Begrippenlijst cognitieve psychologie

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.

Hoofdstuk 1

Analytische introspectie

Een procedure die gebruikt werd door vroegere psychologen. Getrainde participanten beschrijven hier hun ervaringen en denk processen die uitgelokt worden door een stimuli die gepresenteerd wordt tijdens een gecontroleerde conditie.

Kunstmatige Intelligentie

De bekwaamheid van een computer om taken uit te voeren die gewoonlijk geassocieerd worden met menselijke intelligentie

Behavioristische benadering

Bestuderen van de geest door het meten van het gedrag van een persoon en het gedrag uitleggen doormiddel van gedragstermen.

Behaviorisme

De psychologische benadering, opgericht door J.B. Watson, waarin gesteld wordt dat waarneembaar gedrag de enige valide data is voor de psychologie. Een gevolg van dit idee is dat bewustzijn en niet-waarneembare mentale processen niet waardig genoeg gezien worden om bestudeerd te worden door psychologen.

Reactietijd van kiezen

Het reageren op één stimuli bij het presenteren van twee of meer.

Klassieke conditionering

Een procedure waarbij een neutrale stimulus een paar vormt met een stimulus dat een respons uitlokt waardoor de neutrale stimulus die respons uiteindelijk ook uitlokt.

Cognitie

Het mentale proces die betrokken is in perceptie, aandacht, geheugen, taal, probleem oplossen, redeneren en het maken van beslissingen.

Cognitieve map

Mentale conceptie van een ruimtelijke inrichting.

Cognitieve psychologie

De tak van de psychologie die zich bezighoudt met de wetenschappelijke studie van de mentale processen die betrokken zijn bij perceptie, aandacht, geheugen, taak, redenatie etc. Kortweg: Cognitieve psychologie houdt zich bezig met de wetenschappelijk studie van de geest en mentale processen.

Cognitieve revolutie

Een verschuiving in de psychologie van de behavioristische benadering naar een benadering die het gedrag vooral verklaarde in termen van de geest. Een gevolg van deze revolutie was de introductie voor de informatieproces benadering.

Informatie-processing benadering

De benadering, ontwikkeld in het begin van 1950, waarin informatie verwerking door de geest als opeenvolging van stages wordt beschreven.

Logische theoreticus

Computer programma ontwikkeld door Alan Newell en Herbert Simon die logische problemen kon oplossen.

Geheugen consolidatie

Proces waarbij ervaringen of informatie die het geheugen systeem zijn binnengekomen versterkt worden. Dit zodat de informatie resistent is tegen storingen veroorzaakt door trauma’s of andere gebeurtenissen.

Mind

Een systeem die mentale functies zoals perceptie, aandacht, geheugen, emoties, taak, kiezen, denken en redeneren creëert en controleert en mentale representaties van de wereld creëert.

Model

In de cognitieve psychologie: Een representatie van de werkende geest; vaak gepresenteerd als onderling verbonden boxen die ieder een verwerking van een specifieke mentale functie representeren.

Operante conditionering

Een vorm van conditionering, voorgesteld door Skinner, welke zich richt op hoe gedrag versterkt kan worden door het voorleggen van een positieve versterking, zoals eten of sociale goedkeurig.

Fysiologische benadering

Het bestuderen van de geest door het meten van fysiologische en gedragsmatige respons.

Simpele reactie tijd

Reactie op de aanwezig of afwezigheid van een enkele stimulus.

Structuralisme

Een benadering dat perceptie verklaard als een opsomming van kleine units die sensaties worden genoemd.

Reactietijd

De tijd die men nodig heeft om op een stimulus te reageren. Dit wordt meestal bepaald doo de tijd tussen de indiening van een stimulus en de respons op de stimulus. Voorbeelden van reacties zijn het indrukken van een knop, een woord zeggen, het bewegen van de ogen, en de verschijning van bepaalde hersengolven.

Besparingsmethod

Methode die gebruikt wordt om retentie te meten in Ebbinghaus geheugen experiment. Hij las lijsten met onzin lettergrepen en bepaalde hoeveel herhalingen het duurde om de lijsten zonder fouten te herhalen. Hij herhaalt deze procedure na verschillende intervallen en trainingen en vergeleek het aan herhalingen die nodig zijn om geen fouten te maken.

Hoofdstuk 2

Actie potentiaal

elektrisch potentiaal dat beweegt naar de axon van een neuron.

Axon

Een deel van een neuron dat signalen verzendt van het cellichaam naar de synaps aan het einde van de axon

Brein imaging

Technieken zoals functionele magnetische resonantie image (fMRI) en PET. Deze afbeeldingen van het brein tonen brein activiteit aan. In de cognitieve psychologie wordt de activiteit vaak gemeten bij het uitoefenen van specifieke taken.

 

Broca’s afasie

Een conditie die geassocieerd wordt met schade aan Broca’s gebied die zich bevind in de frontale lob. Dit wordt gekenmerkt door moeite te hebben met het gebruiken van taal voor het uiten van gedachtes, maar het behouden van het begrijpen van gesproken taal.

 

Broca’s gebied

Een gebied in de frontale lob die geassocieerd word met de productie van taal. Letsel aan dit gebied leidt tot Broca’s afasie.

Cellichaam

Een deel van een cel dat mechanismen bevat die de cel levend houden. In sommige neuronen is de cellichaam en de dendrieten geassocieerd met ontvangende informatie van andere neuronen.

Cerebrale cortex

De 3-mm-dikke buitenlaag van het brein dat mechanismen bevat die verantwoordelijk zijn voor hogere mentale functies zoals perceptie, taal, denken en problemen oplossen.

Cognitieve neurowetenschap

Leer die betrokken is bij het bestuderen van de neurale basis van cognitie.

Dendrieten

Vertakkingen van het cellichaam om elektrische signalen van andere neuronen te ontvangen.

Gedistribueerde codering

Representatie van een object of ervaring door het vuurpatroon van een aantal neuronen.

Gedistribueerde verwerking

Verwerking dat betrekking heeft op een aantal verschillende gebieden in het brein.

Event- Related potential (ERP)

Een elektrische potentieel, opgenomen met elektrodes op de hoofdhuid van een persoon die de respons van veel neuronen reflecteren. De ERP bevat een aantal golven die ontstaan bij verschillende vertragingen nadat een stimulus is gepresenteerd. Dit kan gelinkt worden aan verschillende functies.

Extrastriate body area (EBA)

Een gebied in de temporale cortex die geactiveerd wordt door beelden van lichamen en delen van lichamen, maar niet door gezichten of andere objecten.

Kenmerk detectoren

Neuronen die reageren op specifieke visuele functies, zoals oriëntatie, grootte, of de meer complexe functies die deel uitmaken van prikkels uit de omgeving.

Frontale lob

De lob in het voorste gedeelte van het brein dat dient voor hogere functies zoals taal, gedachtes, geheugen en motorische functies.

Functionele magnetische resonantie imaging (fMRI)

Een hersenscan techniek dat meet hoe doorbloeding van het brein verandert in respons tot cognitieve activiteiten. Anders dan positron emissie tomografie kent deze techniek niet het injecteren van een radioactieve tracer.

Fusiform face gebied (FFA)

Een gebied in de temporale lob dat veel neuronen bevat die selectief op gezichten reageren.

Grandmother cell

Een neuron dat respons toont voor uitsluitend een specifieke stimuli. Deze stimuli zou een specifieke afbeelding kunnen zijn zoals een afbeelding van iemands oma, een concept zoals het idee van oma’s in het algemeen, of een oma in het echt.

Lokalisatie van functie

Lokalisatie van specifieke functies in specifieke gebieden van het brein. Bijvoorbeeld: gebieden die zijn geïdentificeerd als gebieden die zijn gespecialiseerd in het verwerken van informatie.

Micro elektrodes

Kleine draden die gebruikt worden om elektrische signalen van neuronen op te nemen en weer te geven.

Module

Een gebied van het brein dat gespecialiseerd is voor een specifieke functie. Bijvoorbeeld: Het fusiforme gezichtsgebied.

Zenuw fiber/vezel

Zie axon

Zenuw net

Een netwerk van voortdurende onderling verbonden zenuwvezels.

Zenuwimpuls

Een elektrisch respons dat wordt gepropageerd door het uiteinde van een axon. Wordt ook wel Actie potentiaal genoemd.

Neurale circuit

Een groep van onderling verbonden neuronen die verantwoordelijk zijn voor neurale processen.

Neurale code

De representatie van een specifiek stimuli of ervaring door het vuren van neuronen.

Neuron

Cel dat is gespecialiseerd om informatie van het zenuwstelsel te ontvangen en te verzenden.

Neuron doctrine

Het idee dat individuele cellen, genoemd neuronen, signalen door verzenden naar het zenuwstelsel en dat deze cellen niet doorlopend zijn met andere cellen.

Neurotransmitter

Chemical dat wordt vrijgegeven als respons op een binnenkomende actiepotentiaal.

Occipitale lob

De lob aan de achterkant van het brein dat zich vooral wijd aan het analyseren van binnenkomende visuele informatie.

Parahippocampal place gebied (PPA)

Een gebied in de temporale lob dat neuronen bevat die selectief geactiveerd worden bij afbeeldingen van indoor en outdoor scenes.

Pariëtale lob

De lob aan de bovenkant van het brein dat mechanismen bevat die verantwoordelijk zijn voor sensatie, veroorzaakt door stimulatie van de huid en ook sommige aspecten van visuele informatie.

Positron emissie tomografie (PET)

Een hersenscan techniek waarbij injectie van een radioactieve tracer een rol speelt.

