Basisboek Bedrijfseconomie Rotterdam

Deze samenvatting geschreven in op collegejaar 2012-2013.


Hoofdstuk 1 - Functies in de economie van ondernemingen

1.1 Producenten en consumenten

Economie: onderzoek van problemen die in verband staan met de mens in zijn doel naar ‘welvaart’: hoe kan de voorziening in diensten en goederen zo optimaal mogelijk geschieden, hoe kun je dit doen met zo min mogelijk opoffering van middelen?

Algemene economie: verhouding tussen maker en afnemer en tussen de makers onderling.

  • Micro-economie: Hoe komt prijsvorming op een bepaalde markt tot stand?

  • Macro-economie: Economische problemen van de maatschappij als geheel. Voorbeelden hiervan zijn bestudering van de werkloosheid en de inflatie.

  • Bedrijfseconomie: bestudering van economisch handelen binnen de productorganisaties*. (deze dient ruim te worden opgevat)

 

*Samenwerkingsverband van kapitaal en arbeid (kapitaal= duurzame productiemiddelen en grondstoffen van een onderneming). De productorganisatie opereert tussen de verkoopmarkt en de inkoopmarkt.

Productiemiddelen: bestaan uit natuur/grondstoffen enerzijds en uit gebouwen/machines en dergelijke anderzijds. De laatst genoemde, zijn producten die voor langere tijd worden gebruikt; duurzame productiemiddelen. In tegenstelling tot de grondstoffen, worden zij voor langere tijd gebruikt (hierbij dient een maatstaf van een jaar te worden genomen om te bekijken of iets voor korte termijn (minder dan een jaar) of langer termijn (meer dan een jaar) geldt).

Een samenwerkingsverband kan een officieel maar ook een niet-officieel karakter hebben. Zo kunnen bijvoorbeeld studenten al een productorganisatie hebben wanneer zij onderling iets hebben afgesproken.

Een onderneming wil beter worden van het economische proces waaraan hij participeert. De prijs die de ondernemer betaalt wanneer hij de productiefactoren inkoopt, zal veelal lager liggen dan wanneer hij deze factoren aan een producent, dan wel consument weer verkoopt. De ondernemer die probeert winst te behalen. Deze winst ontstaat doordat de verkoop meestal hoger ligt dan de inkoop. De overschot die hier ontstaat heet ook wel winst. Deze zal worden betaald aan de eigenaren van de onderneming.

De grootte van de winst is onder andere afhankelijk van de effectiviteit (=doelgerichtheid) en de efficiency (= doelmatigheid),van het productieproces.

  • Efficiënt: een hoeveelheid producten moet men zo min mogelijk kosten worden geproduceerd.

  • Effectief: de consument moet het graag willen kopen. Je moet in concurrentie treden met andere producenten en zorgen dat het product van jou er bovenuit springt.

Het behalen van winst staat bij een onderneming is het primaire doel; op welke manier die winst behaald wordt is een secundaire kwestie: de winst vormt het doel; de activiteiten vormen het middel. (dit in tegenstelling tot de non-profitorganisaties; hierover meer in par. 2)

Wel moeten hierbij enige kanttekeningen worden geplaatst.

  • De continuïteit van de onderneming vormt ook een belangrijk uitgangspunt. Wil de ondernemer de onderneming over een aantal jaren nog steeds drijven, is het belangrijk om niet alleen naar de winst op korte termijn te kijken, maar ook hoe dit zich gaat uitpakken over enkele jaren later.

  • Een onderneming presenteert vaak een mission statement. Hiermee geven ze aan welke doelen ze zichzelf stellen. Hieruit blijkt dat het winststreven niet het belangrijkste is. Hierin spelen meer zaken een rol zoals de arbeidsvreugde van werknemers, de arbeidsomstandigheden, het milieu etc.

  • Ook lijkt het er op dat ondernemingen soms niet streven naar een zo hoog mogelijke winst, maar naar een zo hoog mogelijke omzet.

 

1.2 Non-profit- en profitorganisaties

 

Gemeenschappelijk diensten en goederen: zijn voorzieningen die tot stand gebracht worden voor de bevolking als geheel, zoals de bescherming tegen het water, infrastructuur en de veiligheid.

Deze voorzieningen kunnen niet door ondernemingen worden geproduceerd, aangezien het marktmechanisme hier verstek laat gaan. (vb: men kan niet alleen voor zichzelf een dijk kopen tegen bescherming van het water, maar dit dient als geheel te worden gedaan.) Omdat ondernemers dit niet kunnen produceren, is er het budgetmechanisme ontstaan waarbij de overheid gedwongen bedragen heft. Hiervoor wordt een budget beschikbaar gesteld, waardoor deze goederen door de overheid kunnen worden gefinancierd.

De laatste jaren zien we bij de overheid steeds meer privatisering: activiteiten waarmee de overheid zich eerst bemoeide, worden nu losgemaakt en op de markt gezet waarin zij hun bestaan dienen te bewijzen.

 

Verschillen non/profitsector ten opzichte van ondernemingen:

 

Non-profit

Onderneming

Doel om bepaalde voorzieningen tot stand te brengen. Activiteiten zijn onlosmakelijk verbonden met het doel.

Het draait alleen maar om de winst, door middel van welke activiteiten maakt hier niet uit.

Niet-zelfstandig, afhankelijk

Zelfstandig, onafhankelijk

Effectiviteit kan niet als winstcijfer worden gemeten

Effectiviteit wordt als winstcijfer gemeten

 

 

 

1.3 De activiteiten van ondernemingen

De onderneming probeert winst te maken door productiemiddelen in te kopen en die te gebruiken door ze om te zetten in diensten of goederen (door de arbeid die hiermee wordt verricht) die verkocht worden tegen een hogere prijs dan de prijzen die betaald zijn op de inkoopmarkt.

Globale indeling naar de aard van het omzettingsproces

  • Dienstverlening (54%)
  • Landbouw en extractie (3%)
  • Industrie (17%)
  • Handel (26%)
  • Dienstverlening

Er wordt hier niet een nieuw concreet goed vervaardigd, maar bij de dienstverlening gaat het om de prestaties die worden verricht door ondernemers of diens werknemers. Belangrijke categorieën voor de sector dienstverlening:

  • Facilitaire dienstverlening
  • ICT-dienstverlening
  • Transport
  • Horeca
  • Financiële dienstverlening

Belangrijk bij deze sector is dat er geen grondstoffen worden ingekocht bij de leveranciers.

 

Handel

Er ontstaan in deze sector geen nieuwe producten. Er is geen transformatieproces in technische zin. Er is hier sprake van ongelijkheid tussen consumptie en productie. Deze ongelijkheid kan onder andere op de volgende omstandigheden betrekking hebben:

  • De plaats van de productie en consumptie;

  • Het tijdstip van de productie en consumptie;

  • De samenstelling van de productie en consumptie;

  • De grootte van de productie en consumptie.

 

Handelsondernemingen

  • detailhandel (levert rechtstreeks aan consument)

  • groothandel (koopt in bij fabrikant en verdeelt de ingekochte partijen over de detailhandel: business-to-bussiness)

Industrie

  • Er ontstaat in deze sector een nieuw product (in tegenstelling bij de handel en de dienstverlening), wat voorheen nog niet bestond.

  • Massaproductie er wordt één product gemaakt, in grote hoeveelheden.

  • Stukproductie maatwerk. Elk product is afgestemd op de specifieke wensen van de klant.

Hieronder worden de verschillen tussen de twee soorten productie weergegeven. Zie hiervoor ook p. 24 van het Basisboek Bedrijfseconomie.

 

Stukproductie

Massaproductie

Maatwerk

Standaardproduct

Bestemd voor één bepaalde klant

Bestemd voor de mart

Op bestelling

Op voorraad

 

Landbouw en extractie

In deze categorie maakt men veelal gebruik van de natuur. Uiteraard zijn de overige productiemiddelen (veelal duurzaam) ook belangrijk.

 

1.4 Ondernemingen en hun rechtsvormen

De keus van een rechtsvorm binnen de onderneming laat zien hoe de relaties juridisch in elkaar zitten. Dit kan men zien binnen de onderneming, maar ook voor de buitenwereld.

Er bestaan rechtsvormen waarbij de onderneming rechtspersoonlijkheid heeft en rechtsvormen waarbij dat niet het geval is.

  • Wanneer de onderneming rechtspersoon is, wordt zij zelf als partij beschouwd, en niet de ondernemer die deze onderneming drijft. Je bent dan ook niet aansprakelijk met je privévermogen, maar alleen dat vermogen dat je in de onderneming hebt geïnvesteerd

Ondernemingen met rechtspersoonlijkheid:

  • Bv;
  • Nv;
  • Openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid;
  • coöperatie.

 

Wanneer een onderneming geen rechtspersoon is, dan is de eigenaar-exploitant degene op wiens naam de overeenkomsten worden aangegaan. Hierbij ben je ook aansprakelijk met je privévermogen, wanneer niet schuldeisers niet genoegen nemen met het vermogen dat in de zaak als zodanig is gestopt.

Ondernemingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten:

  • Openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid;
  • Niet-openbare vennootschap;
  • Eenmanszaak.

 

Eenmanszaak

De ondernemer is zowel eigenaar als leider. Wanneer de ondernemer wegvalt, is meteen de onderneming verdwenen. Je kan deze vorm financieren met een lening of met het vermogen dat je hebt opgebouwd in de loop der jaren.

  • Eerste vorm: vreemd vermogen.

  • Tweede vorm: eigen vermogen.

De ondernemer is aansprakelijk voor schulden die ontstaan uit overeenkomsten en niet de onderneming, want hierboven staat aangegeven dat de eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid bezit, en we doen dus alsof deze in werkelijkheid niet bestaat.

De winst die behaald wordt, wordt belast met inkomstenbelasting in box 1. (Deze wordt niet belast in box 2, aangezien de eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid. Indien een rechtsvorm (bv een NV) wel rechtspersoonlijkheid bezit dan ben je een aanmerkelijk belanghouder indien je waarde van het geplaatste aandelenkapitaal meer is dan 5%,(deze dient dan te vallen in box 2, wanneer dit minder is dan 5%, dan valt dit binnen box 3).

Ondernemers hebben onder andere recht op verschillende fiscale faciliteiten, waardoor het aantrekkelijker wordt om een onderneming te drijven. Een van deze fiscale faciliteiten is de ondernemersaftrek. Deze aftrek is aan de orde wanneer je voldoet aan het begrip ondernemer zoals staat vermeld in de Wet IB 2001, en wanneer is voldaan aan het urencriterium (1225 uur) zoals ook staat vermeld in de IB.

Schematisch ziet de berekening van het te betalen belastingbedrag er als volgt uit:

 

Behaalde winst (verkoop – inkoop)

Af: Zelfstandigenaftrek (mits voldaan aan de Wet IB 2001)

__________________________

Winst na aftrek van zelfstandigenaftrek

Af: winstvrijstelling ( in de Wet IB 2001 wordt gesteld dat 12% mag worden vrijgesteld)

_____________________

Belastbare winst

X tarief

___________________________

Belastingbedrag

Af: Heffingskorting (1633 euro)

__________________________

Te betalen belasting

 

Boekhoudverplichting

Ondernemers zijn verplicht om een administratie bij te houden. De eigenaar van de eenmanszaak is niet verplicht om de financiële positie van zijn onderneming openbaar te maken, hij heeft geen publicatieplicht. Dit hebben de bedrijven die een rechtspersoonlijkheid bezitten wel.

 

Personenvennootschap

Er zijn van deze rechtsvorm drie varianten:

  • De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid: De vennoten treden onder een gemeenschappelijke naam naar buiten, en deze naam van de vennootschap is ook aansprakelijk voor de verbintenissen die worden aangegaan en niet de vennoten die achter de vennootschap zitten. De vennoten zijn dus slechts aansprakelijk voor het vermogen dat zij in de vennootschap hebben gestopt.

     

  • De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid: Er is bij dit samenwerkingsverband geen gemeenschappelijke naam, doordat de vennootschap geen rechtspersoonlijkheid bezit. Hierdoor is net als bij de eenmanszaak dat niet het bedrijf de verbintenissen aangaat, maar de vennoten die achter de openbare vennootschap zitten.

     

  • De niet-openbare vennootschap: Er wordt niet onder gemeenschappelijke naam naar buiten getreden bij dit soort samenwerkingsverbanden.

 

Bij de personenvennootschap is sprake van een afgescheiden vermogen: zakelijke schuldeisers hebben voorrang op privéschuldeisers wanneer het gaat om het te gelde maken van vermogen in geval van non-betaling. Ook zijn de vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Wanneer de ene vennoot niet betaald, kunnen andere vennoten worden aangesproken op het gedrag van die ene vennoot, en zullen zij alsnog de verbintenis moeten nakomen.

Fiscaal gezien is er geen personenvennootschap. Iedere vennoot wordt geacht een zelfstandige, aparte onderneming te drijven.

