Psychische energie (Freud) | Een energiebron dat in elk individu zit; de energie hield zich aan de wet van behoud van energie: de hoeveelheid energie dat elk individu bezit blijft gelijk gedurende zijn hele leven. |
Instincten | Sterke innerlijke krachten die het hele psychische systeem van energie voorzien. |
Libido | Een instinct voor het leven. |
Thanatos | Een instinct voor de dood. |
Bewustzijn | Het gedeelte van je geest van alle gedachtes, gevoelens en percepties bevat waar je je op dit moment bewust van bent. |
Prebewustzijn | Bevat informatie waar je je niet op dit moment bewust van bent, maar waar je je gemakkelijk bewust van kunt worden. |
Onbewustzijn | Het grootste (volgens Freud) gedeelte van de menselijke geest; bevat onacceptabele informatie, verborgen voor het bewustzijn omdat deze informatie problemen zou veroorzaken. |
Id | Onbewust gedeelte van onze geest; bron van onze lusten en verlangen. |
Pleasure principle | Het verlangen van het ‘id’ naar onmiddellijke bevrediging. |
Primary process thinking | Het denken zonder logische regels van bewust denken. |
Wish fulfillment | Wanneer er met behulp van mentale energie een mentaal beeld of fantasie gecreëerd wordt van iets dat onbereikbaar is, wat tot tijdelijke bevrediging leidt. |
Ego | Het gedeelte van onze geest dat de id tot de realiteit terugbrengt. maant |
Reality principle | Het ego handelt reëel; ziet in dat de verlangens van het id in conflict zijn met sociale en fysieke realiteit. |
Secondary process thinking | Het ontwikkelen van strategieën om problemen op te lossen en zo tot bevrediging leidt. |
Superego | Het gedeelte van de geest dat waarden, normen en maatschappelijke idealen internaliseert. |
Verdedigingsmechanismen | Strategieën om jezelf te beschermen tegen alle vormen van bezorgdheid (anxiety). |
Objective anxiety | Angst; komt voor wanneer iemand bang is voor een echte, externe bedreiging. |
Neurotic anxiety | Angst; komt voor wanneer er een direct conflict ontstaat tussen het id en ego; tussen een verlangen en je moreel. |
Moral anxiety | Angst; wordt veroorzaakt door een conflict tussen ego en superego; voorbeelden; mensen die zichzelf straffen, mensen met weinig zelfvertrouwen. |
Repressie/verdringing | Verdedigingsmechanisme; Het proces van het voorkomen dat onacceptabele gedachtes, gevoelens of behoeftes in het bewustzijn komen, het tegengaan hiervan. |
Ontkenning | Verdedigingsmechanisme; het weigeren om de feiten te zien zoals ze zijn, om de realiteit onder ogen te zien; de fundamentele attributiefout kan in sommige gevallen gezien worden als ontkenning. |
Displacement | Verdedigingsmechanisme; Wanneer een bedreiging of onacceptabele impuls wordt afgereageerd op een onbedreigd target. |
Rationalisatie | Verdedigingsmechanisme; het genereren van acceptabele redenen voor uitkomsten die anders als sociaal ongepast gezien worden. |
Reaction formation | Verdedigingsmechanisme; wanneer iemand het tegenovergestelde gedrag vertoont van hoe hij zich voelt, om ongepast gedrag te voorkomen. |
Projectie | Verdedigingsmechanisme; wanneer we trekken en verlangens die we storend aan onszelf vinden, op anderen projecteren. |
False consensus effect | De (verkeerde) neiging van mensen om te denken dat anderen net zijn zoals zij. |
Sublimatie | Verdedigingsmechanisme; onacceptabele seksuele of agressieve instincten omzetten in sociaal gewenste activiteiten. |
Psychoseksuele stadia theorie (Freud) | Theorie van Freud dat kinderen een aantal stadia doorlopen waarin ze seksuele bevrediging zoeken. |
Fixatie | Wanneer een kind een conflict ineen bepaalde fase niet juist oplost en in deze fase blijft zitten. |
Orale fase | Tot 18 mndn na geboorte; de voornaamste bronnen van bevrediging zijn de mond, lippen en tong. |
Anale fase | Tussen 18 mndn en 3 jaar; het kind leert zindelijk worden en haalt hier bevrediging uit; conflicten hebben te maken met zelfcontrole of gebrek hieraan. |
Fallische fase | Tussen 3 en 5 jaar; de eerste ontdekking van geslachtsdelen, en het kind ontwikkelt een seksueel verlangen naar de ouder van de andere sekse. |
Oedipus-conflict | Voor jongens; het onbewuste verlangen zijn moeder voor zichzelf te hebben door zijn vader uit te schakelen. |
Castratie-angst | De angst van een jongen dat zijn vader hem zal castreren. |
Identificatie | Het net zo willen worden als zijn vader; markeert het begin van het oplossen van het Oedipusconflict. |
Penisnijd | Een meisje verwijt haar moeder dat ze geen penis heeft; onderdeel van het: |
Electra-complex | (Carl Jung); de fase voor meisjes; zij zijn niet bang voor hun moeder en er is daarom geen reden om te stoppen met verlangen naar hun vader. |
Latente fase | 6 jaar tot puberteit; volgens Freud een periode van psychologische rust (volgens latere psychologen vindt er juist veel ontwikkeling plaats in deze periode). |
Genitale fase | Vanaf puberteit; wordt bereikt wanneer alle conflicten zijn opgelost; deze fase gaat niet gepaard met een conflict. |
Psychoanalyse | Een methode om individuen te helpen die kampen met mentale stoornissen. |
Vrije associatie | Methode tijdens therapie: zeggen wat er in je opkomt, je gedachten de vrije gang laten gaan. |
Droomanalyse | Een techniek van Freud om betekenis te geven aan dromen door de inhoud ervan te op een bepaalde manier te interpreteren. |
Manifest content | Wat de droom werkelijk bevat aan informatie. |
Latent content | Waar elementen uit een droom voor staan, wat ze onbewust betekenen. |
Projectie hypothese | Het idee dat wat iemand ziet in een ambigue afbeelding (zoals een inktvlek in de Rorschach test). |
Inzicht | Een intense emotionele ervaring dat gepaard gaat met het vrijkomen van onderdrukt materiaal. |
Weerstand | Een fase van psychoanalyse waarin de krachten die de verstorende impulsen of een trauma hebben onderdrukt, psychoanalyse tegenwerken. |
Transference | Een fase waarin de patiënt gevoelens projecteert op de therapeut. Deze gevoelens zijn meestal voor iemand anders bedoeld (moeder of ander belangrijk persoon) en hierdoor kan therapeut deze relatie onderzoeken. |