Opname electrode

Bij het bestuderen van neurale functies wordt een dun glas of metaal gebruikt om elektrische signalen van de neuronen te meten.

Reference electrode

Gebruikt in combinatie met een opname electrode om het verschil in lading te meten. Reference elektrodes worden voornamelijk geplaatst waar het elektrische signaal constant blijft.

Retina

Een netwerk van neuronen achterin het oog. De transformatie van licht en het initiale verwerken van visuele informatie gebeuren in de retina.

Specificiteit codering

De representatie van een specifieke stimulus door het vuren van neuronen die alleen reageren op dat specifieke stimulus. Zie ook Grandmother cells.

Wernicke’s afasie

Gebied in de temporale kwab die geassocieerd word met het begrijpen van taal.

Synaps

Ruimte tussen het einde van een axon en het cellichaam of dendriet van de volgende axon.

Aftrek techniek

De techniek die gebruik wordt bij hersenscans waarbij baseline activiteiten afgetrokken worden van de activiteit die gegenereerd wordt door een specifieke taak. Dit resulteert in een activiteit afkomstig van de taak die bestudeerd wordt.

Primaire ontvangstruimte

Gebied in de cortex die als eerste input ontvangt ban een van de zintuigen. Bijvoorbeeld, de occipatale cortext is het primaire ontvangstgebied voor visie.

Prosopagnosia

Aandoening die wordt veroorzaakt door beschadiging van de temporale kwab die wordt gekenmerkt door een onvermogen om gezichten te herkennen.

Receptoren

Gespecialiseerde neurale structuren die reageren op prikkels uit de omgeving, zoals licht, mechanische stimulatie of chemische stimulatie.

Hoofdstuk 3

Action pathway

Neurale weg, rekt vanaf de occipitale lob tot de pariëtale lob. Wordt geassocieerd met neurale processen die zich voordoen als mensen actie ondernemen. Correspondeert met de where pathway

Algoritme

Een procedure die gegarandeerd leidt tot het oplossen van een probleem

Audiovisuele spiegel neuronen

Neuronen in de pre-motor cortex van apen die reageren als een aap een actie onderneemt en ook als het een geluid hoort die geassocieerd wordt met deze actie. Zie ook Spiegelneuronen

Bottom-up verwerking

Verweking dat begint met informatie die verkregen is door receptoren. Deze vorm van verweking wordt ook wel data-based verwerking genoemd.

Brein verwijdering

Een procedure waarbij een specifiek gebied van het brein van een dier verwijderd is. Het wordt vaak gedaan om vast te stellen wat de functie van dit bepaalde gebied is.

Componentiele recovery, het principe van

Het principe dat geassocieerd is met het herkenning-door-componenten theorie dat stelt dat als wij geons van een object zien, wij het object kunnen identificeren.

Dissociatie

Een gevolg van hersenletsel waarbij het letsel zorgt voor problemen van een functie maar niet van andere functies. Zie ook Dubbele dissociatie.

Dubbele dissociatie

Een situatie waarin een enkele dissociatie gedemonstreerd kan worden bij één persoon, en het tegenovergestelde typen van enkele dissociatie gedemonstreerd kan worden bij een andere persoon ( persoon één: functie A is present; functie B is beschadigd; persoon twee: functie A is beschadig; functie B is present ).

Ervaring- afhankelijke plasticiteit

Een mechanisme dat de neuronen van een organisme laat ontwikkelen, zodat zij het best reageren op het soort stimulatie waarin het organisme is blootgesteld.

Wet van vertrouwdheid

Wet van perceptuele organisatie die stelt dat dingen meer kans hebben om groepen te vormen als de groepen vertrouwd of zinvol lijken.

Feedback signaal

Neuraal signaal dat zich verplaatst van hogere centra om inkomende signalen te beïnvloeden.

Geon

Het basiskenmerk van een unit van de herkenning-door-componenten-benadering. Geonen zijn eenvoudige 3-D inhouden.

Gestalt psychologie

Een groep psychologen die de beginselen van waarnemingen voorstelden, zoals de wet van organisatie en een perceptuele benadering van problemen oplossen.

Wet van goede continuatie

Wet van perceptuele organisatie stelt dat wanneer punten verbonden worden en resulteren tot een rechte of gebogen lijn, dat het gezien wordt alsof zij bij elkaar horen. Bovendien worden de lijnen gezien als vervolg van het meest effen pad.

Wet van goedlopende figuur

Zie Wet van Pragnanz.

Heuristiek

Een vuistregel dat de beste gok oplossing levert voor een probleem.

Oriëntatiepunt discriminatie probleem

Probleem waarbij de opdracht is om de locatie van een object te herinneren en de locatie te kiezen na een korte delay. Geassocieerd met onderzoek naar de where-processing stream.

Licht-van-boven-heuristiek

De aanname dat het licht van boven komt. Dit is een vuistregel en kan invloed uitoefenen op hoe wij 3-D-objecten waarnemen.

Likelihood-principe

Een deel van Helmholtz’s theorie over onbewuste gevolgtrekking. Dit principe stelt dat wij het object waarnemen die most likely het patroon van stimuli heeft veroorzaakt.

Spiegelneuronen

Neuronen in de premotorische cortex, oorspronkelijk uitgevonden in apen, die een respons vertonen bij zowel het observeren van een actie als bij het zelf uitvoeren van een actie. Er is ook bewijs voor spiegelneuronen bij mensen.

Natuurlijke selectie

De theorie die stelt dat genetisch gebaseerde karakteristieken die de kans van dieren om te overleven verhogen, en daarom ook te kunnen reproduceren, zullen worden doorgegeven aan toekomstige generaties.

Neuropsychologie

De studie die gedragseffecten bestudeerd na een hersenletsel.

Object discriminatie probleem

Een probleem waarin de opdracht is om een object te onthouden gebaseerd op de vormgeving en deze vervolgens te kiezen bij het tonen van dit zowel dit object als andere objecten na een delay. Geassocieerd met onderzoek naar de what- processing stream.

Oblique effect

De bevinding dat verticale en horizontale oriëntaties makkelijker ontvangen kunnen worden dan andere oriëntaties.

Perceptie

Bewuste ervaring dat een resultaat is van prikkelingen van de zintuigen.

Perceptie pathway(route)

Neurale pathway, een uitbreiding van de occipitale lob naar de temporale lob, die geassocieerd word met het ontvangen of herkennen van objecten. Correspondeert naar de what pathway.

Perceptuele organisatie

Het proces van elementen van de omgeving organiseren naar aparte objecten.

De wet van perceptuele organisatie

Regels volgens ge Gestalt psychologen die uitleg bieden hoe een klein element perceptueel gegroepeerd wordt tot een grotere unit. Deze ‘wetten’ worden in het boek beschreven als heuristieken (vuistregels).

Fysieke regulaties

Regelmatig voorkomende fysieke eigenschappen van de omgeving. Bijvoorbeeld: er zijn meer verticale en horizontale oriëntaties dan oblique oriëntaties.

De wet van Pragnanz

De wet van perceptuele organisatie dat stelt dat iedere stimulus patroon op zo een manier wordt gezien dat het altijd resulteert in een zo makkelijk mogelijke structuur. Wordt ook wel de wet van goede figuur of de wet van eenvoud genoemd.

Herkenning-door-componenten theorie (RBC)

Een kenmerk gebaseerde benadering voor object perceptie die stelt dat het herkennen van objecten gebaseerd is op 3-D kenmerken die geons genoemd worden. Zie ook Geon.

Regulaties in de omgeving

Karakteristieken in de omgeving die vaak optreden. Bijvoorbeeld: gras is (bijna) altijd groen.

De wet van gelijkheid

Een wet van perceptuele organisatie waarin gesteld wordt dat soortgelijke objecten samen gegroepeerd worden.

De wet van eenvoud

Zie De wet van Pragnanz

Maat standvastigheid

De neiging om een object als dezelfde grootte te blijven zien, ook al wordt het vanaf verschillende afstanden bekeken. Dit leidt tot de conclusie dat perceptie van de grootte van een object niet uitsluitend bepaald wordt door de grootte van de afbeelding op de receptoren.

Spraak segmentatie

Het proces van ontvangen van individuele woorden binnen de doorstroom van het spraaksignaal.

Onbewuste gevolgtrekking theorie

Helmholtz’s idee dat sommige van onze percepties het resultaat zijn van onbewuste assumpties die wij maken over de omgeving.

What-pathway

Neurale pathway dat geassocieerd wordt met het ontvangen of herkennen van objecten.

Where-pathway

Neurale pathway dat geassocieerd wordt met neurale verwerking die optreedt als een object in de ruimte wordt gelokaliseerd.

Top-down-processing

Het verwerking waarbij de kennis en verwachtingen van de persoon betrokken zijn.

Semantische regelmatigheden

Kenmerken die geassocieerd worden met functies die uitgevoerd worden in verschillende soorten scènes.

Hoofdstuk 4

Aandacht

Focussen op een specifiek kenmerk, object or locatie of een bepaalde gedacht of activiteit.

Attenuation theory of attention

Anne Treisman’s model van selectieve aandacht dat voorstelt dat selectie gebeurd in twee stadia. Eerst zal een demper de binnenkomende informatie analyseren.

Attenuator/ Demper

In Treisman’s model van selectieve aandacht, analyseert de demper de binnenkomende informatie in termen van fysieke karakteristieken, taal, en betekenis. Bijgewoonde informatie passeren met volle sterkte, niet bijgewoonde informatie passeren met verminderde sterkte.

