Geschiedenis van de psychologie
College 1
Hoofdstuk 2
Descartes:
Brak met scholastiek (aristoteles): stroming in de westerse filosofie
Het in overeenstemming brengen van de openbaring (woord van god) en de rede (werk van filosofen)
De scholastiek verliep via debatten, ook via geschrift
Debatten over abstracte en zinloze onderwerpen (vb. Hoeveel engelen passen op de punt van een naald)
Descartes was hier niet over te spreken, hij schreef meditaties (overdenkingen). De lezer kon deze overdenkingen ook doen. Zo kon je de inzichten van Descartes zelf ook zien.
Aristoteles, en de drie zielen volgens hem: vegetatief (om in leven te blijven, reproduceren), dierlijk (affectief, stelt in staat om dingen te doen en om dingen op te nemen), rationeel (stelt in staat om rationeel na te denken)(de laatste behield descartes, zie “Dualisme”).
Volgens Descartes was de filosofie van scholastici waardeloos, omdat er geen zekere kennis uit kwam, omdat het eindeloze discussies waren.
Zag meer in de wiskunde
Zekere kennis was het doel van descartes
Zekere kennis is het product van de individuele geest, en niet van een groep debaters.
Discours de la methode: niet in het Latijn maar in het Frans (democratisch element). Enkele jaren na het proces van Galileo, reden voor Descartes om voorzichtig te zijn. In het boek formuleert descartes denkregels
Eerste regel: betwijfel alles, en werk verder wat onbetwijfelbaar is
Cogito:
Volgens Descartes zijn misschien wel alle waarnemingen illusies, misschien is alles wel een droom.
Over zekere dingen: misschien huist er een demon in me die vertelt dat dit juist is.
Gegeven moment concludeerde hij: hij kan niet twijfelen over dat hij aan het twijfelen is. Zo komt hij tot: Ik denk dus ik ben (met deze zekerheid kan alles beginnen).
Helder en onderscheiden. Het is helder dat het duidelijk in onze ervaring is. Het onderscheid is: het is niet verder te analyseren.
Hij weet verder te bewijzen dat God bestaat, dus mensen worden niet voor de gek gehouden.
Geest:
Rationalisme: de geest is het fundament van kennis
Nativisme: er zijn aangeboren ideeën in de geest (vb. De perfecte geest, het oneindige). We worden dus geboren met ideeën die niet van buiten komen.
Materie en mechanisme:
Fysiologie:
Zenuwstelsel is een soort buizenstelsel met vocht en draadjes. Ook ventielen
Uit ventrikels hersen komt vocht dat door de buizen loopt, en zorgt voor beweging.
Dit verklaart het geheugen, leren, emoties.
Dualisme:
Rationaliteit van de mens is niet mechanisch te verklaren volgens descartes
In het mechanisme huis een ziel volgens hem
De ziel interacteert met het lichaam, deze sturing verloopt volgens hem via de pijnappelklier. Lichaam-geest interactionisme. Geest werkt tegen het lichaam.
De geest is 1, een redelijk denkend ik.
Vooral het dualisme is hem altijd aangewreven, dit is volgens Damasio een vergissing, want als geest en lichaam compleet andere dingen zijn, hoe kunnen deze dan interacteren?
John Locke (1623-1704):
Duidelijk verband tussen kennis en politiek.
Ten tijde van John Locke was er een Engelse burgeroorlog. Tussen parlementariërs en de royalisten.
Locke was hierin verbonden, destijds was er een wetenschappelijke revolutie. Centraal in die ontwikkelingen stond de Royal Society, aangevoerd door Robert Boyle. Volgens Boyle vond de wetenschap een uitweg voor de ruzie tussen politici.
Locke dacht hier over mee en was dus betrokken in de politieke twisten, hij werkte voor de graaf van Shaftesbury. Want er waren verschuivingen in de kampen van Shaftesbury.
Hij duidde al het twisten tussen de politici als de vraag: Wat is kennis?
Door conflict met de royalisten gevlucht naar de Nederlanden.
Schreef an essay concerning human understanding
De schone lei (Tabula Rasa ~ Aristoteles )
Hij zag zichzelf als onder-aannemer, wij als filosofen kunnen geen kennis fabriceren. Alleen de wetenschap kan de kennis fabriceren. We kunnen alleen de rommel opruimen die wetenschappers in de weg ligt.
Empirisme: alle kennis komt van ervaringen.
Ook gewaarwordingen en de reflecties op de waarnemingen dragen bij aan kennis.
Eenvoudige ideeën (kleur, stof) en samengestelde ideeën (vb. Rode stoel met kleur materiaal en vorm)
Het probleem van Molyneux: iemand is blind geboren, en deze persoon kan met tast het onderscheid maken tussen een kubus en een bol. Na een wonder kan de persoon zien. Zou deze persoon het onderscheid maken zonder aan te raken.
Verbinding tussen semantische kennis en zien is nog niet aangelegd, dus het kan niet worden onderscheiden.
Niet eens met Descartes, die stelde dat mensen aangeboren ideeën hebben.
Kennis:
Waarnemingen of ideeën overeenstemmen of niet
Intuïtieve kennis: onmiddellijke percepties (verschil tussen zwart en wit)
Demonstratieve kennis: stapsgewijze gevolgtrekkingen (Bewijzen)
Sensitieve kennis: patronen in sensorische ervaringen (grootste deel van de kennis is hier van afhankelijk; gebaseerd op gewaarwordingen)
De associatie van ideeën
Locke trok de volgende conclusie: Een individu kan nooit zekerheid claimen over sensitieve kennis. Dit komt doordat je als mens maar een beperkte gewaarwording hebt gehad. Het is belangrijk volgens hem om je gewaarwordingen te bundelen
In tegenstelling tot Descartes is de individuele geest niet het startpunt, maar is samenwerking met anderen nodig.
Hoofdstuk 3
drie vragen/problemen:
is de geest/hersenen één of gedeeld?
hoe maak je (de structuur van) geest/hersenen zichtbaar?
hoe onderzoek je dat terwijl het om mensen gaat?
Gall:
Flourens:
Hij deed dit met ablatie: heel precies iets uit de hersenen wegsnijden (Dieren)
Zo bepalen wat de rol is van verschillende hersengebieden in dieren.
Tot op welke hoogte zijn functies gespecialiseerd?
Hij vond een zekere mate van lokalisatie.
Wegsnijden kleine hersenen had geen effect op erotische driften (volgens gall) maar op de motoriek.
Bij de cortex was dit volgens Flourens minder het geval, na weghalen werden functies wel minder, maar ze verdwenen niet. Dit aspect noemt men plasticiteit.
Localisatie:
Nieuwe technieken:
fMRI (jaren 90): Heel dure apparaten, veel onderzoeken hebben dus kleine steekproeven omdat het heel duur is.
Tomografie: afbeeldingen van reeksen doorsneden
College 2
Hoofdstuk 4: de gewaarwording en waarnemende geest
Waarneming: Kant, Helmholtz, Fechner & Gestalt
Hume’s scepticisme:
Descartes was een rationalist (kennis begint bij de individuele geest) en een nativist (we worden geboren met ideeën in onze geest)
Locke: zintuiglijke ervaring basis van de kennis (tabula rasa)
Hume werkte verder in de empiristische gedachte van Locke, voor hem was scepsis heel belangrijk. Hij trok hier andere conclusies uit dan Descartes.
Waarneming is de basis van kennis
(1) Kijkend naar waarnemingen, kom je hier nooit een “ik” tegen. Terwijl volgens Descartes juist “ik denk” de basis is. Je komt geen constante ik tegen
(2) We gebruiken graag het woord oorzaak en gevolg, maar als we kijken naar waarnemingen, nemen we die oorzakelijkheid waar.
We zien wel opeenvolging, maar we zien geen oorzaak.
Het denken in oorzaak/gevolg is iets psychologisch.
Immanuel Kant (1724-1804)
Kant werd wakker door de filosofie van hume. Volgens hem was het idee over causaliteit van Hume problematisch. Volgens Kant is wetenschap gebaseerd op oorzaak en gevolg. Zekerheid was belangrijk voor Kant.
Kennisfilosofie: we kunnen alleen de wereld kennen zoals die aan ons verschijnt.
