Hoofdstuk 1 | De fysieke wereld in de kindertijd I |
Naïve physics | Een intuïtief begrip dat mensen hebben van objecten in de materiële wereld en van de fysische wetten die bepalen wat er kan gebeuren met deze objecten. Bijv.: iets dat valt, valt altijd naar beneden. |
Full object concept | Het begrijpen dat een object blijft bestaan, ook al is het uit het zicht of op een andere manier buiten het bereik van onze zintuigen. |
Associatief leren | Het vermogen om verbanden te leggen tussen gebeurtenissen die logisch met elkaar samenhangen. Baby’s lijken dit al in de baarmoeder te kunnen doen. |
Werkgeheugen | Het geheugensysteem dat tijdelijk bepaalde, net verkregen informatie in het geheugen houdt die eventueel verder verwerkt zou kunnen worden. |
Impliciete herinnering (implicit recall) | Het herinneren van informatie die niet expliciet beschikbaar is. |
Re-activatie paradigma | Een procedure waarbij de participant, meestal een kind, een geheugensteuntje krijgt voor een eerder geleerde, maar blijkbaar vergeten herinnering, dat ervoor zorgt dat deze herinnering weer beschikbaar wordt. |
Vertraagde imitatie (delayed imitation) | Imitatie van een gedraging die het kind gezien heeft, als er enige tijd tussen het zien van het gedrag en imitatie zat. |
Impliciet of procedureel geheugen | Het automatische geheugen dat niet verbaal kan worden uitgedrukt. |
Expliciet of declaratief geheugen | Het geheugen voor eerdere ervaringen die gemakkelijk voor de geest gehaald kunnen worden en overdacht kunnen worden. Hier is bewustzijn voor nodig. |
Visuele voorkeur techniek (visual preference technique) | Hierbij krijgen kinderen 2 verschillende stimuli te zien. Een voorkeur voor het kijken naar een van de twee geeft aan dat het kind onderscheid kan maken tussen de 2 stimuli. |
Habituatie paradigma | Aan kinderen wordt een stimulus gepresenteerd (meestal visueel of auditief), totdat deze niet langer de aandacht trekt. Als er een nieuwe stimulus wordt gepresenteerd en de aandacht van het kind keert weer terug, dan geeft dit aan het kind onderscheid kan maken tussen de beide stimuli. |
Prototypevorming | Het vormen van een interne, prototypische of gegeneraliseerde representaties van een klasse of stimulus. |
Statistisch leren | Het gebruiken van de bepaalde regelmaat in input om te leren welke kenmerken tegelijk voorkomen. |
Violation of expectation paradigma | Kinderen krijgen eerst een fysische gebeurtenis te zien en dan krijgen ze gebeurtenissen te zien die wel of niet fysisch verenigbaar zijn met de eerdere gebeurtenis. Het langer kijken naar de onmogelijke gebeurtenis geeft aan dat kinderen het fysische principe kunnen begrijpen dat hierachter schuilt. |
Coderen van een ruimtelijke positie | Kan gebeuren in de relatie tot iemands eigen ruimtelijke positie (egocentrisch) of in de relatie tot externe tekens (allocentrisch). |
Continuïteit principe | Objecten blijven bestaan in tijd en ruimte. |
Cognitieve representaties | Conceptuele informatie die in de geest is opgeslagen. |
EEG (elektro-encefalogram) | Hierbij wordt elektrische activiteit in de hersenen gemeten die veroorzaakt wordt het ‘vuren’ van de neurale netwerken. Het meten gebeurt door sensitieve elektrodes op de schedel te bevestigen. |
Ventraal pad | Het visuele “wat”-pad dat informatie over unieke objecten (of gezichten) verwerkt. |
Dorsaal pad | Het visuele “waar”-pad dat ruimtelijke en temporale informatie verwerkt, informatie waarvoor actie nodig zou kunnen zijn. |
| |
Hoofdstuk 2 | De fysieke wereld in de kindertijd II |
Spiegelneuronen | Neuronen die ‘vuren’ als we een bepaalde actie uitvoeren, iemand anders een actie uit zien voeren of erover denken om een actie uit te voeren. |
Launching events | Wanneer een object een ander object lijkt aan te stoten, waardoor het andere object gaat bewegen. |
Agency | Het begrip van instrumentaliteit in gebeurtenissen, zowel mechanisch als menselijk. |
Intentional stance | De attributie van mentale oorzaken, zoals overtuigingen, wensen of doelen, als de basis van actie. |
Scripts | Sets van ideeën in de hersenen die de wereld verklaren. Het kunnen schema’s zijn voor gebeurtenissen, zoals naar een restaurant gaan en voor categorieën, zoals honden. |
Domein-algemeen | Een vaardigheid die toegepast kan worden op verschillende situaties of domeinen. |
Domein-specifiek | Het vermogen dat toegepast kan worden op slechts één specifiek gebied of domein. |
Leren door analogie | Het vinden van overeenkomsten tussen twee gebeurtenissen, situaties of kennisdomeinen en het overbrengen van kennis van de ene gebeurtenis, situatie of domein naar de andere. |
Core knowledge | Fundamentele ideeën of principes die het begrip van gebeurtenissen geleiden. Zou aangeboren kunnen zijn. |
Frontale cortex | Gedeelte van de hersenen waarin de hogere gedachtenprocessen plaatsvinden, dat belangrijk is voor het plannen en controleren van cognitieve activiteit en voor het remmen van acties. |
A-not-B error | Wanneer het kind probeert om een object terug te vinden op de plaats waar het object eerst verstopt was (A), ondanks dat het gezien heeft dat object verplaatst is naar locatie B. |
Perseverative behavior | Het herhalen van gedrag dat niet langer geschikt is. Dit kan komen doordat de prefrontale cortex nog niet helemaal ontwikkeld is. |