen en een absoluut nulpunt. Alle rekenkundige bewerkingen zijn toegestaan. |
Operationalisme | Als een meting gelijk gesteld wordt aan de uitkomst van een test. Deze opvatting zorgde ervoor dat men minder aandacht ging besteden aan theorievorming en kennisvorming. |
Operationalisering | Het toelichten van de operaties die nodig zijn om de eigenschap te meten. Hiervoor moet gedrag worden vastgesteld dat typisch is voor een eigenschap en vervolgens moeten stimuli hierop afgesteld worden. |
Representational measurement | Er kan alleen sprake zijn van een meting als de relaties tussen testscores overeenkomen met de relaties in wetenschappelijk onderzoek over datgene waarover maatwaarden iets zeggen. |
Averechtse diagnostiek | Als een test een bepaalde correlatie heeft met een criterium, kan men dit gebruiken om voorspellingen te doen over de kansen op criteriumsucces, maar deze correlatie zegt ook heel veel over het criterium zelf |
Welke indelingen, onderscheidingen en begrippen zijn er omtrent testtheorie? - Chapter 3
Tests voor prestatieniveau | Tests voor prestatieniveau gaan uit van de maximale prestatie van de onderzochte persoon; er is een duidelijk norm voor goed en fout. |
Test voor gedragswijze | Tests voor gedragswijze gaan over hoe iemand iets doet; er is geen duidelijk goed of fout. |
Enkelvoudige algemene niveautests | Leiden tot een enkele indicatie van intelligentie. Er zijn drie deelcategorieën: individuele ontwikkelingstests, individuele intelligentietests voor volwassenen en algemene collectieve intelligentietests. |
Individuele ontwikkelingstest | De intelligentiescore wordt vergeleken met die van leeftijdsgenoten. |
Individuele intelligentietests voor volwassenen | Deze test is gericht op het vaststellen van het intelligentieniveau als dit niveau niet meer toe- of afneemt. |
Collectieve algemene intelligentietest | Deze tests kunnen groepsgewijs worden afgenomen. |
Veelvoudige algemene niveautests | Zorgen voor een nadere differentiatie, en niet slecht voor een enkele indicatie. Er zien twee typen: testbatterijen voor intelligentiefactoren en testbatterijen voor geschiktheden. |
Testbatterijen voor intelligentiefactoren | Hebben als doel dat elke deeltest één dimensie van intelligentie meet, bijvoorbeeld 'word fluency' of 'reasoning'. |
Testbatterijen voor geschiktheden | Meet de vermogens die iemand in staat stellen om aan een maatschappelijk taak of schooleis te voldoen. Het gaat vooral om leergeschiktheid. |
Speciale niveautests | Toegespitst op een bepaald aspect van de begaafdheid. Er zijn drie typen: tests voor speciale intelligentiefactoren, tests voor speciale geschikheden en tests voor speciale niet-intelligentiefactoren |
Tests voor speciale intelligentiefactoren | Tests die uitsluitend eigenschappen als ruimtelijk inzicht, numerieke vaardigheid of woordkennis meten. |
Tests voor speciale geschiktheden | Tests voor leergeschiktheden, zoals geheugentests en concentratietests, en tests voor werkgeschikheden, zoals tests voor geschiktheid als piloot. |
Tests voor speciale niet-intelligentiefactoren | Gaat om capaciteiten of vaardigheden, waarvan de meting belangrijk kan zijn voor diagnose of functie in de maatschappij. Bijvoorbeeld: motoriektests of gehoortests. |
Vorderingentests | Meten in hoeverre de onderzochte het doel van een opleiding heeft bereikt. |
Observatietests | De informatie komt van een onafhankelijke beoordelaar die de onderzochte observeert; er is dus sprake van indirecte gegevens. Er zijn twee typen: individuele observatietests en groepsobservatietests. |
Individuele observatietests | Slecht één persoon wordt geobserveerd. |
