Zaakwaarneming en ongerechtvaardige verrijking – van Zwalve
De schrijver van dit artikel gaat eerst in op de geschiedenis van art. 6:212 BW: ongerechtvaardigde verrijking. De invoering van een algemene wettelijke grondslag voor de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, heeft lang op weerstand gestuit. Het algemene beginsel dat niemand zich zonder rechtsgrond mag verrijken ten koste van een ander was immers al uitgewerkt in verschillende bijzondere rechtsgronden.
Verschillende visies
Onder rechtshistorici heeft lang de discussie gespeeld of het Oud Hollandse recht wel een algemene vordering kende (zoals wij die nu in art. 6:212 BW kennen).
In het Romeinse recht was er één vordering waarop ongegronde vermogensverschuivingen konden worden verevend: de condictio. Er diende hiervoor echter wel een overeenkomst te hebben bestaan. Revindicatie (na bijvoorbeeld diefstal) en condictio sluiten elkaar dan ook uit.
In het Nederlandse recht werd hierover op gelijke wijze gedacht en vorderingen in gevallen waarin nooit een contract bestaan had, werden (waarschijnlijk) gebaseerd op zaakwaarneming. De tegenwoordig strikt geldende eis dat voor het slagen daarvan vereist is dat men alleen de belangen van de ander op het oog dient te hebben, gold destijds minder streng.
Omdat zaakwaarneming en ongerechtvaardigde verrijking op deze manier van elkaar losgeraakt zijn, wordt het tussen beide bestaande vereveningsverband vaak vergeten.
Ongerechtvaardigde verrijking
Vervolgens focust het artikel zich op de situatie dat twee partijen een overeenkomst gesloten hebben, maar dat een van de partijen niet tot nakoming in staat is, terwijl de andere partij reeds nagekomen is en deze nakoming ten gunste komt van een derde partij die niet bij de overeenkomst betrokken is.
Het artikel maakt een rechtsvergelijking: in Duitsland wordt een systeem gehanteerd waarin een actie uit ongerechtvaardigde verrijking slechts mogelijk is als er een onmiddellijke overdracht van vermogen heeft plaatsgevonden (vergelijkbaar met de Romeinsrechtelijke condictio). In Frankrijk daarentegen is een vordering ook mogelijk als een vermogensbestanddeel overgedragen wordt via het vermogen van een derde.
In Nederland bestaat onder art. 6:212 BW een systeem waarin van een derde wel onkostenvergoedingen gevorderd kunnen worden, maar deze derde niet de dupe mag zijn van het uitgavenpatroon van een derde.
Een schadevergoeding, kan alleen strekken tot dat bedrag dat het subjectieve uitgavenpatroon van de verrijkte niet overstijgt (en is dus daarmee een contradictio in terminis, want is helemaal niet afhankelijk van de daadwerkelijke schade).
Verschil
Het verschil tussen zaakwaarneming (ex art. 6:200 BW) en ongerechtvaardigde verrijking in het Nederlandse recht is dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking gemaximeerd is tot het bedrag van de verrijking, terwijl dat bij zaakwaarneming niet het geval is. Voor het vorderen van een volledige vergoeding, biedt een vordering op grond van zaakwaarneming dus meer kans van slagen.
Omdat het Franse recht op dit vlak vergelijkbaar is, wordt ook in Frankrijk vaker teruggegrepen op de vordering uit zaakwaarneming.