De personenvennootschap heeft niet een publicatieplicht van haar gegevens op financieel gebied. Bij de vennootschap geldt dat eigendom en leiding berusten bij dezelfde personen. Bij de commanditaire vennootschap vindt er een gedeeltelijke scheiding plaats tussen eigendom en leiding: bij deze rechtsvorm zijn er vennoten (stille/commanditaire vennoten), die niet worden belast met de leiding van de onderneming omdat zij enkel vermogen in de onderneming stoppen. Dit wordt niet hetzelfde geacht als een ondernemer, die ook aansprakelijk is voor verbintenissen die hij aangaat met de consument. Hierdoor wordt de stille/commanditaire vennoot wel geacht een onderneming te drijven, maar is hij geen ondernemer. Hieraan wordt hij wel gelijkgesteld, waardoor hij ook in box 1 wordt belast, en niet binnen box 3, wat voor hem veel gunstiger zou zijn. Tevens zijn er de beherende vennoten, die zowel leider als (mede-) eigenaar zijn.

 

Kapitaalvennootschap

Een kapitaalvennootschap kan bestaan uit de rechtsvormen: bv / nv. Bij bv en nv heeft zich een scheiding tussen eigendom en leiding voltrokken. Je kan hierbij niet meer privé gezien aansprakelijk zijn voor schulden in het bedrijf. Schuldeisers kunnen niet meer verhalen, dan wat in het bedrijf qua opgebouwd vermogen zit.

 

Overeenkomsten bv en nv

  • De bv en nv vallen onder de publicatieplicht: zij dienen hun financiële cijfers openbaar te maken door middel van het deponeren van die cijfers op het kantoor van het handelsregister. Deze cijfers kan vervolgens iedereen inzien.

  • Aandelen: hierin is het eigen vermogen in opgedeeld.

    Een aandeelhouder die meer dan 5% van het geplaatste kapitaal in bezit heeft is aanmerkelijk belanghouder. Hij wordt belast in box 2 van de IB voor het dividend dat hij van de vennootschap krijgt uitgekeerd en voor de eventuele winst die hij behaalt met de verkoop van zijn aandelen. Vaak kent een bv maar één aandeelhouder die zichzelf benoemt tot directeur grootaandeelhouder DGA. Het salaris dat de DGA verdient als directeur is dus als loonkosten aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting. Hierbij wordt uitgegaan van een standaardloon van 43.000 euro per jaar (zie de wet LB). Wanneer de DGA zelf vindt dat dit absoluut niet het geval is, en hoger/lager ligt, dient hij dit aantoonbaar te maken.

    Wanneer je minder dan 5% van het geplaatste aandelenkapitaal in bezit hebt, ben je geen aanmerkelijk belang houder en daardoor val je met dit inkomen ook niet in box 2, maar in box 3. Box 3 gaat uit van een fictief rendement, dat 4 % bedraagt. Dit fictieve rendement (hoeft dus helemaal niet 4% te zijn, kan lager dan wel hoger zijn) wordt vervolgens belast tegen een tarief van 30%. Dit komt er dus op neer dat in box 3 (box van sparen en beleggen) slechts tegen 1,2 % wordt belast.

  • De belastingheffing over de winst van bv en nv is nogal complex, doordat er zowel belasting wordt geheven bij de vennootschap als bij de aandeelhouders. De winst wordt geheven door middel van vennootschapsbelasting. Dividenden die worden uitgekeerd aan de aandeelhouders worden belast met dividendbelasting. Deze tweevoud aan belastingheffing heeft te maken met het feit dat box 1 anders zeer sterk afwijkt van box 2. Niemand wil nog bijvoorbeeld een v.o.f. of een eenmanszaak wanneer je in box 1 een hoog tarief betaalt, en in box 2 20/25%. Daardoor is de dividendbelasting samen met de vennootschapsbelasting samen ook ongeveer gelijk aan het percentage dat in box 1 is gesteld.

 

Verschillen tussen de bv en de nv

  • In het statuut van een bv kan een blokkeringsclausule worden opgenomen. Deze clausule legt beperkingen op aan de aandeelhouder bij de verkoop van de aandelen. Bij een nv mag deze clausule niet worden opgenomen.

  • BV’s kennen alleen aandelen op naam, terwijl het bij NV’s ook mogelijk is dat aandelen aan toonder uitstaan: hierbij kunnen de aandelen in de vennootschap eenvoudig van eigenaar wisselen.

  • Voor de oprichting van een nv is een minimum beginkapitaal van €45.000 nodig, bij de bv is dit nog €18.000. Deze laatste zal overigens na invoering van de nieuwe wetgeving helemaal niet meer nodig zijn.

Coöperatie

Coöperatie: Oefent voor haar leden een bedrijf uit. De leden van deze coöperatie doen zaken met hun coöperatie. De aard van kan verschillend zijn:

  1. Productiecoöperatie: hierbij zijn de leden leverancier van grondstoffen voor het productieproces.

  2. Coöperatieve bank: hierbij lenen de leden geld aan en van de bank.

  3. Inkoopcoöperatie: hierbij nemen de leden producten van hun coöperatie af.

 

Een sterke variant op de coöperatie in de onderlinge waarborgmaatschappij. Hiervan is sprake wanneer de maatschappij verzekeringen verkoopt aan de leden.

Voor de aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van de coöperatie zijn 3 juridische vormen mogelijk:

  • Uitgesloten aansprakelijkheid; leden kunnen niet worden verplicht om de schulden van de coöperatie te betalen.

  • Wettelijke aansprakelijkheid; leden zijn aansprakelijk voor schulden van de coöperatie

  • Beperkte aansprakelijkheid; de leden zijn tot een bepaald maximumbedrag per lid aansprakelijk voor de schulden van de coöperatie. Dit bedrag strekt tot het bedrag dat zij zelf hebben geïnvesteerd in de coöperatie.

 

1.5 De omzetbelasting

De omzetbelasting is een belasting die de consument treft doordat zij de producten van de producent afneemt. Zij wil het belastbare bedrag voor haar rekening nemen ten behoeve van de producent. Hierdoor wordt de btw toegepast. De onderneming zal de belasting afwentelen op haar afnemer, door de verkoopprijs met het belastingbedrag te verhogen. De uiteindelijke schakel is de consument, die de btw voor alle producent in het productieproces betaalt.

Voor een voorbeeld zie p. 38 van het Basisboek Bedrijfseconomie.

 

Bijzondere situaties OB

  • Vrijstellingen: bijvoorbeeld diensten van banken en verzekeringen. Een ondernemer is niet vaak blij met een vrijstelling van de omzetbelasting. Dit is te verklaren vanuit het oogpunt dat de btw die aan hem is toegebracht door een vorige producent niet kan worden teruggevorderd, en deze kan hij ook niet door berekenen in een verdere schakel aangezien het is vrijgesteld. Dit is dus ongunstig voor de ondernemer.

  • Laag tarief: op sommige diensten en goederen is een verlaagd btw-tarief van toepassing. Dit geldt onder andere op de voedingswaren die we kopen in de supermarkt.

  • Export: hierop is binnen de EU het nul-tarief van toepassing.

 

1.6 De samenwerkingsvormen tussen ondernemingen

Samenwerkingsverbanden tussen ondernemingen
 

  • Fusie en overname; overnames worden gerealiseerd doordat een onderneming de aandelen van een ander bedrijf opkoopt. Fusie: Er is hier sprake van een situatie waarbij twee gelijkwaardige partijen samensmelten.
    De relatie tussen overgenomene en overnemer kan verschillend zijn; dit zal nader worden toegelicht aan de hand van de begrippen bedrijfskolom en bedrijfstak.

  • Een bedrijfskolom dient verticaal te worden gezien. Alle schakels die nodig zijn voor de productie van een goed, alle stadia die het product doorloopt voordat hij bij de consument thuis komt.

  • De bedrijfstak kun je meer horizontaal zien. De bedrijven opereren in dezelfde branche/schakel.

 

  • We kunnen verschillende soorten overnames onderscheiden:
  • Overgenomene en overnemer opereren in opvolgende schakels van dezelfde bedrijfskolom: integratie.

  • Overgenomene en overnemer opereren in dezelfde bedrijfstak.

  • Overgenomene en overnemer opereren in verschillende schakels van verschillende bedrijfskolommen: conglomeraten.

  • Overgenomene en overnemer opereren in dezelfde schakel van verschillende bedrijfskolommen: parallellisatie.

  • Kartelvorming; Er worden bij kartelvorming door de producenten afspraken gemaakt, waardoor de concurrentie wordt beperkt. Zo maken ze bijvoorbeeld afspraken dat de prijs van een bepaald goed of een bepaalde dienst niet lager mag komen dan een bepaald bedrag. Dit is slecht voor de consument, want hierdoor neemt de concurrentie af, waardoor ze meer gaan betalen voor een product, en waarschijnlijk de innovativiteit van producten ook af zal nemen.
    Of deze kartelvorming zal plaatsvinden zal liggen aan de marktvorm waarin het product zich verkeerd. Bij monopolie is er slechts een aanbieder, waardoor er geen sprake is van concurrentie en dus ook niet van kartelvorming. Bij oligopolie is er sprake van een gering aantal aanbieders, waardoor de kartelvorming wel makkelijk tot stand kan komen. Het uiterste is de volledige mededinging waar doorgaans veel sprake is van concurrentie omdat er veel klanten zijn en veelal een gestandaardiseerd product. Hier is de concurrentie dus het hoogst, wat het gunstigst is voor de consument.

 

  • Franchising; hierbij sluit een onafhankelijke ondernemer zich aan bij een keten, en verkrijgt hierdoor bepaalde voorzieningen, zoals marketing, inkoop en winkelinrichting.

 

Het is vooral van belang dat de ondernemer de plaatselijke markt kent.

 

Hoofdstuk 2 – Bedrijfseconomische functies en vakgebieden
 

2.1 De vakgebieden van bedrijfseconomie

Het is gebruikelijk om de bedrijfseconomie op te delen in accounting en financiering. De accounting kan vervolgens onderverdeeld worden in Financial accounting en management accounting.

Ondernemingsfinanciering houdt zich niet alleen bezit met het onderzoeken hoe de productiemiddelen van de onderneming gefinancierd kunnen worden, maar ook hoe deze het best geïnvesteerd kunnen worden. We kijken hier dus niet alleen naar de financieringsproblematiek, maar ook naar de investeringsproblematiek.

Een onderneming investeert in productiemiddelen om winst te beogen. Dit zal zo veel mogelijk gepoogd worden in geld tot uitdrukking te brengen. Hierbij zal een schatting gemaakt worden van de extra omzet die uit deze investering zal voortvloeien, en van de kosten die voldaan zullen moeten worden.

Aangezien iedere investering financieringskosten met zich meebrengt, zal gepoogd worden om dit soort gedwongen investeringen zo laag mogelijk te houden. Als een keuze is gemaakt t.a.v. de investeringen, dient de bijpassende financiering gezocht te worden. Het is overigens niet altijd nodig om bij een investering ‘te kopen’. Huur of leasing heeft het voordeel dat het niet nodig is om aan het begin van het project met een groot bedrag te beginnen. Je kan dus ook eerst winst proberen te maken, om het vervolgens terug te betalen in plaats van met een kapitaal te beginnen, wat nadelig klinkt.

Accounting houdt zich bezig met het verschaffen van – vooral financiële – informatie betreffende de onderneming. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen 2:

  • Financial accounting (= externe verslaggeving): de informatieverstrekking door de ondernemingsleiding aan de andere belanghebbenden bij de onderneming. Deze belanghebbenden zijn bijvoorbeeld werknemers, aandeelhouders, kredietverstrekkers en de overheid. Dit gebeurd vooral door middel van het publiceren van een jaarverslag. Het belangrijkste onderdeel van een jaarverslag betreft de resultatenberekening en de balans.

  • Management accounting (= interne verslaggeving): informatieverschaffing aan de ondernemingsleiding. Dit heeft als doel om het management te ondersteunen bij de vele beslissingen die in een onderneming genomen dienen te worden.

Financial accounting heeft, net als management accounting een beslissingsondersteunende functie. Daarnaast is er sprake van een verantwoordingsfunctie.

 

Verschillen tussen de beide vormen van accounting:

  • Een belangrijk verschilpunt tussen beide vormen van accounting is gelegen in het al of niet van toepassing zijn van regelgeving. Hoe het management-accountingsysteem ingericht wordt, welke gegevens het moet opleveren, is aan de ondernemingsleiding zelf. Het management kan hier zijn eigen inzichten volgen. Financial accounting is echter onderworpen aan wettelijke bepalingen. Doordat management accounting een puur beslissingsondersteunende functie heeft, is zij van nature toekomstgericht. Door de voor Financial accounting belangrijke verantwoordingsfunctie is die vooral gericht op het verleden.
    Bij externe verslaggeving kan het zo zijn dat de leiding van de onderneming in de verleiding komt om gekleurde informatie naar buiten te brengen, door bijvoorbeeld een winstcijfer te publiceren dat hoger is dan de werkelijke winst: creatieve accounting.
     

  • Tevens vloeit uit de beslissingsgerichtheid van management accounting voort dat de verschafte informatie vaak gedetailleerd van aard zal zijn en bovendien zonder veel tijdverlies ter beschikking van het management gebracht dient te worden. Bij Financial accounting gaat het er vooral om dat achteraf verantwoording wordt afgelegd, in dat geval zal het meestal gaan om globalere informatie, waarbij het snelheidsaspect minder belangrijk is.