Groepsobservatietests | De beoordeling van een groep mensen die gezamenlijk een opdracht uitvoeren. |
Somato-fysiologische methoden | Geven een indicatie van psychologische kwaliteiten door middel van het meten van lichamelijk kenmerken of processen. Er zijn twee soorten: morfologische methoden en fysiologische methoden. |
Morfologische methoden | Zuiver somatische kenmerken worden onderzocht als indicaties voor persoonlijkheid. |
Fysiologische methoden | Hiertoe worden gerekend: biochemische indices, elektro-encefalogram, hersenscanners, elektrocardiogram, metingen van bloeddruk en bloedvolume, registratie van oogbeweging en meting van elektrodermale verschijnselen. |
Zelfbeoordelingen | De respondent beoordeelt zijn eigen functioneren. Er zijn verschillende soorten: interessetests, waarde- en attitudetests, biografische vragenlijsten en persoonlijkheidsvragenlijsten. |
Interessetests | Meten interesses om zo een school- of werkkeuze te ondersteunen. |
Waarden- en attitudetests | Meten waarden en attitudes. |
Biografische vragenlijsten | Gaan over het leven van de onderzochte persoon. |
Persoonlijkheidsvragenlijsten | Zijn gericht op het meten van veel aspecten van de persoonlijkheid. |
Kwalitatieve prestatietests | De onderzochte krijgt een opdracht, waarbij het gaat om de wijze waarop de opdracht wordt uitgevoerd om zo inzicht te krijgen in persoonlijkheid of een klinisch syndroom. Er zijn twee soorten: niveautests voor gedragswijze en projectieve techniek. |
Niveautests voor gedragswijze | Hier vallen onder: experimentele tests, motoriektests, intelligentietests voor klinisch gebruik, karaktertests en cognitieve stijlen. |
Projectietests | Er wordt een ambigue opdracht weergegeven, waarop de onderzochte vrij mag reageren. Er zijn zes soorten: perceptietests, interpretatietests, expressietests, constructietests, associatietests en keuzetests. |
Individuele tests | Er is een individuele relatie tussen testleider en onderzochte. De testleider formuleert de vragen en legt de antwoorden vast. |
Groepstesten | Er is sprake van een groep en de testleider geeft slecht een instructie, surveilleert en verzamelt voltooide opgaven. |
Snelheidstests | Meet hoe snel de onderzochte kan werken, door uit te gaan van een vaste tijd waarin zo veel mogelijk vragen moeten worden beantwoord. |
Prestatietests | Kenmerkt zich door opgaven die variëren in moeilijkheidsgraad. |
Directe tests | Als de betekenis van de test bekend is aan de onderzochte. |
Indirecte tests | Als de betekenis van de test onbekend is aan de onderzochte. |
Hoe worden items opgebouwd en reacties gekwantificeerd in tests en vragenlijsten? - Chapter 4
Items | De stimuli waarop de respondenten reageren. Items zijn de basiselementen van tests. |
Theoretische opdracht | Voorbeeld van een item om cognitieve vaardigheden te meten. |
Stelling | Voorbeeld van een item om opinies, persoonlijkheidstrekken, houdingen en voorkeuren te meten. De respondent moet aangeven in hoeverre hij het wel of niet eens is met de stelling. |
Vraag | Voorbeeld van een item om opinies, houdingen en voorkeuren te meten. |
Praktijkproef | Voorbeeld van een item om vast te stellen of de respondent in staat is tot een vaardigheid. |
Stam | De uitspraak in een meerkeuzevraag (exclusief antwoorden). |
Gesleutelde respons | Het goede antwoord bij meerkeuzevragen. |
Afleiders | De foute antwoorden bij meerkeuzevragen. |
Rangschikking | De respondent moet de keuzemogelijkheden in een bepaalde volgorde plaatsen, bijvoorbeeld juistheid of voorkeur. |
Toeschrijving | Combineren van twee begrippen uit rijtjes, ook wel matching. |
Likert-items | Items met vijf antwoordmogelijkheden. |
