Individual differences | Ongelijkheden tussen twee of meer mensen. |
Mental test | Ìnstrument om het vermogen om te plannen, redeneren en oplossen te meten. |
Differential psychology | Wetenschappelijke bestudering van de verschillen tussen twee of meer mensen |
Intelligence | Het vermogen om te leren en aan te passen aan een omgeving. |
Mental ability | Capaciteit om te redeneren, plannen en op te lossen. |
Metric | Standaard van een meting; een schaal. |
Psychometrics | Praktijk van het meten en op een schaal zetten van een kenmerk, zoals mentaal vermogen. |
Intelligence test | Instrument om het vermogen tot redeneren, leren en oplossen, van een persoon te meten. |
Psychometrician | Een psycholoog die getraind is in het meten van eigenschappen zoals mentaal vermogen. |
Cognitive ability | Capaciteit om te redeneren, plannen, oplossen; mentaal vermogen. |
“g” | Afkorting voor het algemeen geestelijk vermogen. |
General mental ability | Het niet-specifieke vermogen om te redeneren, leren en op te lossen, in een grote verscheidenheid van manieren en omstandigheden. |
g-ocentric model | De neiging om het gedrag van werknemers te begrijpen en te voorspellen door simpelweg de behandeling van “g”. |
Physical abilities | Lichamelijke kracht zoals lengte van de spieren, flexibiliteit en uithoudingsvermogen. |
Personality | Het gedrag en de emotionele eigenschappen van een individu, over het algemeen stabiel over langere tijd. |
Interests | Voorkeuren en interesses voor activiteiten. |
Knowledge | Een collectie van specifieke en aan elkaar gerelateerde feiten en informatie over een bepaald gebied. |
Emotion | Een effect of gevoel, vaak ervaren in reactie op een gebeurtenis of gedachte, gevolgd door lichamelijke veranderingen in verschillende systemen van het lichaam. |
Taxonomy | Een ordelijk, wetenschappelijk systeem van classificatie. |
Perceptual-motor abilities | Fysieke kenmerken die zintuigen en beweging combineren. |
Affect | Het bewuste, subjectieve aspect van emotie. |
IQ | Afkorting voor Intelligentie Quotient. |
Intelligence quotient | Meting van intelligentie door een gestandaardiseerde “IQ” test. |
Meta-analysis | Statistische methode voor het combineren en analyseren van resultaten uit verschillende studies om een algemeen geldende conclusie over de relaties tussen variabelen te trekken. |
Flynn effect | Het effect dat elke generatie slimmer wordt. |
Mean | Het wiskundig gemiddelde van de scores in een verdeling. |
Standard deviation | Mate waarin de scores gespreid zijn. |
Muscular tension | Fysieke kwaliteit van spierkracht. |
Muscular power | Fysieke kwaliteit om bijvoorbeeld iets op te tillen. Dit is eenmalige inspanning. |
Muscular endurance | Fysieke kwaliteit om een bepaalde spier of spiergroep continu te gebruiken. |
Stamina | Fysiek vermogen om de spieren aan te bieden met zuurstofrijk bloedtoevoer door het cardiovasculaire systeem. Het uithoudingsvermogen. |
Sensory abilities | Lichamelijke functies van de ogen, oren, tast, smaak, reuk en kinesthetische reactie (bijvoorbeeld het opmerken van veranderingen in de lichaamshouding). |
Americans with Disabilities Act | Federale wetgeving vastgesteld in 1990 waarbij medewerkers met een handicap dezelfde aandacht krijgen als andere sollicitanten en werknemers. |
Psychomotor abilities | Lichamelijke functies van beweging, geassocieerd met coördinatie, behendigheid en reactietijd. Wordt ook wel motorisch of sensomotorisch vermogen genoemd. |
Big 5 | Een taxonomie van vijf persoonlijke factoren: The Five Factor Model (FFM). |
Conscientiousness | De aanleg om positieve intenties te hebben en die met zorg te uiten. |
Functional personality at work | De manier waarop een individu zich gedraagt, emoties behandelt en taken volbrengt in een werksituatie. |
Agreeableness | Verdraagzaamheid. Makkelijk in de omgang, vriendelijk. |
Emotional stability | Emotionele stabiliteit. |
Integrity | Integriteit, de aanleg om eerlijk te zijn, betrouwbaar, ethisch. |
Achievement | Een facet van conscientieusheid bestaande uit hard werken, doorzettingsvermogen, en de wens om goed werk te doen. |
Dependability | Onafhankelijkheid. Een facetvan conscientieusheid bestaande uit discipline, organiseren, respectvol omgaan met regels, eerlijkheid. |
Skills | Beoefende gedragingen zoals het schieten van een bal, een computer toetsenbord gebruiken of iemand overtuigen om iets te kopen. |
People skills | Een niet-technische term die onderhandelen, communiceren en conflictoplossing omvat. |
Occupational Information Network (O*NET) | Verzameling van elektronische gegevens, gebaseerd op goed ontwikkelde taxonomieën, die zijn geactualiseerd en vervangen de ‘dictionary of Occupational Titles’ (D.O.T.). |
Tacit knowledge | Actiegerichte, doelgerichte kennis, verworven zonder directe hulp van anderen. |
Procedural knowledge | Bekendheid met een procedure; het weten ‘hoe’. |
Declarative knowledge | Inzicht in wat nodig is om een taak uit te voeren; de informatie over een baan of taak. |
Competencies | Sets van gedragingen, meestal geleerd door ervaring, die instrumenteel werken in het bewerkstelligen van resultaten. |