 

2.2 De relaties met andere vakgebieden

De volgende relaties met andere vakgebieden zijn te onderscheiden:

  • Boekhouden; voor de verschaffing van informatie heeft de accounting gegevens nodig. Zij verkrijgt de informatie uit de boekhouding van het bedrijf. Deze basisgegevens bijvoorbeeld de omzet in een bepaalde periode of de in die periode betaalde lonen, worden vervolgens in het kader van management accounting en Financial accounting verder bewerkt en geanalyseerd. De kern van het systeem wordt gevormd door het stelsel van grootboekrekeningen waarin wordt bijgehouden welke wijzigingen zich in een periode vooroden. Zo wordt bijvoorbeeld op de grootboekrekening bedrijfsgebouwen aantekening gehouden van de investeringen in bedrijfspanden en van de waardeverminderingen die door de tand destijds ontstaan en toont de grootboekrekening intrest de kosten die voortvloeien uit geleende gelden.

  • Organisatiekunde; management accounting is er onder andere op gericht om de onderneming ‘beheersbaar’ te houden. Hiervoor is het niet alleen nodig om over een goed informatiesysteem te beschikken, maar ook om een effectieve en efficiënte organisatorische structuur in het bedrijf aan te brengen.

  • Ondernemingsrecht;

  • Belastingrecht; de winst die met een onderneming gemaakt wordt, is onderworpen aan belasting. Bij kapitaalvennootschappen gaat het om de vennootschapsbelasting, bij eenmanszaken gaat het om de inkomstenbelasting.

 

2.3 De functies van de bedrijfseconomie

In het bedrijfsleven kom je veel functies tegen die verband houden met de bedrijfseconomische invalshoek. Op p. 61 van het Basisboek Bedrijfseconomie wordt een schema hiervan weergegeven.

 

 

Hoofdstuk 3 – De financiële overzichten

3.1 Financiering en investering

Productiemiddelen worden in het bedrijfseconomie jargon activa genoemd. We kunnen een onderscheid maken tussen vaste en vlottende activa.

  • Vlottende activa is kortlopend in die zin dat ze zijn ontstaan binnen een jaar, en teniet gaan binnen een jaar. De tijd die verstrijkt tussen inkoop en verbruik van de voorraad zal meestal niet meer dan enkele maanden beslaan. Onder de vlottende activa vallen tevens de vorderingen op afnemers aan wie al wel geleverd is, maar die nog niet betaald hebben.

  • Vaste activa staan langere tijd ten dienste van de onderneming. Dit wil zeggen in ieder geval langer dan een jaar. (wanneer het korter dan een jaar is: vlottende activa). Bedrijfsgebouwen hebben een levensduur van meer dan 10 jaar, transportmiddelen gaan meestal tussen de 5 en 10 jaar mee. Sommige activa hebben onbeperkte levensduur, bijvoorbeeld het bedrijfsterrein.

Financiering kan geschieden met vreemd vermogen of met eigen vermogen.

  • Vreemd vermogen is tot stand gekomen door schuldeisers. Er zijn dus geen formele rechten aan verbonden. Vreemd vermogen is tijdelijk, in die zin dat er van tevoren afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling: risicomijdend vermogen.

  • Eigen vermogen is tot stand gekomen door de eigenaren van de onderneming. Kenmerkend voor eigen vermogen is dat het voor onbepaalde tijd ter beschikking van de onderneming is gesteld, dit wil niet zeggen dat eigen vermogen niet terugbetaald kan worden, maar dat er niet van tevoren afspraken zijn gemaakt over het moment van terugbetaling. De beloning is de winst die de onderneming creëert, ten behoeve van de eigenaren: risicodragend vermogen.

 

3.2 Resultatenrekening en balans

We kunnen een confrontatie maken van enerzijds de waarde van de productiemiddelen waarin de onderneming geïnvesteerd heeft (de activa) en anderzijds van de manier waarop deze investeringen gefinancierd zijn (de passiva).

De momentopname heet: balans. Dit zien we in de meeste gevallen in de vorm van een T-vorm, waarbij aan de linkerzijde, de debitzijde, de investeringen opgesomd staan, en aan de rechterzijde, de creditzijde, de financiering.

 

Winst = toename van eigen vermogen over een periode.

 

Daartoe dienen twee balansen te worden opgemaakt: 1 aan het begin van de periode, en 1 aan het eind.

We kunnen de winst nader analyseren door te bekijken welke opbrengsten en kosten gemaakt zijn in de betreffende periode: resultatenrekening.

De opbrengsten hoeven niet samen te vallen met de ontvangsten.

  • Opbrengst wordt genomen in de periode waarin de onderneming prestaties ten behoeve van de klanten heeft verricht, waarbij het niet uitmaakt of deze prestaties ook al tot betaling in de betreffende periode hebben geleid.

  • Aflossingen op vreemd vermogen worden niet in de resultatenrekening opgenomen, omdat ze niet leiden tot een verandering in het eigen vermogen, want het is een schuld.

  • De kosten in een periode zijn eveneens niet automatisch gelijk aan de uitgaven in die periode.

 

2.3 Kasmutatie versus winst

De winst mag niet gelijkgesteld worden aan de mutatie. Deze kunnen van elkaar verschillen. De factoren die leiden tot deze verschillen zijn de volgende:

  • Afschrijvingen: Om een juist beeld te krijgen van de positie van een onderneming, dienen uitgaven die gedaan zijn ten behoeve van de investeringen niet direct te worden afgeschreven. Dit moet worden gedaan over de looptijd waarin deze investeringen meegaan. Om dit te kunnen bepalen wordt er een schatting van de levensduur gemaakt, waarbij je vervolgens moet gaan kiezen welke afschrijvingsmethode je gebruikt:

  • Degressieve afschrijving; deze wordt gebruikt op het moment dat de machine in de eerste jaren effectiever werkt dan in de laatste jaren.

  • Lineaire afschrijving; hierbij wordt er vanuit gegaan, dat hij elk jaar even nuttig is, en dus wordt ook elk jaar evenveel afgeschreven op het product.

  • Afschrijving op basis van gebruik; de mate waarin je de investering gebruikt, bepaalt de waarde van de afschrijving over de gebruikers jaren.

  • Voorzieningen: Deze dienen te worden gevormd met de mogelijke toekomstige verplichtingen die zich kunnen gaan voordoen. Deze kunnen op de resultatenrekening worden opgenomen. Deze zijn echter wel gebaseerd op schattingen waardoor zich de vorming van creative accounting zal kunnen voordoen.

  • Rechtstreekse vermogensmutaties: privéonttrekkingen en stortingen dienen geen invloed uit te oefenen op het vermogen van de onderneming. Ze mogen niet op de resultatenrekening verschijnen, want het heeft niets verder met de onderneming te maken.

 

Hoofdstuk 5 - De investeringsprojecten

 

5.1 Cashflow en investeringsprojecten

Investeren: vermogen wordt vastgelegd, in de vorm van activa. Dit kunnen verschillende vormen van activa zijn:

  • Vlottende activa:

- Liquide middelen

- Voorraden

  • Vaste activa:

- Machines

- Gebouwen

Het vraagstuk van investering verdiept zich voornamelijk in de keuzes die verstandig zijn omtrent de investeringen. Er worden plannen uitgestippeld. Of deze plannen daadwerkelijk worden gerealiseerd hangt onder meer af van de winstdoelstelling en de continuïteitsdoelstelling.

Ondernemers investeren in hun onderneming om de levensvatbaarheid van de onderneming te vergroten. Er bestaan 2 soorten ondernemingen:

  • Uitbreidingsinvesteringen

  • Vervangingsinvesteringen

Om te kunnen onderzoeken of een investering winstvol is, moet de ondernemer rekening houden met alle daar nog bijkomende investeringen die ermee gepaard gaan. Eén investering is echter nooit zinvol, van de ene investering, hangt de ander weer van af.

  • Een investeringsproject is een definitie voor het geheel van investeringen in bij elkaar behorende duurzame en vlottende activa.

Wil een investeringsproject slagen, dan zullen de winsten ook dusdanig hoger moeten worden, om op te baten tegen de hoge kosten. Bij het onderzoeken hiervan zullen we ons dan ook richten op de toekomst van de netto-ontvangsten (cashflow*) tijdens dit project.

* Cashflow = verschil tussen bruto-ontvangsten uit verkoop van producten en de uitgaven in verband met de aanschaf en aanwending van de productiemiddelen in een periode. (we richten ons dus niet op de winst, omdat deze subjectief wordt bepaald).

Tijdvoorkeur

De ontvangst van een bedrag wordt hoger geschat naarmate deze eerder zal plaatsvinden. Dit heeft te maken met de mogelijkheid om ontvangen bedragen winstgevend uit te zetten waardoor een bedrag dat nu wordt ontvangen in de verwachte toekomst een hogere waarde krijgt.

Opportunity costs

Het missen van de opbrengst doordat een bedrag pas later wordt ontvangen.

 

De tijdvoorkeur van een bedrijf wordt tot uitdrukking gebracht in de gemiddelde vermogenskostenvoet. Dit is de voet waarbij de onderneming vermogen kan aantrekken. Als de rentabiliteit van een investering gelijk is aan de kostenvoet, levert deze investering precies genoeg op om aan de eisen van de vermogensverschaffers te kunnen voldoen in de vorm van intrest- en dividendbetalingen.

Alles wat we nodig hebben is dus inzicht in de cashflow.  Verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven.

 

Het succes van een bedrijf kan op de volgende manier worden berekend:

  • Periodewinst= verschil tussen opbrengsten en kosten.
  • Relatie tussen periodewinst + cashflow: zie hoofdstuk 3 voor een uiteenzetting.
  • Verschil tussen periodewinst + cashflow: kostenpost die niet tot uitgaven leiden: de afschrijvingen op duurzame activa. Door bij de periodewinst de afschrijvingen erbij te rekenen, vinden we de cashflow. Dit ziet er in een berekening als volgt uit:

 

 

Cashflow = periodewinst + afschrijvingen

 

 

Wanneer een investeringsproject begint en eindigt doet zich een merkwaardige situatie voor. Bij de start moeten productiemiddelen worden aangeschaft die nodig zijn om het project te kunnen uitvoeren. Hierdoor ontstaan uitgaven terwijl er nog geen opbrengst zijn. Dit ziet er als volgt uit:

 

 

Cashflow = - investeringen

 

Bij het einde zijn de aangeschafte productiemiddelen niet langer meer nodig. Je hebt hierbij meestal nog een restwaarde van de duurzame productiemiddelen. Dit worden ook wel desinvesteringen genoemd. Deze veroorzaken een extra ontvangst in het laatste traject van het project. Schematisch zal dit er als volgt uitzien:

 

 

Cashflow = Periodewinst + Afschrijvingen + Desinvesteringen

 

 

 

5.2 De beoordeling op basis van de periodewinst

Het eerste criterium dat we onderzoeken sluit aan bij de traditionele manier van analyseren op basis van winstgevendheid. Rentabiliteit is de verhouding tussen winst en het vermogen dat deze winst heeft verdiend.

 

                                               Winst

Rentabiliteit =       -------------------------------------------

                            Gemiddeld geïnvesteerd vermogen

 

 

Om deze rentabiliteit van het investeringsproject te berekenen moeten we het gemiddelde van alle afzonderlijke jaarwinsten verbinden aan het gemiddelde gedurende de looptijd van het geïnvesteerde vermogen.

 

Jaarlijkse winsten optellen  uitkomst delen door looptijd van het project.

Hierdoor berekenen we de gemiddelde jaarlijkse winst. Het gemiddeld vermogen dat we in het project hebben geïnvesteerd is te berekenen door: bij de start van het project en de restwaarde van het eind van het project op te tellen en te de delen door twee.  Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (GBR).

Voor een voorbeeld voor de berekening van de GBR zie p. 114 van het basisboek Bedrijfseconomie.

 

5.3 De beoordeling op basis van de cashflow

De GBR is gebaseerd op winst en niet op cashflow. Het houdt hierdoor geen rekening met de tijdvoorkeur. De uitgaven in verband met de investeringen moeten tijdens de periode van het project worden goedgemaakt zodat uiteindelijk een positief saldo ontstaat. Voor een schematisch verloop van deze tijd verwijs ik naar figuur 5.1 (p. 116 van het Basisboek bedrijfseconomie).

In de fase voorafgaand aan het project (t -1 - t 0) vinden de uitgaven plaats in verband met de aanschaf van de benodigde productiemiddelen, zodat bij aanvang van het project op tijdstip t0 er een saldo is dat negatief zal zijn, ter grootte van het investeringsbedrag Io. Tijdens de periode van het project (t0 – t2) worden als het goed is de ontvangsten groter dan de uitgaven. Hierdoor worden de oorspronkelijke investeringen terugverdiend. De periode waarin de ontvangsten gelijk gesteld worden aan de uitgaven, wordt ook wel de terugverdien periode genoemd. Na het project zal men hopen op een positief saldo.

Met de voorkeur van tijd wordt door de terugverdienperiode gering rekening mee gehouden, aangezien de druk ligt op het zo snel mogelijk terugverdienen van de investering. De maatstaf van het terugverdienen is vooral gegrond op de liquiditeit van de onderneming i.p.v. de rentabiliteit.

 

5.4 De beoordeling op basis van de cashflow met inachtneming van tijdvoorkeur

Het project waarin wordt geïnvesteerd hebben doorgaans een lange looptijd. Dit brengt problemen met zich mee. Een voorbeeld van een probleem dat dit met zich meebrengt is de moeilijke vergelijkbaarheid tussen de uitgaven en de ontvangsten.