Kwantificering | Het omzetten van een kwalitatief reactie naar een getal, bijvoorbeeld 1 (goed antwoord) en 0 (fout antwoord). |
Dichotoom item | Als een item twee antwoordcategorieën heeft, bijvoorbeeld goed en fout. |
P-waarde | De relatieve frequentie op het goede antwoord. |
A-waarden | De relatieve frequenties op het foute antwoord. |
Polytoom item | Als een item drie of meer antwoordcategorieën heeft. |
Hoe worden tests afgenomen en verwerkt? - Chapter 5
Testangst | Angst voor de gevolgen van een slechte testprestatie. Iets anders dan 'angstigheid' als persoonlijkheidstrek. |
Positieve faalangst | Bevorderlijk voor prestatie. |
Negatieve faalangst | Nadelig voor prestatie. |
Handscoring | Correctoren tellen het aantal goed en aantal fout gemaakte vragen met behulp van een sleutel. |
Zelfscoring | Meestal wordt hierbij een tweede vel onder het antwoordformulier geplaatst, met cirkels bij het goede antwoord. De antwoorden van de respondent drukken door op dit vel. De corrector hoeft alleen nog te kijken of de cirkeltjes overlappen. |
Machinescoring | Op speciale antwoordformulieren moet het juiste antwoord worden aangegeven. Een computer kijkt het vervolgens na. |
Xc | Op gokken gecorrigeerde testscores. Het aantal goede antwoorden dat door kennis tot stand is gekomen. |
Itembank | Een grote verzameling items, die kan worden opgeslagen op de computer. |
On-line testing | De leerling bepaalt zelf het moment waarop hij in staat is tot het maken van de toets. |
Adaptief testen | Iedere respondent krijgt een test die is aangepast naar zijn niveau. Hiervoor moeten de items voldoen aan de eisen van de item-responstheorie (hoofdstuk 7). |
Klassieke benadering van testen | Iedereen krijgt dezelfde test gerepresenteerd. Er is geen sprake van optimaal geschikte items, waardoor extreem hoge of lage meetwaarden onnauwkeurig zijn. |
Ruwe score | Basisscore, heeft weinig betekenis. Kan staan voor verschillende dingen: aantal goede antwoorden, aantal foute antwoorden, de soms van de scores op de rating scales of het aantal mislukte pogingen op een handvaardigheidstest. |
Norm | Referentiekader voor de evaluatie van de ruwe scores, gebaseerd op de verdeling in de populatie. |
Vergelijking met absolute standaard | Er wordt geen gebruik gemaakt van scores van anderen, maar van een absolute maatstaf, die gebaseerd is op psychologische of onderwijskundige analyse van kennis, inzicht of vaardigheden. |
Verhoudingsnormen | De testscores worden gedeeld door een andere variabele, bijvoorbeeld de berekening van het IQ door de mentale leeftijd te delen door de chronologische leeftijd. |
Standaardscores | Als ruwe scores worden omgerekend naar standaardscores, door X (ruwe score) te verminderen met het gemiddelde en vervolgens te delen door de standaarddeviatie. |
Zx | De standaardscore. Verminder X met het gemiddelde en deel dat vervolgens door de standaarddeviatie. |
Sx | De standaarddeviatie. |
Genormaliseerde standaardscores | Worden verkregen uit niet-lineaire transformaties, die de verdeling van X vervormen tot een normaalverdeling. |
Overige standaardscores | Onder andere t-scores, stanines en deviatie-IQ. |
Wat is betrouwbaarheid? - Chapter 6
Betrouwbaarheid | De mate van herhaalbaarheid van metingen; in hoeverre variëren de testscores, als de test onder dezelfde condities bij dezelfde persoon wordt afgenomen? |
Ti | Systematisch deel van de testscore van persoon i, varieert niet per herhaling (dus geen j). Staat voor true score. |
Eij | Toevallig deel van de testscore van replicatie j en persoon i. Staat voor error, ofwel meetfout. |