Autisme

Een ontwikkelingsstoornis waar één van de hoofdsymptomen het terugtrekken van contacten met andere mensen is. Mensen met autisme richten vaak hun aandacht ergens anders dan mensen zonder autisme

Automatische verwerking

Verweking dat automatisch plaatsvindt, zonder dat het de bedoeling is en minimaal gebruik maakt van cognitieve middelen. Automatische verwerking is geassocieerd met makkelijk of goed geoefende taken.

Balint’s syndroom

Een conditie veroorzaakt door hersenschade waarbij de persoon moeite heeft om zijn/haar aandacht te richten op een individueel object.

Bottleneck model

Aandacht model dat stelt dat binnenkomende informatie beperkt is op een gegeven moment en dat alleen een deel van de informatie naar ons bewustzijn doordringt. Broadbent’s aandacht model is een voorbeeld van een bottleneck model.

Change blindness/ Verandering blindheid

Moeite met het detecteren van veranderingen in vergelijkbare, maar toch andere scenes die gepresenteerd worden na elkaar. De veranderingen zijn vaak makkelijk te zien mits de aandacht erop gericht is.

Cocktail party effect

Het fenomeen dat voorkomt als een bericht van een andere bron jouw bewustzijn binnendringt terwijl jij gefocust bent op een ander gesprek of bericht. Dit kan gebeuren als een person opeens zijn naam hoort ergens aan de andere kant van de kamer terwijl deze persoon gefocust is op zijn gesprek.

Cognitieve lading

De hoeveelheid cognitieve middelen die een persoon nodig heeft voor een taak.

Cognitieve hulpbron

Het idee dat een persoon een bepaalde cognitieve capaciteit, ofwel hulpbron, bevat die gebruikt kan worden om diverse taken uit te voeren.

Controle processen

In Atkinson en Shiffrin’s modale model van herinneringen worden actieve processen beschreven die gecontroleerd kunnen worden door de persoon en kunnen verschillen van een taak naar de ander. Herhaling is een voorbeeld van controle proces.

Controle processing

Processen die betrekking hebben tot aandacht. Deze term is vooral geassocieerd met Schneider en Shiffrin’s experiment, waarin getoond wordt dat gecontroleerde processen nodig waren in de moeilijke condities, zelf na herhaaldelijk oefenen.

Verborgen aandacht

Treed op als aandacht verschuift zonder oogbeweging. Het tegenovergestelde van Openlijke aandacht.

Dichotisch luisteren

De procedure waarbij een bericht aan de linkeroor word gepresenteerd en een ander bericht aan het rechter oor.

Dictionary unit

Een component van Treismans aandacht theorie. De dictionary unit helpt bij het uitleggen waarom wij een bekend woord horen, zoals ons naam terwijl onze aandacht daar niet op gericht is.

Verdeelde aandacht

Het vermogen om aandacht te besteden aan twee of meer verschillende taken gelijktijdig.

Vroege selectie model

Een aandacht model dat selectieve aandacht verklaard door vroeg filteren van onbeheerde informatie. In Broadbents vroege selectie model de stap voor filteren geschied voordat de informatie is geanalyseerd.

Endogene aandacht

Ontstaat als een persoon bewust kiest om de omgeving te scannen om een specifieke stimulus te vinden. Dit geldt ook voor auditieve stimulus.

Exogene aandacht

Aandacht die automatisch word getrokken door een plotselinge visuele of auditieve stimulus.

Eye tracker

Een apparaat die meet waar mensen in een situatie kijken (fixeren), en hoe zij hun ogen bewegen van het ene naar het andere fixatiepunt.

Kenmerk integratie theorie

Een benadering voor object perceptie, ontwikkeld door Anne Treisman. Deze benadering stelt dat object perceptie optreedt in fasen waarin de functies eerst worden geanalyseerd en vervolgens gecombineerd om te resulteren in een perceptie van een object.

Fixatie

In perceptie en attentie, een pauze van de ogen op plaatsen van interesse terwijl een scene wordt geobserveerd.

Flanker compatibiliteitstaak

Een procedure waarin participanten de opdracht krijgen op te reageren op een stimulus die wordt geflankeerd of omringd door afleidende stimuli die zij geacht worden te negeren. De mate waarin de afleidende stimuli interfereert met de respons is een indicatie of aan te tonen of de afleidende stimuli wordt verwerkt.

Gefocusseerde aandacht stadium

Het tweede stadium van de Treisman’s kenmerk integratie theorie. Volgens deze theorie wordt aandacht veroorzaakt door de combinatie van kenmerken van waarnemingen van een object.

Hoog-geladen taak

Een taak die de meeste middelen van een persoon gebruikt waardoor een weinig capaciteit overblijft voor andere taken.

Denkbeeldige conjuncties

Een situatie, gedemonstreerd door een experiment van Anne Treisman, waarin kenmerken van verschillende objecten ongepast gecombineerd worden.

Niet-aandacht gerichte blindheid

het niet opmerken van iets ook al is het zichtbaar. Ontstaat vaak doordat je aandacht er niet opgericht is. Zie ook Veranderingsblindheid.

Late selectie model

Een model van selectieve aandacht dat stelt dat selectie van een stimuli voor uiteindelijke verwerking niet plaatsvindt voordat informatie geanalyseerd is voor betekenis.

Locatie-gebaseerde aandacht

Aandacht modellen die stellen dat aandacht werkt op welke stimuli dan ook op een bepaalde locatie. Dit is in tegenstrijd met de Object-gebaseerde aandacht, waarin aandacht op een bepaald object is gericht.

Laag-geladen taak

Een taak dat weinig middelen gebruikt waardoor er enige capaciteit overblijft voor andere taken.

Object-gebaseerde aandacht

Een aandacht model die stelt dat verbeterde effecten van de aandacht gelokaliseerd zijn op een bepaald object. Dit is in tegenstrijd met de lokalisatie-gebaseerde aandacht.

Overt(openlijke) aandacht

De verschuiving van aandacht door oogbewegingen. In tegenstrijd met Coverte aandacht.

Preattentieve fase

De eerste fase van de Treisman’s kenmerken integratie theorie, waarin een object wordt geanalyseerd op basis van zijn kenmerken.

Stimulus saillantie

Bottom-up factoren die de aandacht op elementen bepalen. Voorbeelden zijn kleuren, contrasten en oriëntatie.

Stroop-effect

Een effect waarbij een taak wordt uitgevoerd in welk de participant moet reageren op een aspect van de stimulus, bijvoorbeeld de kleur van het woord, maar een ander aspect, zoals wat het woord betekend, moet negeren. Mensen vinden deze taak moeilijk als de kleur van het woord anders is dan wat het woord betekend. (bijvoorbeeld: blauwe letters spellen het woord geel).

Precueing

Een procedure waarbij deelnemers een cue krijgen die hen zal helpen een volgende taak uit te voeren. Deze procedure is gebruikt in visuele aandacht experimenten met deelnemers met een cue die hen vertelt waar zij hun aandacht op moeten richten.

Saccadische oogbewegingen

Oogbewegingen van het ene fixatiepunt naar het andere.

Hetzelfde object voordeel

Treedt op wanneer het versterkende effect van aandacht verspreid wordt overal op een object, zodat de aandacht op een plaats op een object resulteert in een vereenvoudiging van de verwerking op andere plaatsen op het object.

Scène schema

Kennis van een persoon over wat waarschijnlijk wordt opgenomen in een bepaalde scène. Deze kennis kan de aandacht helpen leiden naar verschillende gebieden van de scène. Bijvoorbeeld, kennis van een kantoor kan en persoon laten kijken naar een bureau om de computer te zien.

Geselecteerde aandacht

De mogelijkheid om zich te concentreren op een bericht en alle andere te negeren.

Schaduwing

De procedure van het hardop herhalen van een boodschap zoals men het hoort. Schaduwing wordt vaak gebruikt in combinatie met studies van selectieve aandacht die de dichotic listening procedure gebruiken.

Hoofdstuk 5

Articulatorische herhalingsproces

Herhaalprocessen die betrekking hebben tot het werkgeheugen die items in de fonologische opslag behouden van vervaling.

Articulatorische onderdrukking

Interferentie met de fonologische lus dat optreedt als een persoon herhaaldelijk een irrelevant woord zoals ‘dat’ zegt, terwijl er een taak uitgevoerd wordt waarbij de fonologische lus nodig is.

Auditieve codering

Representatie in je hoofd van het geluid van een stimulus

Centrale executive

Een deel van het werkgeheugen dat de activiteit van de fonologische lus en de visuospatial sketch pad coördineert.

Chunk

Wordt gebruikt in relatie tot het idee van chunking in het geheugen. Een chunk is een collectie elementen die sterk geassocieerd zijn met elkaar maar zwak geassocieerd zijn met elementen in een andere ‘chunks’

Chunking

Het combineren van kleine units naar grote units, zoals het combineren van woorden naar een betekenisvolle zin. Chunking kan gebruikt worden om de capaciteit van het geheugen te vergroten

Coderen

De vorm in welke de stimulus is gerepresenteerd in het hoofd. Bijvoorbeeld: informatie kan visueel, semantisch en fonologische vormen aannemen.

Vertraagde respons taak

Een taak waarbij informatie word gegeven, en vertraging is opgelegd en dan het geheugen is getest. Deze taak word gebruikt om het korte termijngeheugen te testen.

Digit span

Het aantal digits dat een persoon kan onthouden. Digits span word gebruikt als maatstaaf voor de capaciteit van het korte termijngeheugen.

Klanknabootsend geheugen

Een kort sensorisch geheugen voor auditieve stimuli dat een paar seconden duurt nadat de stimulus is gedoofd.