Deze zijn moeilijk vergelijkbaar doordat de tijdstippen van beiden ver uit elkaar liggen. Om deze bedragen enigszins vergelijkbaar te maken, maken we gebruik van enkele financiële basisbegrippen.

  • Enkelvoudige intrest: wordt steeds over het oorspronkelijke bedrag berekend.

  • Financiële rekenkunde: hebben te betrekking op de intrestberekeningen.

  • Samengestelde intrest: deze wordt berekend over het totaal van de oorspronkelijke lening plus de vervallen intrest.

Onderzoekscriteria die rekening houden met tijdvoorkeuren, kunnen we vinden onder de discounted cashflowmethoden. Deze maken gebruik van berekeningen van intrest zoals we die al eerder hebben laten zien. Er worden hiervan twee methoden behandeld:

  • Interne rentabiliteit; berekent de rentabiliteit van een project waarin is geïnvesteerd, door de disconteringsvoet te bepalen, waarbij de contante waarde van de verwachte cashflows gelijk is aan het investeringsbedrag.

  • Nettocontantewaardemethode; meet de contante waarde van de verwachte cashflows, inclusief het oorspronkelijke investeringsbedrag waarbij als disconteringsvoet (=intrest) de gemiddelde vermogenskostenvoet van de onderneming wordt gebruikt.

Indien de waarde in contanten van een project waarin is geïnvesteerd positief is, komt het voor uitvoering in aanmerking.

Bij het gebruik van deze methoden moeten enkele kanttekeningen worden geplaatst:

  • De nettocontantewaardemethode meet niet de rentabiliteit van een project. Er wordt geen verbinding gelegd met de hoogte van het te investeren bedrag.

  • De nettocontantewaardemethode houdt geen rekening met een verschil in looptijd van andere projecten waarin is geïnvesteerd.

  • Bij de interne rentabiliteit wordt gesteld dat de cashflows die voor het einde van de periode van het project worden ontvangen, gedurende de resterende periode kunnen worden uitgezet, waarbij de opbrengst gelijk is aan de interne rentabiliteit van het project.

Voor de kenmerken van de beoordelingscriteria (Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit, terugverdienperiode, nettocontantewaarde en interne rentabiliteit) wil ik verwijzen naar p. 123 van het basisboek Bedrijfseconomie.

 

5.5 De leasing

Voor de investeringsprojecten is vaak een omvangrijk bedrag nodig, dat voor langere tijd beschikbaar kan worden gesteld. Dit is echter niet altijd beschikbaar voor een bedrijf, waardoor er ook alternatieven bestaan voor het kopen, bijvoorbeeld leasing. Hierbij zijn twee vormen te onderscheiden:

  • Operational lease; op korte termijn opzegbaar contract. Het risico ligt bij de leasemaatschappij. Het object wordt niet op de balans vermeld bij de gebruiker.

  • Financial lease; onopzegbaar contract met een lange looptijd. Bij deze vormen van leasen ligt het risico volledig bij de gebruiker van het object. Deze heeft ook de economische eigendom en loopt daardoor ook dezelfde risico’s. het object wordt aan de debetzijde van de balans gezet.

 

Hoofdstuk 6 – Het kapitaalbeheer van werk

 

6.1 Het beheer van de voorraad

Voorraden brengen nadelen met zich mee, het moet bijvoorbeeld ergens worden opgeslagen, voorraden kunnen soms niet meer worden verkocht doordat het verouderd. Tegenover de nadelen staan ook voordelen, aangezien voorraden anders niet zouden bestaan. Een voordeel dat in het oog springt is de ontkoppelingsfunctie. Wanneer eerst iets besteld moet worden, is iets nooit direct leverbaar waardoor er een strop ontstaat in het productieproces wat niet ten goede komt voor de markt. Andere voordelen kunnen zijn kortingen op de inkoopprijs of besparing op de transportkosten (wat weer ten goede komt voor het milieu). We zullen alle voordelen en nadelen tegen elkaar moeten afwegen om te bekijken of het voordelig is om voorraden te hebben.

Er bestaan voorraadkosten. Deze kunnen voor bijvoorbeeld een onderneming die handel drijft uit de volgende kosten bestaan:

  • Opslagkosten; dit ligt aan de omvang van de voorraad. Als je veel voorraad hebt, zal je ook veel opslagkosten moeten betalen.

  • Optimale ordergrootte; Wanneer het totaal van bestelkosten en opslagkosten minimaal is, heet dit de optimale ordergrootte.

  • Bestelkosten; elke order kost geld, waardoor het voordelig is om een minimaal aantal orders te maken.

Voor een voorbeeld zie p. 132/133 van het Basisboek Bedrijfseconomie.

 

De formule van een optimale ordergrootte ziet er als volgt uit:
 

Q* = √2×D×F

  • C = opslagkosten per stuk per periode
  • F = bestelkosten per order
  • D = totale afzet per periode
  • Q = optimale ordergrootte

 

De levertijd is hierbij buiten beschouwing gelaten. Dit zal echter niet moeten gebeuren, want dit zal betekenen dat de voorraad eerder op is dan dat de bedoeling is. Het niveau van de voorraden waarbij een nieuwe bestelling geplaatst moet worden heet het bestelniveau. In een formule komt die als volgt tot stand:

 

Bestelniveau = afzet per dag x levertijd order

Het bestelniveau zal echter niet objectief vast te kunnen stellen zijn, aangezien per dag de hoeveelheid voorraden kan afnemen. Hierdoor zal twijfel ontstaan hoeveel er zal moeten worden besteld. Er ontstaat hierdoor een verschil tussen het bestelniveau en de veiligheidsvoorraad. Dit is uitsluitend bedoeld voor het opvangen van een hoger dan gemiddelde verkoop tijdens de levertijd van een nieuwe bestelling. Doordat er een veiliheidsvoorraad aanwezig is, betekent dit automatisch dat er meer opgeslagen moet worden waardoor de kosten hiervoor ook toenemen. Deze toename kan op de volgende manier worden berekend:
 

 

Toename opslagkosten = Veiligheidsvoorraad x Opslagkosten per stuk

 

 

Wanneer we het niet hebben over een handelsonderneming, is bovenstaand geschreven volledig toepasbaar alleen dan met verschillende benamingen:

  • Bestelkosten = instelkosten

  • Levertijd = productietijd

  • Optimale ordergrootte = optimale seriegrootte

 

Doordat de voorraden veel kosten met zich meebrengen, tracht men tegenwoordig om met zo min mogelijk voorraden te werken. Hiervoor zijn allerlei nieuwe ontwerpen bedacht, waarbij het just-in-time principe wel het meest eruit springt. Hierbij worden goederen pas geleverd op het moment dat ze nodig zijn.

De omzetsnelheid van een onderneming geeft aan hoe men het voorradenbeheer voert. In een formule zal dit er als volgt uit komen te zien:
 

 

Omzetsnelheid van de voorraad:          inkoopwaarde van de omzet

                                                                  -------------------------------------------

                                                                         gemiddelde voorraad

 

6.2 Het beheer van de debiteuren

Wanneer een afnemer een leverancier niet meteen betaalt, ontstaat een leverancierskrediet. De afnemer betaald niet meteen, maar zal dit bijvoorbeeld over een maand gaan doen. Dit is een vorm van financiering met vreemd vermogen wat aan de rechterzijde van de balans onder het kopje debiteuren op de balans verschijnt. Er moet een krediettermijn worden gesteld waarbinnen er betaald moet worden. Deze financiering is een vorm van korte termijn lening, waarop vaak kortingen van toepassing zijn. Dit krijgt men wanneer men eerder betaald dan dat is afgesproken. Echter komt het ook voor dat men later betaald dan dat is afgesproken waardoor sprake is van wanbetaling. De crediteur zal dit proberen te voorkomen door het maken van een kredietwaardigheidsbeoordeling van de debiteur. Hierbij kunnen onder andere de volgende omstandigheden van belang zijn:

  • Vertegenwoordigers

  • Jaarrekeningen van de afnemer

  • Persoonlijke bezoeken aan de afnemer

  • Informatiebureaus

 

Incassopolitiek

Alle schikkingen die nodig zijn om de vorderingen veilig te kunnen stellen. Hierbij is vooral een debiteurenbewaking van belang (dit betekent dat er direct moet worden gehandeld bij een te late betaling). Ook is van belang de kredietlimiet die niet mag worden overschreden. Dit is het maximale bedrag dat mag worden uitgeleend aan de debiteur van de crediteur. De incassopolitiek wordt veelal uitbesteed door factoring.

Wanneer wordt er een goed debiteurenbeheer gevoerd? Dit kunnen we afleiden uit de volgende formule:

 

Gemiddelde                   Gemiddeld debiteurenbedrag

krediettermijn =             -----------------------------------------      x 365 dagen

                                              Verkopen op rekening                                         

 

6.3 Het beheer van de liquiditeit

Het geld in kas wordt aangehouden door een onderneming om betalingen te kunnen voldoen. Wanneer zij weinig kasgeld heeft, zal ook snel sprake kunnen zijn van wanbetaling. Echter heeft kasgeld ook een aantal nadelen:

  • De investering in het geld levert nauwelijks inkomsten op. Je kunt dus wel betere dingen doen met je geld.

  • Het kasgeld zal gefinancierd moeten worden, waardoor je rente zal moeten betalen.

 

Er zijn drie beweegredenen voor het aanhouden van kasgeld:

  • Voorzorgsmotief; twijfelachtige toekomst

  • Transactiemotief;

  • Speculatiemotief; voordelen van prijsveranderingen

 

Alternatieven voor kasgeld:

  • Rekening-courantkrediet: debiteur. Je leent het geld van de leverancier, waardoor je op dat moment geen kasgeld nodig hebt.

  • Effecten: kunnen worden verkocht, op het moment dat je geld nodig hebt, waardoor ze indirect wel geld hebben.

 

Een goede planning voor het kasgeld is noodzakelijk. Dit wordt gemaakt in de vorm van een liquiditeitsbegroting. Dit is een overzicht van toekomstige uitgaven en ontvangsten van een onderneming in een bepaalde periode.

 

Hoofdstuk 7 – Het eigen vermogen

 

7.1 Het eigen vermogen bij ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid

Eigen vermogen is afkomstig van de eigenaren van een onderneming.

In de persoonlijke ondernemingsvormen (die ondernemingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten; personenvennootschap en eenmanszaak), bestaat het eigen vermogen uit het door de eigenaar of eigenaren ingebrachte vermogen. Dit kan toenemen indien er winst wordt gemaakt of door stortingen. In geval van verlies of onttrekking neemt het eigen vermogen van de onderneming af.

Eenmanszaak: het eigen vermogen komt op de balans voor als één bedrag:

Berekening eigen vermogen doet men als volgt:

 

De oorspronkelijke inbreng van eigenaar:

  • + privéstortingen
  • + gemaakte winsten
  • - privéonttrekkingen
  • - geleden verliezen

Personenvennootschap: hierbij wordt vastgesteld hoeveel eigen vermogen elk van de vennoten inbrengt bij de oprichting. Het ingebrachte vermogen wordt op de balans per vennoot geregistreerd. Wanneer dit niet gebeurd, treedt er verwarring op, wie welk vermogen heeft ingebracht. Deze registratie wordt ook gebruikt voor de commanditaire vennootschap.

 

Verschil tussen beide rechtsvormen:

De personenvennootschap en de eenmanszaak lijken sterk op elkaar met als verschil dat bij een eenmanszaak het eigen vermogen als één op de balans wordt weergegeven, dit in tegenstelling tot personenvennootschap waarbij meerdere posten voor het eigen vermogen op de balans staat.

 

7.2 Het eigen vermogen bij ondernemingen met rechtspersoonlijkheid

Bij de ondernemingen met rechtspersoonlijkheid bestaat het eigen vermogen uit aandelenkapitaal en reserves. Door uitgifte van aandelen krijgt de onderneming de beschikking over eigen vermogen. De aandeelhouders zijn samen eigenaar van de eigenaar voor dat deel dat zij aan aandelen hebben.

Maatschappelijk kapitaal: dit is het totale bedrag waarvoor aandelen kunnen worden uitgegeven, wat vast ligt in de statuten van de onderneming. Het geeft aan hoe hoog het nominale bedrag van de geplaatste aandelen maximaal kan zijn.

Dividend: dit is de winstuitkering die de aandeelhouders ontvangen. Om het dividend te berekenen per aandeel wordt uitgegaan het aandelenkapitaal dat is gestort. Wanneer tijdens het boekjaar al wordt uitgekeerd is dit een voorschot en dit wordt een interim-dividend genoemd.

Voor de aandeelhouders hebben de aandelen twee belangrijke functies.

  • Ten eerste heeft de aandeelhouder recht op een gedeelte van de winst van de onderneming indien de onderneming overgaat tot dividenduitkering.

  • Ten tweede geeft het aandelenbezit de houder zeggenschap binnen de onderneming.

    De hierboven omschreven aandelen zijn gewone aandelen. Daarnaast zijn er nog aandelen met bijzondere kenmerken: preferente aandelen.

Dit zijn aandelen waaraan voor de houders bepaalde voorrechten zijn verbonden. Deze voorrechten kunnen betrekking hebben op beide functies van aandelen: de uitkering van de onderneming of het beheer van de onderneming.

  • Uitkeringspreferente aandelen; geven de houder voorrechten bij de winstuitkering door de onderneming.