Rxx' | Betrouwbaarheid van testscore binnen een populatie. Is gelijk aan de verhouding van de varianties van betrouwbare score en geobserveerde score, dus het systematische deel van de variantie. |
Parallelvormmethode | Als er twee inwisselbare maar niet identieke tests worden afgenomen. |
Paralleltestbetrouwbaarheid | De correlatie tussen parallelle tests. |
Test-hertestmethode | Het afnemen van dezelfde test, nadat er een behoorlijke tijd is verstreken. |
Test-hertestbetrouwbaarheid | De correlaties tussen de scores van twee afnames van dezelfde test. |
Leereffect | Als iemand door oefening anders (meestal beter) presteert op een test. |
Splitsingsmethode | Eén test wordt afgenomen, die in twee helften is gesplitst met evenveel items. Per helft wordt de ruwe score bepaald en kan via de Spearman-Brown-formule de betrouwbaarheid berekend worden. |
Interne-consistentiemethode | Eén test wordt afgenomen, waarna alle covarianties en de variantie van de ruwe score worden berekend. Aan de hand daarvan kan de betrouwbaarheid worden gemeten. |
Cronbachs alfa | Bekendste coëfficiënt van interne consistentie. |
Gestratificeerde alfa-coëfficiënt | De betrouwbaarheid van een totaalscore gebaseerd op heterogene delen van de test. |
Universum | Het totaal van voorwaarden die men hanteert bij het generaliseren. |
Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er in de testtheorie en constructie? - Chapter 7
Meten bij implicatie | Als de meeteigenschappen van een model ook in praktische toepassingen van de test gelden. Kenmerk van een item-responsmodel. |
Meten bij fiat | Als wordt aangenomen dat bepaalde eigenschappen geldig zijn, maar dit niet kan worden aangenomen. Kenmerk van het klassieke testmodel. |
Populatie-onafhankelijk meten | Als het niveau van de test losstaat van de vergelijking van meetwaarden tussen personen. |
Populatie-afhankelijk meten | Als de betrouwbare score (en dus totaalscore) afhankelijk is van hoe moeilijk de gebruikte test is. |
Item-responstheorie | Zorgt ervoor dat we uitspraken kunnen doen over de kans dat persoon i met meetwaarde θi een respons geeft op item g. |
Succeskans | Kans op een positief antwoord. Aangeduid als P(Xg = ɪІθ) |
Monotoon niet-dalend | De functie stijgt of is constant, kenmerk van de formule voor succeskans. |
Pseudokansniveau | Kans dat op item g het goede antwoord wordt gegeven door mensen met een zeer lage meetwaarde, θ. Aangegeven door P(Xg = ɪІθ) = γg. |
Locatieparameter | Het punt op de θ-schaal dat halverwege ligt tussen het pseudokansniveau en de maximale succeskans. Ook wel de moeilijkheidsparameter. |
Kritisch gebied | Als de helling vrij stijl is en dus succeskans dus snel toeneemt. Personen zijn goed van elkaar te onderscheiden, wat hun succeskans op het item betreft. |
Rasch-model | Strengste van de item-responsmodellen, ook wel het een-parameter logistische model. Voor zeer kleine θ-waarden is de succeskans vrijwel gelijk aan nul en de pseudokansniveauparameter komt niet voor. Alle items hebben hetzelfde discriminerend vermogen en de metingen zijn populatie-onafhankelijk. |
Birnbaum-model | Veralgemenisering van het Rasch-model. Het model laat toe dat de items in een test verschillen in discriminerend vermogen. Items mogen variëren in moeilijkheid en voor lage θ-waarden is de succeskans vrijwel gelijk aan nul. De metingen zijn populatie-onafhankelijk, maar de moeilijkheids- en discriminatieparameters kunnen niet populatie-onafhankelijk bepaald worden. |
Drie-parameter logistisch model | Een model met drie parameters, het pseudokansniveau is hieraan toegevoegd. Meetwaarden van personen zijn alleen populatie-onafhankelijk te bepalen als de afhankelijke itemparameters bekend zijn. |