Job analysis | Proces dat de belangrijkste taken van een baan en de menselijke eigenschappen die nodig zijn om die taken succesvol uit te voeren, bepaalt. |
Emotional intelligence (EI) | Het bewustzijn dat een persoon heeft van zijn of haar en andermans emoties. |
Construct | Psychologisch concept of eigenschap die een voorspeller zou moeten meten. Zoals intelligentie, persoonlijkheid, leiderschap. |
Mental test | Ìnstrument om het vermogen om te plannen, redeneren en oplossen te meten. |
Test | Een objectieve en gestandaardiseerde procedure om een psychologisch construct te meten aan de hand van voorbeeldgedrag. |
Norming | Het vergelijken van een testscore met andere relevante testscores. |
Norm group | De groep wiens testscores gebruikt worden voor het vergelijken en begrijpen van iemands individuele testscore. |
Test battery | Collectie van test die vaak toegang geeft tot een variëteit aan verschillende attributen |
Mental Measurements Yearbook | Veel gebruikte bron die een uitgebreide lijst van testen bevat. |
Speed test | Heet rigide en veeleisende tijd termijnen, zodat de meeste proefpersonen/kandidaten niet in staat zijn om de test in de toegestane tijd af te krijgen. |
Power test | Heeft geen rigide tijd termijnen, er wordt voldoende tijd gegeven voor een meerderheid van de geteste personen om alle test items compleet te maken. |
Group test | Kan worden afgenomen bij grote groepen. |
Individual test | Kan alleen worden afgenomen bij individuen. |
Paper and pencil test | Een test die wordt gemaakt met papier en pen en daardoor geen manipulatie van andere objecten toestaat. |
Performance test | Vraagt het individu een respons te geven door het manipuleren van bepaalde lichamelijke objecten of apparatuur. |
Bias | Vertekening in de test. |
Fairness | Waarde oordeel over acties of beslissingen, gebaseerd op testscores. |
Culture | Een systeem waarin mensen meningen en gewoontes delen. |
Cognitive ability | Capaciteit om te redeneren, plannen, oplossen; mentaal vermogen. |
Cognitive test battery | Collectie van tests die een variëteit aan cognitieve bekwaamheden beoordelen. Ook vaak Multiple Aptitude Test Batteries genoemd. |
Knowledge test | Beoordeelt de mate waarin individuen een cursus of training begrijpen. |
Psychomotor abilities | Lichamelijke functies van beweging, geassocieerd met coördinatie, behendigheid en reactietijd. Wordt ook wel motorisch of sensomotorisch vermogen genoemd. |
Screen out test | Kandidaten elimineren die niet goed genoeg zijn. |
Screen in test | Informatie verkrijgen over de positieve kanten van een kandidaat. |
Self-presentation | Iemands publiekelijke gezicht of ‘spelgezicht’. |
Overt integrity test | Stelt vragen over eerlijk gedrag in het verleden en houding ten opzichte van verschillende gedragingen, zoals diefstal op werk. |
Personality-based integrity | Test die vraagt naar eerlijkheid en integriteit van een persoon. |
Emotional intelligence (EI) | Het bewustzijn dat een persoon heeft van zijn of haar en andermans emoties. |
Emotional intelligence quotient (EQ) | Een score op een test van emotionele intelligentie. |
Individual assessment | Situatie waarin alleen één kandidaat (of een heel klein groepje) wordt beoordeeld. |
Structured interview | Bestaat uit zeer specifieke vragen die aan elke kandidaat worden gevraagd. |
Situational interview | Vraagt de kandidaat om te vertellen hoe hij/zij in een bepaalde situatie zou reageren. |
Unstructured interview | Laat het gesprek lopen zoals het loopt, waarbij de kandidaat eigen inbreng heeft. |
Assessment center | Collectie van procedures voor evaluatie die is toegediend aan een groep individuen. Assessments worden meestal uitgevoerd door meerdere beoordelaars. |
Work sample test | Beoordelingsprocedure die skills voor bepaald werk meet, door deze te testen in realistische omstandigheden. |
Situational judgement test | Meestal een papier en pen test die de kandidaat vraagt wat hij of zij in bepaalde situaties zou doen, te kiezen uit verschillende alternatieven. |
Incremental validity | De waarde in termen van verhoogde geldigheid van het toevoegen van een bepaalde voorspelling aan een bestaand selectie systeem. |
Biodata | Op een invulformulier verzamelde informatie over vorige baantjes, doorlopen trainingen of persoonlijke geschiedenis van een kandidaat. |
Ecology model | Onderliggend model voor de levensgeschiedenis van biodata instrumenten. Stelt dat iemands geschiedenis de keuzes representeert die de kandidaat heeft gemaakt in interactie met de omgeving. Deze keuzes kunnen vermogen, interesses en persoonlijke eigenschappen weergeven. |
Social desirability | Het verlangen om voor anderen aantrekkelijk te zijn. |
Computer adaptive testing (CAT) | Presenteert een proefpersoon/kandidaat een paar items die het bereik van de moeilijkheidsgraad van de test dekken. |
Routing test | Voorlopige test die wordt gebruikt bij computer adaptief toetsen. De test schat het niveau van bekwaamheid bij de geteste persoon, waarop de vragen worden aangepast. |