Episodisch Buffer

Een component toegevoegd aan Baddeleys originele werkgeheugen model dat dient als een back up dat zowel met het LTM als met de componenten van het werkgeheugen communiceert. Het houd informatie langer vast en het heeft een grotere capaciteit.

Iconisch geheugen

Kort sensorisch geheugen voor visuele stimuli dat enkele seconden aanhoudt, nadat de stimuli is uitgedoofd.

Geheugen

Het proces dat betrekking heeft op het behouden, ophalen en gebruiken van informatie over de stimuli, afbeeldingen, ideeën nadat de originele informatie niet meer present is.

Mentale benadering voor codering

Bepalen hoe een stimulus of ervaring is gerepresenteerd in het hoofd.

Modale model van geheugen

Het model dat ontwikkeld is door Atkinson en Shiffrin beschrijft het geheugen al een mechanisme dat betrekking heeft tot het verwerken van informatie doormiddel van fases, inclusief het kortetermijngeheugen en het langetermijngeheugen. Het wordt het modale model genoemd omdat het kenmerken bevat van vele modellen die ontwikkeld werden in 1960.

Partieel report methode

Een procedure gebruikt in Sperlings’s experiment. Participanten werden gevraagd om alleen een deel van de stimuli te noteren die kort gepresenteerd werd. Een cue toon kort na het vertonen van de stimuli gaf aan welk deel van de stimuli genoteerd moest worden. Zie ook Heel report methode.

Preservatie

Problemen bij het switchen van een gedrag naar een ander gedrag, wat nadelig kan zijn voor het willen oplossen van en probleem waarbij flexibele denkwijze noodzakelijk is.

Aanhouden van visie

De continue perceptie van licht voor een fractie van een seconde nadat het originele licht stimulus uitgeloofd is. Zie ook Iconisch geheugen.

Fonologische lus

Het deel van het werkgeheugen dat verbale en auditieve informatie verwerkt. Zie ook Werkgeheugen.

Fonologische gelijkheidseffect

Een effect dat optreedt als letters of woorden ie hetzelfde klinken verward worden. Bijvoorbeeld de letter p en de letter b.

Fonologische opslag

Component van de fonologische lus van het werkgeheugen dat een beperkte hoeveelheid verbale en auditieve informatie behoudt voor een paar seconden.

Fysiologische benadering voor codering

Bepalen hoe een stimulus of ervaring is gerepresenteerd door het vuren van neuronen.

Herhaling/ Repetitie

Het proces van telkens opnieuw herhalen van een stimulus, voornamelijk voor het onthouden van de stimulus, om de stimulus actief te houden in het kortetermijngeheugen.

Vrijlating van proactieve interferentie

Een situatie waarin condities voorkomen die de prestatie, veroorzaakt door proactieve interferentie, elimineren of verminderen.

Retrieval

Het proces van informatie herinneren dat opgeslagen ligt in het langetermijngeheugen.

Visuele codering

Codering in het hoofd in de vorm van visuele afbeelding.

Visuele icon

Zie Iconisch geheugen

Visuele imagery

Een type mentale imagery die betrekking heeft tot visie. De afbeelding wordt ervaren zonder visuele stimulus.

Visuospatial sketch pad

Het deel van het werkgeheugen dat visuele en ruimtelijke informatie verwerkt.

Heel-report methode

Procedure, gebruikt in Sperling’s experiment over de eigenschappen van het visuele icon, waarin participanten gevraagd wordt om de hele stimulus te rapporteren.

Woord lengte effect

Het idee dat het moeilijker is om een lijst te onthouden die lange woorden bevatten dan een lijst te onthouden die korte woorden bevat.

Werkgeheugen

Een beperkt capaciteitssysteem voor tijdelijk opslag en manipulatie van complexe taken zoals leren of redeneren.

Structurele kenmerken:

Fases in het modale model van geheugen. Deze fases zijn sensorisch geheugen; kortetermijngeheugen en langetermijngeheugen.

Proactieve interferentie

Wanneer eerder geleerde informatie interfereert met het leren van nieuwe informatie.

Reading span

Het maximale aantal zinnen die een persoon kan lezen en gelijktijdig het laatste woord van elke zin kan onthouden. Reading span is gebruikt om zowel de opslag als verwerkingsfuncties van het werkgeheugen te meten.

Recall-test

Een test waarbij de deelnemers worden blootgesteld aan stimuli en dan, na een vertraging, worden gevraagd zoveel mogelijk van de stimuli te herinneren.

Semantische codering

Codering in de geest in de vorm van betekenis.

Sensorisch geheugen

Een korte fase van het geheugen dat informatie vasthoudt voor een paar seconden of fracties van een seconde. Het is de eerste fase in de modal-model van het geheugen.

Korte termijn geheugen

Een geheugen mechanisme dat een beperkte hoeveel informatie kan houden voor een korte periode van tijd (meestal rond 30 sec.) tenzij er herhaling plaatsvindt die informatie kan handhaven in het korte termijn geheugen. Het korte termijn geheugen is een van de etappes in de modal-model van het geheugen.

Hoofdstuk 6

Anterograde amnesie

Amnesie/ geheugenverlies voor gebeurtenissen die gebeurd zijn na het letsel- dat is, het onvermogen om nieuwe herinneringen te vormen. Vergelijk met retrograde amnesiehet onvermogen om informatie van het verleden te herinneren

Conceptuele priming

Priming dat veroorzaakt wordt door een priming stimulus gebaseerd op de betekenis van de stimulus. Bijvoorbeeld: Bij het presenteren van het woord meubel ontstaat er een snellere respons bij het presenteren van het latere woord stoel.

Declaratief geheugen

Geheugen dat betrekking heeft op bewuste collecties van voorgaande beleefde gebeurtenissen ( episodisch geheugen ) of feiten ( semantisch geheugen ).

Episodisch geheugen

Geheugen voor specifieke gebeurtenissen die de persoon heeft meegemaakt die de herinnering heeft. Deze gebeurtenissen worden vaak herinnert als een persoonlijke ervaring die plaats heeft gevonden op een bepaalde tijd en op een bepaalde plek. Episodische en semantische geheugen te samen vormen declarative geheugen.

Expliciet geheugen

Geheugen dat betrekking heeft op bewuste herinneringen aan gebeurtenissen of feiten die we geleerd hebben in het verleden. Dit wordt ook wel declaratief of bewust geheugen genoemd.

Impliciet geheugen

Herinneringen die ontstaan als een gebeurtenis effect heeft op iemands gedrag, ook al is de persoon zich hier niet bewust van. Wordt ook wel nondeclaratief geheugen genoemd.

Korsakoff’s syndroom

Een conditie veroorzaakt door langdurig vitamine B1 tekort, dat leidt tot vernietiging van gebieden in de frontale en temporale lob. Dit kan leiden tot ernstige verslechteringen in het geheugen.

Langetermijn geheugen (LTM)

Een geheugen mechanisme dat grote hoeveelheden informatie kan behouden voor een langere periode. Langetermijn geheugen is een van de fases van het modale model van geheugen.

Mentaal tijdreizen

Volgens Tulving: de bepalende eigenschap van de ervaring van episodisch geheugen, in welk een persoon in tijd terug reist in zijn/haar hoofd om bepaalde ervaringen te herbeleven.

Niet-declaratief geheugen

Herinneringen die ontstaan als een ervaring iemands gedrag beïnvloed, zelfs als de persoon zich niet bewust is dat hij/zij deze ervaring heeft gehad.

Herkenningsgeheugen

Het identificeren van een stimulus dat eerder is getoond. Stimuli zijn gepresenteerd tijdens een studie periode en vervolgens is de stimuli later samen met een andere stimuli gepresenteerd. De taak van de participanten is om de juiste stimuli aan te wijzen.

Repetitie priming

Als een initiale presentatie van een stimulus het respons van een persoon beïnvloed op dezelfde stimulus die later word getoond.

Retrograde amnesie

Geheugenverlies voor dingen die hebben plaatsgevonden voordat de beschadiging aan de hersenen heeft plaatsgevonden.

Primaat effect

In een geheugen experiment waarin een lijst van woorden gepresenteerd wordt, verbeterd het geheugen voor woorden die gepresenteerd worden aan het begin van de lijst. Zie ook recency effect.

Priming

Een verandering van reactie op een stimulus veroorzaakt door eerdere presentatie van dezelfde of soortgelijke stimulus.

Procedureel geheugen

Geheugen voor hoe sterk beoefende vaardigheden uit te voeren. Dit is een soort van impliciet geheugen, want hoewel mensen ervaren gedrag kunnen uitvoeren, kunnen zij vaak niet precies uitleggen hoe zij in staat zijn om het te doen.

Propaganda effect

Mensen zijn geneigd om uitspraken als juist te zien die zij eerder hebben gehoord of gelezen, alleen maar omdat deze verklaringen eerder zijn blootgesteld.

Recency-effect

Een geheugen experiment waarin een woordenlijst wordt gepresenteerd, waarbij een beter geheugen is voor woorden aan het einde van de lijst.

Semantisch geheugen

Geheugen voor kennis oer de wereld die niet gebonden is aan specifieke persoonlijke ervaring. Het semantische en episodische geheugen vormen samen het decleratieve geheugen.

Seriële positie curve

Een geheugen experiment waarin de deelnemers wordt gevraagd om een lijst van woorden te onthouden. Een plot van het percentage deelnemers die bij elk woord het woord hebben onthouden en de positie van dat woord in de lijst.

Hoofdstuk 7

Consolidatie

Het proces dat nieuwe herinneringen transformeert naar een staat waarin zij meer resistent zijn voor verstoringen. Zie ook Standaard model van consolidatie

Cued recall

Een procedure voor het testen van geheugen waarbij de participant wordt blootgesteld aan cues, zoals een woord of een uitdrukking, die dient als hulmiddel om eerder getoonde stimuli te herinneren.