Model van monotone homogeniteit | Valt onder de modellen van Mokken. De modellen zijn wel monotoon niet-dalend, maar hebben verder gen beperkingen. Ze vertonen dus meer schommeling dan de eerdere modellen. De ordening van personen is populatie-onafhankelijk. |
Model van dubbele monotonie | Valt onder de modellen van Mokken, is een speciaal geval van het model van monotone homogeniteit. De item-responsfuncties zijn monotoon niet-dalend. Daarbij mogen ze elkaar niet snijden. De ordening van personen in populatie-onafhankelijk. |
Lokale betrouwbaarheid | Het informatiegehalte van een item voor de schatting van θ. Op het maximum van de informatiefunctie geeft het item de meeste informatie. |
Itembank | Relatief grote verzameling van gemakkelijk toegankelijke testvragen. |
Doelinformatiefunctie | Functie waarin de minima worden weergegeven die voor de maker van de test nog acceptabel zijn. De waarden moeten groot zijn bij θ0, de zelf bepaalde grensscore. |
Adaptief testen | Iedere respondent krijgt een test die past bij zijn niveau. Hiervoor moeten de itemparameters zijn opgeslagen, zodat ze aansluiten bij de persoonsparameter θ |
Vraagonzuiverheid | Gaat over de vraag in hoeverre de betrouwbaarheid en validiteit van items in het geding zijn als de test wordt gebruikt in verschillende populaties. De item-responsfuncties van een item verschilt bij personen met dezelfde θ-waarde uit andere populaties. |
Zuiver item | Er is geen sprake van vraagonzuiverheid; als personen uit verschillen groepen maar met dezelfde θ-waarde dezelfde kans hebben om een vraag goed te beantwoorden. |
Item exposure | Als de persoon-responsfunctie relatief hoog is aan het einde. De persoon kende de moeilijkste items al. |
Wat is de validiteit en betekenis van een test? - Chapter 8
Validiteit | De mate waarin de test aan het eigen doel beantwoordt. |
Predictieve validiteit | Sluit aan bij het doel van het voorspellen van criteriumgedrag. De centrale vraag is: hoe goed is het criterium te voorspellen? |
Begripsvaliditeit | Sluit aan bij het doel van het meten van een eigenschap. De centrale vraag is: in hoeverre wordt het psychologische begrip getest? |
Predictive validity | In welke mate de voorspellingen worden bevestigd. |
Concurrent validity | Men vergelijkt testresultaten met een gelijktijdig beschikbaar criterium. |
Content validity | Ook wel inhoudsvaliditeit. Er wordt gekeken hoezeer de inhoud van de test een universum van situaties, kennisinhouden of vaardigheden weergeeft, waarover met betrekking tot de onderzochte conclusies moeten worden getrokken. |
Construct validity | Kijkt naar welke psychologische eigenschappen door de test worden gemeten. |
Synthetische validiteit | Kijkt naar onderdelen van het criteriumgedrag en niet naar het criterium als geheel. |
Congruent validity | Ook wel soortgenootvaliditeit. Geeft aan in hoeverre de test correleert met andere testen die hetzelfde zouden moeten meten. |
Face validity | Ook wel indrukvaliditeit. Geeft aan in hoeverre de relatie tussen de test en hetgeen gemeten duidelijk lijkt. |
Incremental validity | Gaat over in hoeverre voorspellingen met behulp van de test beter zijn dan voorspellingen op basis van al aanwezige informatie. |
Conceptuele criterium | Concretisering van het organisatiedoel in termen van resultaten. |
Criteriummaat | Afgeleid van conceptuele criterium. Expliciete, duidelijke uitspraken met betrekking tot het criteriumgedrag. |
Criteriumgedrag | Waarneembaar gedrag dat belangrijk is voor het conceptuele criterium. |
Variatiebeperking | Ook wel restriction of range. Gevolg van het wegselecteren van bepaalde groepen proefpersonen (bijvoorbeeld met een lage score). |