Noumenal world: wereld die we nooit kunnen zien
Phenomenal world: gereformeerde noumenal world, de wereld zoals die aan ons verschijnt
Kant schreef de drie kritieken. De eerste over het denken: we moeten onderscheid maken tussen de echte wereld (noumena) en de wereld hoe wij die beleven.
De echte wereld kunnen we niet kennen, we kunnen alleen de wereld kennen op de manier waarop hij aan ons verschijnt.
Het raamwerk waardoor we de wereld zien zijn de intuïties (tijd en ruimte) en de categorieën (concepten die we moeten toepassen op de wereld).
Causaliteit is een van de categorieën van het denken, en we kunnen niet anders dan deze toepassen.
We zien de wereld allemaal door hetzelfde raamwerk. Intuïties en categorieën zijn dus universeel.
Kant vond dat je geen wetenschap kan hebben over het bewustzijn. Psychologie kan geen wetenschap zijn omdat je er geen meting aan toe kan passen volgens kant.
Het heeft geen ruimtelijke dimensie
Te vluchtig om vast te houden voor aanhoudende waarnemingen
Niet experimenteel manipuleerbaar
Niet rekenkundig te beschrijven of analyseren
De invloed van Kant:
Stimuli getransformeerd door de geest, zoals bij een optische illusie
Johannes Muller: pioneer van fysiologie, hij ontdekte de wet van specifieke zenuwenergie
Hermann Helmholtz (1821-1894):
Vitalisme (Müller):
Naast fysisch-chemische krachten, is er ook een levenskracht die de fysisch-chemische processen.
Aan levensprocessen wordt volgens het vitalisme wordt energie toegevoegd aan fysisch-chemische processen vanuit de levensenergie
Helmholtz streed tegen het vitalisme, binnen een systeem kan er geen energie worden toegevoegd, dit is een afgesloten systeem. Volgens hem kan energie wel worden getransformeerd (beweging -> hitte).
Helmholtz ontdekte dat zenuwimpulsen snel door zenuwen gaan, maar dat dit wel meetbaar is. Bewijs voor de fysiologisch mechanische opvatting van de fysiologie.
Beeld, ervaring waarneming:
Gustav Fechner (1801-1887):
Hij werkte in de mechanische traditie, maar had ook een mystieke kant.
Hij wilde materie en ziel samenbrengen
Vraag of de natuur of wereld een ziel heeft:
Nachtsansicht: mechanistische versie van het wereldbeeld, met universum als dode machine, het leven en bewustzijn zijn bij-effecten
Tagesansigt: bezielde versie van het wereldbeeld, universum als plek waar bewustzijn een grote rol had, mechanistische wetten schreven een deel van het geheel.
Wet van Weber: het juist waarneembare verschil tussen 2 gewaarwordingen
Psychofysica:
Harmonie tussen materie en geest
Weber: Het juist waarneembare verschil is een fractie
Fechner concludeerde dus dat het juist waarneembare verschil een eenheid van ervaring is.
Gestaltpsychologie:
Onze waarnemingen zijn gehelen
Het geheel is meer dan de som der delen
Geen sprake van onbewuste gevolgtrekking van de losse delen, maar we zien eerst de gehelen.
De geest organiseert het perceptuele veld.
Hoofdstuk 5
Wilhelm Wundt (1932-1920)
Opgeleid als fysioloog, maar pionier van experimentele psychologie.
Reactietijd (Donders): Verschil in reactietijd met controlegroep waarin aangekondigd waar stimulatie is, experimentele conditie waarin niet de locatie van stimulus is. Reactietijd is langer in experimentele conditie.
Door de reactietijden van elkaar af te trekken, weten we hoe lang het kost om het onderscheid te bepalen van de plek van de stimuli. Dit aftrekken noemen we de substractie-methode.
Zo kan de duur van een psychisch proces door de verlenging van reactietijd door het toevoegen van een proces.
Hersenscans werken op een analoge manier, waarbij scans met experimentele en controleconditie van elkaar worden afgetrokken.
Wundt heeft zich gebaseerd op deze subtractie-methode, hij schreef de Fysiologische psychologie
Nieuw domein van wetenschap
Hij zag de psychologie als een subdiscipline van de filosofie.
Combineert innerlijke waarneming met fysiologische waarnemen (Instrumenten)
Tachistoscoop: stimuli kunnen gestimuleerd worden voor een bepaalde tijd
Apperceptie: nieuwe sensatie in iemands aandacht, er moet worden nagedacht
Laboratorium in Leipzich, was de oorsprong van de experimentele psychologie
Wundt was de grote baas en hij schreef zijn ideeën op
Boek kreeg om de zoveel tijd een nieuwe editie
Zijn promovendi voerden de taken uit
Mentale chronometrie: meten van reactietijd met behulp van chronoscoop
Ook pal-apparaat: wordt gebruikt voor het kalibreren van een chronoscoop, zo weet je dat je instrument een goede waarde aangeeft.
Chronograaf: ander kalibratie apparaat om een nog preciezere meting te krijgen
De observator (proefpersoon)
Proefleiders en observatoren waren uitwisselbaar, maar tegenwoordig zijn observatoren onwetend
In de tijd van Wundt waren de proefpersonen juist heel deskundig
De proefpersoon moest een gegeneraliseerde geest zijn die representatief was voor de maatschappij. De geest van de proefpersoon werd als het ware ook gekalibreerd.
De tweede psychologie van Wundt was zijn Völkerpsychologie
Wundt dacht dat je met experimenten alleen basale processen onderzoeken
Voor hogere processen met taal en sociaal verkeer, kan je geen experimenten gebruiken. Hier heb je een soort antropologie voor nodig en die moet je vergelijken.
Deze stierf met Wundt.
Introspectie: observeren en rapporteren van eigen subjectieve innerlijke ervaringen
Wundt zag dit als bron van veel psychologische info.
Het leidde tot debat, want niet-experimenteel en niet-mechanistisch.
College 3
Onderwerpen:
Leerdoelen:
Darwins evolutietheorie kennen
De context waarin Darwin zijn evolutietheorie ontwikkelde kunnen beschrijven
Weten hoe Darwin de evolutietheorie toepaste op de psychologie
Weten wat sociaal darwinisme is
Recente toepassingen van de evolutietheorie op de psychologie kennen
Galtons ideeën over aanleg en omgeving kennen
Weten hoe Galton intelligentie probeerde te meten
De context van Galtons werk over aanleg en omgeving kunnen beschrijven
Weten wat de eugenetica was
Galtons methodologische innovaties kennen
Hoofdstuk 6: De impact van darwin
Darwin:
Beagle:
De taak van Darwin was om de kapitein van de Beagle gezelschap te houden. Hij neigde namelijk naar depressie.
Natuuronderzoek was niet het hoofddoel, dit was het meten van de kust van Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië.
Dit meten was belangrijk voor het VK, zij wilden weten waar alles is en hoe je er komt. Dit is nodig als je de baas wil zijn.
Andere taak was om de Britse beschaving te verspreiden over de wereld.
Darwin verzamelde allerlei fossielen en nam geprepareerde planten en dieren mee
Het mysterie:
Op de reis hield hij zich bezig met het mystery of mysteries
Waar komen alle planten vandaan en waarom zit er zo veel variëteit in
Hier probeerde darwin een natuurlijke verklaring voor vinden
Deze moest concurreren met de christelijke verklaring, namelijk “de schepping” waarin alle soorten hetzelfde zijn gebleven.
Merkwaardig dat er heel veel soorten eiken zijn, de vraag is waarom?
Waarom zijn sommige soorten uitgestorven en zijn er nieuwe die er op lijkt (dit clashte met het christendom)
Goed argument voor de christelijke schepping: ‘argument from design’
Stel je vindt ergens een horloge, je maakt deze open en ziet binnenin allemaal onderdelen die allemaal perfect in elkaar gezet zijn. Met allemaal een doel. Je ziet: dit is ontworpen die die functie perfect uitvoert.
Dit werd op de schepping betrokken dat de mens in zijn complexiteit ontworpen moet zijn
Schepping:
Geologie:
Deep time:
Hele leeftijd van de aarde
Eerste gedeelte (rode balk) totaal geen leven, later meer dieren, en uiteindelijk holoceen (tijd waar wij in leven)
Lamarck:
Kwam voor Darwin met een idee van evolutie
Bij gebrek aan beter werd deze aangehangen door collega's van darwin
Zijn idee was dat evolutie een biologisch proces was
Overerving van verworven eigenschappen
Voorbeeld giraf: giraf is ooit begonnen met korte nekken, en giraffen zijn gaan proberen hun nekken te rekken voor blaadjes
Volgens Lamarck, eindig je door dit rekken met een langere nek, en dit wordt geërfd.