Diepte verwerking

Verwerking dat betrekking heeft op aandacht voor betekenis voor een item voor iets anders. Diep verwerking word vaak geassocieerd met elaborative herhaling zie ook diepte van verwerking; Shallow Processing.

Elaborative herhaling

Herhaling dat betrekking heeft tot het denken over de betekenis van een item om het te onthouden of het maken van verbindingen tussen dat item en eerdere opgedane kennis. Vergelijk met Maintenance rehearsal.

Codering

Het proces van verwerven van informatie en het transfereren naar het geheugen.

Codering specificiteit

het principe dat wij informatie leren samen met diens context. Dit betekend dat de aanwezigheid van de context kan leiden tot verbeterde geheugen voor die informatie.

Free recall

Een procedure voor het testen van het geheugen waarin participanten gevraagd worden om de stimuli te onthouden die eerder getoond is. Zie ook Cued recall.

Generatie effect

Herinneringen voor materiele dingen is sterker als een persoon het materiaal genereert, dan wanneer hij/zij het passief ontvangt.

Gegradeerde geheugenverlies

Als geheugenverlies is ernstigere vorm optreedt voor gebeurtenissen die vlak na een letsel hebben plaatsgevonden, dan voor eerdere gebeurtenissen.

Levels van verweking (LOP)

Een deel van de levels van verwerking theorie dat stelt dat er verschillende dieptes zijn van verweking die bereikt kunnen worden wanneer informatie gecodeerd wordt. Zie ook Levels-van-verwerking-theorie.

Levels-van-verwerking-theorie

Het idee dat geheugen afhangt van hoe informatie in gecodeerd. Beter geheugen kan bereikt worden door ‘diepere’ verwerking. Diepe verwerking heeft betrekking tot aandacht voor betekenis en is geassocieerd met elaboratieve herhaling. Oppervlakkige verweking heeft betrekking tot minimale aandacht voor de betekenis en is geassocieerd met maintenance herhaling.

Langetermijn potentiëring (LTP)

Het toenemende vuren dat optreedt in een neuron door voorafgaande activiteit in de synaps.

Maintenance herhaling

Herhaling dat betrekking heeft tot oefeningen zonder consideratie van betekenis of het maken van verbindingen met andere informatie.

Mediale temporale lob (MTL)

Een gebied in de temporale lob dat de hippocampus en een aantal omliggende structuren bevat. Letsel aan het MTL zorgt voor problemen bij het maken van nieuwe lange-termijn herinneringen.

Multiple trace hypothese

Het idee dat de hippocampus betrokken is bij het ophalen van remote herinneringen, vooral episodische herinneringen. Dit is in tegenstrijd met het standaard model van geheugen. Dit stelt namelijk dat de hippocampus alleen betrokken is bij het ophalen van recente herinneringen.

Gepaarde- associatie leren

Een leertaak waarbij participanten eerst bloot worden gesteld aan een woordpaar. Vervolgens wordt één woord getoond. De opdracht is om het andere woord te noemen.

Re-consolidatie

Een proces, volgens Nader en anderen, die plaatsvind als een herinnering gereactiveerd wordt. Dit proces is vergelijkbaar met de consolidatie die plaatsvind na het initiale leerproces, hoewel dit sneller voorkomt.

Remote geheugen

Geheugen voor gebeurtenissen die zich lang geleden afspeelden.

Retrieval cues

Cues die een persoon helpen om zich informatie te herinneren van het verleden.

Standaard model van consolidatie

Geeft weer dat het ophalen van geheugen afhangt van de hippocampus gedurende consolidatie, maar dat zodra de consolidatie heeft plaatsgevonden, hangt retrieval niet meer af van de hippocampus.

Staat-afhankelijk leren

Het principe dat het geheugen het beste werkt als de persoon in dezelfde staat is tijdens codering (leren) als tijdens retrieval(terughalen van informatie, herinneren). Dit principe is gerelateerd aan codering specificiteit.

Transfer-geschikte verwerking

Als het type opdracht tijdens codering overeenkomt met het type opdracht tijdens retrieval.

Testen-effect

Een betere prestatie bij een geheugen taak omdat gevraagd wordt naar dingen die herinnerd worden.

Systeem consolidatie

Een consolidatie proces dat betrekking heeft tot het reorganiseren van circuits binnen het breingebied.

Synaptische consolidatie

Een proces van consolidatie die betrekking heeft tot structurele verschillen in de synaps die snel gebeurd (binnen enkele minuten).

Reactivering

Een proces dat optreedt tijdens geheugenconsolidatie, waarbij de hippocampus de neurale activiteit geassocieerd met een geheugen opnieuw afspeelt. Tijdens reactivering treedt activiteit op in het netwerk tussen de hippocampus en de cortex. Deze activiteit leidt tot de vorming van verbindingen russen de corticale gebieden.

Automatisch verwijzingseffect

Geheugen voor een woord wordt verbeterd door het betreffende woord naar zichzelf te relateren.

Ondiepe verwerking

Verwerking dat herhaling met weinig aandacht voor de betekenis inhoudt.

Hoofdstuk 8

Amygdala

Een subcorticale structuur dat betrokken is bij het verwerken van ervaringen met een emotioneel aspect, inclusief geheugen voor emotionele gebeurtenissen

Autobiografisch geheugen (AM)

Geheugen voor gedateerde gebeurtenissen in iemands leven. Autobiografisch geheugen wordt vaak gezien als een vorm van episodisch geheugen, maar het wordt ook wel gecategoriseerd tot persoonlijk, semantisch geheugen.

Cognitieve hypothese

Een verklaring voor de reminiscence bump. Dit stelt dat herinneringen beter zijn tijdens de adolescentie en vroege volwassenheid omdat codering beter plaatsvind tijdens periodes van snelle veranderingen, gevolgd door stabiliteit.

Cognitief interview

Een procedure die gebruikt wordt voor het afnemen van interviews bij ooggetuigen van een misdrijf. Deze aanpak ooggetuigen onder andere uitpraten met een minimum van onderbrekingen, en het gebruikt ook technieken om de ooggetuige te helpen een reconstructie te vormen van de gebeurtenis.

Constructieve aard van herinneringen

Het idee dat wat mensen rapporteren als herinnering zijn geconstrueerd door wat daadwerkelijk is gebeurd plus additionele factoren zoals verwachtingen, andere kennis en andere levenservaringen.

Cryptomnesie

Onbewust plagiaat van het werk van anderen. Dit wordt geassocieerd met fouten in bron monitoring.

Culturele levens scriptie

Levensgebeurtenissen die voornamelijk voorkommen in een bepaalde cultuur.

Culturele levens scriptie hypothese

Het idee dat gebeurtenissen in het leven van een persoon makkelijker te herinneren zijn als de culturele levens scriptie past bij de cultuur van die persoon.

Ooggetuigenverslagen

Getuigenis van ooggetuigen van een misdaad over wat ze zagen tijdens plegen van het misdrijf.

Flashbulb memory

Herinneringen voor omstandigheden rondom het horen van een schokkende gebeurtenis. Er werd beweerd dat zulke herinneringen bijzonder levendig en accuraat zijn. Zie ook Narratieve herhalingshypothese voor een andere kijk.

Geheugen spoor vervanging hypothese

Het idee dat misleidende postevent informatie de herinnering schaadt die gevormd is tijdens de originele ervaring.

Misinformatie effect

Misleidende informatie gepresenteerd nadat een persoon ooggetuige was van een misdrijf kan leiden tot veranderingen in het vertellen(en ervaren) van de gebeurtenis op een later tijdstip.

Misleidende postevent informatie (MPI)

De misleidende informatie die zorgt voor het eerder genoemde misinformatie effect.

Narratieve herhalingshypothese

Het idee dat wij sommige gebeurtenissen beter herinneren omdat we deze herhalen. Dit idee is voorgelegd door Neisser als verklaring voor de ‘flashbulb’ herinneringen.

Post-identificatie feedback effect

Een verhoogde zelfverzekerdheid van het herroepen van herinneringen door bevestigende feedback na het maken van een identificatie.

Pragmatische inferentie

Inferentie die plaatsvindt bij het lezen of horen van een statement, leidt tot een verwachting die niet expliciet is geïmpliceerd of genoemd.

Reminiscence bump

De empirische bevinding dat mensen die ouder zijn dan 40 jaar een beter geheugen hebben voor gebeurtenissen die zich afspeelden tijden de adolescentie.

Herhaaldelijke recall

Een recall dat onmiddellijk wordt getest nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden en vervolgens op verschillende momenten nog een keer wordt getest.

Herhaaldelijke reproductie

Een meet methode voor het geheugen waarbij een participant een stimulus reproduceert op herhaaldelijke momenten zodat zijn/haar geheugen wordt getest op steeds langere intervallen.

Risico afkeer

De neiging om beslissingen te nemen die risico’s vermijden.

Bron misattributie

Treedt op als de bron van een herinnering verkeerd geïdentificeerd is.

Spacing effect

Het voordeel in prestatie veroorzaakt door korte studie sessies die onderbroken worden door pauzes.

Wapen focus

De neiging voor ooggetuigen om hun aandacht te richten op het wapen waardoor de herinnering aan andere dingen(zoals het gezicht van de dader) erg slecht is.

Schema

Kennis van een persoon over wat betrokken is bij een bijzondere ervaring.

Script

Een type schema. De opvatting van de opeenvolging van acties die een bepaalde activiteit beschrijven. Bijvoorbeeld, de opeenvolging van gebeurtenissen die worden geassocieerd met het gaan naar de klas. Dit zou een 'naar de klas gaan' script worden.