Suppressor variabele | Een variabele die het niet-relevante deel bij de voorspelling van Y onderdrukt. |
Moderatorvariabelen | Een variabele die zelf niet of nauwelijks hoeft te correleren met een criteriumscore Y, maar die wel de relatie van andere variabelen met Y beïnvloedt. |
Kruisvalidering | Ook wel cross validation. Het voorspellingsmodel wordt gecontroleerd |
Trekvalidering | Gaat over de vraag in hoeverre testgedrag kan worden verklaard door een persoonlijkheidstrek of geschiktheid, los van psychologische theorieën. |
Nomologische validering | Gaat om de vraag in hoeverre het testgedrag verklaard kan worden door een psychologische theorie. |
Confirmerende validering | Om een hypothese te bevestigen. |
Discriminante validering | Om alternatieve hypotheses te verwerpen. |
Factoranalyse | Gebruikt om een groot aantal variabelen te verminderen, dus het samenvatten van informatie. |
Factor | Gewogen som van itemscores of testscores. Er zijn drie soorten: algemene factoren (hangen samen met vrijwel alle tests), groepsfactoren (vertegenwoordigen een kleiner deel van tests), en specifieke factoren (horen bij één test). |
Sociale wenselijkheid | Als respondenten niet eerlijk antwoord geven, maar dat invullen wat ze sociaal wenselijk achten. Kan zowel individueel als op groepsniveau plaatsvinden. |
Antwoordtendenties | Neiging tot een bepaald keuzepatroon, los van waar de vragen over gaan. |
Instemtendentie | Overmatig instemmen met de richting van de vraag. |
Positievoorkeur | Als een bepaalde positie de voorkeur heeft, bijvoorbeeld steeds negatief. |
Semantische interpretatie | Variatie door iemands opvatting over de antwoordcategorieën, bijvoorbeeld als iemand steeds 'soms' antwoord waar een ander 'zelden' kiest. |
Sequentietendentie | Als iemand kiest over een bepaalde verdeling bij het antwoorden, of zich houdt aan bepaalde regels, bijvoorbeeld niet te vaak hetzelfde antwoord achter elkaar. |
Snelheidstendentie | Neiging tot snel antwoord. |
Precisietendentie | Neiging tot precies antwoord. Ongeveer het tegenovergestelde van snelheidstendentie. |
Uitvoerigheidtendentie | Neiging tot een uitvoerig antwoord, vooral bij vrije-antwoordentests. |
Gistendentie | Neiging tot gissen. |
Voorkeur voor formele kenmerken | Neiging om te kiezen op basis van formele kenmerken, bijvoorbeeld steeds het meest ingewikkelde antwoord. |
Wat is de validiteit en betekenis van een test? - Chapter 9
Antecedent probability | Het percentage geschikte personen in de populatie |
Individuele beslissingen | Er wordt gedacht vanuit het individu dat de beslissing moet nemen. |
Institutionele beslissingen | Er wordt een groot aantal soortgelijke beslissingen genomen. Bijvoorbeeld de toelatingsprocedure voor een school of het examen voor een rijbewijs. |
Univariate informatie | Als informatie op één dimensie past. |
Multivariatie informatie | Als de keuzealternatieveren niet op één dimensie passen en dus van aard verschillen. |
Enkel treatment | Gebaseerd op niet/wel |
Verschillende alternatieven | Indelen in twee of meer klassen. |
Enkelvoudige selectie | Als er in het onderzoek wordt gekeken naar één criterium met twee mogelijkheden: voldoen of niet voldoen aan de eisen. Hoort bij het afwijzingsmodel: het gaat om het weren van zo veel mogelijk ongeschikte kandidaten. |
Selectieratio | Aangenomen kandidaten. |
Toevalskans | Aantal geschikte kandidaten bij toeval. |
Succesratio | Aantal succesvolle kandidaten. |
Veelvoudige minimumscore | Bij deze procedure wordt voor elke afzonderlijke test een kritische testscore vastgesteld. |
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