Volgens darwin: Selectie
Economie;
Darwin las het boek van Thomas Malthus
In dit boek beweerde Malthus dat bevolkingsgroei altijd exponentieel is
Toename van voedselproductie is wel linear
Dus hierdoor is er altijd te weinig, en is er altijd armoede
Darwin realiseerde zich dat dit de reden is voor ….
Veel tekorten in de natuur
Altijd een ‘struggle for existence”
Soms is er genoeg voor iedereen, dan worden er meer nakomelingen gemaakt
Hierna is er weer te weinig
Strijd:
Volgens darwin een voortdurende strijd met soortgenoten
Hele tijd een selectiedruk, omdat sommige individuen of soorten beter in staat zijn om te overleven.
De evolutietheorie;
Door erfelijke eigenschappen die je in staat stellen beter te kunnen overleven, ontstaat er selectie van betere individuen. Deze selectie krijgt vervolgens meer nakomelingen.
Evolutie in notendop: Variatie, strijd en erfelijkheid
Op Darwins reis kwam hij langs de Galapagoseilanden
Alle eilanden zijn verschillend
Vogels hadden allemaal een ander soort snavel.
De vogels zijn zich gaan voortplanten op de eilanden en ze zijn zich op elk van de eilanden gaan aanpassen op de omstandigheden daar
Origin of species:
Darwin ging heel lang broeden op deze theorie, hij publiceerde heel lang niet
Bij terugkeer ontwikkelde hij een ziekte die het werk heel lastig maakte. Hij was heel erg bang voor de gevolgen van publicatie.
Darwin kreeg een brief van een collega, Alfred Russel Wallace
Grote bewondering voor darwin, vragend of hij wilde nadenken over een idee
In de brief stond eigenlijk precies Darwins theorie, iemand leek er dus met zijn theorie vandoor te gaan.
Zowel Darwin en Wallace werden uitgenodigd om hun idee te presenteren op een lezing.
Psychologie:
Belofte van darwin: De geest is de basis van een evolutionair proces
Hij brandde zich hier niet aan
Darwin schreef over de complementariteit van seksen
Ook schreef darwin een logboek over zijn zoon
The Expression of the Emotions:
Sociaal Darwinisme:
Herbert Spencer: had een eigen evolutietheorie
Zo’n evolutionair gaat van eenvoudig naar complex
Ook weer survival of the fittest, mechanisme achter de evolutie van alles
Een natuurlijk proces van vooruitgang
Het proces mag je niet verstoren
Je moet niet ingrijpen in het proces van survival of the fittest
Dan stoor je namelijk vooruitgang, want zo kan de soort beter worden
Evolutionaire psychologie:
Aanleg en omgeving spelen beide een rol, deze zijn geleidelijk ontstaan in een specifieke omgeving: De Environment of Evolutionary Adaptedness
Mechanisme voor het detecteren van vals spelen:
Omdraaien van kaarten: “EK47”. Veel mensen vinden het moeilijk om te weten hoe het werkt
Bij regels als 18 jaar en alcohol, weten mensen wel hoe je dit moet toetsen
Hoofdstuk 7: Het meten van de geest
Galton:
Jeugd:
Was de achterneef van Charles Darwin, kleinzoon van Erasmus Darwin
Net als Darwin van goede komaf, maar deed het matig op school
Hij was geïnteresseerd in natuurwetenschap, terwijl er veel onderwijs was over de klassieken.
Hij studeerde kort geneeskunde maar hield dit kort vol. Later ging hij studeren aan Cambridge.
Op reis:
Na zijn studie ging Galton op reis
Bij terugkomst meldde hij zich bij the royal geographical society voor een ontdekkingsreis
Schreef: The art of travel, met tips over ontdekkingsreizen
The royal geographic society:
Whenever you can, count
Kennis begint volgens Galton met meten
Hij hield zich bijvoorbeeld bezig met kwantitatieve gegevens, worden predikanten bijvoorbeeld ouder
De kwantitatieve opvatting ging hij toepassen op de sociale kwestie
Sociale kwestie:
Doré maakte schetsen van het dagelijks leven in Londen
Hij gaf de arme buurten weer, met erbarmelijke omstandigheden (misdaad, prostitutie)
Kwestie: Hoe kan het dat we deze ellende hebben, terwijl we deze eeuw zo veel vooruitgang hebben gekend? (Negentiende eeuw)
Marx zei dat dit het gevolg is van Kapitalisme, uiteindelijk komt er een sociale revolutie
Volgens Galton is de maatschappij te ingewikkeld geworden voor arme mensen. Mensen zijn te dom om in de maatschappij te functioneren. Deze eigenschap is erfelijk
Dit idee hoor je mensen niet snel hardop zeggen, maar leeft nog steeds
Het idee dat arme mensen te dom zijn om te functioneren in de maatschappij, hier is niks aan te doen.
Tenzij we drastische maatregelen nemen.
De eugenetica:
Heel veel geestelijke vermogens zijn volgens Galton erfelijk.
Selectie (derde element van darwins theorie), Galton vroeg zich af of we dit zelf kunnen
Volgens darwin zijn de armen succesvol, want deze kunnen zich voortplanten
Eugenetica: ‘selective breeding’, selectief fokken net zoals bij Darwins duiven
Positieve eugenetica: Zorgen dat de beteren zich voortplanten
Negatieve eugenetica: zorgen dat ongeschikten zich niet voortplanten
Vb. rassenwetten in duitsland en immigratie en sterilisatie VS
Progressief project om de samenleving te verbeteren.
Wordt gezien als de self-direction of human evolution
Dit idee is tegengesteld aan het sociaal darwinisme, dat uitgaan van het loslaten van evolutionaire processen (Spencer)
Interdisciplinair, als een boom die ontspruit uit sociologie, statistiek, antropologie maar ook de psychologie.
Nature (aanleg) en Nurture (omgeving):
Testen van intelligentie:
Galton bedacht een test om de meest geschikte jongeren te selecteren voor eugenetische voortplanting.
Galton richtte een laboratorium in rondom een gezondheids tentoonstelling (Antropometrisch laboratorium (1885))
Mensen konden zich daar laten testen op aspecten rondom intelligentie
Indicatoren die we tegenwoordig niet meer herkennen: Hoedenmaat, reactievermogen, gezichtsscherpte.
Tweeling-studie:
Galton deed ook onderzoek naar tweelingen om te bepalen of intelligentie erfelijk bepaald is
2-eiig en 1-eiig vergelijken
Of nog beter: 1-eiige tweelingen die gescheiden opgegroeid zijn.
Genetica bepaald voor ongeveer 70% de variantie van intelligentie
Galton’s innovaties:
Weerkaarten
Mugshots: collega van Galton vond methode om kenmerken van criminelen vast te leggen.
Galton zelf ontdekte dat vingerafdrukken specifiek zijn voor elk individu
Ook vormde hij het gemiddelde van 3 verschillende portretten, dit kon je volgens Galton ook doen met criminelen. Want ook criminaliteit was erfelijk bepaald volgens Galton.
Vrije associaties: de eerste gedachten na het zien van een stimulus. Komen uit de kindertijd
College 4
Onderwerpen:
Leven en werk van William James
Het pragmatisme
Het functionalisme
Het werk van G. Stanley Hall
Het werk van Mary Whiton Calkins
Het werk van E.B. Thorndike
Het werk van Pavlov
Het behaviorisme van Watson
Het behaviorisme van Skinner
Leerdoelen:
James' theorieën over bewustzijn, emotie, en gewoonte kennen
Weten wat pragmatisme en functionalisme zijn
Weten wat psychical research is
De voornaamste bijdragen van Hall, Calkins, en Thorndike kennen
De context van de opkomst van het behaviorisme kunnen beschrijven
De context van de ontdekking van de geconditioneerde reflex kunnen beschrijven
De voornaamste punten van Watson's behavioristische psychologie kennen
De voornaamste punten van Skinner's behavioristische psychologie kennen
Het omgevingsdenken van Watson, Skinner kunnen beschrijven
Het utopisme van Galton, Watson, en Skinner kunnen vergelijken
Hoofdstuk 8: Amerikaanse pioniers
William James (1842-1910)
Tegenpool van Wilhelm Wundt
James vond zijn onderzoeken heel saai en simpel.
Wundt vond het werk van James prachtig maar vond het geen psychologie te noemen.
Wundts werk had weinig te maken met het dagelijks leven. Het is heel technisch en zuiver wetenschappelijk.
In het werk van James worden juist veel verbanden gelegd met het dagelijks leven
Determinisme en vrije wil
James was onder de indruk van fysiologie
Maar teleurgesteld dat er geen ruimte is voor vrije wil (determinisme)
Hij kwam in een crisis hierdoor, maar kwam hier uit doordat hij besloot om in de vrije wil te geloven.
Hij realiseerde zich dat het geloof in vrije wil een nut heeft in het dagelijks leven. Hij besloot zichzelf aan te leren om positief in het leven te staan.
Het idee van vrije wil is nuttig in het dagelijks leven, deze filosofie wordt gezien als het Pragmatisme.
Volgens James kunnen zaken gezien worden als waarheid, als bewezen was dat het nuttig was hier in te geloven.
Pragmatisme:
Waarheid is wat werkt in een bepaalde context.
Vanuit dit oogpunt kan vrije wil waarheid bezitten in het dagelijks leven maar niet in wetenschappelijke context.
Vanuit darwiniaans oogpunt worden kenmerken van organismen bepaald door de mate waarin ze nuttig zijn in bepaalde context
Functionalisme:
G. Stanley Hall (1844-1924)
Leerling van James, eerste promovendus in de psychologie van de VS. Ook deed hij onderzoek bij Wundt.
Ten eerste was Hall belangrijk voor de institutionele ontwikkeling van de psychologie. Hij richtte het eerste tijdschrift op. Ook de eerste beroepsvereniging voor psychologen (APA).
Ook was hij belangrijk in het onderzoek naar kinderen.
Child study movement, hij verzamelde info over hoe ze leerden, leefden. Hij deed dit zonder theorie. Hij maakte hierbij gebruik van vragenlijsten.
Hij realiseerde zich dat niet alleen vroege ontwikkeling belangrijk is, maar dat de ontwikkeling van adolescenten ook heel interessant is. De term adolescenten is door hem populair gemaakt.
Hij zag ontwikkeling van kids als de recapitulatie van de evolutie. Hij zag dat de mensen als foetus en dezelfde ontwikkeling doorgaan als naar de geboorte
Mary Whiton Calkins
Zag de drempels die je tegenkomt als vrouw.
Kwam bij het vrouwelijke Wellesley college, om psychologie te doceren
Om dit te kunnen doceren studeerde ze zelf psychologie. Dit deed ze aan het Harvard annex, een onofficiële manier. Ze kreeg college van James
Ze zette haar eigen lab op in Wellesley, maar kon nooit promoveren.
De ‘paired associates’ techniek: je presenteert de proefpersoon paren van stimuli, vervolgens ga je kijken of de proefpersoon 1 stimuli gepresenteerd krijgt of deze de andere stimuli kan noemen.
Edward L. Thorndike (1874-1949)
Hoofdstuk 9: Psychologie als gedragswetenschap
Tussen James en Watson: Titchener
Structuralisme van Titchener: dmv introspectie bepalen wat voor inhouden er van bewustzijn er zijn. Een soort complete beschrijving van de inhoud van het bewustzijn
Introspectie door verschillende mensen levert vaak verschillende uitkomsten op.
Probleem van het functionalisme: filosofische kant waar mensen niet zoveel mee kunnen .
Concurrentie van spiritisme, mensen en geldschieters waren veel meer geïnteresseerd in psychical research
Tot slot was er het probleem dat er heel veel afgestudeerden werk zochten in de praktijk. Op gegeven moment hadden de afdelingen psychologie genoeg medewerkers. In de dagelijkse praktijk had je weinig aan het functionalisme van Wundt en het structuralisme van Titchener. Maar… Behaviorisme!
Behaviorisme:
Ivan Pavlov:
Liet anderen zijn onderzoek uitvoeren
Zijn onderzoek ging over de fysiologie van de spijsvertering. Dit deed hij met een techniek door de maagwand van proefdieren open te maken en open te houden. Zo kon hij kijken wat er gebeurde in deze organen bij dieren.
Een fenomeen in het laboratorium waar onderzoek naar werd gedaan is kwijlen. Per toeval vonden ze dat honden kwijlen bij zuur op de tong, maar ook bij het klaarmaken van de proef. Pavlov realiseerde zich dat honden een verband leggen tussen een ongeconditioneerde stimulus (zuur) en geconditioneerde stimulus (het lab). Zo vond hij dus bewijs voor een leerproces.
Een geconditioneerde reflex, zoals het kwijlen bij een bak met voer.
Dit was een manier om fysiologisch onderzoek te doen. Het was tegen ‘de geest’.
John B Watson:
Watson was geïnteresseerd in dierpsychologie.
Hij kreeg op jonge leeftijd promotie tot hoofd van de vakgroep psychologie in Baltimore.
Ze hadden daar een tijdschrift, The psychological review. Hedendaags nog altijd een tijdschrift met een hoge reputatie.
Hij had dus veel macht, deze gebruikte hij om een vraag te beantwoorden: Is onderzoek naar de geconditioneerde reflex wel psychologie?
Watson schreef een artikel: psychology as the behaviorist views it…
Ten eerste: psychologie is een objectieve natuurwetenschap (dus geen filosofie)
Ten tweede: het doel van deze wetenschap is voorspellen en beheersen van gedrag (dus niet verklaren of begrijpen)
Ten derde: geen onderscheid tussen mens en dier
Door behaviorisme zijn leerprocessen praktisch toepasbaar.
Via Lasley kwam watson op de hoogte van het werk van Pavlov
Watson realiseerde zich om het conditioneren kon gebruiken als basis van de psychologie in plaats van als basis van de fysiologie
Hij deed onderzoek met Little Albert:
Maar met één persoon, weinig herhaling dus
Aangeleerde angsten werden niet meer afgeleerd, onethisch dus
Laatste academische werk van Watson
Ging na vertrek aan het werk in de reclame-industrie, en met groot succes
B.F. Skinner (1904-1990)
Wilde eigenlijk schrijver worden van romans, maar merkte dat dit geen succes was. Kwam in een crisis. Hij kwam er uit toen hij het werk van Pavlov en Watson las. Hij ging psychologie studeren en werd psycholoog aan Harvard.
De beroemdste psycholoog in de jaren 40/50.
Beroemd, maar ook gehaat omdat hij de mens zag als een stimulus-respons mechanisme. Dit determinisme model werd beschouwd als onmenselijk.
Belangrijk: leren is volgens Skinner een actief proces. Volgens Pavlov is het een passief proces.
Experimenten van skinner werden geautomatiseerd, gebruik van computers. Het hele experiment is voorgeprogrammeerd. Dit ten dienste van de objectiviteit.
Positief bekrachtigen werkt beter dan negatief bekrachtigen.
Het beste werkte: onvoorspelbare bekrachtiging. Gedrags telkens blijven herhalen omdat beloning totaal onvoorspelbaar is (Fruitmachines in casino’s)
Het behaviorisme geeft toepassingen:
Leermachines: colleges zijn helemaal niet efficiënt, beter om individuele leerlingen voor machines te zetten.
Token Economy: In een instelling wordt een economie van muntjes ingevoerd. Iedereen kan deze munten verdienen met goed gedrag. Leek goed te werken, maar er ontstond verzet van mensen die deze economie moesten besturen omdat ze vonden dat mensen onmenselijk behandeld werden.
The behavior research Laboratory: leerling van skinner deed een conditionering experiment met mensen.
Het omgevingsdenken (nurture):
Na de tweede wereldoorlog hoogtijdagen van nurture
Volgens behavioristen is mens en maatschappij maakbaar.
Hele optimistische visie, ze dachten dat met behulp van behaviorisme wereldproblemen op konden lossen. Dit deden ze op een utopistische manier
Watson: “Je kan alles maken van mensen zolang je de omgeving maar kan beïnvloeden.”
Skinner, Walden two gemeenschap (gebaseerd op wetenschap). Geen democratie, geen politiek. Alleen wetenschap. Een gemeenschap waar iedereen gelukkig is. Weinig werk. Mannen en vrouwen zijn gelijk. Open over seks. Kinderen worden wetenschappelijk opgevoed door professioneel opgeleide opvoeders. “Geen human nature, maar toepassen van wetenschap in de maatschappij”. Positieve bekrachtiging wordt gebruikt voor sociale controle.
Dit Utopisme heeft overeenkomsten met dat van Galtons eugenetica
College 5
Onderwerpen:
De psychologie van de beïnvloeding
De persoonlijkheidspsychologie
De humanistische psychologie van Maslow
Leerdoelen voor deze week:
De geschiedenis van mesmerisme, hypnose, en hysterie kennen
Weten waar de controverse tussen Charcot en Bernheim over ging
De sociale psychologie van Floyd Allport kennen
Het onderzoek naar beïnvloeding van Asch, Milgram en Zimbardo kennen
De context van de opkomst van de persoonlijkheidspsychologie kunnen beschrijven
Het verschil tussen de idiografische en de nomothetische benadering kennen
De persoonlijkheidstheorieën van Gordon Allport, Eysenck, en Murray kennen
De psychologie van Abraham Maslow kennen
Hoofdstuk 10: Sociale psychologie
Franz Anton Mesmer:
De helende kracht van magnetisme
Vertelde dat je tijdens een behandeling in crisis kon raken. En dit gebeurde dan ook vaak.
Controversies: (1) Iemand beweerde dat Mesmer het idee had gestolen. (2) Daarnaast had hij een patiënt, die hij had genezen van blindheid, wat mislukte waardoor hij een proces aan zijn broek kreeg.
Vlucht naar Parijs, waar hij erg populair werd. In de ban van het Mesmerisme
Zo veel mensen wilden het, hij behandelde de mensen in groepen.
Mensen werden om een ‘baquet’ gezet met gemagnetiseerd water.
Vertelde weer dat ze in een crisis zouden raken, en wees lichaamsdeel aan dat behandeld moest worden.
Als iedereen in staat van crisis geraakt was en er weer uit kwam, voelde iedereen zich beter.
De commissie concludeerde dat het niets dan een suggestie was. Onzin dus. Maar misschien wel een psychologisch proces.
De markies van Puysegur (Chastenet):
Had niks met die crises van het mesmerisme.
Hij ontdekte dat hij patiënten in een soort droomtoestand kon brengen. Dit noemde hij kunstmatig somnambulisme. In deze toestanden konden mensen vragen beantwoorden en gecompliceerde handelingen uitvoeren. Zonder dit te herinneren nadien (posthypnotische amnesie).
Later werd het hypnose / neuro-hypnologie genoemd, door James Braid.
Chirurgen destijds: Patiënten werden tijdens hypnose ongevoelig voor pijn. Er werd geprobeerd om dit als anesthesie-methode te gebruiken.
De glasharmonica werd door Mesmer gebruikt, om de stemming op te wekken
Hysterie:
Hysterie was eeuwenlang een mentale stoornis die veel voorkwam. In de negentiende eeuw hadden veel mensen er last van. Het was veelbesproken in de cultuur.
Tegenwoordig bestaat het niet meer.
Charcot had een theorie, volgens hem had hysterie te maken met hypnose. Als je hypnotiseerbaar was had je hysterie en andersom. Het had te maken met een neurologisch defect volgens hem.
Elders in Frankrijk was een school van neurologen die concludeerden dat iedereen hypnotiseerbaar is. Volgens hen lag het aan de gevoeligheid voor suggestie.
In een later stadium van hysterie, worden gepassioneerde houdingen aannemen (boos, verschrikt, uitdrukking)
De lessen hadden iets theatraals, Charcot haalde patiënten naar voren en bracht een hysterische aanval teweeg. Dit deed hij door te hypnotiseren.
In andere instellingen kwamen hysterische aanvallen weinig voor. Daarnaast is merkwaardig dat we tegenwoordig wel hysterie kennen.
Alfred Binet begon zijn carrière bij charcot en deed experimenten met Wittman. Deed dit samen met Fere.
Ze hypnotiseerden haar en gingen met magneten aan de slag. Ze beweerden dat ze symptomen met een magneet konden verplaatsen van de ene naar de andere kant. Ook het omkeren van de magneet konden ze haar stemming laten omslaan.
Probleem: Delboeuf ontdekte dat Binet en fere hun voorspellingen uitspraken in bijzijn van Wittman
Dit betekende het begin van het einde van de theorie over hysterie.
De sociale psychologie van Floyd Allport:
Sociale facilitatie: de intensiteit van werken neemt toe door de aanwezigheid van anderen
Mensen vermijden vaak extreme keuzes in aanwezigheid van anderen: conformiteit producerende neiging
Hij wees groepsdenken af, er moest experimenteel, objectief gericht worden op het individu.
Solomon Eliot Asch:
Invloed:
Heel theatraal, zoveel mogelijk sensatie.
Cognitieve dissonantie-experiment van Festinger:
Meerdere ideeën zijn met elkaar in conflict.
Dollar experiment: mensen die 1 dollar voor een taak beoordelen, ervaren deze als leuker, omdat ze cognitieve dissonantie ervaren.
Milgram: gehoorzaamheids onderzoek
Deelnemer moest nep-patiënt elektrocuteren, onder bevel van proefleider
Opvallend dat er veel proefpersonen waren, die doorhadden wat er gebeurde.
Proefleider hield zich vaak niet aan het script.
Zimbardo: Stanford-prison experiment
Hoofdstuk 12: Persoonlijkheidspsychologie
Persoonlijkheidspsychologie
1920, Toestand van psychologie in de VS:
Structuur Psychologie van titchener is minder belangrijk
Functionalisme ook minder belangrijk
Behaviorisme was populair
Ook psychoanalyse van Freud kwam op.
Psychologie van de individu:
Van abnormaal naar normaal individu
Karakter werd vervangen door persoonlijkheid
Persoonlijkheid ging erover hoe je overkomt naar anderen
Intelligentietests bestonden al, maar ook persoonlijkheidsvragenlijsten kwamen op
Gordon Allport:
Volgens hem was persoonlijkheid opgebouwd uit traits
Welke persoonlijkheidstrekken zijn het belangrijkst?
En hoe kan je deze bepalen/testen?
Na promotieonderzoek kwam hij onder invloed van Gestaltpsychologie in Duitsland. Allport werd student bij gestaltpsycholoog Stern.
Concludeerde dat persoonlijkheid niet de som der trekken was maar een geheel
De persoonlijkheid kan je op 2 manieren benaderen:
Nomothetisch: individu als verzameling van meetpunten. Oorzaken, wetten stellen
Idiografisch: Het unieke van de mens beschrijven, het geheel van de mens. Niet kijken naar oorzaken, maar naar betekenis en doelen van persoon. Individu als onvergelijkbaar geheel (rationele individualiteit; Stern)
Allport deed casestudies. Onderzocht personen op beide manieren. Dus met een persoonlijkheids test, maar ook bevragen op een ideografische manier.
Ten opzichte van Freud: Allport vond dat de concepten van Freud waren afgeleid van het inductieve onderzoek van ongebalanceerde mensen met voornamelijk angstige persoonlijkheden. Volgens Allport was het dus lastig om deze concepten toe te passen op mensen met normaal ontwikkelingsverloop.
Schreef over onvolwassen en volwassen religie. Onvolwassen religie: Overtuigd zijn van zichzelf en veel vooroordelen hebben over anderen.
Formuleerde de contacthypothese: Verminderen van vooroordelen door in- en outgroups samen in een situatie te plaatsen
Hans Eysenck:
Typische voorstander van nomothetische benadering.
Hij baseerde hij zijn persoonlijkheidstheorie op veel vragenlijstgegevens. De hele dataset onderwierp hij aan een factoranalyse.
3 dimensies van persoonlijkheid:
Extraversie / introversie
Neuroticisme
Psychoticisme (later toegevoegd): agressief, paranoia, maar ook creatief.
Deze dimensies kon je testen met een vragenlijst.
Henri Murray:
Typische voorstander van idiografische benadering
Uniekheid van individu met interviews, autobiografieën
Thematic apperception test (TAT): ambigue plaatjes, die beschreven dienen te worden. Vervolgens moet dit geïnterpreteerd worden door de onderzoeker.
Vier platen test: 4 platen, waarmee een proefpersoon een verhaal moet bedenken.
Veel tijdrovender dan een vragenlijst als die van de nomothetische benadering.
Abraham Maslow:
Motivatietheorie
Gegrepen door het optimisme van Watson. Later ging hij denken in een tegengestelde richting van het behaviorisme. Hij werd gegrepen door neo-Freudianen (Adler).
Het nazisme zorgde voor migratie van Duitse wetenschappers naar de VS.
Hij concludeerde dat wat mensen motiveert heel complex is.
Zowel biologisch als cultuur bepaald.
Bij Ruth Benedict leerde hij, cultuur zorgt voor vastgestelde condities waarbij persoonlijkheidstrekken meer of minder voorkomen
Haalde bij Wertheimer dat leren ook uit plotselinge doorbraken bestaat. Noemde deze later piekervaringen
College 6
Hoofdstuk 11: Freud en de psycho-analyse
Familie Freud:
Familieverhoudingen spelen een belangrijke rol in de psychologie van Freud.
Kreeg alle kansen om zich te ontwikkelen als kind.
Anna Freud: navolger van het werk van Freud, ze zette de psychoanalytische beweging voort. Anna pakte de psychoanalyse voor kinderen op.
Lastig dat Freud zijn kind niet kon behandelen omdat de rol van kinderen met ouders een rol speelt.
In zijn werk zien we observaties van zijn kleinkinderen terug.
De bank van Freud: had een bank waar zijn cliënten op liggen, werd uiteindelijk de standaard in de behandelpraktijk.
In de negentiende eeuw:
Psychiatrie was eerst een medische wetenschap, maar door Freud werd dit meer een psychologische wetenschap.
Eerder dacht men dat je psychologische problemen moest aanpakken door lichamelijke veranderingen.
Het gaat om het hoofd, wat zegt persoonlijkheid over wat mensen denken
Benaderde patiënten via taal:
Destijds waren mensen en schrijvers benieuwd naar de diepe, slechte kant die onder de oppervlakte van mensen ligt.
Freud's vroege werk:
Freud was opgeleid als arts. Hij richtte zich vooral op neurologie.
Wilde hoogleraar worden, en sloeg hier voor een andere richting in.
Ging kijken bij Charcot (zie vorig college), die veel bezig was met hypnose. Probeerde dit naar Duitsland te brengen
Deed ook experimenten met cocaïne, als pijnstillend middel.
Geboorte van de psychoanalyse:
Werkte in het begin samen met Josef Breuer
Breuer deed al behandelingen met patiënten, merkte dat er problemen waren die te maken hadden met vergeten ervaringen van vroeger. Met hypnose kon Breuer deze ervaringen weer tot leven brengen. Dit noemt men de cathartische methode.
Psychische problemen waren er omgezette vergeten ervaringen, ook wel pathogene ideeën. De symptomen noemden ze conversies.
Methode van psychoanalyse:
Ze begonnen met hypnose maar hadden geen goede ervaringen
Nieuwe techniek: druktechniek
Techniek waarbij de hand op het hoofd van patiënten ligt en gevraagd wordt te concentreren op het gevoel van deze druk.
Het idee was dat dit zo veel aandacht vraagt, dat er meer ruimte komt voor het onbewuste.
Later kwam hij met het idee om gewoon mensen te vragen een vrije associatie te benoemen.
Als je dit in gang zet komt er van alles los in de associatieketen.
Kost veel tijd, en je moet goed weten waar je op moet letten:
Overdeterminatie: als het steeds maar terugkwam
Verdringing: als onderwerpen verhuld naar boven kwamen.
Intrapsychisch conflict: discrepanties in uitspraken, verschillende delen van mensen hun persoonlijkheid streven verschillende doelen na.
Verleidingstheorie van hysterie: hield in dat alle hysterische mensen vroeger seksueel misbruikt waren.
Ging achter de patiënt zitten, die ontspannen lag op een bank.
Psychologie van het dagelijks leven:
Boek van freud
Gaat in op alledaagse aspecten, fenomenen die verraden hoe onze psychische geest in elkaar zit.
Voorbeelden:
Versprekingen, hebben een betekenis
Vergissingen, nooit schuldeloos maar het onbewuste speelt op
Vergeten (van namen), zegt iets.
Grapjes, humor is manier om druk van de ketel te halen van alle verdringingen
Populariseerde de psychologie
Die Traumdeutung:
Freud's droomtheorie:
Zelfs in een droom is er sprake van censuur. Censuur is afgezakt maar is er wel, anders zouden dromen zo heftig zijn dat we wakker zouden schrikken.
2 niveaus van dromen:
Manifeste droom: als je wakker bent dat je de droom door kan vertellen. Niet als uitgangspunt van de psychoanalyse. Wat je ervaart in de droom.
Latente droom: geheel van betekenissen die de analyse van de manifeste droom oplevert. De diepere betekenis van de droom.
Droomanalyse als startpunt van associaties.
Van manifest naar latent en andersom bewijst dat er droomwerk plaatsvindt tussen dit niveau.
4 niveaus:
Verschuiving / vervanging: dromen over het een en verschuiven naar het andere. Heftige emotionele inhoud wordt beschermd.
Verdichting / condensatie: verschillende elementen in de droom staan voor hetzelfde element.
Concrete representatie/ concrete sensatie: omzetting in visueel beeld. Teksten komen weinig voor.
Secundaire revisie: alle beelden in dromen samenvoegen in een verhaal. (niet in het boek)
Droomanalyse komt overeen met rebus. Rebus kan klaar zijn, maar een droomanalyse is oneindig.
Primaire (bewuste) vs secundaire (onbewuste) processen, rationaliteit.
Regressie: van rationeel persoon terugvallen naar een kinderlijk primair functioneren.
Creativiteit en artisticiteit: bijzondere vormen waarbij regressie op een positieve manier wordt ingezet om driften tot uitdrukking te brengen. Freud had er moeite mee het was misschien pathologisch
De wensvervullings-hypothese:
Freud concludeerde dat alle dromen bepaalde elementen van wensvervulling bevatten.
Volgens de wensvervullings-hypothese, bevat de latente inhoud van elke droom een wens, die vaak de motivatie voor een droom is.
Vergelijking met hysterische symptomen: dromen worden gestimuleerd door latente wensen, hysterische symptomen door seksuele herinneringen.
Freud bracht heel veel terug tot seksualiteit.
Theorie van vroegkinderlijke seksualiteit:
Koppelt seksualiteit aan kinderen
Juist in kindertijd bezet door seks
Zelfanalyse, door om zich heen te kijken naar kinderen
Oedipuscomplex: kind in conflict met vader over liefde van moeder
Stadia van de kinderlijke seksualiteit:
Polymorf pervers: alles van het kind voldoet aan lichamelijke behoeftebevrediging (alle aanrakingen zijn fijn). Gaandeweg wordt hier van afgezien en ontstaan er erogene zones.
Psychoseksuele stadia en erogene zones (Afbouw)
Oraal: niet meer alles in je mond stoppen
Anaal: niet meer alles laten lopen
Fallisch: niet meer het idee dat meisjes iets hebben verloren en aanleren dat genitalien verborgen gebieden zin
Latentie: 6 tot puberteit, rustige fase
Genitaal: loskomen van ouders, intiemer relaties
Psychoanalytische psychotherapie;
Freud merkte onbewuste weerstand bij de vrije associatie. In eerste instantie kwam hij tot de slotsom dat hij tevreden moest zijn met een kleine verbetering
Geval van Dora: Dora leed aan hysterie, mogelijk door oedipus-complex, terug te brengen op de minnaar van haar moeder. Dora stopte plots met de behandeling. Dit doordat Freud leek op deze minnaar en dit verwarrend was voor Dora.
Metapsychologie: Zijn ontdekkingen in een brede context, met de focus op de kenmerken van de menselijke geest.
Naar aanleiding van WO II nieuwe kijk op het superego, met innerlijke strijd tussen:
Adler:
Kinderen hebben een minderwaardigheidscomplex.
Eigen stroming: individuele psychologie
Leidende ficties: onjuiste ideeën over de zelf, waarvan geloofd wordt dat ze waar zijn. Dit beïnvloedt het gedrag.
Carl Jung:
College 7:
Hoofdstuk 13: Ontwikkelingspsychologie
The developing mind:
Darwin observeerde zijn zoontje, deed kleine experimentjes. Hij schreef dit op (the childs mind, studie naar de kinder geest). Was inspiratie voor andere onderzoekers. Piaget en Binet pakten deze draad weer op.
Intelligentie van mensen meten in objectieve maten (measuring the mind). Galton concludeerde dat het intelligente functioneren grotendeels genetisch is vastgelegd. Hij schetste een hiërarchisch beeld. Binet en Piaget keren zich hiertegen.
Binet en piaget:
Wrede kant van geschiedenis: ontwikkeling van binets intelligentietest is het enige waar we hem van kennen, maar van de rest niet
Bij piaget alleen het stadiamodel, de kern wordt vaak over het hoofd gezien.
Binet: had voor de cognitieve psychologie al overtuigd van de kracht van de denkende geest
Het denken van de schaker (binet):
Zag de blinde schaker als persoon, die berekeningen in zijn hoofd deed
Later: link tussen mens en computer
Ook in nederland: A D de Groot, ook voor de cognitieve psychologie
Piaget werd in de cognitieve revolutie herontdekt
Ontwikkeling van de geest:
Binet begon met de vraag: Hoe kunnen we intelligentie testen en meten? Zodat we met zekerheid uitspraken kunnen doen over iemands intelligentie
Probleem: Kinderen zijn geen gebrekkige volwassenen
Binet observeerde zijn eigen kinderen, ook Piaget deed dit
Binet was een selfmade man:
Wilde eigenlijk medicus worden, zijn vader had voor zijn zoon zit bedacht
Binet kreeg een trauma, en hoefde niet meer medicus te worden.
Raakte geïnteresseerd in de nieuwe moderne wetenschap van de experimentele psychologie.
Deed onderzoek naar de two-point threshold (delboeuf’s theorie)
Ook geïnteresseerd in Charcot en hypnose.
Ook geïnteresseerd in magnetisme en hiermee klachten te verschuiven
Delboeuf weerlegde veel van Binet’s onderzoek
Maar Binet onthield een paar belangrijke dingen: Rol van suggestie in onderzoek
Individuele psychologie (Binet):
Sommige mensen zijn veel vatbaarder voor suggestie dan anderen.
Ook thuis zag hij grote verschillen tussen zijn beide kinderen Madeleine en Alice
Hierdoor kritiek over nature ideeën van Galton, je moet ook nurture meenemen
Individuele verschillen vond hij dus bij zijn kinderen
Ook sorbonne zei dat je kinderen suggesties aan kunnen leren
Ook de verwachting van onderzoeker spelen een grote rol
Binet’s intelligence Scales:
Gemaakt om subnormale kinderen in het onderwijs te kunnen selecteren, het was bedoeld om kinderen met een mentale handicap te identificeren.
Pakte dit op met Theodore Simon: keek hoe je deze subnormale kinderen kon testen, ze ontwikkelden samen een objectieve test die cultuurgevoelig is en onderwijs onafhankelijk
Ze kwamen tot de volgende criteria:
Er moet een verschil zijn tussen normale en abnormale kinderen. Normale kinderen moeten op een gegeven leeftijd een vast bepaald niveau kunnen halen
Een ouder kind kan meer beantwoorden
Ook geretardeerde kinderen boeken vooruitgang als ze ouder worden
Vragen als: hoe stel je je voor aan een vreemde? Primitieve test waarin het aantrekkelijkste gezicht gekozen moet worden
Later meer met kleuren en vormen
Voor minder begaafden ontwikkelde hij een programma genaamd: mental orthopedics
Later allemaal revisies, de geschiedenis van intelligentietests:
Steeds beter het leeftijdsniveau aan geven (mental age)
Criterium voor speciaal onderwijs-niveau
Kijken naar mentale gebreken als aandacht, concentratie en kinderen vervolgens hier op trainen (mental orthopedics)
Stern zette mentale leeftijd en chronische leeftijd tegen elkaar af: intelligentie quotiënt (IQ-test)
Stanford revision of the binet-simon scale: Stanford Binet
Subnormaliteit en het voorspellen van succes van hoogbegaafde kinderen (Goddard en Terman)
Goddard was directeur van een school voor zwakbegaafden: feeble mindedness
Terman onderzocht hoogbegaafde kinderen: ze vonden dat bij deze kinderen net zo veel falen en succes werd aangetroffen. Geen garantie voor heel hoog presteren.
David Wechsler kwam met de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS)
Mensen worden steeds slimmer: Flynn Effect
Binet’s erfenis:
Maar: Binet ging er vanuit dat intelligentie niet volledig in getallen gevangen kan worden
Het gaat om de vraag van begrijpen, inventiviteit, richting van denken en het kritisch vermogen van kinderen.
Piaget: Kwalitatieve groei van het denken
De ontwikkeling van het denken:
Piaget zette zich af tegen de kwantitatieve benadering van Binet
De jonge piaget begon vroeg met schrijven, zijn eerste publicatie deed hij op 10-jarige leeftijd
Tussen zijn 15e en 19e deed hij 21 publicaties
Amateur naturalist: deed biologische onderzoeken rondom genève: slakken, albino mus
Ontwikkelingstheorie van piaget
Bergson maakte onderscheid tussen levende en dode wezens. Levende wezens waren behept. Er was een drang van het organisme om zichzelf te ontwikkelen. Dit sprak piaget heel erg aan
Bestudeerde ook het werk van Freud en Jung
Genetische epistemologie:
Genetische aspect van de kennisleer
Verschillende hoedanigheden van kennis, verschillende niveaus waardoor heen kan worden gelopen
Hechtte waarde aan het organisme als de instantie die de kennis verzamelt en laat emergeren. Het organisme vindt zich in een netwerk van factoren
De kindertijd en het ontstaan van kennis:
Ontwikkeling is een proces
Ontwikkeling is interactie, in een vacuüm valt niet goed te leren
Ontwikkeling is epigenetisch, deze ligt niet vast maar elke stap biedt een toevoeging.
Als kind aan ontwikkeling begint is het een solipsist: alleen de observatie van de waarneming. Het kind kan zich niet voorstellen dat anderen een ander begrip hebben van de werkelijkheid
Ontwikkelingsstadia van Piaget:
Sensomotorische stadium (0-2 jaar)
Objectpermanentie (= als kinderen erachter komen dat objecten nog steeds bestaan ook al zijn ze uit het zicht)
Maakt mogelijk dat we over dingen kunnen nadenken die niet in ons blikveld zitten.
Link met sociale ontwikkeling: rond 9 maanden ontstaat er verlatingsangst. Je weet dat je ouders weg zijn en wil dat deze bij je blijven
Kinderen leren door te doen: voorwerpen bekijken, aan te raken en in de mond te stoppen: zo krijgen ze een beeld van oorzaak-gevolgrelaties.
Pre-operationele stadium (2-7 jaar)
Concreet operationeel stadium (7-11 jaar)
Waardering abstracte concepten (bvb kwantiteit en inhoud)
Worden vertrouwd met denkoperaties die gebruikt worden voor leren (conservatie, reversibiliteit)
Egocentrisme experiment: onvermogen dat iemand iets anders kan denken dan jij
Kind is bijna klaar voor het intellectueel participeren
Formeel operationeel stadium (12+ jaar)
Piaget’s erfenis:
Gaat uit vanuit beleving van het kind
Hecht belang aan interacties van kinderen
Tegen het versnellen in het onderwijs
Kinderen moeten zelf de wereld ontdekken, door ze het te vertellen ontneem je ze de kans om te leren
Kinderlijke creativiteit als ideaal
Bruner: drie representatie-modi aan de hand van die van piaget:
Enactive mode: actief bezig gaan met het materiaal
Iconische representatie mode: focus op perceptuele capaciteiten
Symbolische mode: leren van abstracte kwaliteiten
Vygotsky: Alles in de ontwikkeling moet eerst op sociaal niveau gebeuren voordat het geïnternaliseerd en geïndividualiseerd kan worden
College 8
Leerdoelen:
de voornaamste kenmerken van scientific management, psychotechniek en human relations kennen
de weerstand tegen scientific management kunnen beschrijven
de weerstand tegen klinische psychologie kunnen beschrijven
de kenmerken van de klinische psychologie van Witmer kennen
weten wat het 'scientist-practitioner model' inhoudt
de kenmerken kennen van de 'client-centred' therapie van Rogers, van de gedragstherapie van Wolpe, van de rationeel-emotieve therapie van Ellis, en van de cognitieve therapie van Beck
Hoofdstuk 15: Toegepaste psychologie
Scientific management:
Frederick W. Taylor: begon met werken in een staalfabriek (Midvale Steel). Volgens hem werd er inefficiënt gewerkt. Volgens hem waren de arbeiders aldaar niet effectief genoeg. Hij zocht naar manieren om efficiënter te werken, door het productieproces te analyseren.
Efficiëntie werd een modewoord. Dit moest je hebben volgens Taylor ipv soldiering.
Je moest planning (door managers) en uitvoering (door uitvoerders) van elkaar scheiden
Niet meer in ploegen denken maar in afzonderlijke arbeiders
Het werk moest opgedeeld worden in deeltaken die aan individuele arbeiders toebedeeld
Zo is er win-win, voor arbeiders en het bedrijf.
Ook belangrijk om de juiste mensen te selecteren en deze mensen te trainen.
Dit werd niet toegepast zoals bedoeld.
Er was wel een differential piece rate, alleen het hogere loon werd al snel geminderd.
Deze aanpak werd bekend als scientific management
Er was ook een hoop protest, dit was een opening voor de eerste psychologen in de praktijk
Taylor zou de mensen heel erg opjagen, mensen moeten sneller en sneller werken en hebben geen keus
Taylor zou mensen tot machine maken, ze mochten niet meer bepalen wat ze zelf wilden.
Arbeiders zijn mensen en deze menselijke factor heb je nodig in de productie
Hugo Munsterberg:
Student van Wundt. Opvolger van William James
Toegepaste psychologie is de engineering van de psychologie
Psychotechniek: toepassing in bedrijfsleven. Het gaat om personeelsselectie en beroepskeuze
Volgens munsterberg kan je selectie op 2 manieren doen:
Frank Gilberth and Lillian Moller Gilberth:
Zetten een consultancy bedrijf op: revolutie met motion studies
Door te kijken naar bewegingen van werknemers, deze beter maken
Vooral Frank was bezig met efficiëntie.
Therbligs: categorie en systeem van alle mogelijke deeltaken voor elke mogelijke opdracht.
Lillian was veel meer bezig met de psychologische kant
Zij schreef vooral, veel interessanter
Zij legde in de psychologie de nadruk op de arbeider als individu. Als je de arbeider als individu benaderd wordt deze daar gelukkig van (door persoonlijke feedback)
De taken moeten worden aangepast aan de individu, met hieraan voorafgaandelijke selectie.
Zo zijn tevreden arbeiders efficiënter, productiever.
Bovendien wijdt ze veel aandacht aan communicatieprocessen in bedrijven
Het gezin was op een Tayloristische manier georganiseerd. Dit was de taak van Lilian. Alle kinderen hadden een heel rooster met allemaal een eigen taak.
Human relations movement:
Onderzoek focust zich ook op sociale en psychologische factoren die prestatie en tevredenheid op het werk beïnvloeden.
De hawthorne studies: kijken naar verlichting en omstandigheden in werkplaats door hier mee te spelen
Hawthorne effect: wat er ook veranderd werd in de omstandigheden, de productie werd hoger. Had niet te maken met het veranderen van de omstandigheden, maar door het experiment zelf. Het had te maken met het feit dat mensen zich meer gezien voelden door deelname aan het onderzoek. Door de observatie presteren ze dus beter.
Bij het kijken naar de data kan er wat afgedongen worden op deze studie. Allereerst een kleine steekproef. Maar: minder productieve mensen in de assembly testroom werden vervangen door meer productieve mensen,
Psychologisering: de subjectiviteit van werknemers en de interpersoonlijke relaties op werk kunnen niet genegeerd worden
William Moulton Marston en de leugendetector
Ging vragen stellen en mat vervolgens de bloeddruk. Zo wilde hij bepalen of iemand loog. Dit noemde hij de deception test. Hij testte vooral vrouwen omdat zij vaker liegen naar zijn idee.
Vooral in de VS nog gebruikt, maar niet als bewijs in de rechtsstaat
Bedenker van Wonder Woman: the golden lasso of truth. De waarheid vertellen kan dan niet anders als je geraakt wordt
Geloofde in vrouwelijke unieke en superieure emotionele kracht.
Vijand Dr. psycho die Munsterberg representeerde, die geloofde dat vrouwen politiek beïnvloedbaar waren.
Hoofdstuk 16: Klinische Psychologie
Drie thema’s in de klinische psychologie:
Jurisdictie tussen klinische psychologie en psychiatrie. Wie mag wat doen?
Laboratorium versus kliniek
Tussen kunst (oordeelsvermogen, intuïtie) versus wetenschap (meten kwantificeren en protocollen)
Paul Meehl: strenge methodoloog die de klinische psychologie bekritiseerde. Anderzijds was hij voorstander van de psychoanalyse bij het begrijpen van mensen.
Lightner Witmer:
Pionier van de klinische psychologie in de VS
Werd ingeschakeld bij onhandelbare kinderen
Ging dit later institutionaliseren in een psychological clinic, de eerste ter wereld.
Ging het kind onderzoeken en stuurde dit naar een professional voor behandeling in Witmers kliniek
In 1907 schreef hij over de klinische methode (zijn werkwijze)
Weerstand tegen psychologische klinieken:
Academisch psychologen vonden dat de psychologie hier niet aan toe was.
Psychiaters waren ook kritisch: als je klinisch werk wil doen moet je medisch geschoold zijn. Ze kregen gelijk en alle psychologische klinieken moesten gesloten worden
De opvolger kwam op: Medisch opvoedkundige bureaus die geleid werden door psychiaters.
Psychologen mochten alleen nog tests afnemen. De behandeling werd vervolgens gedaan door medici.
WO II en de klinische psychologie:
Er waren zo veel soldaten met psychische problemen, dat er niet genoeg psychiaters waren. Ze werden doorgestuurd naar psychologen.
Er was een nieuwe werkverdeling nodig tussen psychologen en psychiaters
Scientist-practitioner model:
The boulder conference: hier werd besloten dat de klinisch psycholoog in de eerste plaats een wetenschapper en daarna pas een praktijkopleiding
Hiernaast moest de psycholoog een pHd hebben
Dit is het scientist-practitioner model, dus eerst promoveren en daarna praktijkopleiding.
Diagnose, behandeling en onderzoek
Anderen vonden dat klinisch psychologen alleen onderzoek moesten doen (Eysenck).
Onderzoek en behandeling:
DSM en pillen:
College 9
Intuïties in de psychologie: een reflectie op het hele boek
Psychologie:
James: Verschijnselen die we gevoelens, verlangens, kennis noemen. We hebben hier niet de essentie bereikt, maar het is een soort afspraak.
Veel introducties in de psychologie schieten tekort:
Duidelijke criteria voor wetenschap en de wetenschappelijke methode
Afgrenzen voor wetenschap en pseudowetenschap
Afgrenzen van zachte en harde wetenschap
Rol van theoretische competentie
Rol van retorica, macht, bias, sociaal constructionisme
Quote van Watson: zie slides
Geschiedenis van de geschiedenis van de psychologie:
Stanley hall schreef over 6 duitse psychologen
Boring schreef over experimentele psychologie
Watson kwam met het tijdschrift en ging kijken naar de geschiedenis
Historiografie:
Internalisme (kijken naar ideeën) vs externalisme (invloeden van buitenaf waar vorm aan wordt gegeven
Great man approach (grote namen op een voetstuk) vs Zeitgeist approach (kijkend naar de tijdsgeest)
Presentisme (kijkend waar we staan, hoe zijn we hier gekomen) vs historicisme
“Mannenbolwerk”:
De geschiedenis van de psychologie bestaat hoofdzakelijk uit mannen, maar zeker voor vrouwen bedoeld.
Freud had veel vrouwelijke cliënten, maar had het idee dat hij vrouwen niet begreep
Karen hornay: sluit zich aan bij freud en vond dat er meer aandacht moest komen voor de psycho-analyse van de vrouw
Ook Anna Freud en Melanie Klein waren bekende bijdragers aan de psycho-analyse
De doorstroom van vrouwen naar de functie full-professor stagneert.
Het aantal vrouwen dat psychologie studeert is heel sterk toegenomen