Zelfbeeld hypothese

Het idee dat het geheugen versterkt wordt voor gebeurtenissen die zich voordoen als het zelfbeeld of identiteit van een persoon wordt gevormd. Dit is een van de verklaringen voor de remeniscence bump.

Hoofdstuk 9

Back propagation/ Terug voortplanten

Een proces waarbij leren kan voorkomen in een connectionistische netwerk, in welk een error signaal achterwaarts door het netwerk wordt verzonden.

Basis level

In Rosch categorisatieschema is dit een level onder de globale (superordinate) level. Bijvoorbeeld: Globale level: Meubels; Basis level: Tafel. Volgens Rosch is het basis level psychologisch erg speciaal omdat het een level is waarbij veel informatie verdwijnt als je een level hoger gaat en weinig informatie verkrijgt als je een level lager gaat.

Categorisatie

Het proces waarbij objecten geplaatst worden in categorieën.

Categorie

Groepen van objecten die samen horen omdat zij tot dezelfde klasse van objecten behoren, zoals ‘meubels’.

Categorisch-specifieke kennis verslechtering

Een resultaat van hersenschade waarbij de patiënt moeite heeft met het herkennen van objecten van een specifieke categorie.

Cognitieve economie

Een kenmerk van sommige semantische netwerk modellen waarin eigenschappen van een categorie die door veel leden gedeeld worden, hoger in het netwerk liggen. Bijvoorbeeld: de eigenschap ‘kunnen vliegen’ zou hoger liggen voor ‘vogels’ dan voor ‘kanarie’.

Connection gewicht

Dit bepaalt de mate waarin signalen die van een unit komen, de activiteit van de andere unit doen toenemen of afnemen.

Connectionisme

Een netwerk model van mentale operaties die stelt dat een concept gerepresenteerd is in een netwerk volgens neurale netwerken. Deze benadering wordt ook wel parallel distrubuted processing (PDP) genoemd.

Connectionistisch netwerk

Connectionistische netwerken zijn gebaseerd op neurale netwerken, maar zijn niet noodzakelijk identiek aan elkaar. Een van de hoofdkenmerken van connectionistische netwerken is dat een specifieke categorie gerepresenteerd is door een activiteit, die verspreid is over vele units in het netwerk. Dit is in contrast met semantische netwerken, in welke specifieke categorieën gerepresenteerd zijn door individuele delen.

Definiërende benadering voor categorisatie

Het idee dat wij kunnen beslissen of iets een member van een categorie is door te bepalen of het object voldoet aan de definitie van de categorie. Zie ook Familie gelijkenis.

Exemplaar

Leden van een categorie dat een persoon eerder heeft meegemaakt in het verleden.

Exemplaarbenadering voor categorisatie

De benadering waarin leden van een categorie worden beoordeeld tegen exemplaren, voorbeelden van leden van de categorie dat de persoon heeft ondervonden in het verleden.

Familie gelijkenis

Bij de beoordeling van het proces van categorisering, is er een idee dat de dingen in een bepaalde categorie op elkaar lijken op een aantal manieren. Deze benadering staat tegenover met de definitie aanpak, waarin staat dat een object alleen tot een categorie behoort wanneer hij aan een bepaalde set van criteria voldoet.

Globale (superordinate) level

Het hoogste level in Rosch’s categorisatie schema. Zie ook Basis level; Specifieke (superpordinate) level

Graceful degradatie

Verstoring van presentatie door schade aan een systeem dat geleidelijk aan optreedt, naarmate meer delen van het systeem beschadigd zijn. Dit treedt op bij sommige vormen van hersenschade of bij beschadigingen van het connectionistische netwerk.

Hoge prototype

Een categorie lid die lijkt op de categorie prototype. Zie ook Prototypisch.

Hiërarchische organisatie

Organisatie van categorieën waarbij grotere, meer algemene categorieën verdeeld zijn in kleinere, meer specifieke categorieën. Ook deze kleinere categorieën kunnen weer onderverdeeld worden in specifiekere categorieën.

Hiërarchisch model

Toegepast op netwerkmodellen van kennis representatie: Een model dat uit gerangschikte niveaus bestaat zodat de meest specifieke concepten (zoals kanarie) onderaan voorkomen en de meer algemene concepten (zoals vogel) bovenaan.

Verstopte units

Units in een connectionistsch netwerk die gelokaliseerd zijn tussen input units en output units. Zie ook Connectionistisch netwerk; Input units; Output units.

Input units

Units in een connectionistisch netwerk die geactiveerd worden door stimulatie van de omgeving. Zie ook Connectionistisch netwerk; Verbogen units; Output units.

Prototype

Een standaard dat gebruikt wordt bij de indeling. Men neemt het gemiddelde van de categorieleden die een persoon in het verleden heeft ondervonden.

Concept

Een mentale representatie die gebruikt wordt voor verschillende cognitieve functies, zoals geheugen, redenatie, en het begrijpen van taal. Een voorbeeld van een cognitief concept is de manier waarop iemand een mentale representatie maakt van ‘kat’.

Lage prototype

Een categorie lid dat niet lijkt op het categorische prototype.

Output units

Units in een connectionistisch netwerk die uiteindelijke output van een netwerk bevatten. Zie ook Verborgen units; Input Units.

Parallel verdeelde verwerking(PDP)

Zie Connectionisme, Connectionistisch netwerk.

Specifieke (subordinate) level

Een level van Rosch’s categorisatie schema dat een level is onder het basis level.

Spreiding activatie

Activatie dat zich verspreid over iedere link in een semantisch netwerk dat is verbonden met een activatie node.

Typicaliteit effect

Het vermogen om te kunnen oordelen over juiste of onjuiste zinnen is beter bij zinnen die hoge prototypische leden bevatten dan zinnen die lage prototypische leden van een categorie bevatten.

Units

‘Neuronachtige verwerkingsunits ‘ in een connectionistisch netwerk. Zie ook Input units; Output units.

Prototypebenadering van categorisering

Het idee dat wij besluiten of iets een lid is van een categorie door te bepalen of het te vergelijken is met een standaard weergave van de categorie, het zogenaamde prototype.

Prototypisch

De mate waarin een bepaald lid van een categorie het prototype voor die categorie matched.

Semantische netwerkaanpak

De benadering om te begrijpen hoe concepten zijn georganiseerd in de geest die stelt dat concepten zijn gerangschikt in netwerken.

Zinverificatie techniek

Een techniek waarbij de deelnemer wordt gevraagd aan te geven of een bepaalde zin waar of onwaar is.

Hoofdstuk 10

Conceptuele peg hypothese

Een hypothese, geassocieerd met Paivio’s duale codering theorie, dat stelt dat concrete naamwoorden afbeeldingen creëren waaraan andere woorden kunnen ‘hangen’. Hierdoor wordt het geheugen voor deze woorden vergroot.

Beeldende voorstelling

Correspondeert naar ruimtelijke representatie.

Bijverschijnsel

Een fenomeen dat optreed samen met de mechanisme maar het is niet echt deel van het mechanisme.

Niet-denkbeeldige gedachte debat

Het debat over of het mogelijk is om een gedachte te hebben zonder beelden.

Imagery debat

Het debat over of imagery gebaseerd is op spatiale mechanismen, zoals mechanismen die betrokken zijn bij perceptie, of op propositionele mechanismen die gerelateerd zijn aan taal.

Imagery neuron

Een type categorische-specifieke neuron die geactiveerd wordt door imagery.

Mentale imagery

Het ervaren van sensorische indruk tijdens de afwezigheid van een sensorische input.

Mentale scanning

Een proces van mentale imagery waarbij een persoon mentale afbeeldingen in zijn/haar hoofd scant.

Mentale loop taak

Een taak die gebruikt wordt in imagery experimenten waarbij participanten gevraagd worden om een mentaal beeld te vormen over een object. Vervolgens moeten zij zich inbeelden dat zij naar het object toelopen.

Methode van locus

Een methode om te onthouden waar voorwerpen zijn door de voorwerpen te plaatsen op verschillende locaties in een mentale afbeelding van een ruimtelijke lay-out. Zie ook Pegword techniek.

Pegword techniek

Een methode voor het onthouden van dingen waarbij de dingen geassocieerd zijn met concrete woorden. Zie ook Methode van locus.

Spatiale representatie

Een representatie waarin verschillende delen van een afbeelding uitgelegd kunnen worden aan de hand van locaties in de ruimte.

Unilaterale verwaarlozing

Een probleem veroorzaakt door breinletsel, vaak aan de rechterkant van de pariëtale lob. De patiënt negeert (onbewust) de helft van het linker gezichtsveld.

Transcraniële magnetische stimulatie (TMS)

Een procedure waarbij magneten worden bevestigd aan de schedel van een respondent. Hiermee wordt tijdelijk één gedeelte van de functie van de hersenen ‘uitgezet’.

Prepositionele representatie

Een voorstelling waarin relaties worden weergeven door symbolen, zoals wanneer de woorden van een taal objecten vertegenwoordigen en de relaties tussen objecten.

Op regels gebaseerde aanpak

(mechanische redenering) Het toepassen van een regel om een mechanisch redeneringprobleem op te lossen. Dit in contrast met benaderingen die mentale beelden betrekken.

Hoofdstuk 11

Anaforische gevolgtrekking

Een gevolgtrekking dat een object of een persoon in een zin verbindt met een object of persoon in een andere zin. Zie ook Causale gevolgtrekking

Causale gevolgtrekking

Een gevolgtrekking dat resulteert in de conclusie dat de gebeurtenis beschreven in een zin veroorzaakt wordt door gebeurtenissen in een eerdere (andere) zin.