  • Prioriteitsaandelen; geven de houder bepaalde extra rechten op het gebied van de zeggenschap over de onderneming

Ook kan het eigen vermogen van een bv of nv na oprichting worden vergroot door uitgifte van nog niet geplaatste aandelen. Bestaande of nieuwe aandeelhouders kopen de aandelen en het vermogen wordt toegevoegd aan het eigen vermogen. Ook winsthouding vergroot het eigen vermogen van de nv of de bv.

 

7.3 De waarde van de aandelen

De waarde van de aandelen kan worden bepaald door:

  • Nominale waarde; Dit bedrag is aantoonbaar doordat het op het aandeelbewijs staat. Dit bedrag heeft verder geen betekenis, echter de aandeelhouder is alleen verplicht bij uitgifte van de aandelen minstens dit bedrag te storten. Verder wordt hier niet iets mee gedaan.

  • Beurswaarde; Deze waarde is niet vooraf te bepalen. Het ligt eraan hoe de markt er mee omgaat. Het is een aanbod en vraag reactie hoeveel de waarde wordt. Deze waarde wordt beïnvloed door andere waarden van de theoretische waarde zoals de rentabiliteitswaarde en de intrinsieke waarde. Zij zal ook sterk afhangen van ontwikkelingen die zich buiten de onderneming voordoen.

  • Theoretische waarde; Dit is niet de waarde dat ligt aan de aandelen, maar dit kan worden afgeleid van de waarde van de onderneming De theoretische waarde kan op twee verschillende manieren worden berekend:

  • Rentabiliteits waarde; Deze waarde zal de toekomstige winsten weergeven, wat is de winstpotentie van de onderneming?

  • Intrinsieke waarde; Hier wordt gekeken naar de verschillen tussen schulden en bezittingen, waardoor dit gelijk wordt gesteld aan het eigen vermogen. De hoogte zal onder andere worden bepaald door waarderingsgrondslagen van de onderneming zelf. Deze is dus subjectief bepaald.

 

Deze waarden kun je met elkaar gaan vergelijken.

  • Intrinsieke waarde > Rentabiliteitswaarde: de onderneming presteert onder de maat.

  • Intrinsieke waarde < Rentabiliteitswaarde: de onderneming presteert boven de maat.

 

Bedrijven willen graag op de beurs zijn genoteerd doordat er dan sterk wordt verhandeld. Hieronder worden nog enkele andere motieven weergegeven.

  • Incasseringsmotief; Aandeelhouders kunnen het vermogen dat zij in de onderneming hebben gestopt gemakkelijk voor andere doelen gaan gebruiken door het vermogen vrij te maken.

  • Managementmotief; De aandeelhouders van een onderneming geven niet de onderneming echt de leiding aangezien zij aandeelhouders zijn, waardoor het contrast tussen managen en eigenaren wordt vergroot.

  • Financieringmotief; de behoefte aan toevoegend eigen vermogen kan in de toekomst gemakkelijker via een uitbreiding van het geplaatste aandelenkapitaal worden gedekt.

  • Prestige-motief; Je kan laten zien wat je in huis hebt als onderneming. Je krijgt meer aanzien wanneer je meedoet op de beurs.

  • PR-motief; je naam wordt bekender wanneer je op de beurs gaat staan. Dit is een positief voordeel voor de ondernemingen. Daar staat echter wel tegenover dat iedereen ook alles van je weet en alles direct moet mededelen, waarop de concurrent weer meteen kan gaan reageren.

 

7.4 De reserves

Met winst kunnen ondernemingen veel doen:

  • Dividendstabilisatie: Stabilisatie van het dividend betekent dat in de jaren met hoge winst een gedeelte van het dividend wordt ingehouden, om het te stabiliseren met de jaren met een laag dividend. Hierdoor blijft het door de jaren heen stabiel waardoor elkaar jaar een vast bedrag aan dividend kan worden uitgekeerd.

  • Winstreserve: Dit is niet daadwerkelijke winst, maar als reserve wordt er eigen vermogen toegevoegd; dit is niet gecreëerd door de onderneming.

  • Herwaarderingsreserve: Hierdoor ontstaat er een stijging van de bezittingen. Het activa zal in waarde gaan toenemen waardoor ook het eigen vermogen zal gaan stijgen. Dit zal tot uitdrukking worden gebracht door een toename van de boekwaarde.

  • Tantieme: is een soort vergoeding wat wordt uitgekeerd aan de commissarissen en de directie in de vorm van een winstuitkering. Deze winst wordt uitgekeerd op het moment dat zij goede leiding geven aan het bedrijf. Je kunt het zien als een soort bonus.

  • Agioreserve: Agio betekent dat er verschil zit tussen de nominale waarde en de uitgifteprijs van het aandeel. Door uitgifte van nieuwe aandelen stijgt het geplaatste aandelenkapitaal met de nominale waarde. Het agio behoort tot het eigen vermogen en dit komt tot uitdrukking tot bijschrijving bij reserves.

Samenvattend: reserve kunnen ontstaan door 3 oorzaken (herwaarding, winstinhouding en aandelenemissie).

Wanneer een onderneming over reserves beschikt die niet op de balans zijn gepubliceerd worden dit geheime/ stille reserves genoemd. De balans is dan lager gewaardeerd dan de werkelijke waarde. De reserves die wel op de balans zijn gepubliceerd worden open reserves genoemd.

 

7.5 De aandelenemissie

Een onderneming kan op twee manieren aandelen verkopen om eigen vermogen aan te trekken:

  • Openbare emissie; Wanneer een onderneming geld nodig heeft, kan hij aandelen verkopen op de beurs waarbij iedereen aandelen kan kopen voor het desbetreffende bedrijf. Dit heet een openbare emissie. Iedereen kan hieraan deelnemen zonder uitzonderingen. De onderneming zal hierbij vrijwel altijd gebruik maken van de bank als tussenpersoon (= tussen de nv en de beleggers). De bank heeft een begeleidende rol voor de ondernemingen. Wanneer zij niet als tussenpersoon fungeren, maar alleen als uitgevingsinstantie, en de onderneming zelf ook alle risico’s draagt wordt dit een guichetemissie genoemd. De guichetemissie is het tegenovergestelde van een overgenomen emissie. Hierbij heeft de bank wel een significante rol aangezien zij hierbij alle risico’s draagt, ook wanneer de emissies zullen mislukken. Voor een onderneming is het dus risicomijdend gedrag wanneer zij kiezen voor een overgenomen emissie en risicodragend gedrag wanneer zij kiezen voor een guichetemissie. Voor een bank is het echter zeer risicovol om een overgenomen emissie te dragen, waardoor vrijwel nooit één bank het risico draagt, maar meerdere banken dit zullen doen voor een onderneming.

  • Onderhandse plaatsing; Wanneer deze niet openbaar zijn, kan zij toch aan specifieke partijen worden verkocht. Dit wordt ook wel een onderhandse plaatsing genoemd, waarbij toch het eigen vermogen wordt verhoogd.

In geval van een vrije/openbare emissie staat de inschrijving open voor iedere belegger die in de betreffende vennootschap wil investeren. Door emissie daalt de beurswaarde doordat de aandelen per stuk minder waard worden. Door de daling worden de ‘oude’ aandeelhouders gedupeerd. Dit kan worden opgelost door een voorkeursemissie. Bij een voorkeursemissie krijgen eerst de betreffende aandeelhouders de kans om bij voorrang in te schrijven, wanneer zij dit niet willen zal het de vrije markt opgaan. Ze krijgen dus voorrang op andere beleggers: claim.

Een toekomstige aandeelhouder zal eerst claims moeten kopen op de beurs wil hij aandelen kunnen kopen. Om een aandeel met een beurswaarde na emissie (BWN) te verkrijgen, moet de toekomstige aandeelhouder eerst een n aantal claims kopen, om hiermee de emissieprijs (EP) te betalen. De theoretische waarde van deze claim kan als volgt worden bepaald:

 

BWN = n x CL + EP

 

CL = (BWN – EP) / n

* Formules worden in de samenvatting weergegeven in vierkanten, zoals hierboven is weergegeven.

Aandelenkapitaal kan door middel van aandelenemissie worden vergroot. Dit gebeurt echter ook nog op een andere manier. Een vennootschap kan bijvoorbeeld overgaan tot uitgifte van bonusaandelen: aandelen die gratis aan de houders van reeds uitstaande aandelen worden verstrekt ten laste van de reserves. (vaak gebeurt dit ten laste van de agioreserve = agiobonus).

 

Herkapitalisatie

Dit is een wijziging van de structuur van het kapitaal van een onderneming. Meestal is dit voor de aandeelhouders/beleggers in de onderneming geen gunstige ontwikkeling, aangezien de aandelen in verhouding verminderen. Dit kan echter wel de verhandelbaarheid van de aandelen ten goede komen.

Hetzelfde effect kan worden bereikt door middel van een aandelensplitsing. Hierbij wordt de nominale waarde per aandeel verlaagd, terwijl het totaal geplaatste aandelenkapitaal gelijk blijft.

Nog een mogelijkheid om het aandelenkapitaal te vergroten is door middel van een stockdividend. Dit wordt ook wel een keuzedividend genoemd. Het dividend dat hier wordt uitgekeerd, wordt niet contant uitgekeerd, maar in de vorm van aandelen. Het belangrijkste voordeel dat men hier tracht te bereiken is dat de liquiditeitspositie niet wordt aangetast.

 

Hoofdstuk 8 – Het vreemd vermogen

 

8.1 de prijsvorming van vreemd vermogen

Vreemd vermogen bestaat onder andere uit schulden. Dit vermogen is slechts tijdelijk, aangezien dit moet worden terugbetaald, en zij meestal een datum hebben waarop de lening vervalt. Voor de leninggever is dit meestal risicovol, aangezien zij niet weten of dit bedrag ooit kan worden terugbetaald. Daarom ontvangt de leninggever van de leningnemer een rente die afhangt van de volgende omstandigheden:

  • Marktrente; de markt wordt hier opgedeeld in de:

  • kapitaalmarkt (= lange rente, looptijd vanaf 2 jaar). Een maatstaf voor de kapitaalmarktrente zijn de staatsleningen. Dit vormt een laag risico voor de leninggever, gezien het feit dat dit bijna altijd wordt terugbetaald. Dit is het basistarief, en hier zal bijna nooit onder worden gezeten. Een lange rente met een hoger risico zal vaak een renteopslag hebben.

  • geldmarkt (= korte rente). Een maatstaf voor de geldmarktrente is de Euribortarieven. Dit zijn tarieven waarbij Europese banken elkaar kortetermijnleningen verstrekken.

  • Risico van de geldgever; Wanneer iemand snel niet kan nakomen, zal de rente-opslag hoog liggen, dan wanneer bijna zeker is dat iemand zijn lening nakomt. Ze kijken naar een aantal omstandigheden, waaronder het eigen vermogen dat aanwezig is. Zekerheid wordt bepaald met een rating; de hoogste rating is AAA. Dit zal betekenen dat vrijwel zeker is dat iemand zijn schuld zal gaan nakomen.

  • Looptijd van de schuld; de rente wordt hoger naarmate er een langere lening wordt afgesloten.

  • Rangorde van de geldgevers; leninggevers zijn de schuldeisers. Leningnemers zijn de eigenaren. Aangezien schuldeisers een onzekere positie hebben ten opzichte van eigenaren, is er voor gekozen om de verschaffers van vreemd vermogen voorrang te geven op de eigenaren van de onderneming bij uitkeringen van liquidatie of in het geval van faillissement. Vreemd vermogen verschaffers lopen dus minder risico na deze voorgestelde positie. Een andere mogelijkheid van eigen vermogen is achtergesteld vreemd vermogen. De gevers van dit soort vermogen, ontvangen in geval van faillissement van de onderneming slechts rente en aflossing nadat aan alle financiële verplichtingen aan de overige schuldeisers is voldaan. Hierbij kom je dus in een mindere positie te staan, dan bij ‘gewoon’ vreemd vermogen.

  • Achtergesteld vreemd vermogen + eigen vermogen = garantievermogen.

 

Het omgekeerde van achtergestelde leninggevers zijn preferente leninggevers. Deze gevers komen ook nog voor de ‘gewone’ schuldeisers. (bv fiscus en hypothecaire schulden), het is dan ook aantrekkelijk om schulden aan te gaan wanneer je een preferent recht hebt om je te verhalen op de goederen bij niet nakoming.

Verhandelbaarheid van de schuld. Het is mogelijk om de schuld te verkopen. Je bent niet gebonden aan de daadwerkelijke looptijd van de schuld. Hierbij kun je bijvoorbeeld kijken naar obligatieleningen. De houder van een obligatie is schuldeiser van de onderneming, maar kan de obligatie op elk moment verkopen op de beurs.

 

8.2 Leningen van banken

Banken zijn vaak leninggevers voor ondernemingen. Hiervoor zijn eisen gesteld als gevolg van de internationale kredietcrisis. Deze zijn vastgelegd in het Basel III akkoord. De eisen voor een bank betreft de verhouding van het eigen vermogen, in verhouding tot de risicowaarde van de activa. Dit wordt uitgedrukt in tier 1 ratio.

 

Aandelenkapitaal + reserve

Risico gewogen waarde activa

 

 

Tier 1 ratio
 

Fiatteringsprocedure. Bankiers bekijken een kredietaanvraag op basis van de volgende criteria.

  • Het marketingplan; bestaat uit de P’s en de bijbehorende risico’s.

  • De kredietnemer; vooral bij kleine ondernemingen van belang. Hier word je beoordeeld op je moraliteit en ondernemerschap. Dit wordt subjectief bepaald.

  • De cijfermatige onderbouwing; op basis van het marketingplan en het investeringsplan, wordt een cijfermatige onderbouwing opgesteld. Gezamenlijk vormen ze het ondernemingsplan.

  • Het investeringsplan; moet volgen uit het marketingplan. In dit plan wordt aangegeven waarin wordt geïnvesteerd en hoe dit kan worden gefinancierd.

  • De buffer in het bedrijf; voor zekerheid van de bank.  

 

Een banklening: onderhandse geldlening op schuldbekentenis. Vaak gezien: hypothecaire geldlening. Deze geldlening wordt gebruikt om een onroerend goed aan te schaffen. Wanneer de schuldenaar niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet met betrekking tot de aflossing van de schuld of de rente die daarop moet worden betaald, heeft de schuldeisers (de bank) het recht om het onroerende goed te executeren om de opbrengst van het goed te gebruiken als aflossing van de betalingsverplichting.

 

8.3 De obligatieleningen

Obligatielening

Een geldlening die is uitgegeven door een organisatie, en is verdeeld onder meerdere geldgevers. De geldgevers (=schuldbekentenis), worden ook wel obligaties genoemd; dee obligaties zijn niet uitsluitend voor een nv bedoeld, en zijn ook vrij verhandelbaar. Hierbij wordt een couponrente (dit is een vaste rente) betaald, waarbij een vooraf vastgestelde looptijd wordt vastgesteld. De leningen kunnen worden verhandeld op de effectenbeurs.

 

Aflossing van een obligatie kan op twee manieren plaatsvinden:

  • De obligaties worden geleidelijk afgelost. Hierbij is het nadeel minder groot.

  • Alle obligaties kunnen aan het einde worden afgelost. Nadeel is dat de onderneming op dat moment over een zeer groot bedrag aan liquide middelen moet beschikken.

Om een obligatielening te plaatsen, moet een onderneming aan de leninggevers zekerheid kunnen tonen dat aan de rente- en aflossingsverplichtingen kan worden voldaan gedurende de gehele looptijd van de lening.

  • Daarom wordt soms gekozen voor de uitgifte van hypothecaire obligaties. Dit werkt het zelfde als bij een hypothecaire lening, waarbij een onroerend goed als onderpand dient voor de schuld die ze aangaan bij de leninggever. Er wordt een trustee aangewezen als tussenpersoon. (de trustee treedt op namens de leninggevers indien de onderneming de betalingsverplichting niet nakomt). Let op: de trustee is verplicht!

  • Zero bonds: er worden hier geen renten uitgekeerd, echter is de waarde die wordt betaald voor de aflossing hoger dan het emissiebedrag, waardoor in dit bedrag de ‘rente’ zit verstopt.

  • Discount bonds: dit zijn obligaties met een lage rente, maar niet ‘zero’. De discount wordt echter verrekend doordat het aflossingsbedrag ook weer hoger is dan de uitgifteprijs/ emissiebedrag.

  • Ook kan men kiezen voor een achtergestelde obligatielening, zij worden achtergesteld op de andere schuldeisers aangezien zij pas aan de beurt komen met de rente die ze ‘verdienen’, wanneer alle andere schuldeisers zijn geweest. Dit is dus een nadeel voor de schuldeiser.

  • Junk bonds; is zeer risicovol, waardoor er een hoge couponrente ontstaat, om investeerders te lokken.

  • Converteerbare obligaties; deze obligaties geven de houder het recht gedurende een bepaalde periode tegen vooraf vastgestelde voorwaarden de obligaties om te wisselen in aandelen. Bij de uitgifte wordt de conversieprijs of conversiekoers vastgesteld. Dit is de prijs die de houders van de converteerbare obligaties bij omwisseling voor de aandelen moeten betalen. De waarde geeft de aandelenwaarde van de converteerbare obligatie weer, dus wat de obligatie bij conversie in aandelen opbrengt.

  • Reverse convertible; in dit geval bepaalt niet de belegger of hij de obligaties wil inwisselen in aandelen, maar wordt dat door het bedrijf zelf bepaald. Hierdoor is de rente hoger dan een normale obligatie.

 

Medium term notes; lijken op obligaties. Het zijn schuldbewijzen die verhandelbaar zijn met een looptijd van ongeveer twee tot vijf jaar. Het totale leningbedrag is verdeeld in aan aantal afzonderlijk verhandelbare schuldbewijzen.

Hieronder worden de vormen van lang vermogen schematisch weergegeven.

Schema zie: basisboek bedrijfseconomie p. 179

 

Banklening

Obligatielening

Medium term notes

Geldgever

Eén financiele instelling

Institutionele beleggers, particulieren en bedrijven

Institutionele beleggers

Afsluitdatum

Contractdatum

Uitgiftedatum

Flexibel in tranches

Aflossing

Meestal in termijnen

Ineens of in gedeelten door middel van uitloting

In gedeelten

Leningvoorwaarden

Vastgesteld in onderling overleg

Bepaald door lener (emitterende instelling)

Bepaald door lener (emitterende instelling)

 

8.4 Het vreemd vermogen op korte termijn

Vreemd vermogen op korte termijn: alle verplichtingen van een bedrijf die binnen één jaar moeten worden voldaan:

  • Bankkrediet; het uitlenen op korte termijn: rekeningcourant krediet. Het bedrijf krijgt dan een kredietplafond. Omdat de bank vooraf geen zekerheid heeft over de omvang van de middelen die zij aan de onderneming ter beschikking stelt, is de rente op en rekeningcourant krediet hoger dan die op gewone, vaste leningen. De onderneming kan het rekening-courant krediet aflossen met tijdelijk liquide middelen.

  • Afnemerskrediet; wordt gegeven door de afnemer aan de leverancier indien betaling plaatsvindt voorafgaand aan de overdracht van goederen of diensten. Het verstrekte krediet wordt aan de debetzijde van de balans geboekt. De leverancier boekt het ontvangen afnemerskrediet aan de creditzijde van de balans.

  • Leverancierskrediet; Gebeurt vaak bij ondernemingen wanneer zij voorraden hebben, maar deze nog niet hebben betaald. Het staat aan de rechterzijde van de balans van de afnemer. De leverancier zet het aan de linkerzijde van de balans. Het is voor hem namelijk een bezitting De leverancier stelt een termijn vast waarbinnen de goederen betaald moeten worden: krediettermijn/betalingstermijn.

  • Near banking*

  • Kasgeldlening*

  • Commercial paper; lijkt sterk op de medium-term-note. Dit zijn kortlopende verhandelbare schuldbewijzen aan toonder, uitgegeven door bedrijven. De plaatsing van een commercial-paper-programme gebeurt op dezelfde wijze als van medium term notes.

  • Overlopende passiefposten*

  • Overige kortlopende kredieten*

* deze korte termijn leningen komen niet veelvuldig voor, en zullen ook niet verder worden toegelicht.

 

8.5 De voorzieningen

Naast schulden en eigen vermogen kunnen op de balans van een onderneming ook voorzieningen voorkomen. Voorzieningen zijn niet juridisch verplicht om terug te betalen, en dit zijn schulden wel. Dit is het significante verschil tussen beiden.

Hoofdstuk 9 – De beoordeling van de financiële structuur

9.1 De ratioanalyse

Wanneer je wilt bekijken hoe de financiële gezondheid van een onderneming op dit moment is, ben je aangewezen op het jaarverslag dat de onderneming zal publiceren. Door de relaties van de resultatenrekening en de balans te zien, kun je de financiële gezondheid vaststellen. Door de bestudering door middel van het berekenen van kengetallen (=ratio’s), zal je hierachter kunnen komen. De ratio’s kunnen als volgt worden ingedeeld:

  • Rentabiliteitskengetallen

  • Liquiditeitskengetallen

  • Solvabiliteitskengetallen

 

Aan de beoordeling zijn een aantal bezwaren gebonden:

  • De cijfers in de balans zijn een momentopname.

  • Er zijn in het algemeen geen regels aan te geven waaraan de waarden van de verschillende kengetallen moeten voldoen.

  • De balans kan een verfraaid beeld geven van de financiële structuur indien window dressing heeft plaatsgevonden: dit betekent dat alle activiteiten voor het balans opmakings- moment die tot doel hebben de financiële structuur per die balansdatum gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is.

 

Ondanks deze negatieve uitlatingen kan de ratioanalyse toch nuttig zijn. Door de kengetallen van een onderneming op een aantal opeenvolgende momenten te berekenen, kan visie worden verkregen in de ontwikkeling van de financiële structuur. Verslechtering of verbetering kan worden aangegeven zonder daar een absoluut oordeel aan te verbinden: historische analyse. Tevens is het mogelijk de kengetallen van een onderneming te verglijken met die van andere ondernemingen, bij voorkeur soortgelijke bedrijven: bedrijfsvergelijkende analyse.

 

9.2 De rentabiliteitskengetallen

De winst kan worden in verband worden gebracht met de omzet. Het berekende kengetal heet de brutowinstmarge.

 

Brutowinstmarge* = (bedrijfsresultaat / omzet)

 

Bedrijfsresultaat = winst voor aftrek van financieringslasten en belastingen.

Brutowinstmarge*: geeft het onderscheid aan tussen de verkoopprijs en de kostprijs van de verkochte goederen. Hieruit kan worden afgeleid in welke graad de onderneming is opgewassen tegen prijsdalingen of kostenstijgingen.

Rentabiliteit: de relatie tussen een inkomen (winst) en het vermogen dat dit inkomen heeft verdiend. De rentabiliteit is een belangrijk criterium voor de beleidsvorming binnen de onderneming op lange termijn.

De volgende berekeningen zijn van belang voor de rentabiliteitskengetallen. Voorbeelden zijn te vinden op p. 194 e.v. in het basisboek bedrijfseconomie.

 

  • Rentabiliteit totaal vermogen (RTV) = (Bedrijfsresultaat / Gemiddeld totaal geïnvesteerd vermogen) x 100%

  • Rentabiliteit eigen vermogen na aftrek (REVnb) = (Winst na aftrek van intrest en belasting / Gemiddeld geïnvesteerd eigen vermogen) x 100%

  • Rentabiliteit eigen vermogen voor aftrek (REVvb) = (Betaalde intrest / Gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen) x 100%

  • Rentabiliteit vreemd vermogen (RVV) = (Betaalde intrest / Gemiddeld geïnvesteerd vreemd vermogen)

 

Hefboomeffect : verhouding tussen het vreemd vermogen en het eind vermogen. Deze is bepalend voor de mate waarin de eigenvermogen verschaffers profiteren van de winst op het vreemd vermogen.

 

Het verband tussen REV, RTV, en RVV kan als volgt worden weergegeven:

 

REVvb = RTV + (RTV-RVV) x (VV/EV).

 

De conclusie die we kunnen trekken is dat ondernemers zoveel mogelijk moeten financieren met vreemd vermogen, aangezien dit het hefboomeffect ten goede komt. Hiertegenover staan echter wel een aantal negatieve stukken:

 

  • Een daling van de RTV wordt versterkt doorgegeven aan de REV door het hefboomeffect. (= financieel risico)

  • De hoogte van het bedrijfsresultaat staat niet van tevoren vast. Wanneer de winst veel lager ligt, kunnen verplichtingen niet meer worden nagekomen. (= bedrijfsrisico)

Er bestaat een relatie tussen het financiële risico en het bedrijfsrisico die als volgt kan worden weergegeven:

 

Financieel risico = Bedrijfsrisico x Hefboomfactor

Voor een nader onderzoek van de RTV, wordt wel gebruik gemaakt van een dupont chart. Hierin wordt de RTV opgesplitst naar bepalende factoren op de balans en de resultatenrekening. Dit begrip maakt gebruik van het volgende verband tussen RTV en de brutowinstmarge:

 

RTV = omloopsnelheid totaal vermogen* x brutowinstmarge

* geeft de relatie weer tussen de omzet en het totaal geïnvesteerde vermogen. (dupont chart wordt in een figuur weergegeven op p. 198 van het basisboek bedrijfseconomie)
 

9.2 De solvabiliteitskengetallen

De term solvabiliteit betekent de mate waarin zij in geval van liquidatie kan voldoen aan haar financiële verplichtingen aan de verstrekkers van leninggevers.

Bij de liquidatie moeten uit de opbrengst van de verkoop van de activa eerst de schulden worden afgelost.

DR (= debt ratio) geeft de verhouding weer welk gedeelte van de TV(= totale vermogensbehoefte) met vreemd vermogen is gefinancierd.

DR =                                 Vreemd vermogen

                                            _____________

                                           Totaal vermogen

Een relaterend begrip van solvabiliteit is het weerstandvermogen van een onderneming.

Dit begrip betekent dat onderneming ook instaat moet zijn om in neerwaartse tijden de activiteiten van de onderneming door te laten gaan. Een kengetal die met dit begrip relateert is de rentedekkingsfactor. Deze factor kan op de volgende manier worden berekend:

 

Rentedekkingsfactor = Bedrijfsresultaat / intrestlasten vreemd vermogen. De uitkomst hiervan is de Winst voor aftrek van intrest en belastingen (/ intrestlasten vreemd vermogen).

 

Deze factor zal aangeven tot welk niveau het bedrijfsresultaat mag gaan dalen zonder dat daarmee de betaling van de verschuldigde intrest van schuldeisers in het gedrang komt. Deze mag niet in het gedrag komen; dit gedrang kan worden berekend met behulp van de elasticiteit: geeft aan in welk opzicht de vermogensvoorziening kan worden aangepast aan een veranderende vermogensbehoefte.

9.4 De liquiditeitskengetallen

Liquiditeit laat zien hoe de onderneming zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Men kan beoordelen ten aanzien van een dynamische liquiditeit en een statische liquiditeit. Voor de dynamische liquiditeit zijn interne gegevens nodig die vrijwel nooit gepubliceerd worden. Buitenstaanders zullen daarom ook vrijwel altijd gebruik van een statische liquiditeit, wat weergeeft hoe de situatie was op een bepaald moment. De dynamische liquiditeit is over het algemeen betrouwbaarder dan de statische liquiditeit.

  • Het dynamische begrip geeft aan of de inkomsten de uitgaven overtreft. Dit wordt vooraf aan een periode opgesteld, en het is dus ook een toekomstverwachting: liquiditeitsbegroting/ kasbegroting.

  • Het statische begrip geeft aan of de onderneming aan zijn verplichtingen kan voldoen, met name de korte opeisbare verplichtingen.

  • De volgende begrippen/ kengetallen spelen een belangrijke rol bij de statische liquiditeit: Current ratio; relatie tussen vlottend activa en kort vreemd vermogen:

CR =                                           VA

                                                   ___

                                                   KVV

  • Netto werkkapitaal: het deel van de vlottende activa dat met lang vreemd vermogen is gefinancierd:

NWK = VA - KVV

  • Quick ratio: Laat de voorraden bij de liquiditeitsbegroting buiten beschouwing.

 

QR =                             VA – Voorraden

                                      ______________

                                               KVV

 

 

Hoofdstuk 10 – De financiële markten

10.1 Beleggingen

Op de financiële markt is er een plaats van ontmoeten waar aanbod en vraag bij elkaar samenkomen. Ondernemingen kunnen niet altijd het vermogen uitgeven die ze wel willen uitgeven. Hierdoor moet de onderneming in contact komen met geldverschaffers die de onderneming willen voorthelpen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door middel van een lening. Dit kan ook gebeuren door middel van een effectenbeurs. De effectenbeurs verstrekt contacten tussen de vraagkant en de aanbodkant bij bijvoorbeeld een obligatielening of een aandelenemissie. Echter zorgt zij ook voor bijvoorbeeld de verhandelbaarheid van de vermogenstitels na de eerste emissie.

De AEX is onderdeel van de NYSE. Deze beurzen bieden een onderneming toegang tot geldverschaffers van twee continenten en de mogelijkheid om in meerdere valuta te noteren, te weten de euro en de dollar.

NYSE: single order book. Dit betekent wanneer ondernemingen op meer dan een beurs zijn genoteerd, dat toch op alle beurzen dezelfde prijs tot stand komt.

Om de small caps (kleine bedrijven) ook de toegang te bieden om zich op de beurs te noteren, is er de Alternext, waarvoor de toegangseisen wat lager liggen dan bij die voor Euronext. Zo komen ook de kleinere ondernemingen die toch extra vermogen willen aantrekken ook op de beurs.

Euronext is er niet alleen voor handel in aandelen, zij is op meerdere markten van belang, te weten;

  • Opties;

  • Futures;

  • Obligaties.

Er kunnen verschillende partijen optreden als aanbieder op de financiële markt:

  • Particuliere beleggers

Dit is voor de liefhebbers. Het is een vorm van sparen, alleen dan risicovol.

  • Bedrijven

Bedrijven kunnen liquide middelen die zij op moment niet nodig hebben gaan beleggen: near banking.

  • Banken

De belangrijkste taak van een bank is het verlenen van krediet. Gelden die bij een bank door de een worden ingelegd, worden weer in de vorm van kredieten voor andere bedrijven uitgezet.

  • Institutionele beleggers

Dit zijn instellingen die veel vermogen beheren en die een acceptabel rendement willen behalen. Hierbij moet je bijvoorbeeld denken aan pensioenfondsen en sociale fondsen.

De meeste effecten die verhandelbaar zijn, zijn de aandelen, opties op aandelen, obligaties en futures.

Opties geven het recht om aandelen gedurende een bepaalde tijd de aandelen te kopen of te verkopen tegen een vastgestelde prijs.

Futures lijken op de opties, echter dit is een recht maar dit wordt als een plicht gezien. Je bent verplicht in de toekomst een overeenkomst met iemand aan te gaan, dit is geen bevoegdheid meer.

Voor een belegger is het significant om te weten wat de beurskoersen met de verschillende effecten doet.

  • De koers op de beurs van een aandeel wordt sterk bepaald door de winstmogelijkheden van het desbetreffende bedrijf.

  • De koers op de beurs van obligaties wordt sterk bepaald door de marktrente.

  • De koers op de beurs van futures en opties wordt sterk bepaald door de koers van de onderliggende waardes.

 

Een belegger heeft keuzes af te wegen waarbij het risico en het rendement tegen elkaar zal moeten afwegen. Hoe lager het verwachte rendement is van een belegging, hoe minder aantrekkelijk de belegging is. Hoe kleiner het risico van een belegging is, hoe aantrekkelijker een belegging is.

Dit zijn echter alleen maar speculaties aangezien achteraf pas kan worden bepaald hoeveel het rendement is. De berekening van het rendement dat is gerealiseerd verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de interne rentabiliteit van een investeringsproject.

 

10.2 De opties

Met een optie krijg je het recht om een vastgestelde termijn een vaste hoeveelheid van een bepaalde onderliggende waarde tegen een prijs dat is overeengekomen te verkopen (putopties), of te verkopen (callopties).

Elke optie kent een verkoper en een koper, zodat er vier mogelijkheden zijn:

  • Het recht om aandelen te kopen tegen vaste prijs: calloptie

  • Het recht om aandelen te verkopen tegen vaste prijs: putoptie

  • De plicht om aandelen te leveren tegen vaste prijs: calloptie

  • De plicht om aandelen af te nemen tegen vaste prijs: putoptie

De opties die aan Euronext zijn genoteerd hebben een standaard contractgrootte, een standaard looptijd en een standaard uitoefenprijs. Zo is een optie op aandelen bijvoorbeeld altijd 100 aandelen bij de Euronext. De looptijd is afhankelijk, van een maand tot enige jaren.

De uitoefenprijs is de prijs waartegen de houder van een optie een aandeel kan verkopen of kopen.

De waarde van een optie op de beurs wordt bepaald door:

  • De onderliggende waarde van het aandeel

  • Lengte van de resterende looptijd van de optie.

Intrinsieke waarde: beurswaarde – uitoefenprijs.

 

De intrinsieke waarde wordt als volgt berekend:

 

IWO* = n x (BWA – UOP) IN GEVAL VAN CALLOPTIE

IWO*= n x (UOP – BWA) IN GEVAL VAN PUTOPTIE

 

 

 

 

 

* Intrinsieke waarde kan niet negatief zijn.

Indien bij een calloptie de beurswaarde van het aandeel lager is dan de uitoefenprijs, wordt de intrinsieke waarde op nihil gesteld, en ontstaat er hierdoor dus ook niet een financieel voordeel.

Verwachtingswaarde: beurswaarde – intrinsieke waarde van de optie.

Na verloop der tijd zal de waarde van de verwachting kleiner worden, aangezien de resterende looptijd van de optie korter wordt en er dus minder tijd is om koersveranderingen te realiseren.

In figuur 10.1 op p. 215 van het basisboek bedrijfseconomie staat de relatie weergegeven tussen intrinsieke waarde, verwachtingswaarde, beurswaarde van het aandeel, beurswaarde van de call0 en putoptie.

Er treedt een hefboomwerking op bij optiekopers, aangezien zij slechts investeren in het verschil tussen uitoefenprijs en de aandelenprijs waardoor waardeveranderingen dit veroorzaken.

Een belegger kan verschillende beweegredenen hebben om te beleggen in opties.

Doelstellingen van een belegger:

  • Vastleggen van de aankoopprijs van de aandelen;

  • Verkrijging van extra inkomen;

  • Bescherming tegen de koersdaling;

  • Behalen van koerswinst.

 

Ad 1. Vastleggen van de aankoopprijs van aandelen.

Door het kopen van een calloptie ligt de prijs vast. Hierdoor is er een maximum in werking getreden die bij een sterke koersstijging vaak wordt uitgeoefend.

 

Ad 2. Verkrijging van extra inkomen.

Je kunt extra rendement verkrijgen door callopties te verkopen. De verkoop hiervan levert een voordeel op, doordat de belegger aankoopbedragen ontvangt.

 

Ad. 3 Bescherming tegen de koersdaling.

Door een putoptie wordt het risico in beleggen kleiner.

 

Ad 4. Behalen van een koerswinst.

Wanneer je als belegger verwacht dat de koersen gaan stijgen, kan je opties kopen. Indien de koers inderdaad is gestegen, levert dit een hoge winst op. Een daling is echter weer gunstig bij putopties en de aankoop hiervan.

 

10.3 De futures

Een future kan gelijk worden gesteld aan de optie met de toevoeging van een verplichting van de overeenkomst. Ook bij futures is er bij de Euronext het model gestandaardiseerd. Een aandelenfuture is altijd 100 aandelen, de looptijd is afhankelijk, van een maand tot 6 maanden. Naast futures op aandelen zijn er ook andere futures, zoals graan, suiker en koffie.

Met futures op aandelen kunnen beleggers inspelen op de dalingen als de stijgingen van de koersen. Wie een daling verwacht verkoopt een future en andersom ook.

Voor futures op aandelen kan de prijs op de volgende manier worden berekend:

 

  • Rente; je spaart rente uit aangezien je minder geld nodig hebt op een future te kopen. Hoe dichterbij de afloopdatum hoe lager de rente en omgekeerd.

  • Dividend; futures op aandelen keren geen dividenden uit. Dit kan wel het geval zijn bij de onderliggende aandelen.

 

 

Prijs van de future: prijs van het onderliggende aandeel + rente looptijd - evt. dividenden.

 

 

 

10.4 De beleggingskengetallen

De kengetallen die van belang zijn voor beleggingen zijn de volgende:

  • Dividendgerichte kengetallen:

Pay out ratio

Rendement

  • Koersgerichte kengetallen:

Koers-cashflowverhouding

Koers-winstverhouding

Koers-intrinsiekewaardeverhouding

Deze worden op de volgende manier berekend:

 

                 dividend per aandeel

Pay out ratio =                -----------------------------            x 100%

                                           Winst per aandeel

 

 

                                        Uitgekeerd dividend

Rendement =          --------------------------------------        x 100%

                                 Beurswaarde einde boekjaar

 

 

                                                           Beurswaarde

Koers-cashflowverhouding= -----------------------------------       x100%

                                                     Cashflow per aandeel

 

 

                                                           Beurswaarde

Koers-winstverhouding=     ------------------------------------       x 100%

                                                       Winst per aandeel

 

 

                       Koers-intrinsiekewaardeverhouding

                 Beurswaarde

-------------------------------------------        x 100%

Intrinsieke waarde per aandeel

 

 

 

Hoofdstuk 12 – De kostencalculaties

 

12.1 De integrale kostprijs en normale bezetting

Men kan op verschillende manieren de kosten van een product berekenen.

Absorption costing / Full costing

Hiervan is sprake als alle kosten worden opgenomen in de kostprijs. Dit is een integrale kostprijsberekening.

 

 

Productieomvang totale kosten

-----------------------------------------

Aantal producten

 

Deze formule is bij proportionele variabelen geen probleem. Echter kosten kunnen ook degressief, progressief, constant of trapsgewijs variabel zijn.

Het is van belang om de gemiddelde kostprijs van je product te kennen. Indien je deze niet kent, zou bij een lage productie de indirecte kosten allemaal toegerekend moeten worden aan de betreffende productie waardoor er een zeer hoge kostprijs per product ontstaat, en omgekeerd ook.

De kennis die men vooraf probeert te vergaren wordt ook wel voorcalculatie genoemd. Hierbij wordt uitgegaan van een ‘normale’ bezetting, of een ‘normale’ bedrijfsuitoefening.

Normale bezetting = gemiddelde benutting van de capaciteit die voor de eerstkomende jaren wordt verwacht, gebaseerd op de geschatte afzet in deze jaren.

Het berekenen van de standaardkostprijs (k) is als volgt:

 

 

                                        C + Vn

K=                                 -------------

                                            N

 

 

Waarbij:

Vn = Totale variabele kosten bij N

N= Normale bezetting

C= Totale vaste kosten

 

Indien de kosten geheel proportioneel zijn bij de variabele kosten en hierdoor een vast bedrag vormen, ziet het er als volgt uit:

 

 

                                                C          Vw

K       =                                 -------- + -------

                                                N           W

 

 

 

Waarbij:

Vw= Totale variabele kosten bij W

W= Werkelijk begrote bezetting

 

Absorption/ Full costing kan meerdere functies vervullen:

  • Basis voor vaststellen of beoordelen van de prijs waarbij hij zal worden verkocht;

  • Hulpmiddel voor winstbepaling en balanswaardering;

  • Uitgangspunt bij het analyseren van het bedrijfsresultaat.

 

C - N             hierdoor wordt in de kostprijs een prijs opgenomen dat gedekt        wordt door de kosten.

Er kan een verschil zijn tussen de begrote kosten en de werkelijke kosten. Dit wordt ook wel aangeduid als het bezettingsresultaat.

Hierdoor kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • W=N  werkelijke kosten en doorberekende kosten zijn gelijk; geen bezettingsresultaat.

  • W>N  overbezettingwinst; ontstaat door overdekking van de vaste kosten.

  • W onderbezettingverlies.

Als het resultaat van de bezetting wordt uitgedrukt in procentuele punten, wordt gesproken over de bezettingsgraad.

                                  Werkelijke bezetting

Bezettingsgraad = --------------------------------- x100%

                                     Max. capaciteit

 

 

12.2 De direct costing

Direct costing = berekening van de kosten waarbij gebruik wordt gemaakt van de variabele kosten die aan de producten kunnen worden toegerekend/ verbijzonderd.

De vaste kosten worden niet aan de producten toegerekend maar komen direct op de resultatenrekening gezet. Hierdoor worden ze ook wel periode casts en product costs genoemd.

Het achterliggende doel van de direct costing is inzage op de korte termijn. Men wil op korte termijn besluiten kunnen nemen en het overzicht van de kosten kunnen inzien.

Direct costing maakt verschil tussen vaste kosten en variabele kosten, terwijl men in eerste instantie denkt aan indirecte kosten/ directe kosten.

Daarom wordt ook wel vaak gekozen voor een andere benaming:

  • Variabelekostencalculatie

  • Variable costing

  • Marginal costing

 

Dekkingsbijdrage: moet de vaste kosten dekken.

Wanneer is er winst? Dit kan worden bepaald aan de hand van het volgende schema:

 

Opbrengst … Euro

Variabele kosten … Euro -

-------------------------------------------------------

 

Totale dekkingsbijdrage … Euro

Totale vaste kosten … Euro -

-------------------------------------------------------

 

Winst … Euro

 

Het nadeel van direct costing is dat de eindvoorraad wordt gewaardeerd tegen de variabele productiekosten, terwijl er ook nog vaste productiekosten zijn. Deze kosten worden overigens wel opgenomen bij de integrale calculatie.

 

Integrale methode:

Winst = verkoopresultaat en bezettingsresultaat.

De laatste ontstaat indien in een periode de normale en werkelijke begrote productie niet aan elkaar gelijk zijn. Verschil: deel van de kosten die vast zijn, die niet naar de productie van die periode kan worden toegerekend of kan worden beschouwd als overdekking.

Hierbij is de winst bij deze methode zowel afhankelijk van de afzet, maar ook van de productie.

 

Direct costing / Absorption costing

 

Er ontstaan verschillen in de periodewinsten indien er sprake is van voorraadmutatie.

Het volgende vloeit hieruit voort:

  • Productie < Afzet  Winst AC* < Winst DC*
  • Productie = Afzet  Winst AC = Winst DC
  • Productie > Afzet  Winst AC > Winst DC

* AC= absorption costing/ integrale methode

DC = direct costing

AC wordt over het algemeen meer gebruikt dan DC. Dit komt omdat de direct costing niet echt gebruikt kan worden voor de externe verslaggeving. Ook gaat er belangrijke informatie verloren bij de direct costing.

Wel heeft de direct costing een groot voordeel waardoor er direct inzicht kan worden verkregen in de korte termijnbeslissingen.

 

12.3 De direct costing als grondslag voor beslissingen

Beslissingen voor de korte termijn kunnen dus het beste worden genomen door de direct costing methode. Er wordt hierbij onderscheidt gemaakt tussen de variabele en vaste kosten. Deze kan echter verder worden onderscheiden tussen de directe vaste kosten en de indirecte vaste kosten.

Als er een causaal verband aanwezig is met bepaalde dragers van de kosten, kunnen de directe vaste kosten als product costs worden beschouwd.

De indirecte kosten komen niet ten laste van de producten maar ten laste van de betreffende periode.

Andere korte termijn vraagstukken waarbij direct costing van belang is:

  • moet een bepaalde order worden geaccepteerd?

  • Wat is de optimale samenstelling voor de komende periode?

 

Bij deze vraagstukken moet er steeds een onderscheid worden gemaakt tussen de twee soorten kosten.

Vaste kosten zijn vaak irrelevant. Variabele kosten zijn vaak relevant. Een toepassing van dit principe is de knelpuntscalculatie. Een productiefactor kan een knelpunt opleveren. Door dit knelpunt ontstaat een capaciteitsprobleem. De knelpuntscalculatie is een hulpmiddel om de meest winstgevende samenstelling van de productie, het optimale productieplan, te bepalen.

Differentiële calculatie: houdt rekening met veranderingen, verder niets. Van belang bij keuzes met alternatieven. Wanneer je uitgaat van de stamproductie (bepaald productieniveau), wordt de toename van de totale kosten bij een volgend niveau aangeduid als differentiële kosten. Dit zijn de kosten die extra zijn gemaakt, bij een additionele hoeveelheid producten.

Deze vorm van calculatie kan van belang zijn bij beslissingen op de korte termijn.

De extra kosten zijn vaak variabele kosten maar niet altijd. Het kunnen ook vaste kosten zijn.

Prijsdifferentiatie: hanteren van verschillende verkoopprijzen voor identieke producten of diensten met ongelijke kostprijzen. Deze dient niet te worden verward met prijsdiscriminatie. De een ziet op niveau, de ander op een doelgroep.

 

12.4 De economische levensduur en vervanging van de duurzame productiemiddelen

Afschrijvingen zijn bedoeld om de kosten te verdelen over de jaren waarbij het productiemiddel wordt gebruikt. Hierbij kunnen verschillende methoden worden gehanteerd. Naast de kosten die de afschrijving met zich mee brengen, ontstaan er ook intrestkosten. Deze worden berekend als een percentage over het in het duurzaam productiemiddel geïnvesteerde vermogen.

Beide kosten die hier zijn beschreven ontstaan dus door de aanschaf van een productiemiddel. Het gebruik van het middel leidt ook tot kosten. Alle kosten die ontstaan door gebruik van het middel worden ook wel complementaire kosten genoemd.

Als een duurzaam productiemiddel ouder wordt, kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • De kosten van gebruik nemen toe;

  • Het aantal prestaties worden kleiner.

Deze situaties zijn gevolg van technische slijtage.

Echter kunnen de volgende begrippen ook nog van elkaar worden onderscheiden.

  • Technische levensduur: tijdsduur waarin een productiemiddel dat duurzaam is technisch gezien prestaties kan leveren.

  • Economische slijtage: de waardedaling van een productiemiddel. Dit kan bijvoorbeeld door modernisering van de markt of veroudering van het productiemiddel.

  • Economische levensduur: de tijdsduur waarbij een productiemiddel economisch gebruikt kan worden.

Nadat de economische levensduur is verstreken is de kostprijs lager dan de kosten die er bijkomen. Dit verschil bestaat uit de intrestkosten en de afschrijvingskosten.

 

Hoofdstuk 16 – De jaarrekening gespecificeerd
(excl. 16.3)

 

16.1 De balans

 

Balans: zie p. 360 van het basisboek bedrijfseconomie

 

Vaste activa

Immateriele vaste activa

Materiele vaste activa

Financiele vaste activa

 

Vlottende activa

Voorraden

Vorderingen

Effecten

Liquide middelen

Eigen vermogen

Aandelenkapitaal

Agio

Reserves

 

Voorzieningen

 

Langlopende schulden

 

Kortlopende schulden

 

(dit is een horizontale balansopstelling, zoals we in Nederland zien). De verticale balansopstelling bestaat ook, maar daar zal verder niet op worden ingegaan.

Aan de linkerzijde van de balans staan de activa.

Activum: kan worden omschreven als de gebeurtenissen in het verleden voortgekomen middel,

  • Waaruit naar verwachting economische voordelen zullen vloeien.

  • Waarover de onderneming beschikkingsmacht heeft;

Object op de balans:

  • On-balance

  • Off- balance

 

Vaste activa

  • Immateriële vaste activa

  • Materiële vaste activa

  • Financiële vaste activa

  • Immateriële vaste activa:

Het gaat om de ‘niet-grijpbare’ bedrijfsmiddelen.

  • Betaalde goodwill.

  • Gekochte concessies, octrooien en merken

  • Onderzoek en ontwikkeling

  • Materiële vaste activa:

Hieronder vallen bijvoorbeeld:

- Gebouwen

- Bedrijventerreinen

- Machines

- Auto’s

- Computers

We gaan ervan uit dat men de vaste activa koopt. Dit hoeft echter niet het geval te zijn. Men kan ook productiemiddelen verkrijgen door leasing. Leasing kan worden onderverdeeld in:

  • operational lease

  • financial lease

(operational lease is op korte termijn opzegbaar, en de financial lease is bedoeld voor de langere duur.)

De financial leae zal ook op de balans onder de materiële vaste activa verschijnen, alhoewel het niet van een onderneming zelf is.

 

Financiële vaste activa:

Hierbij gaat het vooral om deelnemingen in het aandelenkapitaal van andere ondernemingen.

Vlottende activa

Hier wordt vooral gekeken naar de voorraden van een onderneming. We kunnen een onderscheid maken tussen twee typen kosten bij de voorraden:

  • Directe kosten:

- Product costs;

- Matchingprincipe: kosten dienen te worden toegerekend aan de periode waarin deze kan worden toegerekend.

  • Indirecte kosten:

- Period costs: deze kunnen ook wel als product costs (zie de directe kosten) worden beschouwd.

 

Onder de voorraden valt ook het werk dat onderhanden is genomen. Wanneer er sprake is van langlopende werken, dan doet zich de vraag voor of in dat geval aan het realiteitsprincipe moet worden vastgehouden. Dit principe betekent dat de winst pas mag worden genomen wanneer dit is verkocht en afgeleverd. (zie ook wel de completed-contract-methode). Tegenwoordig kijken we echter naar een andere methode aangezien deze methode een onjuist beeld geeft. De andere methode wordt percentage-of-completion-methode genoemd, waarbij de winst wordt genomen naarmate het werk vordert, en niet wanneer het daadwerkelijk is verkocht en geleverd.

Het eigen vermogen wordt ook wel gezien als een restpost. De grootte van het vermogen wordt door de waarde van het vreemd vermogen te verminderen met de waarde van de activa.

Creative accounting

Dit is een vorm van accounting waarbij bijvoorbeeld voorzieningen tot een te hoog bedrag worden opgevoerd. De bedragen worden dan voor voorzieningen gereserveerd. Om deze vorm van accounting tegen te gaan worden er aanvullende eisen gesteld aan de vorming van een voorziening. Deze aanvullende eisen zijn de volgende:

 

  • De kans dat de onderneming moet gaan betalen, moet groter te zijn dan 50%.

  • De verplichting waarvoor de voorziening wordt gevormd, moet van juridische of feitelijke aard zijn.

De schulden dienen gesplitst te worden in kortlopende schulden en langlopende schulden.

 

16.2 De resultatenrekening

Voor de resultatenrekening worden twee presentatiewijzen gebruikt:

  • Functionele resultatenrekening: Deze rekening geeft een overzicht in de kosten van een aantal functies in het bedrijf:

- Verkoopfunctie

- Algemene beheersfunctie

- Fabricage

  • Categorale resultatenrekening: geeft informatie over de omvang van de kostensoorten.

 

In principe dienen alle oorzaken van een verandering in het eigen vermogen van de onderneming in de resultatenrekening als kostenpost of opbrengsten te worden weergegeven. Hierop bestaan twee uitzonderingen: deze uitzonderingen komen aan de orde indien er sprake is van een rechtstreekse vermogensmutatie die niet op de resultatenrekening staat:

  • Herwaardering van activa

  • Vermogensmutaties die het gevolg zijn van de verhouding tussen de onderneming en de eigenaren.

 

Wanneer een onderneming in verschillende branches of in verschillende landen actief is, levert uitsplitsing van de informatie (segmentatie) een bijdrage aan het inzicht dat de lezer van de jaarrekening krijgt in de financiële positie van de onderneming.

 

Hoofdstuk 17 – Het kasstroomoverzicht

17.1 Status en functie

Kasstroomoverzicht: geeft inzicht hoe de onderneming zijn geldmiddelen verkregen heeft en waaraan ze deze vervolgens aan heeft besteed. Het overzicht zal onder de accountantscontrole vallen.

De voordelen van een kasstroomoverzicht is dat het wordt gebruikt als objectieve maatstaf, dit wil zeggen dat het niet manipuleerbaar is. De uitkomst is een hard gegeven, dit in tegenstelling tot creative accounting.

Het overzicht kan op verschillende manieren worden ingedeeld. Veel gebruikte onderscheidingen zijn de volgende:

  • Financieringsactiviteiten

  • Investeringsactiviteiten

  • Operationele acitviteiten

 

17.2 De afleiding van het kasstroomoverzicht uit de jaarrekening

De hoeveelheid liquide middelen geeft aan wat je in kas hebt. Dit kan op 2 manieren worden ingedeeld:

  • Indirect: hierbij wordt het resultaat van de onderneming als uitgangspunt genomen, hierop worden daarna correcties aangebracht voor posten die het resultaat kunnen beïnvloeden.

  • Direct: welke bedragen zijn ontvangsten? Welke bedragen moeten worden betaald?

 

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check all content related to:
How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
2683
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.