Cognitieve benadering van leren | Leren is een actief proces waarbij kennis wordt bemachtigd, opgeslagen en gebruikt. |
Domein-specifieke kennis | Dit is kennis dat bruikbaar is bij een bepaald gebied of onderwerp. |
Algemene kennis | Dit is kennis die vele situaties bruikbaar is. |
Informatieverwerking | Zie hoofdstuk 1. |
Sensorisch geheugen | Hierin wordt sensorisch informatie, dus informatie van alle zintuigen, kort vast gehouden. |
Perceptie | Het interpreteren van sensorische informatie. |
Bottom-up verwerking | Herkenbare kenmerken uit informatie gebruiken om patronen te vormen, waarmee informatie kan worden georganiseerd. |
Gestalt theorie | Mensen organiseren hun perceptie zodat er een coherent geheel ontstaat. |
Prototype | Dit is het beste exemplaar dat je hebt van een bepaald voorbeeld of categorie. |
Aandacht | Dit is de nadruk leggen op een bepaald stimulus. |
Automatisme | Zie hoofdstuk 4. |
Werkgeheugen | Hierin zit informatie waarop dat moment de aandacht/focus ligt. |
Korte termijn geheugen | In dit geheugen wordt informatie kort, gedurende 20 seconde, opgeslagen. |
Centrale executieve functie | Dit is het gedeelte dat verantwoordelijk is voor processen, zoals aandacht, herhaling, elaboratie en organisatie, die ervoor zorgen dat informatie opgeslagen wordt en teruggehaald kan worden. |
Fonologische loop | Een onderdeel van het werkgeheugen waarin informatie 1,5 tot 2 seconden wordt herhaald. |
Visuele-spatiale sketchpad | Hierin wordt visuele en spatiale informatie gedurende korte tijd herhaald in het werkgeheugen. |
Cognitieve belasting | De hoeveelheid cognitieve middelen die er nodig zijn om een taak te volbrengen. |
Intrinsieke cognitieve belasting | De hoeveelheid cognitieve middelen die nodig zijn zonder andere stimuli in acht te nemen. |
Externe cognitieve belasting | De hoeveelheid die nodig is om irrelevante stimuli te verwerken naast de hoeveelheid die nodig is voor relevante stimuli. |
Germane cognitieve belasting | Het verwerken van informatie die relevant is voor de taak, zoals het toepassen van eerder geleerde informatie op een nieuwe situatie. |
Hardop herhalen | Het hardop blijven herhalen van iets wat je moet onthouden. |
Elaboratieve herhaling | Het verbinden van nieuwe informatie aan kennis en informatie die je al hebt, waardoor de nieuwe informatie beter blijft hangen. |
Chunken | Het werkgeheugen is in staat 5 tot 7 delen (of chunks) te onthouden. Door het samenvoegen van informatie en dus minder delen te creëren kun je meer onthouden. |
Verval | Naarmate je informatie langer niet gebruikt, zakt informatie weg en wordt deze steeds moeilijker om op te halen. |
Lange termijn geheugen | Informatie wordt voor eeuwig opgeslagen in het geheugen. |
Declaratieve kennis | Kennis over feiten, dus weten dat iets zo is. |
Procedurele kennis | Kennis over vaardigheden, dus weten hoe je dingen moet doen. |
Zelfregulatie kennis | Kennis over hoe je jezelf, je emotie en je leren kunt reguleren. |
Expliciet geheugen | Herinneringen die je je bewust en precies kunt herinneren. |
Impliciet geheugen | Kennis die je niet bewust kan herinneren, maar die wel van invloed is op je gedrag, emoties en dergelijke. |
Semantisch geheugen | Dit is het geheugen voor begrip. |
Propositioneel netwerk | Informatie wordt opgeslagen in stellingen en de relaties tussen deze stellingen worden opgeslagen in een propositioneel netwerk. |
Concept | Een categorie van objecten die overeenkomsten hebben. Zij delen dezelfde categorie op basis van een bepaald attribuut. |
Exemplaar | Een precieze herinnering van een echt object. |
Schema’s | Zie hoofdstuk 2. |
Verhaalgrammatica | Op basis van de structuur en organisatie van een verhaal kan het verhaal in een bepaalde categorie geplaatst worden. |
Episodisch geheugen | Herinneringen van gebeurtenissen die plaats hebben gevonden. |
Flashbulb geheugen | Dit zijn hele duidelijke herinneringen van emotioneel beladen gebeurtenissen uit iemands leven. |
Procedureel geheugen | Hierin ligt procedurele kennis opgeslagen. |
Script | Dit is schema voor hoe dingen moeten gaan. |
Producties | Dit geeft aan wat er moet gebeuren als er een bepaald iets gebeurt. |
Primen | Het oproepen van een concept waardoor andere gerelateerde concepten ook geactiveerd worden. |
Organisatie | Zie hoofdstuk 2. |
Niveaus van verwerkingstheorie | Deze theorie stelt dat informatie op verschillende dieptes verwerkt kan worden. |
Verspreide activatie | Door bepaalde informatie op te halen wordt andere informatie die ermee verbonden is ook geactiveerd. Hierdoor kun je uiteindelijk de informatie vinden die je zoekt. |
Terughalen | Het opzoeken van informatie uit het lange termijn geheugen. |
Reconstructie | Informatie wordt aangevuld met behulp van verwachtingen, eerdere ervaringen en kennis. |
Interferentie | Wanneer nieuwe informatie botst met oude informatie. |
Ezelbruggetjes (Mnemonics) | Dit zijn technieken om informatie op te slaan. |
Loci methode | Hierbij worden items gekoppeld aan bekende plekken. |
Acroniem | De beginletters van elk woord vormen samen een nieuw woord. |
Keten ezelbruggetjes | Meerdere elementen die aan elkaar gekoppeld worden. |
Sleutelwoord methode | Nieuwe woorden wordt gekoppeld aan bekende woorden of beelden. |
Serie-positie effect | Het eerste gedeelte van een tekst en het laatste gedeelte worden het best onthouden in tegenstelling tot het middelste gedeelte. |
Deelleren | Een stuk informatie wordt opgedeeld in kleinere delen. |
Gedistribueerde oefening | Informatie wordt op verschillende momenten geleerd. |
Massale oefening | Alle informatie in één keer proberen te leren. |
Domein-specifieke strategieën | Dit zijn strategieën die je helpen om problemen op een bepaalde gebied op te lossen. |