Coherente

De representatie van een test of verhaal in het hoofd van de lezer zodat de informatie in een helft van de tekst/verhaal gerelateerd is aan informatie in een andere helft.

Tuinpad zin

Een zin waarin de betekenis van een woord die aan het begin van een zin wordt geïmpliceerd incorrect blijkt te zijn. Dit is gebaseerd op informatie die later in de zin wordt gepresenteerd.

Geven-nieuw contract

In een gesprek moet de spreker zinnen gebruiken die zowel gegeven informatie (informatie dat de luisteraar al kent) als nieuwe informatie (informatie die voor de luisteraar onbekend is) bevatten.

Gevolgtrekking/conclusie

Het proces waarin lezers informatie creëren die niet expliciet vaststaat in de tekst.

Instrumentele gevolgtrekking

Een gevolgtrekking over methodes of hulpmiddelen dat ontstaat tijdens het lezen van een tekst of het horen van een speech. Zie ook Causale gevolgtrekking.

Interactionistische benadering van woordontleding

De benadering die rekening houdt met zowel semantische als syntactische informatie om woordontleding van een persoon vast te stellen tijdens het lezen van een zin.

Taal

Een system van communicatie waarbij wij onze gevoelens, gedachtes, ideeën en ervaringen coderen en uiten.

Late sluiting

In woordontleding: als een persoon een nieuw woord treft, wordt aangenomen dat dit woord deel uitmaakt van de huidige frase.

Lexicale ambiguïteit

Als een woord meer dan één betekenis heeft. (Bijvoorbeeld bank)

Lexicale beslissingstaak

Een procedure waarin een persoon gevraagd wordt om zo snel mogelijk te kiezen of de stimulus een echt bestaand woord is of niet.

Lexicale priming

Priming dat betrekking heeft tot de betekenis van het woord. Komt vooral voor als een woord gevolgd word door een ander woord met een gelijke betekenis.

Lexicon

De kennis van een persoon over wat woorden betekenen, hoe de woorden klinken en hoe deze gebruikt moeten worden.

Morfeem

De kleinste unit van taal dat een betekenis heeft of een grammaticale functie.

Parsing/ taalkundig ontleden

Het vormen van mentale groepen van woorden van een zin naar frases. De manier waarop een zin is ‘parsed’ bepaalt de betekenis.

Foneem

Het kortste segment van spraak dat, bij verandering, de betekenis van het woord veranderd.

Foneem restauratie effect

Als een foneem in een woord wordt gehoord, ook al wordt het onduidelijk gemaakt door bijvoorbeeld een kuch of een ander geluid.

Enkele dissociatie

Een situatie dat voorkomt in het geval van hersenschade. De schade zorgt voor een probleem in een functie terwijl de andere functie niet geschaad word. Een enkele dissociatie treedt op als een functie present is en de andere absent.

Situatie model

Een mentale representatie van de betekenis van een tekst.

Woord frequentie

Het relatieve gebruik van woorden in een bepaalde taal. Bijvoorbeeld, in het Engels heeft het woord home een hogere woord frequentie dan Bike.

Woord frequentie effect

Het fenomeen dat men sneller leest bij het lezen van hoge frequentie woorden dan bij lage frequentie woorden.

Woord superioriteit effect

Het idee dat letters makkelijker te identificeren zijn als ze voorkomen in een bestaand woord, dan wanneer zij geïsoleerd of in een niet-bestaand woord voorkomen.

Tijdelijke ambiguïteit

Een situatie waarbij een zin (in eerste instantie) twee dingen kan betekenen. Welke van de twee is afhankelijk van de verdere verloop van de zin.

Syntax-eerste benadering tot parsing

De benadering tot parsing dat de rol van de syntax benadrukt.

Syntax

De regel voor het combineren van woorden naar hele zinnen.

Syntactisch priming

Het horen van een bepaalde syntactische constructie vergroot de kans dat de statement die volgt dezelfde geproduceerd wordt met dezelfde constructie.

Psycholinguïstiek

Het veld die zich bezighoudt met de psychologische studie van taal.

Sapir-Whorf hypothese

Het idee dat de aard van taal in een bepaalde cultuur invloed kan hebben op de manier waarop mensen in die cultuur denken.

Semantiek

De betekenis van woorden en zinnen.

Hoofdstuk 12

Acrobaten probleem

Een probleem waarbij acrobaten betrokken zijn. Dit lijkt op de Tower of Hanoi- probleem. Het wordt gebruikt om te illustreren dat de manier waarom een probleem is weergegeven de moeilijkheid van het oplossen beïnvloed. Zie ook Reverse Acrobat Problem.

Analoge codering

Een techniek waarbij twee problemen die een principe illustreren worden vergeleken met elkaar. Deze techniek is ontworpen om mensen te helpen soortgelijke structurele kernmerken van problemen te ontdekken.

Analoge paradox

Participanten in psychologische experimenten hebben de neiging om zich te richten op oppervlakkige kenmerken in analogische problemen, terwijl mensen in het dagelijkse leven vaker diepere, meer structurele kenmerken gebruiken.

Analogische probleemoplossing

Het gebruiken van analogen als hulpmiddel om problemen op te lossen. Meestal wordt de oplossing voor een probleem, het hoofdprobleem, gepresenteerd die analogisch is met de oplossing van een ander probleem, het doel probleem.

 

Analoge overdracht

de toepassing van oplossingsstrategieën, ervaren in het oplossen van een probleem naar de oplossing van een ander soortgelijk probleem.

Analogie

Een vergelijking maken met als doel het aantonen van overeenkomsten tussen twee verschillende dingen.

Het Kaars probleem

Een probleem die geïntroduceerd werd door Duncker waarbij een persoon een aantal objecten krijgt om een kaars aan de muur te hangen en ervoor te zorgen dat het brand zonder te druipen. Dit probleem wordt gebruikt om functionele fixatie te bestuderen.

Convergent denken

Denken dat kan leiden tot het vinden van een oplossing voor een specifiek probleem dat gewoonlijk een correct antwoord heeft. Het tegenovergestelde van Divergent denken.

Creatieve Cognitie:

Een techniek uitgevonden door Finke om mensen te trainen om creatief te denken.

Design fixatie

Het presenteren van een voorbeeld design beïnvloed de creatie van een nieuw design.

Divergent denken

Denkwijze met een open einde. Heeft betrekking tot een groot aantal potentiële oplossingen. Het tegenovergestelde van Convergent denken.

Expert

Persoon die uitgegroeid en erkend is, door veel tijd te besteden aan het leren van een veld en het oefenen en toepassen, als zeer bekwaam of een echte kenner op dat gebied.

Fixatie

In probleem oplossing, de neiging van mensen om zich te richten op specifieke karakters van het probleem dat ze ervan weerhoudt om tot de oplossing te komen. Zie ook Design fixatie; Functionele fixatie.

Functionele fixatie

Een effect dat optreedt als ideeën die een persoon heeft over een object, in de weg staan van iemands kunnen om het object voor een andere functie te gebruiken. Zie ook Fixatie (in probleem oplossen).

Goal staat

In problemen oplossen: De conditie die optreedt wanneer een probleem opgelost moet worden.

Slecht-gedefinieerd probleem

Een probleem waarin het doel of specifieke operator moeilijk te specificeren is. Alledaagse problemen kunnen slecht-gedefinieerde problemen zijn.

Inzicht

Plotselinge besef van een oplossing van een probleem.

Tussenliggende staat/toestand

In probleem oplossing: de verschillende condities die ontstaan tussen initiale staat/toestand en doel staat/toestand.

In vivo probleem-oplossingsonderzoek

Het observeren van mensen om vast te stellen hoe zij problemen oplossen in het dagelijkse leven door deze situaties na te bootsen.

Initiale staat

In probleem oplossing: De conditie aan het begin van een probleem.

Means-end analyse

Een probleemoplossingsstrategie dat streeft naar het verminderen van verschillen tussen initiale en doel staat/toestand. Dit wordt bereikt door het creëren van subdoelen, tussenliggende staten die dichter bij het doel liggen.

Mentale set

Een vooroordeel over hoe men een probleem moet benaderen, welke bepaald is door de ervaringen van een persoon of door wat gewerkt heeft in het verleden.

Mentale simulatie

modellen die mensen creëren over wat er zal gebeuren na het maken van een beslissing.

Mutilated checkerboard probleem

Een probleem dat wordt gebruikt om te bestuderen hoe de vermelding van een probleem invloed kan hebben op het vermogen om tot een oplossing te komen.

Operators

In probleem oplossing: toelaatbare bewegingen/stappen die gemaakt kunnen worden in de richting van de oplossing.

Herstructurering

Het proces van veranderen van een representatie van een probleem. Volgens de Gestalt theorie is herstructurering het sleutelmechanisme voor problemen oplossen.

Reverse acrobate probleem

Een modificatie van het acrobatenprobleem dat gebruikt wordt om aan te tonen wat voor invloed de weergave van een probleem heeft op het oplossen van het probleem.

Bron monitoring error

Het verkeerd identificeren van de bron van een herinnering.

Bron probleem (of verhaal)

Een probleem of verhaal dat analogisch is met het doelprobleem en welke hierdoor informatie geeft dat kan leiden tot de oplossing van het doelprobleem.

Two-string probleem

Een probleem waarin een persoon de taak krijgt om twee korden aan elkaar te binden. De afstand tussen de twee korden is te groot om ze gelijktijdig vast te pakken. Hiermee wordt functionele fixatie getest.

Water-jug probleem

Een probleem dat illustreert hoe iemands mentale set beïnvloed kan worden door strategieën die mensen gebruiken om problemen op te lossen.

Probleem

Een situatie waarin een obstakel tussen een huidige toestand en een doel staat en het niet onmiddellijk duidelijk is hoe men om het obstakel heen kan.

Well-defined probleem

Een probleem dat een goed antwoord heeft. Er zijn procedures die uiteindelijk kunnen leiden tot een goed antwoord.

Tower of Hanoi probleem

Een probleem die gebruikt wordt ter illustratie van het proces van means-end analyses.

Hardop denken protocol

Een proces waarbij de participanten worden gevraagd om hardop na te denken tijden het oplossen van een probleem. Deze procedure dient ervoor om meer kennis op te doen over de denkwijze tijdens het oplossen van een probleem.

Doel probleem

Een probleem dat opgelost moet worden. De oplossing van dit probleem kan makkelijker gemaakt worden als de probleemoplosser bloot wordt gesteld aan een analogisch probleem of verhaal.

Surface-kenmerken

Specifieke elementen die een probleem samenstellen.

Subdoelen

In de means-end analyse benadering voor probleemoplossingen: tussenliggende staten bewegen het proces van oplossen dichter bij het doel.

Probleemruimte

De huidige stand, doelstand en alle mogelijke tussenliggende toestanden voor een bepaald probleem.

Stralingsprobleem

Een probleem dat zich bezighoudt om een manier te vinden een tumor te vernietigen door bestraling zonder schade aan te richten aan andere organen in het lichaam (door Duncker). Dit probleem is op grote schaal gebruikt om de rol van analogie in probleemoplossingen te bestuderen.

Hoofdstuk 13

Bevestigen van het antecedent

Een voorwaardelijke syllogisme van de volgende vorm: als p, dan q; p; daarom, q. De antecedent, p, is bevestigd is de tweede premisse. Dit is een valide vorm van voorwaardelijke syllogisme. (Zie tabel 13.1 in het boek)

Bevestigen van de consequent

Een voorwaardelijke syllogisme van de volgende vorm: Als p, dan q; q; daarom, p. Dit is een niet valide vorm van voorwaardelijke syllogisme. (Zie tabel 13.1 in het boek).

Antecedent

In een voorwaardelijke syllogisme, de term p in de voorwaardelijke premisse. ‘Als p, dan q’. Zie ook Consequent

Beschikbaarheidsheuristiek

Oordeel over de frequentie van gebeurtenissen gebaseerd op gebeurtenissen die in je hoofd komen.

Base rate

De relatieve proportie van verschillende klassen in een populatie. Bij het niet in acht nemen van de base rate ontstaan er vaak fouten in de redenatie.

Categorische syllogisme

Een syllogisme waarin de presmisses en conclusies de relatie tussen de twee categorieën beschrijven door gebruik te maken van termen zoals ‘alles, niets of sommige’.

Conclusie

De slotverklaring in een syllogisme, welke volgt uit twee premissen.

Conditionele syllogisme

Syllogisme met twee premissen en een conclusie, zoals een categorische syllogisme maar waarbij de eerste premisse een ‘Als … dan ‘ statement is.

Confirmatie bias

De neiging om selectief te kijken voor informatie die onze hypothese bevestigd en informatie die het tegen spreekt door de vingers te zien.

Conjunctie regel

De kans op conjunctie van twee gebeurtenissen (zoals feminist zijn en bankier zijn) kan nooit hoger zijn dan de kans van een enkele (alleen feminist zijn of alleen bankier zijn).

Consequent

In een conditionele syllogisme, de term q in de conditionele premisse ‘Als p, dan q’. Zie ook Antecedent

Verval

Een proces waarbij informatie verloren gaat van het geheugen naarmate de tijd vergaat.

Beslissingen

Het kiezen tussen alternatieven.

Deductieve redenatie

Redenering dat betrekking heeft op syllogismen waarbij een conclusie logisch volgt. Zie ook Inductieve redernatie.

Ontkennen van het antecedent

Een voorwaardelijke syllogisme van de volgende vorm: Als p, dan q; niet p; daarom niet q. Dit is een niet valide vorm van voorwaardelijke syllogisme. ( Zie tabel 13.1 in het boek ).

Ontkennen van het consequent

Een voorwaardelijke syllogisme van de volgende vorm: Als p, dan q; niet q; daarom niet p. De consequent, q, is ontkent in de tweede premisse. Dit is een valide vorm van voorwaardelijke syllogisme ( zie tabel 13.1 in het boek ).

Evolutionaire perspectief op cognitie

Het idee dat veel kenmerken van onze geest getrasseerd kunnen worden naar de evolutionaire principes van natuurlijke selectie.

Verwachte emotie

Een emotie die een persoon voorspeld bij een bepaalde uitkomst.

Verwachte utiliteit theorie

Het idee dat mensen in principe rationeel zijn dus als zij alle relevante informatie hebben zullen zij een beslissing maken dat resulteert tot een maximale verwachte utiliteit.

Vervalsing principe

Het redeneringsprincipe bij het testen van een regel het noodzakelijk is om te zoeken naar situaties die de regel zou kunnen vervalsen.

Framing effect

Beslissingen worden beïnvloed door de manier waarop de keuzes gesteld zijn.

Denkbeeldige correlaties

Een correlatie dat schijnt te ontstaan tussen twee gebeurtenissen, terwijl in werkelijkheid deze niet aanwezig is of in mindere mate aanwezig is.

Onmiddellijke emoties

Een emotie die beleefd wordt op het moment dat een beslissing is genomen.

Incidentiele onmiddellijke emotie

Onmiddellijke emotie die niet gerelateerd is aan de beslissing. Een voorbeeld is een emotie geassocieerd met een persons algemene dispositie.

Inductieve redenatie

Redenering waarna een conclusie het gevolg is van een consideratie van bewijs. Deze conclusie wordt gezien als waarschijnlijk waar, eerder dan definitief waar.

Integrale onmiddellijke emotie

Onmiddellijke emotie dat geassocieerd is met de handeling van het maken van beslissingen. Tegenstrijdig met Incidentiele onmiddellijke emotie.

Wet van grote getallen

Hoe groter het aantal individuelen die getrokken zijn van een populatie, des te representatiever de groep zal zijn voor de algehele populatie.

Neuroeconomics

Een benadering om het nemen van beslissingen te bestuderen. Deze benadering combineert onderzoek van de psychologie, neurowetenschap en economie.

Omissie bias

De neiging om niets te doen om zo te voorkomen een beslissing te moeten nemen die gezien zou kunnen worden als het toebrengen van schade.

Opt-out procedure

Procedure waarbij een persoon een actieve stap moet nemen om een actie te kiezen. Bijvoorbeeld; kiezen om een orgaandonor te worden.

Opt-in procedure

Procedure waarbij een persoon een actieve stap moet nemen op een actie te vermijden. Bijvoorbeeld: kiezen om geen orgaandonor te worden.

Toestemmingsschema

Een pragmatisch redeneringsschema dat stelt dat als een persoon conditie A tevreden heeft gesteld, deze persoon verder mag naar actie B. Dit toestemmingsschema is gebruikt om Wason 4-kaarten probleem te benaderen.

Pragmatische redenatie schema

Een manier van denken over een reden/oorzaak en effect op de wereld dat (aan)geleerd is door het meemaken van een dagelijkse ervaring.

Representatieve heuristiek

De kans dat een event A van klasse B komt kan vastgesteld worden door te kijken naar hoe veel A lijkt op de eigenschappen van B.

Risico afkeer strategie

Een beslissingstaak strategie dat geleid wordt door het idee van risico’s vermijden. Vaak wordt dit gebruikt als er sprake kan zijn van winst.

Risico nemende strategie

Een beslissingstaak strategie dat geleid wordt door het idee van risico’s nemen. Vaak wordt dit gebruikt als er sprake is verlies.

Sociale uitwisselingstheorie

Een belangrijk aspect van het menselijk gedrag is het vermogen dat twee mensen kunnen samenwerken en het voor beide voordelig is. Volgens de evolutionaire perspectief op cognitie, kan het toepassen van deze theorie leiden tot de conclusie dat het detecteren van bedrog een belangrijk deel is van de samenstelling van het cognitieve brein. Deze gedachte is gebruikt om het Wason 4-kaarten probleem op te lossen.

Stereotype

Een versimpelde generalisatie van een groep of klasse of mensen die zich vaak richt op negatieve karakteristieken.

Ultimatum spel

Een spel waarbij een proposer een hoeveelheid geld krijgt en een bod tot aan een responder over hoe het geld verdeeld moet worden tussen de twee. De responder moet vervolgens kiezen of hij/zij akkoord gaat met het aanbod of dat hij/zij het weigert. Dit spel is gebruikt om beslissingen van mensen te onderzoeken.

Utiliteit

Uitkomsten die iemands doelen bereiken; in economische termen, de maximale winst.

Validiteit

De kwaliteit van een syllogisme waarbij de conclusie logisch volgt van de premissen.

Wason 4-kaarten probleem

Een conditionele redeneringstaak ontwikkeld door Wason. Verschillende versies van dit probleem zijn gebruikt om mechanismen te bestuderen die de uitkomst van een redeneringstaak bepalen.

Syllogisme

Een serie van drie statements: twee presmissen gevolgd door een conclusie. De conclusie kan volgens van twee premissen gebaseerd op de regels van logica.

Premisse

De eerste twee verklaringen in een syllogisme. De derde is de conclusie.

Redenering

Cognitieve processen waarbij mensen beginnen met informatie en met conclusies komen die verder gaan dan die informatie.

 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2987
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector