Studiegids bij artikelen voor juridische aspecten van bedrijfskunde en bedrijfsvoering

Studiegids bij artikelen voor juridische aspecten van bedrijfskunde en bedrijfsvoering

Samenvattingen en studiehulp bij artikelen voor juridische aspecten van bedrijfskunde en bedrijfsvoering

  • 25+ samenvattingen bij artikelen voor juridische aspecten van bedrijfskunde en bedrijfsvoering
  • Zie de supporting content van deze studiegids

Gerelateerde samenvattingen en studiehulp

Supporting content I (full)
AntiPas(foto)tafarisme. Een artikel over geloof, hoop en satire - Verheij - Artikel

AntiPas(foto)tafarisme. Een artikel over geloof, hoop en satire - Verheij - Artikel

The Gospel of the Flying Spaghetti Monster is een in 2006 door de Amerikaanse natuurkundige Bobby Henderson gepubliceerd boek over zijn theorie over het Vliegende Spaghettimonster, de god van het pastafarisme. Hiermee was een nieuwe religie geboren: de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster.
De pastafari beschouwen het dragen van een vergiet op het hoofd als het belijden van hun geloof.


Inleiding

The Gospel of the Flying Spaghetti Monster is een in 2006 door de Amerikaanse natuurkundige Bobby Henderson gepubliceerd boek over zijn theorie over het Vliegende Spaghettimonster, de god van het pastafarisme. Hiermee was een nieuwe religie geboren: de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster.
De pastafari beschouwen het dragen van een vergiet op het hoofd als het belijden van hun geloof.

Het ontstaan van het pastafarisme in vogelvlucht

In 2005 werd in de staat Kansas (Verenigde Staten) besloten om intelligent design naast de evolutieleer op te nemen in het verplicht onderwijsprogramma, omdat intelligent design net een net zo valide theorie zou zijn als de evolutietheorie.
Als reactie hierop schreef natuurkundige Bobby Henderson een open brief aan het staatsbureau voor onderwijs, waarin hij schreef dat het voor kinderen, naast kennis opdoen van de evolutietheorie en intelligent design, ook belangrijk was dat de theorie van het Vliegend Spaghettimonster werd geleerd. Henderson legde in de brief uit dat het Vliegend Spaghettimonster de wereld heeft geschapen en dat hier schriftelijke bewijzen voor zouden zijn.
Doordat er geen reactie kwam publiceerde Henderson zijn brief op zijn website. In vele negatieve reacties was te lezen dat hij de spot dreef met geloven. De vele positieve reacties leidden echter tot de oprichting van het kerkgenootschap en een boek waarin hij het geloof optekende (The Gospel of the Flying Spaghetti Monster).

De religie van de kerk van het Vliegend Spaghettimonster al dente

De kerk van het Vliegend Spaghettimonster staat voor gelijkheid voor iedereen en kijkt kritisch naar de maatschappij en andere geloven (maar laat deze wel in zijn waarde). Er bestaan geen strenge regels, het wordt alleen zeer gewaardeerd wanneer de gelovigen zich aan de acht liever-nieten houden.
Naast het dragen van een vergiet op het hoofd is een verdere uiting van het geloof het dragen van een piratenpak.
Een volgeling heet een pastafariaan of pastafariër, meerdere volgelingen zijn pastafari en gebeden worden beëindigd met het woord Ramen.

Het kerkgenootschap van het Vliegend Spaghettimonster in Nederland

Sinds januari 2016 is het kerkgenootschap een officieel erkende religieuze organisatie in Nederland.
De aanvraag voor een ABNI-status werd afgewezen door de Belastingdienst wegens onvoldoende algemeen belang, wat vereist is voor deze status. Volgens de kerk is er sprake van willekeur bij de fiscus, omdat christelijke kerken en islamitische moskeeën wel die status hebben minder doen naast het verspreiden van het geloof dan zij.
Op het feit dat sommigen hun geloof zot vinden, vragen de pastafari waarom hun scheppingsverhaal vreemder is dan alternatieve verhalen. De kerk strijdt voor erkenning en voor religieuze vrijheid.

Nederlandse Pastafari ten strijde

Inzet van de strijd voor religieuze erkenning is het heilige hoofddeksel, het vergiet. Gedoe in gemeentehuizen over het ophebben van een vergiet op de foto van een legitimatiebewijs leidde tot het stappenplan How to Vergiet op legitimatiebewijs. Hierin wordt uitgelegd hoe een pastafariaan het beste te werk kan gaan bij het aanvragen van een legitimatiebewijs en op vooroordelen waarmee de gelovige te maken zal krijgen bij de aanvraag. Het belangrijkste vooroordeel is dat het vergiet ter alle tijden gedragen moet worden, terwijl andere geloven dit niet vereisen.

Vereisten voor aanvraag identiteitsbewijs

De vereisten voor de pasfoto die ingeleverd dient te worden voor de aanvraag van een paspoort en identiteitskaart (reisdocumenten) staan in artikel 28 van de Paspoortuitvoeringsregeling 2001 (PUN). In artikel 33 Reglement rijbewijzen staan de vereisten voor de pasfoto voor op een rijbewijs. Het gezicht moet volledig zichtbaar zijn. De zijkanten van het gezicht, de ogen en het hoofd mogen niet bedekt zijn, anders wordt de foto afgekeurd.
Artikel 28 lid 3 PUN meldt een uitzondering op deze criteria. Een aanvrager mag hoofdbedekking dragen op de foto wanneer levensbeschouwelijke of godsdienstige redenen zich verzetten tegen een ontbloot hoofd. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat deze uitzonderingsbepaling restrictief moet worden uitgelegd, omdat deze anders te ruim kan worden opgevat.

Vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing in een notendop

Twee rechtbanken in Nederland bogen zich over de vraag of er beroep kan worden gedaan op godsdienstvrijheid ter verkrijging van een legitimatiebewijs voorzien van een pasfoto met vergiet.
De vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing is geregeld in artikelen 6 Gw, 9 EVRM en 18IVBPR. Artikel 6 Gw geldt voor ieder en beperkt zich tot de belijdenisvrijheid. Artikel 9 EVRM en 18 IVBPR omvatten ook het recht om van godsdienst of overtuiging te veranderen en de vrijheid om alleen of met anderen zowel in het openbaar als privé een godsdienst of overtuiging te belijden.
Iedereen is vrij om een eigen religie te belijden zonder overheidsbemoeienis. Als een wet of regeling deze vrijheid inperkt moet een rechter bepalen welke gedraging wel of niet valt onder belijdenisvrijheid.
Sinds 1957 is het vaste jurisprudentie dat de rechter interpretatieve terughoudendheid moet betrachten. Het is niet aan een buitenstaander om te bepalen wat iemand onder het belijden van zijn geloof verstaat. Er moet echter wel sprake zijn van een identificeerbare godsdienst, de gelovige moet wel kunnen aangeven wat onder het belijden van zijn geloof wordt volstaan.
Dit criterium is een uitleg van artikel 9 EVRM in de ‘Wicca-zaak’ (zaak waarin een gevangene tevergeefs aanspraak wilde maken op faciliteiten voortvloeiend uit zijn Wicca geloof) en geldt sinds 1977. Labuschagne voegt hieraan toe dat er sprake moet zijn van een godsdienst waar ook iets van naar buiten blijkt.
Volgens het EHRM moet er, wil er sprake zijn van een onder artikel 9 EVRM vallende bescherming van geloofs- of levensovertuiging, sprake zijn van ‘a sufficient cogency, seriousness, cohesion and importance to attract the guarantees of Article 9’.

De pastafariaanse rechtszaken

7 juli 2016: zitting van het beroep van de aartsbisschop van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster tegen de weigering van de burgemeester van de gemeente Emmen om zijn aanvraag voor verlenging van een identiteitskaart op grond van de Paspoortwet. Uitspraak: omdat de man soms koos zijn vergiet niet te dragen om commerciële of sociale redenen voldoet hij niet aan artikel 28 lid 3 PUN.
In juli 2016 was het pastafarisme een levensbeschouwelijke stroming volgens de rechtbank. In februari 2017 oordeelde rechtbank Oost-Brabant daar anders over. De leer ontbeert de serieusheid die volgens vaste jurisprudentie noodzakelijk is om als godsdienst of levensbeschouwelijke stroming te worden gezien. Aangezien het pastafarisme volgens de rechtbank niet voldoet aan de eis van voldoende serieusheid van artikel 9 EVRM kan het niet aangemerkt worden als godsdienst of levensbeschouwing waarop artikel 28 lid 3 PUN van toepassing is.

De pastafariaanse rechtszaken nader beschouwd

Religiewetenschapper dr. F. Jespers stelde vast dat het pastafarisme op zijn minst een levensbeschouwing is. Ook zijn volgens hem centrale kenmerken van religie terug te vinden bij de kerk.
In tegenstelling tot de uitspraak van Jespers vond de rechtbank het pastafarisme een uiting van satire. Dit is in tegenspraak met de interpretatieve terughoudendheid die geboden is van de rechter. De rechter neemt plaats op de stoel van de theoloog en ziet de eiser als iemand waarbij geen serieuze beleving van geloof of levensovertuiging valt waar te nemen. Dat is een nogal boude uitspraak.

Conclusie

Het antwoord op de vraag of iemand die het pastafarisme aanhangt een gegrond beroep kan doen op godsdienstvrijheid bij het dragen van een vergiet op een pasfoto voor een legitimatiebewijs moet na de twee rechtszaken hierover nee zijn.
De rechtbank erkent het pastafarisme wel als levensbeschouwelijke stroming, maar het dragen van een vergiet is hiervoor geen vereiste.
Een beroep op artikel 28 lid 3 PUN werd beide keren afgewezen.
De consensus ontbreekt nog steeds over wat nu wel of niet valt onder een religie of levensbeschouwing.

 

Maak van elke rechter een rijdende rechter - Elbersen - Artikel

Maak van elke rechter een rijdende rechter - Elbersen - Artikel

De auteur (Elbersen) is van mening dat de hele Rechtspraak wat kan leren van De Rijdende Rechter. John Reid is voor veel mensen een uitkomst. Hij biedt professionele geschilbeslechting aan zonder proceskosten, kennis van het juridische jargon en procesregels is niet vereist en hij vertaalt de vaak nogal vage en niet-juridische eisen in een werkbare oplossing (bijvoorbeeld: hij moet gewoon ophouden met treiteren).

De auteur (Elbersen) is van mening dat de hele Rechtspraak wat kan leren van De Rijdende Rechter. John Reid is voor veel mensen een uitkomst. Hij biedt professionele geschilbeslechting aan zonder proceskosten, kennis van het juridische jargon en procesregels is niet vereist en hij vertaalt de vaak nogal vage en niet-juridische eisen in een werkbare oplossing (bijvoorbeeld: hij moet gewoon ophouden met treiteren).

Door opeenvolgende maatregelen van de regering en de Raad voor de rechtspraak is het Nederlandse rechtsbedrijf steeds verder van de burger komen te staan. Een voorbeeld is het Friese dorp Beetsterzwaag. De inwoners konden in dit dorp eerst naar een eigen kantongerecht, gevestigd in het centrum. Deze laagdrempelige rechtsgang werd onmogelijk gemaakt door het sluiten van 63 kantongerechten door toenmalig minister Sorgdrager onder het mom van bevordering van de rechtseenheid.

Van eenheid was in elk geval sprake in de reacties van juristen toentertijd: deze maatregel zou leiden tot achterstanden, hogere kosten en een hogere drempel voor rechtszoekenden. De kantongerechten gingen ondanks deze argumenten op in grotere rechtbanken. Minister Art van der Steur wilde in 2015 zeven rechtbanken niet langer volwaardig openhouden. Na succesvol protest van advocaten en rechters gaat dit vollopig nog niet door.

Dat de rechtspraak steeds verder van de burger komt te staan is niet alleen een probleem voor de rechtszoekende burger, maar ook voor de legitimiteit van de Rechtspraak. Zowel op social media als door politici en soms zelfs verantwoordelijke ministers en staatssecretarissen wordt er publiekelijk afstand genomen van rechters en worden hun bslissingen geridiculiseerd. 

Achter alle schaalvergrotingsoperaties zat een minder nobel streven dan de door Sorgdrager genoemde rechtseenheid: het ging om geld. Minder kosten door minder personeel en minder gebouwen. De uitdaging voor de nieuwe regering is om een oplossing niet te zoeken in meer geld, maar in een nieuwe manier van werken.

Via deze nieuwe manier van werken kan er digitaal geprocedeerd worden bij een Kantonrechter over zaken van wonen, werken of winkelen. Dit is volgens de auteur een stap in de verkeerde richting. Men zou wanneer ze elkaar nauwelijks zien tijdens een procesgang juist meer afstandelijkheid voelen. Ook ontbreekt de mogelijkheid om je te verplaatsen in de ander omdat je elkaar niet meer in de ogen hoeft aan te kijken.

Echt contact tussen procespartijen is van groot belang en dit is volgens de auteur mogelijk door van elke rechter een rijdende rechter te maken. Rechters reizen dan zelf naar de zitting, die gehouden kan worden in goedkope voorzieningen. Zo opereert de rechter in het hart van de samenleving en kan zo de situatie van de procespartijen beter inschatten en misschien zelf ter plekke gaan kijken. Procespartijen hoeven niet ver te reizen en voelen zich meer op hun gemak in hun eigen omgeving. Buurtbewoners kunnen de zitting bijwonen en zo in aanraking komen met de juristerij en kunnen zo begrip en steun voor de Rechtspraak ontwikkelen. De nieuwe werkwijze kost weinig geld maar vergt wel een andere opstelling van de rechter. Een rijdende rechter heeft een actievere houding tijdens het proces. Onpartijdigheid blijft gewaarborgd bij een rijdende rechter omdat de rechter op het laatste moment binnenkomt en gelijk weer vertrekt na de zitting. Buiten het locatiebezoek en de hoorzitting is er geen sprake van persoonlijk contact. 

De auteur wil dat deze nieuwe werkwijze een kans krijgt, het is geen pleidooi om de Hoge Raad om te huizen naar een buurtcentrum of om complexe strafzaken met veel getuigen alleen nog op dinsdagmiddag in een dorp te laten voorkomen.

Procederen of schikken? The war puzzle - Philips - 2017 - Artikel

Procederen of schikken? The war puzzle - Philips - 2017 - Artikel


Inleiding

De centrale vraag van dit artikel is: als procederen zo kostbaar is, waarom doen bedrijven het dan? Deze vraag is geïnspireerd door het probleem van 'the war puzzle'. Het centrale raadsel over oorlog en de belangrijkste reden waarom we oorlog bestuderen is dat oorlogen kostbaar zijn maar toch plaatsvinden.

Rationele motieven om te procederen

Het artikel over rationele oorzaken van oorlogen van James D. Fearon (1995) bevat waardevolle inzichten voor een onderzoek naar rationele verklaringen voor juridische procedures. 'Rationeel' is in de context van dit artikel de keuze of uitkomst die in louter financieel opzicht het meest gunstig of minst nadelig is, gegeven de alternatieven en de juridische en economische machtsverhouding tussen partijen. Een rationele uitkomst is niet altijd redelijk of eerlijk.

De drie aannames die ten grondslag liggen aan onderzoek naar rationele verklaringen zijn:

  1. Procederen is kostbaar.
  2. Het voeren van een procedure is geen doel op zichzelf, maar een middel om een ander doel te bereiken.
  3. De uitkomst is voorspelbaar onvoorspelbaar (van tevoren is er geen zekerheid wie de zaak zal winnen).

De laatste aanname is in praktijk problematisch. Dit artikel gaat echter over zuiver rationeel handelende personen, dus partijen en advocaten die het eens kunnen worden over de proceskansen mits zij over dezelfde informatie beschikken.

Ondeelbaarheid van het onderwerp van conflict

Een juridische procedure zal eerder een rationele optie zijn wanneer het onderwerp van het geschil ondeelbaar is (alles of niets). Het aantal mogelijke schikkingen verkleint daardoor aanzienlijk.

Bij commerciële geschillen kan er in theorie in het kader van een schikking altijd een gewenste verdeling worden bereikt door het verrichten van (tegen)prestaties, betalingen of anderzins (side payments), aan de partij die het ondeelbaar beschouwde object prijsgeeft.

Wanneer verdeling door side payments een mogelijkheid is, is ondeelbaarheid van het onderwerp van conflict geen rationele verklaring voor het starten van juridische procedures. Het onderwerp van conflict kan deelbaar zijn, maar als ondeelbaar worden ervaren (Fearon, 1995).

Kosten-batenanalyse

Een rationele en veelgehoorde verklaring voor het starten van een procedure is verwachte baten opwegen tegen verwachte kosten. Volgens Fearon geldt dit ook voor oorlogen. Het is volgens hem echter wel zo dat procederen alleen rationeel is wanneer er geen mogelijke schikking is die voor elke partij meer waard is dan de verwachtingswaarde van de vordering (aansprakelijkheid) voorafgaand aan de procedure (schikkingsmarge is kleiner dan of gelijk aan 0).

English rule: de schikkingsmarge is gelijk aan de som van de kosten van beide partijen voor scenario's waarin partijen het eens zijn over proceskansen en omvang van de vordering in geval van winst.

Als de baten van een procedure de kosten overtreffen is er nog geen afdoende verklaring voor het starten van een juridische procedure. Eerst moet de vraag beantwoord worden waarom partijen er niet in slagen een schikking te treffen.

Informatieasymmetrie

Het verschillend inschatten van hun proceskansen door partijen is een veelvoorkomende verklaring voor het er niet in slagen om een schikking te bereiken. In een rationele wereld kan er alleen onenigheid zijn over de proceskansen wanneer een partij beschikt over informatie die relevant is voor de uitkomst van de zaak waarover de andere partij niet beschikt. Fearon noemt dit ook wel 'private informatie'.

Naast private informatie spelen ook de middelen die elke partij heeft om te procederen, de geschatte kosten van een procedure, de gepercipieerde waarde van een overwinning en de risicobereidheid van de partijen een rol in het veroorzaken van een impasse in schikkingsonderhandelingen. Het bestaan van een van hiervoor genoemde elementen kan leiden tot een rationeel besluit van een partij om een inefficiënte procedure te starten.

Er bestaat volgens Fearon pas een probleem als partijen er belang bij hebben om private informatie achter te houden of te verdraaien. Een hiermee samenhangend probleem is de interpretatie door de ontvanger van private informatie afkomstig van een partij waarvan bekend is dat zij er belang bij heeft informatie verkeerd weer te geven.

Commitment problems

De derde reden voor een rationele verklaring van een oorlog is volgens Fearon commitment problems. Deze doen zich voor wanneer er twijfels zijn over de vraag of een partij een mogelijke schikking zou nakomen.

Niet-rationele motieven om te procederen

Cognitieve biases

Cognitieve biases zorgen ervoor dat wij, vaker dan wij ons bewust zijn, irrationele beslissingen nemen in complexe en onzekere situaties. De belangrijkste voorbeelden van cognitieve biases zijn: selection bias/confirmation bias, positive illusions/overconfidence, planning fallacy, possibility effect en sunk loss bias.

Egocentric interpretations of fairness

Emoties beïnvloeden ons beoordelingsvermogen en kunnen rationele besluitvorming in de weg staan. Wanneer men de indruk heeft dat men zelf meer heeft moeten inleveren dan de anderen, dan wordt dat als onredelijk of oneerlijk ervaren volgens de gedragspsychologie.

Het artikel Egocentric interpretations of fairness van Thompson en Loewenstein combineert bovenstaande gegevens met andere bevindingen van gedragspsychologie waaruit blijkt dat mensen geneigd zijn hun eigen contributie aan een project over te waarderen. De hypothese van dit artikel is dat partijen hun eigen bijdrage aan een schikking overwaarderen en de bijdrage van de ander onderwaarderen.

Twee experimenten van Thompson en Loewenstein bevestigen deze hypothese. Subjectieve beoordeling van de redelijkheid van een schikking vergroot de kans op een irrationele impasse, omdat partijen wat zij als redelijk beschouwen onbewust naar zichzelf en hun eigen belang toe redeneren.

Belangenconflicten

Als het belang van een persoon die beslist over de keuze om te schikken of te procederen verschilt met het belang van de (rechts)persoon die hij of zij vertegenwoordigt, kan dit ertoe bijdragen dat een zaak uitgeprocedeerd wordt terwijl een rationele schikking voor de hand had gelegen.

Tussenconclusie

Het beslechten van een geschil door een juridische procedure kan alleen rationeel zijn wanneer er sprake is van:

  1. Ondeelbaarheid van het onderwerp van geschil; of
  2. Private informatie én er een rationeel motief is om die informatie verkeerd weer te geven; of
  3. Commitment problems.

Mediation zou een uitkomst bieden voor situaties waarbij het bereiken van een acceptabele schikking het onderzoeken van de veronderstelde negatieve effecten van het delen of opvragen van private informatie en het bekijken of deze niet beheersbaar te maken zijn vereist.

Strategieën om een juridische procedure te voorkomen

Proceskansen en decision analysis

Decision analysis is een methode om complexe beslissingen te analyseren en de kwaliteit van beslissingen te verbeteren. In een juridisch conflict kan deze methode partijen helpen proceskansen, onzekerheden en de waarde van een vordering voorafgaand aan een juridische procedure in beeld te brengen. Het toepassen van decision analysis kan de schikkingskansen van menig juridisch conflict aanzienlijk vergroten. Het uitdrukken van kansen en risico's in percentages sluit misverstanden over de omvang hiervan uit.

Het communiceren van juridische kansen is een kerntaak van een advocaat. Percentages bieden een uniforme en wetenschappelijk verantwoorde manier om een mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking te brengen. Een argument tegen het gebruik hiervan is dat percentages valse zekerheid zouden geven. De auteur volgt dit argument niet, hij vindt dat het gebruik van percentages een cliënt meer zekerheid geeft over zijn kansen tijdens het proces.

Met decision making kan tot uitdrukking gebracht worden hoe verschillende onzekerheden zich tot elkaar verhouden en het uiteindelijke resultaat beïnvloeden. Op deze manier kan je alternatieven met elkaar vergelijken en beoordelen op hun relatieve utiliteit.

Het maken van een kwantitatieve, financiële analyse kan helpen om de emoties te dempen en de beslissing over het starten van een juridische procedure terug te brengen tot een investeringsbeslissing die moet worden genomen op basis van de financiële utiliteiten en de overige bedrijfsbelangen.

Het belang van een realistische kosteninschatting

Een te optimistische kosteninschatting heeft directe negatieve gevolgen voor de schikkingsruimte van partijen. Een partij die haar schikkingsdrempel nauwkeurig wil bepalen moet ook stil staan bij haar interne kosten. Kahneman raadt aan om bij het maken van kosten- en tijdinschattingen voor complexe projecten het gemiddelde gedeclareerde bedrag in vergelijkbare zaken als uitgangspunt te nemen, de base rate.

Lessen van de experimenten van Thompson en Loewenstein

De experimenten van Thompson en Loewenstein laten zien dat mensen geneigd zijn hun eigen bijdrage aan een schikking over te waarderen en de inbreng van de ander onder te waarderen. In een geval waarin een schikkingsvoorstel niet als redelijk wordt ervaren maar mogelijk wel rationeel is, kan het nuttig zijn om te bekijken of de redelijkheid van het voorstel wellicht te veel wordt geïnterpreteerd vanuit de eigen positie en belangen. Dit kan door objectieve adviseurs in te schakelen of gebruik te maken van mediation.

De experimenten tonen verder aan dat uitgebreide informatie-uitwisseling niet noodzakelijk voor toenadering tussen partijen zorgt en zelfs contraproductief kan zijn. De selectiebias van partijen bij het verwerken van informatie leidt ertoe dat zij informatie die hun positie versterkt onthouden en informatie die hun positie verzwakt negeren.

Ten slotte blijkt uit de experimenten dat onderhandelingen egocentric interpretations of fairness verkleinen en de kans op een schikking vergroten.

Conclusie

Het analyseren van de oorzaken van juridische procedures biedt kansen om de hoeveelheid inefficiënte en belastende juridische procedures te reduceren.

James Fearon deed onderzoek naar rationele oorzaken van oorlog, waaruit de drie oozaken voortkomen om een juridische procedure rationeel te verklaren. Als er zich geen rationele oorzaken voordoen, dan is er waarschijnlijk sprake van een niet-rationele oorzaak. Richtsnoeren om die oorzaken te onderzoeken en weg te nemen zijn: het gebruik maken van decision analysis, het maken van realistische kosteninschattingen voor het bepalen van de schikkingsruimte en het voorkomen van egocentric interpretations of fairness.

Is Nederland een belastingparadijs? - Vleggeert & Vording - 2018 - Artikel

Is Nederland een belastingparadijs? - Vleggeert & Vording - 2018 - Artikel


Inleiding

Nederland wordt, doordat de Nederlandse fiscale regels rond grensoverschrijdend investeren hebben geleid tot een sterk in omvang groeiende brievenbussector, ook wel een belastingparadijs genoemd. Het nieuwe kabinet wil wat aan het gebruik van brievenbusmaatschappijen gaan doen door bronheffing op rente en royalty's te introduceren, de dividendbelasting per 2020 af te schaffen en bronheffing op dividenden in misbruiksituaties en naar low tax juridictions aan te kondigen. Bronheffingen zijn heffingen aan de bron van de inkomstenstroom.

Nederland belastingparadijs?

Nederland heeft een open, op internationale handel gerichte, economie en het fiscale beleid is daarom gericht op het wegnemen van fiscale barières voor internationaal zakendoen. Binnen de vennootschapsbelasting is deelnemersvrijstelling van belang om dubbele belasting over bedrijfswinsten te voorkomen. Buiten de vennootschapsbelasting zijn het uitgebreide verdragennetwerk en de afwezigheid van bronheffingen op rente en royalty's. Ook de mogelijkheid om afspraken te kunnen maken met de belastingdienst is belangrijk in het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat.

Vanaf 1970 hebben bovenstaande feiten veel doorstroomactiviteit naar Nederland getrokken. Geldstromen zoals dividend, rente en royalty's afkomstig uit een land dat bronheffingen kent worden omgeleid via een Nederlandse brievenbusmaatschappij, die vervolgens een beroep doet op de relatief gunstige Nederlandse belastingverdragen. Op deze manier wordt de buitenlandse bronbeslasting op inkomende geldstromen gereduceerd. De Nederlandse positie in de brievenbussector is geleidelijk ontstaan.

De vraag of Nederland een belastingparadijs moet worden genoemd is een semantische maar ook gevoelige vraag. Recent werd de motie van Leijten/Snels verworpen om Nederland te erkennen als belastingparadijs. Veel fiscalisten en beleidsmakers beantwoorden de vraag of Nederland een belastingparadijs is negatief. Zij hanteren de technische definitie van het begrip belastingparadijs. Op grond van deze definitie is er alleen sprake van een belastingparadijs als een land geen winstbelasting heeft en niet bereid is tot uitwisseling van informatie. Nederland heft echter 25% vennootschapsbelasting en is bereid om op grond van verdragen informatie uit te wisselen.

De afschaffing van de dividendbelasting

Nederland kent momenteel een dividendbelasting van 15%, welke wordt geheven over uitkeringen van dividend door entiteiten. De betalende entiteit is inhoudingsplichtig en de ontvangende partij is belastingplichtig. De belastingdruk bij de binnenlandse ontvanger van dividend wordt bepaald door inkomsten- of vennootschapsbelasting, de dividendbelasting is slechts een voorheffing. Dat is anders in grensoverschrijdende situaties. Wanneer de ontvanger van dividend niet onderworpen is aan inkomsten- of vennotschapsbelasting, fungeert de dividendbelasting als eindheffing.

Het onderscheid tussen deze twee situaties is van belang om de budgettaire consequenties van de afschaffing van dividendbelasting te kunnen begrijpen. In binnenlandse verhoudingen zijn er geen budgettaire consequenties voor de staat, in grensoverschrijdende verhoudingen wel. De kosten worden geraamd op 1,4 miljard euro per jaar.

Het kabinet motiveert de afschaffing van dividendbelasting door erop te wijzen dat bedrijven hierdoor gemakkelijker eigen kapitaal uit het buitenland kunnen aantrekken en minder kwetsbaar worden voor vijandige overnames. Het argument van eigen kapitaal aantrekken gaat niet op ten aanzien van Nederlandse dochterondernemingen, deze zijn onder bepaalde voorwaarden al vrijgesteld van Nederlandse dividendbelastingen door artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn. Met ingang van 2018 is deze inhoudingsvrijstelling uitgebreid op grond van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. Deze inhoudingsvrijstelling geldt thans onder voorwaarden voor dividenduitkeringen door een Nederlandse dochtermaatschappij aan een buitenlandse moedermaatschappij die is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten mits dat verdrag een dividendbepaling bevat.

Voor Nederlandse beursfondsen met overwegend buitenlandse aandeelhouders heeft de afschaffing van dividendbelasting een belang. Maar ook voor beursfondsen is het de vraag wie van de afschaffing profiteert: de buitenlandse aandeelhouders en dus indirect de beursfondsen zelf of de landen waarvan deze buitenlandse aandeelhouders inwoner zijn?

In veel landen kunnen aandeelhouders die daar belastingplichtig zijn voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting de door Nederland ingehouden bronheffing verrekenen. De Nederlandse dividendbelasting is in dat geval een heffing ten laste van een buitenlandse schatkist, de investeerder heeft er geen last van. Dat wordt anders als verrekening onvolledig of niet mogelijk is.

De voorgestelde afschaffing brengt mee dat Nederland in de markt voor multinationale tax planning een resterende handicap kwijtraakt. De dividendbelasting moet vervangen worden door een heffing die slechts van toepassing zal zijn op low tax jurisdictions en misbruiksituaties. Het effect van deze heffing zou afhankelijk zijn van de nadere vormgeving.

De introductie van een bronheffing op rente en royalty's

Nederland heeft traditioneel gezien nooit bronheffingen gekend. In het buitenland wordt meer waarde gehecht aan bronheffingen dan in Nederland, omdat die heffingen een land in staat stellen over uitgaande inkomensstromen belasting te heffen ten laste van buitenlandse schatkisten en/of niet-ingezeten investeerders. Om aantrekkelijk te blijven voor ondernemingen om zich te vestigen en om Nederlandse bedrijven de mogelijkheid te blijven bieden om handel te drijven over de hele wereld zijn er volgens het nieuwe kabinet maatregelen nodig. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bedrijven die echt een toegevoegde waarde hebben en bedrijven die Nederland alleen als postbus gebruiken. Die laatste groep is niet langer gewenst, het Nederlandse kabinet wil de belastingparadijzen internationaal aanpakken.

Het voorstel voor bronheffingen op interest en royalty's moet op twee punten nadere invulling krijgen. Ten eerste is het nog niet duidelijk of alle entiteiten zulke betalingen moeten doen of slechts de brievenbusmaatschappijen in de heffing worden betrokken. Daarnaast is het ook niet duidleijk wat er bedoeld wordt met low tax jurisdictions: jurisdicties met een laag belastingtarief en/of jurisdicties op een zwarte lijst. Het nieuwe kabinet is een voorstander van een zwarte lijst.

Het lijkt echter eenvoudig om de bronbelasting te vermijden. Dit kan door een vennootschap tussen te schakelen in een andere lidstaat van de EU die geen bronheffing op uitgaande rente of royalty's kent. Vanuit de Nederlandse vennootschap kan dan een betaling worden gedaan aan een verbonden entiteit in een andere lidstaat, waarop de rente- en royaltyrichtlijn van toepassing is. Nederland kan dan geen bronheffing toepassen.

Loopt Nederland voorop in de bestrijding van belastingontwijking?

Een van de auteurs van dit artikel heeft begin 2017 een onderzoek gedaan naar de bestrijding van belastingontwijking in Nederland. Dit onderzoek is verricht op basis van 250 documenten (voor een belangrijk deel bestaande uit interne stukken van het ministerie van Financiën, openbaar geworden op grond van de Wet openbaarheid van bestuur 1992). De documenten hebben betrekking op de periode januari 2009 tot mei 2015.

Tijdens het voorzitterschap van Nederland van de Raad van de Europese Unie in het eerste half jaar van 2016 wilde het kabinet zich profileren als voortrekker in de strijd tegen belastingontwijking. In het najaar van 2016 wilde het kabinet het voorstel om een bepaling in de Anti-ontgaansrichtlijn op te nemen om een einde te maken aan een tax planningsmogelijkheid uitstellen tot 1 januari 2024. Het gaat hier om een CV-BV structuur die onder andere wordt gebruikt door Starbucks (zie uitleg in artikel). In deze structuur is er sprake van dubbele niet-heffing over de royalty's ten gevolge van een verschil in kwalificatie van de CV door Nederland en de VS.

Het lijkt er momenteel nog niet op dat Nederland voorop wil lopen in de bestrijding van belastingontwijking. Dit wordt misschien met het aantreden van het nieuwe kabinet anders. Zodra maatregelen tegen belastingontwijking dreigen het vestigingsklimaat van Nederland te verslechteren, pleegt Nederland te kiezen voor het vestigingsklimaat. Volgens diplomatieke bronnen in Brussel zou Nederland ook als het nieuwe kabinet er is maatregelen tegen belastingontwijking proberen te dwarsbomen.

Conclusie

In de publieke opinie wordt Nederland als belastingparadijs gezien, waar de auteurs begrip voor hebben. Nederland is wereldwijd marktleider op het gebied van belastingontwijking door middel van brievenbusmaatschappijen. Het voornemen om dividendbelasting af te schaffen kan ervoor zorgen dat het alleen maar aantrekkelijker wordt om dergelijke structuren te gebruiken. Volgens de auteurs zou het kabinet hier beter vanaf kunnen zien. De invoering van bronheffing op rente en royalty's die worden betaald aan low tax jurisdictions is volgens de auteurs een stap in de goede richting. Wil deze heffing effectief zijn dan moeten de rente- en royaltyrichtlijnen en de belastingverdragen aangepast worden, waarvoor Nederland zich moet gaan inzetten om internationaal consensus te bereiken over maatregelen tegen belastingontwijking.

Paradoxale fiscale vrijheid - Gribnau - 2017 - Artikel

Paradoxale fiscale vrijheid - Gribnau - 2017 - Artikel


Inleiding

De Nederlandse belastingwetgeving is complex en daarom steeds moeilijker effectief te handhaven door de Belastingdienst. Dit komt omdat de belastingwet zelf steeds meer uitdijt en verandert en hierdoor telkens weer mazen in de wet ontstaan.

De Belastingdienst wordt voor een effectieve rechtshandhaving van de complexe wetgeving steeds afhankelijker van de medewerking van de burger. Daarnaast probeert de wetgever de Belastingdienst te helpen door de belastingplichtigen te disciplineren, waarbij in toenemende mate ook derden worden betrokken. De verplichtingen betekenen ook een inperking van de fiscale vrijheid, waarbij de rechter niet steeds voldoende oog heeft voor de rechtsbescherming.

De wetgever heeft verschillende bevoegdheden van een fiscus (te) ruim omschreven, waardoor de inspecteur voldoende wapens heeft om belastingontduiking te bestrijden. De afgelopen jaren zijn de dwangmiddelen van de fiscus verder uitgebreid, waardoor zij steeds verdere inbreuk op de vrijheid van de burger en diens adviseurs mogelijk maken.

Planning, ontwijking en ontduiking

De belastingwetgeving is complex omdat zij het gedrag van burgers probeert te reguleren en te sturen. Stemmen burgers hun handelen af op fiscale gevolgen, dan is er sprake van tax planning.

Er bestaat geen waterdicht onderscheid tussen belastingontduiking en belastingontwijking. Belastingontduiking is fraude: geen of onjuiste informatie aan de fiscus verstrekken waardoor de belastingschuld onjuist wordt vastgesteld. Bij belastingontwijking houdt de burger zich aan de wet, maar zet het ingenieuze fiscale contructies op die niet in strijd zijn met de letter van de wet maar wel met de geest van de wet. De juridische grens van belastingontwijking is fraus legis, een in de jurisprudentie ontwikkelde algemene antimisbruiknorm.

Ontaarding: agressieve tax planning

Agressieve tax planning is een vergaande vorm van (legale) belastingontwijking. Dit kan materieel tot hetzelfde resultaat leiden als ontduiking. Beide kunnen leiden tot derving van overheidsinkomsten en maatschappelijke schade.

Ieder behoort zijn fair share bij te dragen. De belastinglast wordt afgewenteld op diegenen die hun fair share wel bijdragen, omdat zij geen ontwijkingsmogelijkheden hebben of er geen gebruik van willen maken. Het legaal niet bijdragen van je fair share is moreel verwerpelijk.

Wetgever stimuleert tax planning

De belastingwet wordt zeer intenstief gebruikt om de samenleving aangenamer en rechtvaardiger te maken, zogenaamde tax incentives. Deze tax incentives worden door specialisten gereconstrueerd om belasting te vermijden. Een voordelige regeling in de belastingwet wordt door fiscale specialisten gebruikt als hefboom om nog meer voordeel te behalen (re-engineering). Het creëert een markt voor belastingontwijkende producten, die met hulp van intermediairs worden verspreid en vaak tot een industrie uitgroeien. Men moet extra voorzichtig zijn met het introduceren van fiscale incentives om beleidsdoelen te bereiken.

Ethisch gezien is een fiscaal sturingsmechanisme op basis van financiële prikkels ook niet zonder risico. De wetgever verandert de regels als burgers niet op de gewenste manier reageren. De focus van de wetgever en de burger is dan ook gericht op toepassing van de complexe regels, op de technische details, en niet op de achterliggende waarden waarop de regels rusten. Het gevolg van het afnemen van de bereidheid van belastingplichtigen om aan hun verplichtingen te voldoen is dat de Belastingdienst meer moet vertrouwen op repressief toezicht.

Kat en muis?

De belastingwetgeving lijkt op een spel van kat en muis. Wanneer de wetgever reageert met aanscherpen van bestaande regels en introduceren van strengere regels, verzinnen belastingadviseurs daar weer nieuwe structuren op, waarop weer reactie komt van de wetgever, enzovoort.

In Nederland zoekt de fiscus naar nieuwe mogelijkheden tot onderzoek en controle van informatieverplichtingen, maar er worden ook steeds meer en hogere boetebepalingen ingevoerd ten behoeve van de naleving van verplichtingen, de strafmaat wordt dus steeds zwaarder. Bij belastingontduiking kan een boete worden opgelegd, bij belastingontwijking niet.

Internationale organisaties willen met internationaal opererende ondernemingen tot betere regels komen om zo agressieve tax planning te bestrijden. Door deze regels krijgen internationaal opererende belastingplichtigen minder ruimte voor belastingontwijking. Met daarnaast een EU-brede algemene antimisbruikbepaling verminderen de discrepanties in het materiële belastingrecht van verschillende landen. Andere manieren om transparantie te creëren zijn het wettelijk verplichten voor belastingplichtigen tot het melden van agressieve belastingstructuren aan de Belastingdienst en het mitigeren van de informatie-asymmetrie tussen multinationals en andere bedrijven en burgers.

Belastingdiensten blijven ondanks initiatieven op achterstand staan ten opzichte van kwaadwillende of zeer creatieve belastingplichtigen omdat ze onvoldoende personeel en middelen hebben om alles volledig te controleren. Een oplossing hiervoor zou kunnen zijn dat de vrijheid beknot wordt van degenen die dit spel spelen, dus dat er gekozen wordt voor steeds meer maatregelen en sancties ter afschrikking.

Intermediairs

De Belastingdienst probeert kennisasymmetrie van burgers te mitigeren door voorlichtingen en vooringevulde aangifte bij de inkomstenbelasting. De fiscale regels voor bedrijven zijn veel ingewikkelder. Ook hebben bedrijven te maken met omzetbelasting en loonbelasting. Door het niet meer kunnen overzien van de fiscaliteit hebben bedrijven fiscale bijstand nodig, aldus belastingadviseurs. Fiscale adviseurs spelen vaak een belangrijke rol bij belastingontwijking. Zij zijn dus een belangrijke doelgroep voor bestrijders van belastingontwijking.

Belastingontwijking wordt in de AWR benoemd; in artikel 68 e.v. worden strafbare feiten opgesomd. Het strafrecht wordt spaarzaam gebruikt, de Belastingdienst gebruikt vaker een bestuurlijke boete. Het is haast niet mogelijk om alle overtredingen via het strafrecht af te doen, vaak gaat het niet om welbewust niet voldoen aan informatieverplichtingen door belastingplichtigen.

Bestuurlijke boeten zijn onderverdeeld in verzuimboeten (objectief waarneembare feiten) en vergrijpboeten (het beboetbare feit bevat een subjectief element). Intermediairs lopen ook risico op boeterechtelijke aansprakelijkheid, hiervoor zijn verschillende deelnemingsvormen in de Awb en AWR geïntroduceerd. In artikel 5:1 lid 2 Awb staat het overtredingsbegrip en in artikel 67o AWR is het overtredersbegrip uitgebreid met andere deelnemingsvarianten om effectiever te kunnen optreden tegen (rechts)personen die fraude faciliteren. Op deze manier is de ruimte voor intermediairs om te helpen met belastingontduiking ingeperkt.

Intermediairs boeten voor belastingontwijking

In het Verenigd Koninkrijk wil men belastingontwijking ook strafbaar maken, om zo het probleem bij de bron aan te pakken. Het doelwit van deze maatregelen is de intermediair, degene die de structuren ontwerpt. Deze aanpak zou in Nederland ook navolging kunnen krijgen.

Als een structuur bestreden is heeft de belastingplichtige pech maar wordt de intermediair niet beboet. Door financiële sancties voor deze groep in te voeren verwacht men dat de kosten-batenafweging anders uitvalt. Ook wil men de namen van degenen die een boete hebben gekregen publiceren. Dit idee is echter 'work in progress', het blinkt niet uit in helderheid. Het voorstel richt zich op tax avoidance, terwijl dit legale belastingontwijking is en geen fraude.

Belastingen en vrijheid: verschuivende grenzen

Negatieve en positieve vrijheid

Belastingen hebben een dubbele relatie met vrijheid. Enerzijds vormt belastingheffing een inbreuk op eigendomsrecht van het individu (negatieve vrijheid). Anderzijds maken ze vrijheid mogelijk, zowel negatieve vrijheid (ze financieren de defensie, politie, justitie) als positieve vrijheid (overheidstaken zoals infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg). Positieve vrijheid is de mogelijkheid tot zelfontwikkeling en tot participatie aan de vormgeving van maatschappij en staat.

Burgers dienen belastingheffing te accepteren als ingreep in hun vrijheid waarbij de wet de grenzen daarvan aangeeft (artikel 104 Grondwet). Binnen deze grenzen heeft de burger het recht om de fiscaal voordeligste weg te kiezen. Sommige burgers en bedrijven kleden de wet daarom tot op het bot uit en hierdoor worden de grenzen van de wet strakker aangetrokken of worden er sancties getroffen.

In de negentiende eeuw was de situatie anders. Afkeer van controle van de fiscus voedde het verzet tegen de invoering van inkomstenbelasting. Rochussen zag de uitoefening van de bevoegdheden van de belastingadministratie bij bepaling van het inkomen als grootste last. Sindsdien zijn er steeds meer bevoegdheden voor de fiscus en steeds meer verplichtingen voor de burgers. De negatieve vrijheid is aanzienlijk ingeperkt.

Sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw stijgt de belastingdruk ter financiering van de staatstaken. Men begon belastingen als een beleidsinstrument te zien om beleidsdoelen te realiseren. Cort van der Linden (jong-liberaal) verdedigde dit als een van de eersten: belastingen dienen te voldoen aan de sociaal-politieke eis van rechtvaardigheid. Hogere tarieven leiden echter wel tot hogere verleiding om belasting te ontwijken.

In de loop van de tijd zijn de wettelijke bevoegdheden aanzienlijk uitgebreid en steeds meer verplichtingen voor burgers ingevoerd. Deze verplichtingen leiden tot hogere compliance-kosten. Deze kosten komen bovenop de belasting die betaald moet worden. De burger maakt ook andere compliance-kosten zoals kosten van arbeid die gespendeerd wordt aan fiscale handelingen. Deze verkleinen alle zijn bestedingsvrijheid en beperken daarmee de negatieve vrijheid.

Vrijheid als afhankelijkheid

Het republikanistische ideaal van vrijheid verwerpt niet alleen inmenging, maar ook overheersing of afhankelijkheid. Hieronder valt ook economische vrijheid. Er is een ander die de macht heeft tot willekeurige inmenging en van de aanwezigheid daarvan zijn beide partijen zich bewust. Deze vrijheid onderscheid zich van negatieve vrijheid en positieve vrijheid door de constante dreiging van inmenging die als overheersing wordt gezien en het recht is niet willekeurig en wordt niet gezien als het wegnemen van vrijheid. Vrijheid wordt verbonden met gelijkheid voor de wet en er wordt een groot belang gehecht aan politieke participatie van burgers.

Spinoza werkt het idee van afhankelijkheid verder uit. In zijn Politiek Traktaat (Tractatus Politicus) presenteert hij een republikanistisch vrijheidsbegrip. Hij laat zien dat iemand ogenschijnlijk zelf beslist, maar in feite doet wat een ander wil. Deze persoon wordt niet door iemand gedwongen, maar is toch in de macht van een ander. Iets niet of anders doen uit vrees voor overheidsbureaucratie is een voorbeeld van afhankelijkheid.

De geanalyseerde ontwikkelingen in het positieve en negatieve fiscale vrijheidsbegrip hebben gevolgen voor het republikanistische ideaal van vrijheid. Belastingwetgeving is soms willekeurig en onduidelijke wetgeving leidt tot het gevaar van willekeur bij toepassing van de wet. Dit leidt tot rechtsonzekerheid en rechtsgelijkheid, waardoor beleidsregels moeten zorgen voor eenheid in beleid en uitvoering. De burger is afhankelijk van de interpretatie van de wetgeving die de uitvoerende macht kiest.

De Belastingdienst is een complexe bureaucratische organisatie die veel meer verstand heeft van de wet, jurisprudentie en beleidsregels dan de gemiddelde burger. Deze kennis-asymmetrie zorgt voor afhankelijkheid en dus beperkte vrijheid van de burger.

Conclusie: communicerende vaten

De strijd tegen belastingontduiking en belastingontwijking is uitgebreid omdat nu ook de intermediairs worden aangepakt. De overheidstaak was volgens Liberalen niet meer enkel het beschermen van de negatieve vrijheid, maar ook van de positieve vrijheid. Steeds meer belastingen werden hierdoor ingevoerd. De Belastingdienst kreeg een steeds zwaarder takenpakket en werd bij de uitvoering daarvan steeds afhankelijker van burgers. Belastingen dragen bij aan positieve vrijheid, maar beperken de negatieve vrijheid. De complexe wetgeving maakt dat veel belastingplichtigen hun fiscale verplichtingen niet zonder hulp van deskundigen kunnen doen. Zij worden ook afhankelijker van de machtige Belastingdienst. De uitbreiding van de positieve vrijheid en de inperking van de negatieve vrijheid hebben gevolgen voor het republikanistische ideaal van vrijheid.

Staatssteun, fiscaliteit & verrekenprijzen: onverenigbare fiscale staatssteun aan Starbucks? - Vos - 2017 - Artikel

Staatssteun, fiscaliteit & verrekenprijzen: onverenigbare fiscale staatssteun aan Starbucks? - Vos - 2017 - Artikel


Inleiding

In 2015 stelde de Europese Commissie vast dat Nederland onverenigbare staatssteun heeft verleend aan Starbucks Manufacturing EMEA BV (SMBV). De prijsafspraak, Advance Pricing Agreement, is niet in overeenstemming met art. 107 lid 1 VWEU en er zouden dus geen zakelijke verrekenprijzen zijn gehanteerd. Hierdoor moet SMBV volgens de EC minder vennootschapsbelasting betalen dan dat het zonder prijsafspraak zou moeten. Niet eerder heeft de EC onverenigbare staatssteun vastgesteld op grond van een onjuiste toepassing van het Unierechtelijk zakelijkheidsbeginsel.

Feitelijke achtergrond: hoe heeft Nederland de vermeende staatssteun verleend?

De beweerde steunmaatregel in het EU besluit betreft een APA uit 2008 tussen de Nederlandse Belastingdienst en SMBV. SMBV is een Nederlandse dochtervennootschap met Starbucks Cooperation als moedermaatschappij. De EC heeft geen bezwaren tegen de intra-groep transacties van SMBV. Wel tegen de verrekenprijzen die zij betaalt voor deze transacties, deze zijn volgens de EC te hoog. Op basis hiervan stelt de EC dat de Nederlandse Belastingdienst fiscale staatssteun heeft verleend aan SMBV.

Niet het belastingvoordeel, maar het onbelastbare deel van de winst van SMBV is de kern van het probleem voor de EC. Een deel van de belastbare winst wordt onterecht doorgeschoven naar Alki LP, waaraan SMBV royalty's betaalt. Alki LP betaalt hier geen belasting over omdat royaltybetaling aftrekbaar is voor vennootschapsbelasting.

Fiscale achtergrond

Verrekenprijzen, zakelijkheidsbeginsel en APA's

Verrekenprijzen zijn de prijzen die vennootschappen voor intra-groep transacties afspreken. Hiervoor dient het zakelijkheidsbeginsel te worden gerespecteerd: de verrekenprijzen moeten hetzelfde zijn als prijzen die vennoten die geen deel uitmaken van de groep zouden betalen voor de transactie. Zo kan effectieve belastingdruk van groepsmaatschappijen niet worden verlaagd door het verschuiven van winst of verlies.

Het zakelijkheidsbeginsel is opgenomen in art. 9 OESO-Modelverdrag. Nederland is lid van de OESO en baseert zijn belastingverdragen op dit verdrag. De OESO-richtlijnen zijn niet juridisch bindend.

In een APA worden criteria voor de berekening van verrekenprijzen overeengekomen tussen de belastingdienst en de belastingplichtige. De belastingplichtige stelt in Nederland een verrekenprijzenrapport op. De belasting die moet worden betaald wordt bepaald op basis van de in de APA vastgestelde criteria.

Verrekenprijsmethodes

Met betrekking tot het EU besluit zijn twee verrekenprijsmethodes relevant: de Comparable Uncontrolled Price (CUP) methode en Transactional Net Margin Method (TNMM). De CUP-methode vergelijkt de prijs van een transactie tussen niet-gelieerde vennootschappen met de prijs van een vergelijkbare transactie tussen gelieerde vennootschappen. Bij TNMM worden de verrekenprijzen berekend door de nettowinstmarge te vergelijken met de nettowinstmarge die behaald zou zijn met zelfstandige vennootschappen.

Nederlands wettelijk regime

Het zakelijkheidsbeginsel staat in de Nederlandse wet in art. 8b lid 1 VPB. Het wordt geïmplementeerd ter bevestiging dat het zakelijkheidsbeginsel ook in Nederland van toepassing is. In hoeverre de OESO-richtlijnen doorwerken in de Nederlandse wetgeving is onduidelijk.

Europees juridisch kader van fiscale staatssteun

EU lidstaten hebben in de meeste fiscale domeinen vrijheid van invulling. Soms wordt de vrijheid begrensd, zoals bijvoorbeeld de hefing van accijnzen op tabak, alcohol en benzine. Belastingheffing is ook een staatssteundomein. Fiscale steunmaatregelen kunnen verscheidene vormen aannemen, zoals een belastingvrijstelling. Voor een kwalificatie van een maatregel dienen alle criteria van art. 107 lid 1 VWEU van toepassing te zijn.

Economisch voordeel

Economisch voordeel wordt behaald als een onderneming gunstiger is behandeld dan zonder overheidsingrijpen het geval zou zijn geweest. De EC stelt in deze casus dat economisch voordeel is verschaft door een afwijking van het Unierechtelijk zakelijkheidsbeginsel.

Unierechtelijk zakelijkheidsbeginsel

Het zakelijkheidsbeginsel maakt volgens de EC deel uit van de staatssteunbeoordeling. Zij gebruikt voor de juridische grondslag hiervan het arrest van het HvJ in de zaak Forum 187, waarin bekrachtigd wordt dat het zakelijkheidsbeginsel meetelt in de beoordeling of er voordeel aan een groepsonderneming is verleend. Voor de toetsing van artikel 107 VWEU op SMBV: zie artikel.

Selectiviteit

Er moet een drie-stappenplan (ontwikkeld door het HvJ in het Paint Graphos-arrest) worden gevolgd om te bepalen of een belastingmaatregel een selectief voordeel verschaft:

  1. Er moet bepaald worden welke algemene of normale belastingregeling van de Lidstaat van toepassing is. De EC stelt dat het referentiestelsel het algemene Nederlandse stelsel van vennootschapsbelasting is, welke wordt gevormd door art. 8b lid 1 VPB en het Besluit Verrekenprijzen.
  2. Er moet worden onderzocht of de belastingmaatregel een afwijking vormt van dat referentiestelsel en of het voordeel slechts op bepaalde ondernemingen wordt verschaft. Selectiviteit kan zich op twee manieren voordoen: de jure of de facto.
  3. Een afwijkende belastingmaatregel kan in bepaalde gevallen worden gerechtvaardigd.

Voor toetsing van art. 107 VWEU SMBV: zie artikel.

Conclusie

Volgens de auteur is op basis van in het artikel weergegeven toetsing de argumentatie van de EC in het EU Besluit inzake SMBV aan de criteria van art. 107 lid 1 VWEU onvoldoende onderbouwd. Indien het EU Besluit nietig wordt verklaard, kan de EC in hoger beroep gaan bij het HvJ of het besluit heroverwegen en aanpassen.

Tiny houses. Does size matter? - Tweehuysen - 2017 - Artikel

Tiny houses. Does size matter? - Tweehuysen - 2017 - Artikel


Inleiding

Een tiny house is een kleine huis dat goedkoop is en een simpeler, flexibeler en meer milieubewust leven mogelijk maakt. Ze kennen verschillende verschijningsvormen.

Roerend of onroerend, nagetrokken of niet?

Relevantie van de vraag

Om verschillende redenen is de vraag of tiny houses roerend danwel onroerend zijn van belang: bijvoorbeeld voor de vraag of overdrachtsbelasting en onroerendezaakbelasting is verschuldigd of voor de grondslag van aansprakelijkheid voor de zaak (art. 6:173 of 174 BW). Ook de vraag of tiny houses door de grond worden nagetrokken is van belang. Is dit het geval, dan is de eigenaar van de grond ook eigenaar van de tiny houses. Het is mogeljik door middel van opstalrecht (art. 5:101 BW) de natrekking van gebouwen door de grond te doorbreken. Dit tast het onroerende karakter van gebouwen niet aan.

Het beoordelingskader

De maatstaven aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of een zaak onroerend is en wordt nagetrokken zijn hetzelfde. Zaken zijn onroerend en zijn eigendom van de grond indien zij duurzaam met de grond verenigd zijn. Dit is het beroemde bestemmingscriterium dat de Hoge Raad in 1997 in het Portacabin-arrest heeft geformuleerd. Daarbij is niet van belang dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen. In het Portacabin-arrest oordeelde de Hoge Raad terecht dat de portacabin een onroerend goed was.

Het feit dat een zaak op een fundering rust is niet voldoende om aan te nemen dat het gebouw onroerend is. Doorgaans zal een tiny house een feitelijke voortdurende verbinding met de grond hebben en dus aan het vereiste van vereniging voldoen. Twee wat oudere arresten van de Hoge Raad roepen de vraag op of deze conclusie wel juist is.

Verdere jurisprudentie sinds Portacabin

Het hof was in een ander arrest van oordeel dat een bungalow onroerend was omdat deze de verschijningsvorm van een woning had, al een lange tijd op dezelfde plaats stond en dat deze bestemd was om vele jaren ter plaatse te functioneren. Vergelijkbare omstandigheden vormen in andere uitspraken de reden om aan te nemen dat een bouwwerk onroerend is. Het wordt in veel gevallen van belang geacht dat het bouwwerk visueel een geheel is met de grond of dat niet te zien is hoe het gebouw met de grond is verankerd. In het artikel worden meerdere voorbeelden genoemd om dit te illustreren.

Concluderend op basis van de jurisprudentie

Een eigenaar van een tiny house heeft geen volledige zekerheid of zijn gebouw roerend of onroerend wordt verklaard, omdat rechters hier soms van de beschreven lijn afwijken.

Zowel de bestemming als de bedoeling van de bouwer van een tiny house dienen naar buiten te blijken. Het valt dus niet te zeggen of tiny houses roerend en zelfstandig zijn of juist niet, ook omdat tiny houses vele verschijningsvormen kennen. De omstandigheden van het geval en wat daaruit naar buiten blijkt zijn van belang.

De volgende omstandigheden kunnen bij tiny houses een rol spelen:

  1. De vorm en afmetingen van het tiny house.
  2. De afwerking en aankleding van het tiny house.
  3. Het al dan niet aangesloten zijn op nutsvoorzieningen.
  4. Het al dan niet geplaatst zijn van het tiny house op een recreatieterrein evenals hoe lang het gebouw er al staat.

Invloed van de partijwil

De mogelijkheden voor een eigenaar van een tiny house om zekerheid te verkrijgen over de kwalificatie van het huisje zijn beperkt. Contractuele regelingen zijn niet van invloed op de kwalificatie of op de natrekking. Het opstalrecht kan zorgen voor een doorbreking van de natrekking. Dit is echter niet altijd wenselijk, bijvoorbeeld vanwege kosten of het voornemen om het tiny house regelmatig te verplaatsen. Wegneemrecht kan hier nog een oplossing voor bieden. Dit zou echter ook niet altijd het gewenste effect hebben.

In de gevallen waar opstalrecht en wegneemrecht niet aanwezig zijn of geen uitkomst bieden, blijft de vraag hoeveel invloed de partijen zelf nog kunnen uitoefenen op de kwalificatie van een tiny house.

Een subjectieve partijbedoeling over een tiny house is niet van invloed, het gaat om de bestemming van de zaak en de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar zijn (de geobjectiveerde bestemming en bedoeling van de bouwer).

Een eigenaar van een tiny house zou het tiny house voor derden kenbare eigenschappen kunnen geven die in de richting van het door hen gewenste resultaat wijzen. Absolute zekerheid over de kwalificatie zou hiermee echter niet altijd verkregen kunnen worden.

Slot

Het kan heel goed het geval zijn dat een tiny house nagetrokken wordt door de grond en onroerend is, ondanks een andere bedoeling van de eigenaar of andere betrokkenen. Die subjectieve bedoeling is slechts relevant voor zover die naar buiten blijkt. Het zal telkens afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval hoe een tiny house gekwalificeerd dient te worden.

Het onderscheid tussen publiek- en privaatrecht: multifunctioneel en contextafhankelijk - F. J. van Ommeren - Artikel

Het onderscheid tussen publiek- en privaatrecht: multifunctioneel en contextafhankelijk - F. J. van Ommeren - Artikel


Volgens Van Ommeren kan het onderscheid tussen het publiekrecht en het privaatrecht het best worden opgevat als een onderscheid dat multifunctioneel en contextafhankelijk van aard is. Toch wordt tegenwoordig steeds meer de vraag gesteld of dit onderscheid nog wel gemaakt moet worden. Invloeden door het recht van de Europese Unie, waar dit onderscheid niet wordt gemaakt, de internationalisering van het recht en de willekeurigheid van het nationale recht, zorgen er namelijk voor dat dit onderscheid steeds minder relevant is.

Is het onderscheid nog wel werkbaar?

John Allison heeft een beoordelingskader ontwikkeld waarmee beoordeeld kan worden of het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht binnen een bepaalde samenleving nog wel voldoende werkbaar is. Om een voldoende werkbaar onderscheid te maken, moet de samenleving voldoen aan vier vereisten: de overheid moet goed kunnen worden onderscheiden van andere actoren in de samenleving, er moet een categorische benadering van het recht worden gehanteerd, de rechterlijke macht moet onafhankelijk en met voldoende deskundigheid de procedures behandelen en de overheidsrechter moet over eigen kenmerken beschikken om het te onderscheiden van andere procedures. Ieder kenmerk zegt iets over een ander onderdeel van de samenleving. Het eerste kenmerk duidt op de overheid, het tweede kenmerk over het toepasselijke recht, het derde kenmerk over de instellingen van de samenleving en het vierde kenmerk over de procedure. Dit model laat zien dat er samenhang is tussen de elementen.

Dienen instellingen gebonden te worden aan de abbb?

In Nederland kent men private instellingen die een publieke taak vervullen, maar niet gebonden zijn aan de publiekrechtelijke normen, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens Van Ommeren dienen deze instellingen juist ook aan die normen gebonden te zijn. Van der Hoeven stelt dat de publieke taakvervulling de maatstaf zou moeten zijn voor het van toepassing verklaren van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op private instellingen. Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht kan niet consequent op dezelfde wijze worden gemaakt, omdat het onderscheid daarvoor te abstract is. Het multifunctionele karakter van het onderscheid duidt op het feit dat het oogmerk waarvoor het onderscheid wordt gemaakt van belang is voor hoe er onderscheid wordt gemaakt en welk criterium er wordt aangelegd.

Waarom wordt er onderscheid gemaakt?

Het onderscheid tussen het publiekrecht en privaatrecht wordt ook gemaakt om te bepalen op welke gronden beslissingen gelegitimeerd worden en hoe aan de samenleving verantwoording moet worden afgelegd. Het contextafhankelijke karakter van het onderscheid duidt op het feit dat het onderscheid niet alleen afhankelijk is van het oogmerk waarvoor het onderscheid wordt gemaakt, maar ook van de juridische omgeving. Het multifunctionele karakter duidt op het feit dat de onderscheidende criteria afhankelijk zijn van het te realiseren doel, maar niet waarom of hoe het doel moet worden gekozen. Daar is de juridische omgeving voor nodig. Aan de verschillende functies die het criterium moet vervullen worden verschillende eisen gesteld. Het onderscheid tussen publiekrecht en privaatrecht zal ook in de toekomst nog relevant blijven en is multifunctioneel en contextafhankelijk van aard. Het fundamentele onderscheid zit te diep geworteld in de samenleving, dat het onderscheid ook in de toekomst nog een belangrijke plaats zal innemen en een eenduidig criterium voor alle denkbare functies van het onderscheid bestaat niet en zal niet komen, waardoor het multifunctioneel en contextafhankelijk zal blijven.

Het recht om te escaleren; het Pietendebat in de rechtszaal - Alex Brenninkmeijer - Artikel

Het recht om te escaleren; het Pietendebat in de rechtszaal - Alex Brenninkmeijer - Artikel

Mag de burger escaleren?

Adrian Hart stelde dat alle aandacht voor discriminatie in de pietenkwestie kinderen contraproductief maakt, maar zij wel eerder in aanraking komen met discriminatie-incidenten uit de volwassen wereld. Volgens het College van de Rechten van de Mens is zwarte piet wegens zijn verschijning (donkere huidskleur, kroeshaar, dom gedragend) racistisch.

Hoe ontwikkelt escalatie zich?

De escalatie omtrent de pietenkwestie in Nederland heeft zich in drie fasen ontwikkeld. In de eerste fase gaat het om een gevoel van ongemak, wat leidt tot conflictoverleg waarbij partijen er vaak wel uitkomen. In de tweede fase staan partijen tegenover elkaar en is winst en verlies de inzet. Dit leidt ertoe dat partijen zich gaan melden bij de rechtbank, de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens. In de derde fase gaat het om het inzetten van alle mogelijke middelen, zelfs als die tot eigen schade kunnen leiden. Vergaande escalatie van tegenstellingen in de samenleving en via de media lijkt een kenmerk te zijn van deze tijd. De onderliggende partij heeft daarbij altijd meer last van uitsluiting dan de bovenliggende partij.

Kan de burgemeester escalatie voorkomen?

Volgens de Raad van State moet de burgemeester echter geen rekening houden met het discriminatoire karakter van zwarte piet bij het verlenen van een vergunning voor de intocht van Sinterklaas. De burgemeester moet bij het verlenen van de vergunning alleen rekening houden met de openbare orde en de veiligheid, maar mag niet de uiting die verbonden is aan het evenement toetsen op grond van het specialiteitsbeginsel in de zin van artikel 3:4 lid 1 Awb. De burgemeester kan de pietenkwestie dus niet middels de vergunningverlening oplossen. In de eerste plaats ontstaat er door de pietenkwestie een scheiding tussen het publieke en het private. De wetgeving die de overheid toepast op manifestaties leidt namelijk niet tot een inhoudelijke toetsing van de uiting bij de manifestatie.

Spelen rechtsnormen een rol bij voorkomen van escalatie?

Indien er strafbare feiten worden gepleegd tijdens de manifestatie, dan kunnen zij door derden voor de rechter worden gesleept. De intocht van Sinterklaas is een private aangelegenheid in een publieke omgeving. In de tweede plaats spelen rechtsnormen een rol bij de intocht van Sinterklaas. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft de overheid een primaire taak in het tegengaan van gedrag dat wettelijke normen schendt, maar het tegengaan van de vele vormen van normoverschrijdend gedrag kan niet uitsluitend worden gerekend tot de verantwoordelijkheid van de overheid. Burgers, organisaties en instituties zijn ieder op eigen wijze verantwoordelijk voor het handhaven van de rechtsnormen. De overheid heeft met diens maatschappelijke instellingen wel tot doel om verschillende waardeopvattingen bespreekbaar te maken op ruime schaal om zo schadelijke en negatieve stereotyperingen tegen te gaan. Als het gaat om conflictoplossing bij maatschappelijke tegenstellingen, dan verdient een goed gesprek de voorkeur boven de rechtsgang.

Het bestaansrecht van de Eerste Kamer - Hansko Broeksteeg - Artikel

Het bestaansrecht van de Eerste Kamer - Hansko Broeksteeg - Artikel

Is de Eerste Kamer van toegevoegde waarde?

De Eerste Kamer zou te veel lijken op de Tweede Kamer, waardoor er wordt getwijfeld over de meerwaarde van de Eerste Kamer. Fractievoorzitter van de VVD heeft geadviseerd een staatscommissie in te stellen die onderzoek doet naar de meerwaarde van de Eerste Kamer. Ze stelt namelijk dat de Eerste Kamer niet hetzelfde werk mag doen als de Tweede Kamer, moet de Eerste Kamer het politieke debat in de Tweede Kamer laten en moet zij een terughoudende positie innemen.

Waar komt het tweekamerstelsel vandaan?

Een tweekamerstelsel is vanuit democratisch oogpunt niet noodzakelijk. In veel landen bestaat het parlement slechts uit één kamer. Het tweekamerstelsel is afkomstig uit federale staten, zoals Duitsland, waarin deelstaten vaak worden vertegenwoordigd in de senaatskamer. In een eenheidsstaat, zoals Nederland, wordt de senaatskamer op een andere wijze gekozen dan de kamer van de volksvertegenwoordigers, namelijk op een indirecte manier. De Eerste Kamer beschikt niet over het recht van amendement en het recht van initiatief, waardoor zij slechts wetsvoorstellen kan aannemen of verwerpen. In eenheidsstaten worden de senaatskamers dus indirect gekozen, maar hun bevoegdheden zijn wel verschillend per land. Grondwettelijk gezien hoeven de senaatskamers geen andere functies te hebben dan de andere parlementaire kamer. Van een fout in het Nederlandse staatsbestel is dus geen sprake.

Dient de Eerste Kamer zich terughoudend op te stellen?

Met terughoudendheid in de Eerste Kamer wordt vooral bedoeld dat de Eerste Kamer vooral gericht moet zijn op het toetsen van de rechtmatigheid van wetsvoorstellen aan de Grondwet en verdragen. De bevoegdheden van de Eerste Kamer wijken echter nauwelijks af van die van de Tweede Kamer, op het recht van amendement en het recht van initiatief na. Bepaalde staatsrechtjuristen leiden de terughoudendheid van de Eerste Kamer af uit artikel 51 lid 1 Grondwet. In dat artikel staat dat de Staten-Generaal bestaat uit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Het feit dat de Tweede Kamer als eerst wordt genoemd, zou betekenen dat zij het politieke primaat heeft en de Eerste Kamer, als gevolg daarvan, zich terughoudend dient op te stellen. Uit de wetsgeschiedenis valt dit echter niet af te leiden. De terughoudendheid kan ook niet worden afgeleid uit de getrapte verkiezingen. Het feit dat de kiezer stemt via de Provinciale Staten, betekent namelijk niet dat de weging van de stemmen anders is. De terughoudendheid van de Eerste Kamer zou mogelijk nog afgeleid kunnen worden uit de gewoonte. Het moet dan echter wel gaan om een breed gedeelde rechtsovertuiging, waar in casu geen sprake van lijkt te zijn.

Welke rechten heeft de Eerste Kamer?

De Eerste Kamer kan, wanneer zij gebreken ontdekt in een wetsvoorstel, het wetsvoorstel terugsturen naar de Tweede Kamer, die haar dan verbetert. De Eerste Kamer zal het wetsvoorstel vervolgens opnieuw ontvangen en er definitief een uitspraak over doen. Jurgens en Voermans kwamen met het voorstel om de Eerste Kamer het terugzendrecht te geven, waarmee het wetsvoorstel meermaals teruggestuurd kan worden en de Eerste Kamer voorstellen kan doen aan de Tweede Kamer op het wetsvoorstel op een bepaalde manier aan te passen. Invoering van dit recht brengt echter zowel een juridische, als een politieke machtsverhouding tussen de Tweede Kamer en de Eerste Kamer met zich mee. Tot slot kan worden betoogd dat de stelling van Zijlstra vindt geen onderbouwing in de wetsgeschiedenis.

 

 

Het recht van gratie - Wiene van Hattum - Artikel

Het recht van gratie - Wiene van Hattum - Artikel

‘Wat is het recht van gratie?’

Het doel van het gratierecht is dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties rechtvaardig, humaan en doelmatig ten uitvoer worden gelegd. Artikel 122 Grondwet bepaalt dat gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht. In artikel 2 Gratiewet staan de gronden voor gratie opgesomd. Deze gronden zijn opgenomen, zodat de gratieverzoeker vooraf weet of zijn verzoek kans van slagen heeft. Ten tweede dienen deze gronden als aanknopingspunt voor de rechter die advies uitbrengt en ten derde kan een afwijzing met de gronden in de wet gemakkelijker worden gemotiveerd.

Wanneer wordt er gratie verleend?

Volgens de doelmatigheidsgrond kan gratie worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Bij het beoordelen van de gratie wordt volstaan met een marginale toetsing van het advies dat de rechter die de straf heeft opgelegd uitbrengt. Er moet getoetst worden of het advies de voorgestelde beslissing kan dragen en of het advies formeel praktisch uitvoerbaar is. Indien het gratieadvies wordt afgewezen, dan dient dit onderbouwd te worden met een bijzondere reden. Het gratieinstrument dient niet om de Kroon in de gelegenheid te stellen om afwijkend van een rechter te oordelen.

Wat is een gratieprocedure?

De gratieprocedure is een niet openbare aangelegenheid, waardoor er over de gratieverlening niet veel bekend is. De taak va het openbaar ministerie binnen de gratieverlening is vooral het verzamelen van informatie en het horen van de verzoeker. Voor de verzoeker is de procedure evenmin openbaar. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de verzoeker pas het recht om de adviezen van de rechter in te zien, nadat het besluit door de minister of de Kroon is genomen. Verdachten hebben het gratierecht, omdat levenslanggestraften een prospect of release moeten hebben en de mogelijkheid op een review.

Hoe wordt een gratieverzoek getoetst?

Het Gerechtshof heeft in een bepaald arrest vastgesteld dat het niet in staat is om te toetsen of er dermate significante veranderingen zijn en er een zodanige vooruitgang is richting reclassering, dat voortduring daarvan niet langer kan worden gerechtvaardigd door de strafdoelen. In het Vinterarrest heeft de Hoge Raad bepaald dat de voorlopige adviezen van de rechter aanknopingspunten zijn om direct te beginnen met resocialisatie. De civiele rechter treedt op als bewaker van de gratieprocedure.

Is de gratieprocedure veranderd?

De gratieprocedure is in de loop der jaren veranderd. De bewindsman blijkt niet bereid te zijn om gehoor te geven aan de rechterlijke adviezen inzake de verkorting van een levenslange gevangenisstraf. De bewindsman toetst niet marginaal, maar gaat uit van zijn eigen oordeel. Ook wijst de bewindsman zonder een definitief rechterlijk advies een gratieverzoek af. Dit is een zorgwekkende ontwikkeling, omdat het evenwicht binnen de machtenscheiding zo verstoord wordt. Het is namelijk niet langer de rechter, maar de bewindsman die bepaalt wat een rechtvaardige, humane en doelmatige straftoemeting is. De rechterlijke adviezen in de gratieprocedure worden niet leidend geacht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het gratierecht functioneert als gesteld in het Vinterarrest. De levenslanggestraften worden na tien tot vijftien jaar aan een onderzoek onderworpen met betrekking tot de straf, met als doel om betrokkenen na een zware straf toch weer als vrij deel te laten nemen aan de samenleving.

Beter een goede buur dan een verre vriend; burenruzies en gemeentelijke handhaving - M. West & M. Maas-Cooymans - Artikel

Beter een goede buur dan een verre vriend; burenruzies en gemeentelijke handhaving - M. West & M. Maas-Cooymans - Artikel

‘Dient gemeentelijke handhaving gespecificeerd te worden?’

Wanneer een burger een verzoek indient bij de gemeente om handhavend op te treden, dan is er sprake van een handhavingsverzoek in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb. Indien iemand een wettelijk voorschrift heeft overtreden, dan dient de gemeente handhavend op te treden middels een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Toch kan de gemeente hiervan afzien, wanneer een last onevenredig is in verhouding tot het te dienen belang.

Wanneer kan de gemeente afzien van handhaving?

Afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding, kan er zich een bijzondere omstandigheid voordoen, waardoor de gemeente kan afzien van handhaving. Toch moeten ambtenaren in beginsel wel reageren op het handhavingsverzoek, hoe druk ze het ook hebben. De gemeente kan haar drukte wel beter inplannen, door prioriteiten te geven aan bepaalde zaken. Wanneer er echter helemaal niet meer wordt opgetreden tegen een zaak met een lage prioriteit, dan is het gedrag onrechtmatig. Overbelasting van de gemeente kan hooguit betekenen dat er tegen overtredingen pas weer wordt opgetreden, als er handhavingscapaciteit beschikbaar is.

Is het algemeen belang geschaad?

Tegen overtredingen met een geringe aard en ernst dient in beginsel niet handhavend opgetreden te worden, omdat het algemeen belang niet wezenlijk wordt gediend met de handhaving. Ook wanneer een burenconflict de grondslag is van de overtreding, kan het zijn dat er handhaving nodig is om het algemeen belang te dienen. Om te beoordelen in hoeverre er sprake is van nadeel aan het zijde van de verzoeker, moet er gekeken worden naar de impact en het reële belang dat er bestaat bij het laten eindigen van de overtreding. Het nadeel moet verdwijnen op het moment dat de overtreding ongedaan wordt gemaakt.

Is er een concreet zicht op legalisatie?

Wanneer de gemeente niet handhaaft, dan is er sprake van een gedoogbeleid. Aangezien het gedoogbeleid niet eeuwigdurend kan zijn, wordt er vaak overgegaan op legalisatie. Er zou echter pas sprake moeten zijn van een concreet zicht op legalisatie, wanneer er een ontvankelijke aanvraag voorligt bij de gemeente. Het betreffende bestuursorgaan dient de vraag of er legalisatie mogelijk is zelfstandig te beoordelen, ook wanneer er nog geen aanvraag ingediend is. De plicht om te onderzoeken of legalisering mogelijk is, voordat er over wordt gegaan tot handhaving, geldt ook indien de betrokkenen in het verleden te kwader trouw hebben gehandeld. Indien de gemeente niet over wenst te gaan tot het nemen van een bepaald besluit, dan kan daaruit worden afgeleid dat het niet mogelijk is om te legaliseren. De gemeente doet onderzoek via verschillende stappen: (1) is legalisatie mogelijk, (2) is er een aanvraag tot legalisatie aanwezig, (3) zou een eventuele aanvraag afgewezen kunnen worden, (4) bestaat er bereidheid de eventuele aanvraag toe te wijzen, (5) is de betrokkene bereid om een aanvraag in te dienen.

Is er sprake van misbruik van de bevoegdheid?

Een burger kan niet overgaan tot het instellen van beroep bij de bestuursrechter, indien die bevoegdheid enkel wordt misbruikt. Hier is sprake van wanneer het instellen van beroep op voorhand al kansloos is. Een verzoek wordt echter niet snel niet-ontvankelijk verklaard. Daar zijn zwaarwichtige gronden voor vereist, zoals het zonder redelijk doel of voor een ander doel aanwenden van rechten of bevoegdheden. De ondeugdelijkheid van de aangevoerde beroepsgronden duiden in beginsel niet op misbruik van recht.

Exit VAR; 1 / disproportioneel = proportioneel? - B. Emmerig - Artikel

Exit VAR; 1 / disproportioneel = proportioneel? - B. Emmerig - Artikel

‘Waarom is de VAR afgeschaft?’

Volgens staatssecretaris Wiebes is het afschaffen van een disproportionele wetsbepaling altijd proportioneel. Wiebes stelde dat artikel 6a van de Wet op de loonbelasting disproportioneel was, hetgeen bepaalde dat een opdrachtgever die beschikt over een VAR-wuo of een Var-dga van een opdrachtnemer, niet als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting wordt beschouwd, waardoor zij wettelijk gevrijwaard waren. Feitelijke controle werd er niet uitgeoefend.

Hoe controleert de Belastingdienst de wet?

Er wordt op een passende manier en op een normaal niveau gehandhaafd. Per situatie zal er anders worden geoordeeld, waarbij de aandacht vooral ligt op de risicovolle branches. De Belastingdienst zal wel een aanleiding moeten hebben om intern te kunnen controleren. De inspecteur dient te controleren of er wordt afgeweken van de arbeidsovereenkomst. De Belastingdienst kan geen gebruik maken van het wettelijke rechtsvermoeden in de zin van artikel 7:610a BW, nu dit artikel enkel geldt in de relatie tussen werknemer en werkgever.

Hoe kijkt de opdrachtgever tegen de wettelijke bepaling?

Vanaf 1 mei 2017 treedt de Wet DBA volledig in werking, waardoor opdrachtgevers nieuwe overeenkomsten dienen te gebruiken. Als voorbeeld kunnen opdrachtgevers gebruik maken van modelovereenkomsten van de Belastingdienst, waarin aangegeven is welke bepalingen anders geformuleerd kunnen worden zonder afbreuk te doen aan de fiscale verplichtingen. Volgens critici levert de modelovereenkomst juist een arbeidsovereenkomst op, waardoor opdrachtgevers loonheffing en sociale premies verschuldigd zijn. Er wordt daarom ontraden om die modelovereenkomsten te gebruiken.

Moeten opdrachtgevers zelf overeenkomsten opstellen?

Wanneer opdrachtgevers zelf overeenkomsten opstellen, moet het duidelijk zijn of er sprake is van een dienstbetrekking of niet. Voor het opnemen van bepalingen kunnen ze gebruik maken van een overzicht op de website van de Belastingdienst, waarin staat aangegeven welke bepalingen zouden duiden op een dienstbetrekking. De hoofdregel is dat wanneer er sprake is van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst, er ook sprake is van een dienstbetrekking voor de heffing van loonbelasting en de afdracht van sociale premies.

Hoe kunnen opdrachtgevers hun risico beperken?

Nu iedere arbeidsrelatie anders is, is het voor de Belastingdienst niet mogelijk om steekproefsgewijs controles uit te voeren. Iedere relatie dient op een andere manier beoordeeld te worden. Om als opdrachtgever te voorkomen dat er sprake is van een dienstbetrekking in fiscaal of arbeidsrechtelijk opzicht, is het handig om een maatwerkovereenkomst op te stellen. Mocht er toch sprake zijn van een dienstbetrekking, dan kan het incassorisico beperkt worden door goede vrijwaringsclausules in de overeenkomst op te nemen en kan men door middel van onderzoek achterhalen of er niet al een deel van de premies is betaald via de inkomstenbelasting.

Hoe kijkt de opdrachtnemer tegen de wettelijke bepaling?

Wanneer de opdrachtgever informatie van de opdrachtnemer nodig heeft, dan kan die informatie via de rechter afgedwongen worden. Door de nieuwe Wet DBA is de opdrachtnemer, als achteraf vast komt te staan dat er sprake is van een dienstbetrekking, wel verzekerd voor de werknemersverzekeringen, wat in de oude wet nog niet zo was. Kortom, door de invoering van de Wet DBA verbetert de positie van de Belastingdienst en verslechtert de positie van de opdrachtgever.

Onzekerheid voor zzp’ers blijft bestaan - Anne Corré & Anne-Marijn van der Kaaden - Artikel

Onzekerheid voor zzp’ers blijft bestaan - Anne Corré & Anne-Marijn van der Kaaden - Artikel

‘Blijft de onzekerheid voor zzp’ers bestaan?’

Door de invoering van de Wet DBA is het binnenhalen van zelfstandigen lastiger, aangezien er meer administratie gedaan moet worden. Met de invoering van deze wet overwegen veel ondernemers om te stoppen als zelfstandige. Het is namelijk lastiger geworden om opdrachten te krijgen.

Is er onrust onder de zzp’ers?

Staatssecretaris Wiebes besloot om de handhaving van de Wet DBA uit te stellen tot 2018, wat tot veel onduidelijkheid en onzekerheid heeft geleid onder de zelfstandigen. Uit angst voor naheffingen stoppen veel werkgevers hierdoor met het inhuren van zzp’ers. Volgens Wiebes moeten alleen de kwaadwillende ondernemers die met schijnconstructies werken bang zijn voor boetes en is de onzekerheid nergens voor nodig.

Wat kunnen werkgevers doen?

Volgens Wiebes vindt de handhaving nog steeds plaats bij de werkgevers. Om te voorkomen dat er sprake is van schijnzelfstandigheid, dienen werkgevers een payroll-constructie in te voeren, waarbij de zelfstandige in dienst is van een payroll-onderneming, die de salarisadministratie beheert. Volgens ZZP Nederland is het niet van deze tijd dat een zelfstandige aan dient te tonen dat hij geen werknemer is. Zelfstandige ondernemers verdienen volgens hen een eigen rechtspositie, waardoor er een wettelijk onderscheid moet komen tussen de zelfstandigen die werken in opdracht van bedrijven en de zelfstandigen die diensten verlenen aan particulieren.

 

 

 

 

Witwassen, ontneming & fiscale delicten anno 2016 - V.S. Huygen van Dyck – Jagersma - Artikel

Witwassen, ontneming & fiscale delicten anno 2016 - V.S. Huygen van Dyck – Jagersma - Artikel

‘Hoe worden fiscale delicten bestreden?’

Voordeel bij fiscale delicten, zoals belastingfraude, wordt niet verkregen, maar behouden. De niet betaalde belastingen worden witgewassen, waardoor een fiscaal delict wordt gepleegd.

Welk deel van het vermogen kan worden witgewassen?

De Hoge Raad heeft in het Besmettingsarrest bepaald dat een vermogen in zijn geheel besmet kan raken door toevoeging van een zwart deel. Vanaf dat moment wordt elke handeling met dat vermogen aangemerkt als witwassen. Of het gehele vermogen door het zwarte deel wordt besmet, hangt af van de omvang en de ouderdom van het zwarte deel. Naarmate het zwarte deel kleiner is, is het lastiger te bewijzen dat het betreffende voorwerp (voor een deel) uit een misdrijf afkomstig is. Bij elke witwashandeling zal afzonderlijk moeten worden bewezen dat er zwart vermogen bij betrokken is.

Wat zijn de gevolgen van de besmettingsleer?

Volgens de besmettingsleer kan het gehele vermogen als deels uit misdrijven afkomstig worden witgewassen. De Hoge Raad stelt echter dat wanneer een vermogen volledig deels uit misdrijven afkomstig is, dat niet betekent dat het gehele vermogen van enig misdrijf afkomstig is. Dat een deel zwart is, betekent dus niet dat het gehele vermogen daarmee zwart is. Dat het zwarte deel niet meer individualiseerbaar is, betekent niet dat het zwarte deel niet meer bepaald kan worden. Om te bepalen hoeveel er is witgewassen, dient men niet te kijken naar het totale besmette vermogen, maar naar het zwarte deel daarvan.

Hoe ontneemt men opbrengsten uit fiscale delicten?

Voordeel uit fiscale delicten kunnen niet worden ontnomen, omdat de fiscus al bevoegdheden heeft om niet betaalde belastingen alsnog te heffen en te incasseren. Fiscale voordelen dienen te worden geïnd via de fiscale weg, omdat de ontneming van voordelen geen invloed heeft op de bevoegdheid om belastingen te heffen. Pas wanneer het gaat om opbrengsten uit zuivere fiscale delicten, kan de ontnemingsrechter niet meer ontnemen. De kwalificatie van een delict zegt echter weinig over de vraag of het voordeel is genoten ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

Wat zijn opbrengsten uit fiscale delicten?

Voordelen die behaald zijn uit ontdoken vermogensbestanddelen kunnen worden aangemerkt als opbrengsten van fiscale delicten waarvoor de ontnemingsexceptie geldt. Toch kan een veroordeling voor witwassen er wel toe leiden dat er strafrechtelijke ontneming mogelijk is. Een vervolgprofijt is niet altijd een opbrengst uit een fiscaal delict volgens de Hoge Raad. Het verkrijgen van een vervolgprofijt kan namelijk ook los staan van een witwashandeling. Volgens de Hoge Raad is er niet per definitie sprake van witwassen, wanneer een verdachte zwart geld op een rekening stort en er verder niets mee doet. Het vervolgrendement op het verzwegen vermogen staat daarmee los van een aanvullende witwashandeling. Het kwalificeren van een delict als witwassen, maakt een voordeel uit een fiscaal delict nog geen opbrengst uit witwassen.

Kan er ontnomen worden uit verjaarde feiten?

De Hoge Raad stelt dat verjaarde feiten niet in de weg staan aan de mogelijkheid om voor die feiten te ontnemen. Ondanks het feit dat ontneming als maatregel wordt aangemerkt, heeft het toch een strafbare vorm, waarmee ontneming na verjaring in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De wetgever heeft een verjaringstermijn van uiterlijk twaalf jaren ingevoerd, waarmee aansluiting is gevonden bij de termijn waarbinnen strafrechtelijke vervolging nog mogelijk is. Gelet op het nationale en verdragsrechtelijke legaliteitsbeginsel, zou verjaring wel aan ontneming in de weg moeten staan, ondanks de uitspraak van de Hoge Raad.

Ontbinding van een consumentenkoop levering van een gebrekkige zaak - F.P.C. Strijbos - Artikel

Ontbinding van een consumentenkoop levering van een gebrekkige zaak - F.P.C. Strijbos - Artikel

‘Kan een consumentenkoop worden ontbonden indien de zaak gebrekkig is?’

Een koper kan de koopovereenkomst ontbinden onder bepaalde omstandigheden op grond van artikel 6:265 BW of in geval van een consumentenkoop op grond van artikel 7:22 BW. De verkoper dient voor ontbinding wel in verzuim te zijn en nakoming moet blijvend of tijdelijk onmogelijk zijn. De koper kan als alternatief ook van de verkoper eisen dat de zaak wordt vervangen of hersteld. In geval van een consumentenkoop zal de koper de verkoper eerst de mogelijkheid moeten bieden – wat in elke vorm kan geschieden – om de zaak te herstellen, voordat er over wordt gegaan tot ontbinding. Bij een koop in de zin van artikel 6:265 BW moet er eerst een schriftelijke ingebrekestelling worden gestuurd naar de verkoper, waarmee hem de mogelijkheid wordt geboden om de zaak te herstellen. Consumentenkoop in de zin van artikel 7:22 BW en koop in de zin van artikel 6:265 BW verschillen dus niet veel van elkaar, maar toch staat de mogelijkheid op ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW vaak eerder open dan de mogelijkheid van artikel 7:22 BW.

Kan een consumentkoper ontbinden via artikel 6:265 BW?

Indien uit handelingen van de verkoper blijkt dat hij niet meer na kan komen, dan is ontbinding op grond van artikel 6:265 BW mogelijk, maar ontbinding op grond van artikel 7:22 BW nog niet, omdat het verhelpen van de non-conformiteit theoretisch gezien nog mogelijk is.

Heeft de bevoegdheid van artikel 7:22 BW exclusieve werking?

Ook bij een consumentenkoop is de algemene ontbindingsregeling van artikel 6:265 BW van toepassing. De mogelijkheid tot ontbinding is weliswaar subsidiair aan het verzoek tot vervanging of herstel, maar die regeling is niet dwingend. De Europese Richtlijn is uitgegaan van minimumbescherming. Het is aan de nationale wetgever om meer bescherming te bieden en is dus niet verplicht om artikel 7:22 BW exclusieve werking toe te kennen. Uit de jurisprudentie blijkt geen eenduidig oordeel over de exclusiviteit van artikel 7:22 BW, waardoor artikel 6:265 BW altijd als restartikel gebruikt kan worden.

Kan de herstelverplichting als zelfstandige grondslag gelden?

Het conformiteitsvereiste duidt op het feit dat de verkoper in de eerste plaats een zaak dient af te leveren die aan de overeenkomst voldoet en in de tweede plaats – indien de zaak niet blijkt te voldoen – ervoor moet zorgen dat er alsnog aan de overeenkomst wordt voldaan door de zaak te vervangen of te herstellen. Indien de verkoper door niet nakoming in verzuim treedt, dan kan de overeenkomst ontbonden worden. De herstelverplichting geldt niet als zelfstandige grondslag, nu artikel 6:265 BW ook ingezet kan worden, wanneer de verplichting van artikel 7:21 lid 3 BW is geschonden.

Hanteren we een Unierechtelijk verzuimbegrip?

Een richtlijn is slechts verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, zodat de nationale wetgever de wijze van implementatie kan kiezen die het meest in de buurt komt van het nationale recht. De nationale middelen moeten echter wel gelijkwaardig zijn. De stelsels die de nationale wetgever kan invoeren, moeten dus wel in lijn zijn met de minimumbescherming die de Richtlijn biedt, maar men kan nationaal meer bescherming bieden.

 

De “gratis” telefoon die niet gratis was... en dat toch werd? - M.R. Hebly & I. Tillema - Artikel

De “gratis” telefoon die niet gratis was... en dat toch werd? - M.R. Hebly & I. Tillema - Artikel

‘Wat werd er bepaald in Lindorff/ Nazier?’

In het arrest Lindorff/ Statia heeft de Hoge Raad bepaald dat een telefoonabonnement waarbij aan de consument een gratis telefoon is verstrekt, in beginsel te kwalificeren is als een koop op afbetaling, waarbij een krediettransactie en een kredietovereenkomst van toepassing is, welke vernietigd kan worden indien dit in strijd is met de toepasselijke wetgeving. In het arrest Lindorff/ Nazier heeft de Hoge Raad bepaald dat dergelijke overeenkomsten ook ambtshalve vernietigd kunnen worden.

Wat werd er bepaald in Lindorff/ Statia?

De Hoge Raad werd in dit arrest de vraag voorgelegd of een telefoonabonnement inclusief toestel kon worden aangemerkt als een consumentenkrediet of als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW. Nu de abonnementsgelden strekken tot afbetaling van de koopprijs van de mobiele telefoon, moet een telefoonabonnement inclusief toestel worden aangemerkt als een kredietovereenkomst. De consument kan hierdoor de overeenkomst vernietigen, tenzij de verkoper kan bewijzen dat het toestel echt gratis was. De overeenkomst kan in stand blijven wat betreft de telecommunicatiedienst, maar kan worden vernietigd ten aanzien van het toestel.

Wat was het gevolg in Lindorff/ Nazier?

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer een overeenkomst slechts een all-inprijs vermeldt, er niet voldaan is aan de wettelijke vereisten dat de te betalen prijs voor de telefoon afzonderlijk moet worden vermeld in de zin van artikel 7:61 lid 2 BW. Indien de overeenkomst daarmee als kredietovereenkomst moet worden aangemerkt, dient de rechter ambtshalve te toetsen of de partijen hebben voldaan aan de wettelijke vereisten, waarna de overeenkomst eventueel ambtshalve kan worden vernietigd. Als gevolg daarvan zal de telefoonaanbieder het deel wat de consument heeft betaald voor de koop van het toestel moeten retourneren, waarna de consument het toestel in de staat waarop die in dat moment verkeert, terug dient te geven.

Welke verplichtingen ontstaan er na vernietiging?

De aanbieder moet bij een gedeeltelijke vernietiging teruggeven wat hij in verband met het toestel heeft ontvangen, maar de belcomponent blijft wel geldig, waardoor de consument daarvoor nog wel dient te betalen. Aangezien het in veel gevallen onduidelijk is wat de prijs voor de belcomponent was, kan aansluiting worden gevonden in artikel 7:4 BW, welke bepaalt dat de consument een redelijke prijs verschuldigd is.

Hoe wordt de redelijke prijs vastgesteld?

De redelijke prijs kan worden gevonden door de prijs te vergelijken met het sim-onlytarief, door de verkoopwaardemethode te hanteren of door een gecombineerde methode te gebruiken. Bij de sim-onlymethode wordt de belcomponent gelijkgesteld aan het sim-onlytarief en kan aan de hand daarvan ook het toestelcomponent worden berekend. Bij de verkoopwaardebenadering wordt de toestelcomponent gelijkgesteld aan de verkoopwaarde van het toestel ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en bij de gecombineerde methode worden zowel de verkoopwaarde, als de prijzen van een vergelijkbaar sim-onlyabonnement gebruikt.

Welke verplichtingen ontstaan er voor de consument?

De consument zal het telefoontoestel terug moeten geven. De Hoge Raad heeft bepaald dat de staat waarin de telefoon op dat moment verkeert voldoet, aangezien de consument geen rekening behoefde te houden met een teruggaveverplichting. De vermindering van de waarde vanaf het moment dat de consument met de teruggaveverplichting bekend is geworden, komt wel voor rekening van de consument. Indien de consument het toestel niet wenst terug te geven, is hij verplicht om een schadevergoeding ter hoogte van de toestelwaarde te betalen. Die vergoeding kan worden verrekend met hetgeen de aanbieder aan de consument dient terug te betalen. De consument zal dan wel eerst in verzuim moeten verkeren. Indien teruggave niet blijvend onmogelijk is, dient er eerst een schriftelijke ingebrekestelling te worden verstuurd. Wanneer de consument niet meer over het toestel beschikt, dient de dagwaarde te worden vastgesteld als schadevergoeding.

Wat zijn de consequenties van Lindorff/ Nazier?

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton ontwierp twee routes voor het vaststellen van de schadevergoeding. Volgens de lange route wordt er een redelijke wettelijke schadevergoeding berekend en volgens de korte route wordt de bedongen schadevergoeding gematigd, zodat deze niet langer onredelijk is. Bij de lange route werd de abonnementsprijs gesplitst in een belcomponent en een toestelcomponent en bij de korte route beperkte de aanbieder de vordering tot 75% van de resterende abonnementstermijnen.

Is de consumentenbescherming doeltreffend?

Vernietiging van de overeenkomst is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, nu de aanbieder niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen. Dat de consument nu in sommige gevallen de beschikking heeft gekregen over een toestel zonder daarvoor te hoeven betalen, doet daar niets aan af. Doeltreffende consumentenbescherming brengt echter ook met zich mee dat de kwaliteit van de belangenbehartiging wordt gewaarborgd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Slecht huurderschap, gedragsaanwijzingen en het huurrecht - M. Vols - Artikel

Slecht huurderschap, gedragsaanwijzingen en het huurrecht - M. Vols - Artikel

‘Wat is de rol van gedragsaanwijzingen?’

Bij overlast van huurders maken woningcorporaties gebruik van de mogelijkheden uit het huurrecht. In de eerste fase zullen zij gesprekken voeren met de huurder en de omwonenden. In de tweede fase zal men bewijs verzamelen tegen de huurder. In de derde fase zal de woningcorporatie de huurovereenkomst ontbinden op grond van artikel 6:265 BW. In de vierde fase zal er nieuw onderdak worden gezocht voor de overlastgever, mogelijk via een laatste kans overeenkomst. In plaats van bewijs verzamelen in de tweede fase, kan men ook overgaan tot het opleggen van vrijwillige gedragsaanwijzingen.

Zijn gedragsaanwijzingen succesvol?

Een gedragsaanwijzing moet de verhouding tussen de huurder, de verhuurder en de omwonenden verbeteren. Ook dient het te voorkomen dat de huurder uit zijn woning wordt gezet. Voorbeelden van gedragsaanwijzingen zijn: het niet toestaan van bepaalde personen in de woning, nuttige dagbesteding in de vorm van vrijwilligerswerk, etc. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan dat leiden tot een boete of tot ontruiming van de woning. In veel gevallen bleek de overlast te zijn gestopt na het opleggen van gedragsaanwijzingen. Ook worden hierdoor kosten bespaard, omdat ontruiming hiermee wordt voorkomen.

Welke rechtsregels blijken uit de jurisprudentie?

Wanneer de huurder de vrijwillige gedragsaanwijzingen niet naleeft, zal de verhuurder vaak alsnog overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. In veel gevallen zullen de huurders voldoen aan de gedragsaanwijzingen, maar in sommige gevallen zal het leiden tot onvrijwillige aanwijzingen, opgelegd door de verhuurders. In dat geval gaat het vaak om aanwijzingen ten aanzien van vervuiling, overlast vanwege het houden van dieren, geluidshinder, geweld en drugsgerelateerde overlast, overlast door verwarde huurders en overlast door derden. Een andere manier om de huurder te prikkelen tot het naleven van de gedragsaanwijzingen, is voorwaardelijke ontruiming. Ondanks het feit dat een gedragsaanwijzing in sommige gevallen een grote inbreuk maakt op de persoonlijk levenssfeer, zal de huurder bij niet-naleving van die aanwijzingen toch vaak een nadelige positie innemen, wanneer er over wordt gegaan tot ontruiming van de woning. In de toekomst zal onderzocht moeten worden of bepaalde gedragsaanwijzingen niet te diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van de huurder en daarmee onrechtmatig zijn.

Degene die weet dat hij te laat aanvaardt, vist achter het net - G.J. Boeve - Artikel

Degene die weet dat hij te laat aanvaardt, vist achter het net - G.J. Boeve - Artikel

‘Kan een vervallen aanvaarding nog worden aanvaard?’

Wanneer een aanbod is vervallen, kan er toch nog een overeenkomst tot stand komen, wanneer de aanbieder de aanvaarding toch nog accepteert of als de wederpartij niet wist dat hij te laat heeft aanvaard en dit ook niet behoefde te weten.

Hoe komen overeenkomsten tot stand?

Op grond van artikel 6:217 lid 1 BW komen overeenkomsten tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan. Een mondeling aanbod vervalt als het niet direct wordt geaccepteerd, zo blijkt uit artikel 6:221 lid 1 BW. Een schriftelijk aanbod dient daarentegen binnen een redelijke termijn aanvaard te worden. Wanneer er een termijn is vastgesteld, kan de aanbieder het aanbod normaliter niet herroepen blijkens artikel 6:219 lid 1 BW. Toch kan een vervallen aanbod alsnog worden aanvaard, wanneer de aanbieder aan de wederpartij laat weten dat het aanbod alsnog als tijdig wordt aangemerkt of wanneer het voor de wederpartij niet duidelijk was dat het aanvaarding te laat geschiedde. In een dergelijk geval kan de aanbieder bepalen dat de aanvaarding alsnog te laat is geschied en er dus alsnog geen overeenkomst tot stand is gekomen.

Hoe kijkt de Hoge Raad tegen dit leerstuk aan?

De Hoge Raad heeft bepaald dat het risico van te late aanvaarding wordt verdeeld over de partijen, in overeenstemming met het vertrouwensbeginsel. De aanbieder dient, wanneer hij weet of kan weten dat de wederpartij denkt dat hij alsnog tijdig heeft aanvaard, de wederpartij direct mee te delen dat er geen sprake is van een tijdige aanvaarding. Indien dat niet gebeurt, dan mag de wederpartij er vanuit gaan dat hij alsnog tijdig heeft aanvaard.

 

 

 

 

 

 

Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden? - L.A.G.M. van der Geld - Artikel

Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden? - L.A.G.M. van der Geld - Artikel

‘Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden?’

Sinds de invoering van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden kunnen erfgenamen op grond van artikel 4:194a BW een machtiging aan de kantonrechter vragen voor beneficiaire aanvaarding voor onverwachte schulden. Artikel 4:192 lid 1 BW moet daarentegen voorkomen dat erfgenamen onbewust een nalatenschap zuiver aanvaarden. Schuldeisers worden zodoende beschermd tegen benadeling door erfgenamen. Erfgenamen dienen voordat ze een keuze maken over het al dan niet aanvaarden van het nalatenschap, de nalatenschap te beheren, wat geen zuivere aanvaarding met zich meebrengt, om zo benadeling van boedelschuldeisers te voorkomen. Wanneer de erfgenaam buiten de beheersbevoegdheden treedt, dan is er wel sprake van zuivere aanvaarding.

Welke gedragingen leiden tot zuivere aanvaarding?

Wanneer de erfgenaam bewust ingrijpende beschikkingshandelingen verricht, dan wordt de erfgenaam als beschikker van de nalatenschap aangemerkt en is er sprake van zuivere aanvaarding. Indien de erfgenaam goederen meeneemt met een emotionele waarde, dan is er geen sprake van een zuivere aanvaarding. In een bepaald arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat handelingen die erop gericht zijn de erflater een passende uitvaart te bezorgen, strekken naar hun aard niet ertoe ten eigen bate over nalatenschapsgoederen te beschikken.

Wanneer constateert de notaris zuivere aanvaarding?

Voorheen konden erfgenamen de nalatenschap zuiver aanvaarden, door een verklaring van de notaris te ondertekenen. Tegenwoordig is het al voldoende dat de erfgenaam over de goederen uit de nalatenschap beschikt. Tevens is het mogelijk om zuiver te aanvaarden, door griffierechten te betalen bij de rechtbank. Indien men de bewoordingen in de verklaring van de notaris wijzigt, zou het nog steeds mogelijk kunnen zijn om via de notaris zuiver te aanvaarden. De notaris dient dan echter wel te onderzoeken of de erfgenaam niet al reeds beschikkingshandelingen verricht.

 

Wanneer spreekt men van onverwachte schulden?

Artikel 4:194a BW beschermt de erfgenamen tegen onverwachte schulden van de nalatenschap die hij niet kende of behoorde te kennen. Het gaat dan om een nalatenschap die zuiver is aanvaard. Men kan dan nog tot drie maanden na ontdekking van de schulden bescherming verkrijgen, indien de schuld wordt ontdekt na de aanvaarding en voor de verdeling of vereffening of indien de schuld wordt ontdekt na de vereffening of verdeling van de nalatenschap. Wanneer de erfgenaam bescherming wil, dient hij een verzoekschrift naar de kantonrechter te sturen. Als de kantonrechter het eens is met de erfgenaam, biedt hij hem de mogelijkheid om alsnog beneficiair te aanvaarden of zal de erfgenaam ontheft worden uit de verplichting om de schuld uit eigen boedel te betalen.

Welke schulden zijn onverwacht?

Een onverwachte schuld is een schuld die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaarde. Het moet dus gaan om goede trouw. Op de erfgenaam rust een verplichting om onder andere in de administratie te onderzoeken of er schulden zijn. Wanneer de erfgenaam bekend is met de schuld, maar niet met de hoogte daarvan, is er geen sprake van een onverwachte schuld. Indien de erfgenaam verkeerd wordt ingelicht, kan men wel een beroep doen op de onverwachte schuld. In de toekomst zal men ook online schulden moeten onderzoeken.

 

 

Eigendomsvoorbehoud: de inwerking van een contract op goederenrecht - J.H.M. Spanjaard - Artikel

Eigendomsvoorbehoud: de inwerking van een contract op goederenrecht - J.H.M. Spanjaard - Artikel

‘Hoe werkt het eigendomsvoorbehoud?’

Artikel 3:92 BW regelt het eigendomsvoorbehoud. Volgens dit artikel kan de overdacht worden opgeschort, tot de verschuldigde prestatie is voldaan. In het Reuser-arrest ging het om de vraag of er een pandrecht kan worden gevestigd op een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak, indien het voorbehoud zich nog niet heeft verwezenlijkt? Op grond van artikel 35 lid 1 Fw kan de levering niet rechtsgeldig plaatsvinden, op het moment dat nog niet alle leveringshandelingen verricht zijn. De Hoge Raad heeft gesteld dat daar geen sprake van is, nu het systeem van artikel 3:84 lid 4 BW ervoor zorgt dat er door de levering al een goederenrechtelijke positie is verkregen met betrekking tot in de eigendom voorbehouden zaak, waardoor hij al over het goed kan beschikken. Hierdoor heeft de bezitter een voorwaardelijk eigendomsrecht gekregen. Het pandrecht is dus al reeds gevestigd onder opschortende voorwaarden van eigendomsverkrijging van de pandgever.

Wat zijn de gevolgen van Rabobank/ Reuser?

Indien de opschortende voorwaarde van het eigendomsvoorbehoud in vervulling gaat, verkrijgt men het pandrecht dat men aan de curator, als separatist, kan tegenwerken. De koper dient onder ontbindende voorwaarde de zaak rechtsgeldig te verpanden, nu de eigendomsoverdracht onvoorwaardelijk zal zijn totdat de ontbindende voorwaarde is ingetreden. Indien er sprake was van een faillissement was het gebruikelijk dat de curator onderzocht wat er aan koopsom openstond om de zaak, waar eigendomsvoorbehoud op rustte, te verkopen. Door het arrest Rabobank/ Reuser moet de curator nu eerst onderzoeken of de inventaris en de voorraden verpand zijn.

Hoe werkt het eigendomsvoorbehoud in Engeland?

Een koopcontract hoeft in Engeland minder omvangrijk te zijn dan in Nederland, omdat de wet veel zaken regelt. Een overeenkomst waarbij de eigendom wordt voorbehouden, een termijn voor betaling van de koopprijs wordt gegund, maar de koper in spe de zaak wel mag verbruiken in afwachting van de eigendomsoverdracht, moet worden aangemerkt als een overeenkomst sui generis. Naar Engels recht is een overeenkomst niet een koopovereenkomst in de zin van de SOGA, wanneer de zaak al mag worden verbruikt, voordat de eigendom naar de koper is overgegaan. Indien de SOGA niet ambtshalve van toepassing is, dienen partijen bepalingen uit de SOGA in hun overeenkomst op te nemen.

 

De statutaire bestuurder in de Wet werk en Zekerheid - R.M. Beltzer & R. D. Rietveld - Artikel

De statutaire bestuurder in de Wet werk en Zekerheid - R.M. Beltzer & R. D. Rietveld - Artikel

‘Welke positie bekleedt de statutair bestuurder?’

De positie van de statutair bestuurder in het Nederlandse recht is duaal. Enerzijds is zij het bevoegde orgaan van de vennootschap en anderzijds is er sprake van een arbeidsovereenkomst, indien aan de eisen uit artikel 7:610 BW wordt voldaan. Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is er weinig veranderd voor de positie van de statutair bestuurder.

Wat verandert de nieuwe Wet Werk en Zekerheid?

Artikel 7:668 BW ziet op de informatieplicht, waarmee wordt bedoeld dat de werkgever een maand voor de overeengekomen einddatum van de arbeidsovereenkomst de werknemer moet informeren of de overeenkomst wordt voortgezet of niet. Hiermee wordt de werknemer meer zekerheid geboden. Ten aanzien van de statutair bestuurder heeft de algemene vergadering van aandeelhouders de bevoegdheid om hem de benoemen en te ontslaan. Een concurrentiebeding geldt na een arbeidsovereenkomst niet, wanneer de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Sinds de nieuwe Wet Werk en Zekerheid is de werknemer ook gebonden aan het concurrentiebeding, wanneer de werkgever niet de juiste opzegtermijn heeft gehanteerd. Dit geldt zowel voor de werknemer als voor de statutair bestuurder. Ten aanzien van de statutair bestuurder kent de ketenregeling van artikel 7:668a BW ruimere afwijkingsmogelijkheden. De werknemer heeft daarnaast het recht om zonder opgave van redenen de instemming met de opzegging van de arbeidsovereenkomst in te trekken. Die mogelijkheid kent deze mogelijkheid niet. Voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de statutair bestuurder is geen toestemming van het UWV nodig en evenmin hoeft de ontbinding door de rechtbank te geschieden. Wel moet er een redelijke grond zijn voor het ontslag van de bestuurder.

Welke opzegverboden gelden ten aanzien van de bestuurder?

In de 15-april arresten heeft de Hoge Raad bepaald dat de gevolgen van het ontslagbesluit voor de arbeidsovereenkomst van een statutair bestuurder moeten worden bepaald aan de hand van de inhoud van de arbeidsovereenkomst en de wettelijke bepalingen die daarop van toepassing zijn. Met het ontslagbesluit wordt zodoende ook een einde gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding, tenzij een wettelijk opzegverbod zich tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst verzet of partijen anders zijn overeengekomen. Het is dus niet nodig dat de algemene vergadering van aandeelhouders uitdrukkelijk een melding maakt van het arbeidsrechtelijke ontslag van een statutair bestuurder. Ook wanneer de statutair bestuurder zelf ontslag neemt, verbreekt hij hiermee ook de arbeidsrechtelijke overeenkomst. Voor een rechtsgeldige beëindiging is echter wel een grond vereist zoals genoemd in artikel 7:669 BW.

Welke regels gelden bij schorsing tijdens de opzegtermijn?

In het arrest Van der Gulik/ Vissers en Partners heeft de Hoge Raad bepaald dat het loonrisico bij de werkgever ligt, waardoor het niet tewerkstellen van de werknemer de verplichting aan de werkgever geeft tot het doorbetalen van loon. In geval van wangedrag, kan de loondoorbetaling echter wel degelijk worden stopgezet. Bij een schorsing is het echter niet mogelijk.

Wat zijn redelijke gronden voor ontslag en herplaatsing?

In het arrest Meijers/ Mast Holding heeft de Hoge Raad bepaald dat ontslag van een statutair bestuurder kennelijk onredelijk kan zijn, wanneer het gewenste beleid van de algemene vergadering van aandeelhouders is geweigerd. Voordat men over kan gaan tot ontslag, moet er sprake zijn van een redelijke grond en dient herplaatsing niet mogelijk te zijn. Indien de werknemer ontslagen wordt wegens disfunctioneren, dan moet dat disfunctioneren blijken uit gesprekken met de werkgever. De werknemer moet daarbij voldoende kansen hebben gehad om zichzelf te verbeteren. Indien de werknemer wordt ontslagen wegens verwijtbaar handelen, dan dient er sprake te zijn van verwijtbaar handelen of nalaten, wat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Voor ontslag wegens verwijtbaar handelen dienen alle omstandigheden van het geval mee te worden gewogen. Ook dient de werknemer te zijn gewaarschuwd voor het ontslag. Indien de werknemer wordt ontslagen op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, dan dient die verhouding ernstig en duurzaam verstoord te zijn. Indien de band tussen de algemene vergadering van aandeelhouders en de bestuurder onherstelbaar is beschadigd, dan wordt de arbeidsovereenkomst in ieder geval ontbonden, zo blijkt uit de Asscher-escape. Ontslag kan ook volgen op andere gronden, maar daar worden strenge eisen aan gesteld. Artikel 7:611a BW geeft de werkgever de verplichting om e werknemer in staat te stellen om scholing te volgen ten behoeve van de herplaatsing.

Heeft men recht op een vergoeding bij ontslag?

Iedere werknemer die langer dan 24 maanden heeft gewerkt, heeft recht op een transitievergoeding bij ontslag, mits de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, tenzij de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ook bestaat er geen recht op een transitievergoeding wanneer de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en wanneer de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt. Wanneer de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met artikel 7:669 BW of het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werkgever de werknemer ook nog een billijke vergoeding te betalen. De hoogte van de transitievergoeding wordt bepaald door het aantal dienstjaren en de hoogte van de billijke vergoeding hangt samen met de verwijtbaarheid van de werkgever.

 

 

 

De Managementovereenkomst - J. Trap - Artikel

De Managementovereenkomst - J. Trap - Artikel

‘Wat is een managementovereenkomst?’

Een managementovereenkomst kan worden aangemerkt als een overeenkomst op grond waarvan buiten een arbeidsovereenkomst tegen beloning taken worden verricht. Het kan dus worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW.

Wanneer gaat men een managementovereenkomst aan?

Het sluiten van een managementovereenkomst is vormvrij en wordt voornamelijk gesloten tussen een vennootschap en een statutaire bestuurder. Dit kan in drie varianten: een overeenkomst van opdracht tussen de vennootschap en de persoon van de bestuurder, een overeenkomst van opdracht tussen de vennootschap en een andere vennootschap (vaak aangeduid als management BV) of het benoemen van een management BV als bestuurder. Een rechtspersoon kan op grond van artikel 2:1 BW ook bestuurder zijn van een andere rechtspersoon.

Wat zijn duale rechtsbetrekkingen?

De bestuurder die gebonden is aan een managementovereenkomst wordt geacht om een duale rechtsbetrekking na te leven met zijn vennootschap. In het geval van een overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, is er sprake van een contractuele band. In het geval van een overeenkomst tussen de vennootschap en een management BV, is er sprake van een contractuele band tussen de vennootschap en de bestuurder en een vennootschapsrechtelijke band tussen beide vennootschappen. In het geval de management BV de bestuurder benoemt, bestaat er tussen de vennootschap en de management BV zowel een contractuele als een vennootschapsrechtelijke band.

Hoe werkt een bestuurder bij een beursfonds?

Een natuurlijke persoon zal vaak als bestuurder worden benoemd bij een beursfonds. De relatie tussen de vennootschap en de bestuurder wordt echter niet aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, maar als een overeenkomst van opdracht. Toch heeft het vaak wel de vorm van een pseudo-arbeidsovereenkomst, omdat de arbeidsvoorwaarden wel van toepassing zijn.

Waarom een managementovereenkomst?

Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is de positie van de bestuurder-werknemer vooruit gegaan, waardoor het niet langer aantrekkelijk is om een managementovereenkomst aan te gaan. Wanneer men als bestuurder van een niet-beursfonds toch een managementovereenkomst afsluit, dan ligt het initiatief daarvan vaak bij de vennootschap, zodat die weinig verplichtingen heeft tegenover de bestuurder.

Waarom een management BV?

Men besluit vaak tot het oprichten van een management BV om fiscale redenen, omdat er dan geen loonbelasting en sociale premies aan de management BV betaald hoeven te worden. Daarbij is de bestuurder ook niet persoonlijk aansprakelijk voor schulden met de tussenkomst van een management BV.

Biedt een management BV zekerheid?

In het arrest Thuiszorg Rotterdam/ PGGM heeft de Hoge Raad bepaald dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen een rechtspersoon en de bestuurder die via een management BV voor die rechtspersoon werkzaam was. Mede door het feit dat een dergelijke overeenkomst veel arbeidsrechtelijke bepalingen omvat, kan het worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

Hoe wordt een managementovereenkomst beëindigd?

Een managementovereenkomst kan te allen tijde worden opgezegd. Vaak wordt er wel een opzegtermijn overeengekomen. Omdat er sprake is van een overeenkomst van opdracht, kent men geen opzegverboden. Onder omstandigheden is de opdrachtgever verplicht om de opdrachtnemer een schadevergoeding te betalen.

Wat zijn de gevolgen voor het bestuurderschap?

Wanneer de vennootschap de managementovereenkomst met de bestuurder opzegt, is er niet per definitie sprake van een einde van het bestuurderschap. De bestuurder zal dan eerst expliciet zijn zijn statutaire bevoegdheden neer moeten leggen. Voor het opzeggen van de managementovereenkomst met een management BV moeten er ook nog rechtshandelingen worden verricht.

Wat zeggen de 15-april arresten over deze overeenkomst?

Er zijn twee stromingen ten aanzien van de toepassing van de 15-april arresten op de managementovereenkomst. De ene stroming zegt dat ze wel naar analogie moeten worden toegepast en de andere stroming zegt van niet. Volgens de tegenstanders zagen de 15-april arresten enkel op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de vennootschap en de bestuurder en kan het dus niet worden toegepast op de managementovereenkomst. Voorstanders oordelen dat er zowel bij een arbeidsovereenkomst, als bij een managementovereenkomst sprake is van een duale, onsplitsbare rechtsbetrekking, waardoor de arresten ook betrekking dienen te hebben op de managementovereenkomst. De opdrachtovereenkomst zou dus moeten eindigen, op het moment dat de bestuurder is ontslagen. De rechter gaat vaak echter niet over tot toepassing naar analogie van de 15-april arresten.

De h-grond in de lagere rechtspraak: een verzameling van vreemde eenden - P. Disseldorp - Artikel

De h-grond in de lagere rechtspraak: een verzameling van vreemde eenden - P. Disseldorp - Artikel

‘op welke andere gronden kan de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd?’

Elke eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst is onderworpen aan een preventieve toets. Er dient namelijk een redelijke grond voor ontslag aanwezig te zijn, die opgesomd staan in artikel 7:669 lid 3 BW. In artikel 7:669 lid 3 sub h BW worden ‘andere gronden’ genoemd.

Hoe kijkt de wetgever tegen de h-grond aan?

Volgens de wetgever is de h-grond bedoeld voor situaties die niet onder de andere gronden van artikel 7:669 lid 3 BW vallen. Het dient dus niet ter compensatie van de andere gronden. De voorbeelden die de wetgever noemt zijn: de illegale werknemer, de werknemer die in detentie zit en de werknemer zonder tewerkstellingsvergunning.

Hoe kijkt de rechtspraak tegen de h-grond aan?

Onder omstandigheden kan men op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW de overeenkomst met een manager beëindigen, wanneer er een verschil van inzicht bestaat. Het verschil van inzicht moet wel betrekking hebben op het te voeren beleid van de werkgever en de partijen moeten het niet eens kunnen worden over het meningsverschil. De h-grond kan ook gebruikt worden in geval de werknemer niet over de juiste papieren beschikt of een bepaald examen niet heeft gehaald. Indien niet aan de herplaatsingsplicht kan worden voldaan, kan de werknemer dan worden ontslagen. Ook wanneer een arbeidsovereenkomst inhoudsloos is kan er worden overgegaan tot ontslag op andere gronden. De h-grond kan echter niet gebruikt worden om de andere ontslaggronden te omzeilen.

Wat is de verhouding met de ontbindende voorwaarde?

Bij een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst, eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege op het moment dat de voorwaarde zich voordoet. De ontbindende voorwaarde valt in beginsel niet goed te verenigen met de ontslaggrond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW, aangezien de toetsing daar moet geschieden door een onafhankelijke derde. Een ontbindende voorwaarde kan onder omstandigheden echter wel geldig zijn, wanneer deze past binnen een van de ontslaggronden genoemd in artikel 7:669 lid 3 BW.

 

 

De beroepsbeoefenaar die werkt vanuit een maatschap gaat privé vrijuit, tenzij.... - G.J. Boeve - Artikel

De beroepsbeoefenaar die werkt vanuit een maatschap gaat privé vrijuit, tenzij.... - G.J. Boeve - Artikel

‘Gaat de beroepsbeoefenaar die vanuit een maatschap werkt altijd privé vrijuit?’

De maatschap beschikt niet over rechtspersoonlijkheid, waardoor de maten in hun privévermogens aansprakelijk zijn voor schulden van de maatschap. Toch gaat de beroepsbeoefenaar in privé vrijuit, mits hij op de juiste wijze gecontracteerd is, tenzij hij zijn wettelijke zorgplicht als beroepsbeoefenaar schendt.

Wanneer is de maatschap aansprakelijk?

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een openbare maatschap, die voor derden op een duidelijk kenbare wijze deelnemen aan het rechtsverkeer, en de stille maatschap, die dat niet doet. Ondanks het feit dat de maatschap niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, wordt de gemeenschap van een maatschap wel beschouwd als een afgescheiden vermogen, waardoor schuldeisers van de openbare maatschap zich met voorrang boven de privéschuldeisers van de verschillende maten op dat gemeenschappelijke vermogen kunnen verhalen.

Wanneer is de maat afzonderlijk aansprakelijk?

Artikel 7A:1680 BW bepaalt dat de schuldeiser de maten van de maatschap met wie hij gehandeld heeft, voor gelijke delen in hun privévermogen kan aanspreken, tenzij een andere verdeling in het maatschapscontract is overeengekomen. In beginsel is de maat voor een gelijk deel aansprakelijk. Indien er sprake is van een overeenkomst van opdracht, is ieder van de maten in geval van een tekortkoming in de nakoming voor het geheel aansprakelijk, tenzij die tekortkoming niet aan hen kan worden toegerekend.

Op welke gronden kan de maat aansprakelijk zijn?

Wanneer een opdrachtgever een opdracht geeft aan de maatschap ten behoeve van een bepaald persoon, dan is die maat gehouden om de opdracht zelf uit te voeren en is hij daarvoor in zijn geheel aansprakelijk. Het gaat dan om hoofdelijke aansprakelijkheid. Een opdrachtgever kan ook een opdracht geven aan een beroepsbeoefenaar, zodat er een overeenkomst van opdracht ontstaat. De maatschap is dan niet als partij bij de overeenkomst betrokken. Op basis van artikel 7:404 BW wordt de maatschap via de beroepsbeoefenaar echter wel partij bij de overeenkomst.

Aan welke plichten moet de maat voldoen?

De beroepsbeoefenaar dient bij de uitvoering van de opdracht aan zijn zorgplicht te voldoen. Deze zorgplicht bestaat, ongeacht de vraag of hij handelt als maat of niet. Schending van de zorgplicht leidt tot een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Beroepsbeoefenaren kunnen ook een werkmaatschappij hebben die deelneemt als maat in de maatschap. De beroepsbeoefenaar is in dat geval de bestuurder en aandeelhouder van de werkmaatschappij. Dat een werkmaatschappij als maat deelneemt, betekent niet dat de beroepsbeoefenaar niet langer zelf aansprakelijk is voor het geheel in de zin van artikel 7:404 BW. De beroepsbeoefenaar kan echter niet persoonlijk aansprakelijk worden gehouden, wanneer de werkmaatschappij aansprakelijk is.

Welk onderscheid moet men in de praktijk maken?

In de praktijk dient men onderscheid te maken tussen de beroepsbeoefenaar in loondienst en de beroepsbeoefenaar die feitelijk maat is. De beroepsbeoefenaar die werkt vanuit een maatschap gaat in privé vrijuit, tenzij hij als feitelijk opdrachtnemer is aan te merken, dan wel zijn wettelijke zorgplicht als beroepsbeoefenaar schendt.

Statutaire (on)mogelijkheden van benoeming van bestuurders bij de BV - I. Meijer-Wagenaar - Artikel

Statutaire (on)mogelijkheden van benoeming van bestuurders bij de BV - I. Meijer-Wagenaar - Artikel

‘Welke statutaire mogelijkheden zijn er bij de benoeming van bestuurders?’

De bestuurder van een vennootschap is enerzijds orgaan en anderzijds werknemer middels een arbeidsovereenkomst. Volgens artikel 2:242 lid 1 BW kunnen bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders.

Hoe worden bestuurders benoemd?

In beginsel worden bestuurders benoemd bij de akte van oprichting, waarmee de vennootschap wordt opgericht of door de algemene vergadering van aandeelhouders. Na oprichting kunnen bestuurders worden benoemd door een daartoe bevoegd orgaan, de Ondernemingskamer of via een enquêteprocedure. Het is ook mogelijk dat iedere aandeelhouder een eigen bestuurder benoemt via artikel 2:228 lid 4 BW.

Welke kwaliteitseisen kent benoeming door de vergadering?

Wanneer de aandeelhouders aandelen hebben met dezelfde nominale waarde, brengt een ieder evenveel stemmen uit als aandelen op grond van artikel 2:228 lid 2 BW. Indien de nominale waarde niet gelijk is, heeft de aandeelhouder met aandelen met een hogere waarde meer stemrecht. Er kan ook een variabel stemrecht worden ontwikkeld, maar niet enkel voor de benoeming van bestuurders. De algemene vergadering kan eisen stellen aan de bestuurders. Wanneer de bestuurder niet meer aan de eisen voldoet, kan dat een grond voor ontslag opleveren. Onder omstandigheden kan de algemene vergadering de kwaliteitseisen terzijde schuiven. Op basis van artikel 2:243 lid 1 BW kan de benoeming geschieden uit een voordacht. Indien er geen bindende voordracht is, dan kan de algemene vergadering een ieder tot bestuurder benoemen.

Hoe geschiedt de benoeming bij joint ventures?

Op grond van artikel 2:242 lid 1 BW kan iedere joint venture zijn eigen bestuurder benoemen, indien de statuten bepalen dat bestuurders worden benoemd door een algemene vergadering van aandeelhouders. Ook hier kunnen er eisen worden gesteld aan de bestuurder. Wanneer men regels wil opstellen omtrent de besluitvorming, dan kan dat worden opgenomen in de statuten of in een reglement. Op grond van artikel 2:15 lid 1 BW is een besluitvorming vernietigbaar, wanneer er in strijd wordt gehandeld met de regels uit het reglement. Iedere aandeelhouder met stemrecht kan deelnemen aan de besluitvorming ten aanzien van de benoeming van een bestuurder.

Hoe werken stemrechtloze aandelen?

Op basis van artikel 2:228 lid 5 BW kan men stemrechtloze aandelen ontwikkelen. Stemrechtloze aandeelhouders hebben geen stemrecht, maar wel het recht om te vergaderen en de algemene vergadering bij te wonen. Stemrechtloze aandeelhouders hebben wel stemrecht in de beperkte groep aandeelhouders.

Hoe worden bestuurders ontslagen?

Op grond van artikel 2:244 lid 1 BW kan iedere bestuurder te allen tijde worden ontslagen en geschorst door het benoemingsorgaan. De bestuurder kan ook door een ander orgaan worden ontslagen, indien dat uit de statuten blijkt. Een joint venture die haar eigen bestuurder heeft benoemd, kan hem ook weer ontslaan. Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW heeft de bestuurder een raadgevende stem in de algemene vergadering, dus ook bij diens eigen ontslag. De Raad van Commissarissen is bevoegd om bestuurders te schorsen op basis van artikel 2:257 BW.

 

De aansprakelijkheid van de later toetredende beherend vennoot - J.J.M. Grapperhaus - Artikel

De aansprakelijkheid van de later toetredende beherend vennoot - J.J.M. Grapperhaus - Artikel

'Hoe werkt de aansprakelijkheid van later toetredende vennoten?’

Sinds het wetsvoorstel inzake de personenvennootschap is ingetrokken, heeft de Hoge Raad veel uitspraken moeten doen over de aansprakelijkheid van later toetreden vennoten.

Wat heeft de Hoge Raad bepaald in het Carlande-arrest?

In het Carlande-arrest ging het om de vraag of de beherend vennoot van Carlande aansprakelijk is voor de schulden van Carlande die zijn ontstaan voor zijn toetreden als beherend vennoot. De Hoge Raad heeft bepaald dat de beherend vennoot wel aansprakelijk is, aangezien de schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap waar de beherende vennoten wettelijk gezien persoonlijk voor instaan. Dat de beherend vennoot later is ingetreden doet daar niets aan af. Een commanditaire vennoot is daarnaast ook hoofdelijk aansprakelijk vanaf het moment dat hij in strijd handelt met het beheersverbod. Een commanditaire vennoot mag namelijk geen beheerstaken verrichten.

Wat heeft de Hoge Raad bepaald in het De Katterug-arrest?

In het Lunchroom De Katterug-arrest ging het om de vraag of een overtreding van het beheersverbod door een commanditaire vennoot altijd leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van die vennoot. Volgens de Hoge Raad dient de sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid achterwege te blijven, indien zij door het handelen van de commanditaire vennoot niet volledig wordt gerechtvaardigd. Hierbij is het niet van belang of de wederpartij van de commanditaire vennoot met diens hoedanigheid bekend was. Ook kan de hoofdelijke aansprakelijkheid worden beperkt tot verbintenissen die zijn ontstaan na het overtreden van het beheersverbod. Kortom, zowel de beherende vennoot, als de commanditaire vennoot die in strijd heeft gehandeld met het beheersverbod, zijn aansprakelijk voor schulden die zijn ontstaan voor hun intreden.

Van pre-pack naar doorstart – een spanningsveld tussen bestuurder en aandeelhouder - T. van Wijngaarden & D. Hack - Artikel

Van pre-pack naar doorstart – een spanningsveld tussen bestuurder en aandeelhouder - T. van Wijngaarden & D. Hack - Artikel

'Wat houdt de Wet Continuïteit Ondernemingen I in?’

Op 21 juni 2016 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen I geaccepteerd. In deze wet staan bepalingen waarmee ondernemingen na een faillissement een snelle doorstart kunnen maken, door gebruik te maken van de pre-pack constructie. Ondanks het feit dat de wet nog niet officieel is ingevoerd, passen enkele rechtbanken de nieuwe wet al wel toe.

Wat staat de Wet Continuïteit Ondernemingen I toe?

Door de nieuwe Wet Continuïteit Ondernemingen I kunnen bedrijven die failliet zijn verklaard, dezelfde dag nog een doorstart maken middels de pre-pack constructie. De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat enkele bepalingen verandert in de Faillissementswet.

 

Het wetsvoorstel Wet Continuiteit Ondernemingen I: een nader onderbouwde regeling. - J.P. Uittenbroek - Artikel

Het wetsvoorstel Wet Continuiteit Ondernemingen I: een nader onderbouwde regeling. - J.P. Uittenbroek - Artikel


Wat bepaalt de Wet Continuïteit Ondernemingen I?

De Wet Continuïteit Ondernemingen I bepaalt dat de rechter, op het moment dat een onderneming een faillissement voelt aankomen, de naam van de curator en rechter-commissaris alvast aan de onderneming kan mededelen.

Wat is het doel en de regeling van de wet?

Op het moment dat een onderneming failliet wordt verklaard, wordt er een curator aangesteld, die vaak niet weet welke risico’s er boven het faillissement hangen, waardoor hij vaak geen goed onderbouwde keuzes kan maken. Een doorstart zal in een dergelijk geval vaak lastig zijn. Door al in een eerder stadium bij de onderneming betrokken te zijn, kan de curator in alle rust de risico’s van een faillissement inschatten waardoor de kans op een doorstart al groter wordt en de waarde van de onderneming niet te snel daalt.

Hoe werkt een pre-pack procedure?

De schuldenaar dient, wanneer hij een faillissement aan voelt komen, via een advocaat, een verzoek in te dienen bij de rechtbank. De voordelen van een voorbereid faillissement moeten aannemelijk zijn, wil de rechter het verzoek toewijzen. De aanstelling zal gedurende twee weken aanhouden. De voorbereidingsfase komt ten einde bij een intrekking van het verzoek door de rechtbank, het verstrijken van de termijn of de faillietverklaring van de onderneming. Na de voorbereidingsfase dient de curator binnen een week een verslag op te stellen en deze ter griffie in te dienen. Het verslag wordt openbaar na het faillissement.

Wat zijn de taken van de verschillende partijen?

De rechtbank heeft als taak om op het verzoek te beslissen en om de regie te voeren over de voorbereidingsfase. Ook zal de rechter moeten oordelen over het verzoek tot beëindiging van de voorbereidingsfase en dient hij het verslag van de curator te deponeren. De curator vormt de belangenbehartiger van de gezamenlijke schuldeisers. Omdat de curator in stilte handelt, kunnen de schuldeisers niet voor hun belangen opkomen. De curator kan de onderneming echter niet vertegenwoordigen zonder instemming van het bestuur van de onderneming. Hij dient zich voornamelijk bezig te houden met het voorbereidingstraject als adviseur. De rechter-commissaris heeft tot slot de rol als toezichthouder.

Welke maatregelen dienen ter oneigenlijk gebruik?

Wanneer de pre-pack constructie wordt misbruikt door een feitelijk leidinggevende, om zo de ontslagbescherming te omzeilen, dan wordt de feitelijk leidinggevende aansprakelijk gesteld voor eventuele schade dat uit zijn handelen is ontstaan op grond van artikel 2:138 BW.

Welke aandachtspunten blijken uit de wet?

Voor een verzoek tot het benoemen van een curator is geen toestemming nodig van de algemene vergadering van aandeelhouders. Evenmin is er toestemming nodig van de ondernemingsraad. Ook is er geen sprake van een overgang van de onderneming met behoud van de rechten van de werknemers in geval van een pre-pack.

 

Feitelijk leidinggeven. Hoe een weinig vernieuwend arrest toch veel nieuws kan brengen; een kritische beschouwing - Hornman - 2016 - Artikel

Feitelijk leidinggeven. Hoe een weinig vernieuwend arrest toch veel nieuws kan brengen; een kritische beschouwing - Hornman - 2016 - Artikel


1. Inleiding

In een arrest uit 2016 heeft de Hoge Raad het beslissingskader voor feitelijk leidinggeven nogmaals verduidelijkt. De Hoge Raad start bij de Slavenburgbeschikkingen en gaat vervolgens over naar het Drijfmest arrest en de daarbij behorende vaststelling van het daderschap van rechtspersonen. De Hoge Raad stelt in het arrest een actieve inmenging voorop. Deze actieve verschijningsvorm van feitelijk leidinggeven- ven kan bestaan uit (i) het leidinggeven in de normale betekenis van het woord, oftewel het actief en effectief aansturen van de gedraging(en) van de rechtspersoon. Daarnaast kan er sprake zijn van een situatie waar de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte gevoerde beleid. Ten Lotte (iib) gaat het om het geval waarin de verdachte een zodanige bijdrage heeft geleverd aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en waarbij de verdachte een zodanig initiatief heeft genomen, dat deze moet worden geacht feitelijk leiding te hebben gegeven aan die verboden gedraging. Het (deels) zelf vervullen van de feiten staat niet in de weg aan het kunnen kwalificeren van feitelijk leidinggeven. Er kan zelf überhaupt geen ondergeschikte in beeld zijn. Onder omstandigheden (iii) kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Het enige uit het arrest dat wellicht het predicaat nieuw kan dragen zijn de overwegingen over de vaststelling van opzet van rechtspersonen en de opmerking dat ook een rechtspersoon feitelijk leiding kan geven. Het belang van dit arrest schuilt in het feit dat de Hoge Raad vasthoudt aan zijn bestaande rechtspraak en daarin ook geen millimeter beweegt. 

2. Veronderstelt opzet bij feitelijk leidinggeven?

2.1 Problemen met de tenlastelegging. 

Er kan slechts feitelijk leiding worden gegeven aan feiten waarvan men op de hoogte is. Je hoeft als feitelijk leidinggeven niet exact op de hoogte te zijn, het gaat om een geabstraheerde kenniseis. Er wordt gesproken van kennis van soortgelijke gedragingen. Wat het precies is, is niet geheel duidelijk maar het lijkt er in de praktijk op dat de feitelijk leidinggeven enkel kennis hoeft te hebben van de kernbestanddelen. Waar hoe en met wat hoef hij niet te weten. De kenniseis kan een probleem met de tenlastelegging opleveren. De kenniseis gaat over de genoemde gedragingen. Een te specifieke ten laste legging kan nogal bewijsproblemen opleveren. 

2.2 Onwetendheid in het algemeen? 

Door genoegen te nemen met kennis die in rechtstreeks verband staat met de in de tenlastelegging genoemde gedragingen is de kenniseis al enigszins verruimd. Een soort generiek of globaal opzet volstaat. De kennis die vereist is, is echter meer dan het enkele vage vermoeden dat er binnen de onderneming iets niet helemaal ok is. Hoe groter de onderneming, hoe geloofwaardiger het verhaal dat de handelingen van de ondergeschikte niet bekend waren bij management. Helaas komen de laatste in rang in dergelijke organisaties daarmee het hoogst te hangen, en ontspringt management de dans. 

3 Het standpunt van de Hoge Raad en de consequenties?

Volgens de Hoge raad ligt er in feitelijk leidinggeven een zelfstandig opzetvereiste besloten. A-G Vellinga heeft als standpunt dat voor het feitelijk leidinggeven aan overtredingen en culpoze misdrijven niet noodzakelijk zou moeten zijn dat de leidinggevende op de hoogte was van de aan de rechtspersoon verweten verboden gedraging(en) of van soortgelijke gedragingen. 

Aan het standpunt van de Hoge Raad kleven nadelen (hoe zeer men ook anti Vellinga kan zijn). Met het standpunt van de Hoge Raad kom je namelijk weg met ondermaats leidinggeven. Daarmee wordt er dus een sanctie gezet op het vergaren van kennis over wat er gaande is in je eigen onderneming. Het is de kennis van de leidinggevende die de zorgplicht activeert: wie weet wordt verantwoordelijk. Hoe meer de leidinggevende zich inspant, hoe groter de kans is dat deze mogelijke strafbare feiten op het spoor komt en hoe gedetailleerder die informatie zal zijn. Het moment waarop die kennis wordt opgedaan is bepalend voor het intreden van de zorgplicht. Zolang die kennis ontbreekt is er geen zorgplicht en dus ook geen strafrechtelijke aansprakelijkheid. De omvang van de zorgplicht wordt vervolgens bepaald door wat de leidinggevende wist. Als de leidinggevende meer zicht heeft op de aard, ernst en omvang van de strafbare feiten, zal van hem ook een meer nauwgezette aanpak worden verwacht. Dit is een subjectivering van een in beginsel objectieve norm. Enkel als de feitelijk leidinggevende zich doelbewust onwetend houdt van strafbare feiten is dit anders. Dan heeft hij de strafbare gedragingen namelijk wel bewust aanvaard. 

4. Het voorstel van Vellinga?

De Hoge Raad wil niets weten van een dreigende risicoaansprakelijkheid wegens de angst voor een dreigende uitholling van het schuldbeginsel. Het beginsel wat hierbij relevant is, is dat er zonder schuld in de zin van verwijtbaarheid geen straf mag volgen. De Hoge Raad stoelt haar standpunt echter op iets anders, namelijk het opzet. Feitelijk leidinggeven wordt gezien als een deelnemingsvorm en bij deelneming hoort nu eenmaal opzet. 

4.1 Plegerschap of deelneming?

Hoewel functioneel daderschap en feitelijk leidinggeven van oudsher grote gelijkenis vertonen, zijn ze op een bepaald punt zeer verschillend. Functioneel daderschap ziet in de regel op functioneel plegerschap, en dus op het zelf vervullen van de delictsomschrijving. De beoordeling van functioneel daderschap valt bij misdrijven uiteen in twee stappen. De eerste vraag gaat over toerekening van de gedraging. De tweede vraag gaat over de vervulling van de subjectieve delictsbestanddelen. Dat moet de functionele dader zelf doen en opzet of schuld moeten bij hem of haar persoonlijk aanwezig zijn. Voor het aannemen van feitelijk leidinggeven is afdoende dat de betrokkene kennis heeft van strafbare feiten die in rechtstreeks ver- band staan met de aan de rechtspersoon verweten verboden gedragingen. Het kan daardoor eigenlijk niet anders dan dat de Hoge Raad feitelijk leidinggeven beschouwt als een vorm van deelneming. Het loslaten van het opzetvereiste druist direct in tegen het deelnemingskarakter. De vraag die door Vellinga wordt opgeworpen heeft daarom een veel verdergaande implicatie dan men bij eerste aanblik zou denken. 

4.2 generiek opzet?

Als pleger dient deze zelf de delictsomschrijving te vervullen en dus ook over het daarin genoemde opzet te beschikken en het eventueel vereiste bijkomende oogmerk. Als deelnemer hoeft dat oogmerk echter niet bij de feitelijk leidinggever persoonlijk aanwezig te zijn. Voldoende is dat de leidinggever voorwaardelijk opzet heeft op het feit dat de rechtspersoon dat oogmerk heeft. 

5 Alternatieven?

Het voorgaande laat zien dat zowel aan de opvatting van de Hoge Raad als aan het voorstel van Vellinga serieuze nadelen kleven. Zijn er dan geen alternatieven? Met het uit elkaar groeien van functioneel daderschap en feitelijk leidinggeven als gevolg van de verruiming van de IJzerdraadcriteria zijn twee parallelle aansprakelijkheidsfiguren ontstaan die grotendeels hetzelfde doel hebben, maar als gevolg van een verschil in dogmatisch karakter andere voorwaarden stellen voor aansprakelijkheid. Er wordt daarom aangeraden vaker te kiezen voor functioneel daderschap en een op de zorgplichtgerichte benadering van de voorwaardelijk opzet toe te passen. Door het voor feitelijk leidinggeven benodigde opzet op de bovengenoemde wijze te benaderen kan worden voorkomen dat de ondermaats presterende en daarmee onwetende leidinggever beter af is dan zijn of haar collega die zijn of haar toezichthoudende taak wel naar behoren vervult. 

De Hoge Raad en de levenslange gevangenisstraf, een lakmoesproef. - W. van Hattum - Artikel

De Hoge Raad en de levenslange gevangenisstraf, een lakmoesproef. - W. van Hattum - Artikel

‘Is een levenslange gevangenisstraf inhumaan?’

Het EHRM heeft bepaald dat na uiterlijk 25 jaren detentie er een toets moet plaatsvinden of gevangene in vrijheid kan worden gesteld. Er moet dan getoetst worden of er zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer gerechtvaardigd is. Dit wordt ook wel aangeduid als de Vinter-toets.

Hoe verloopt een gratieverzoek?

Voordat de rechter adviseert over het gratieverzoek van de gedetineerde, dient hij eerst deel te nemen aan het resocialisatieproces. In een dergelijk proces krijgt de gedetineerde twee verlofdagen per jaar. Aan de hand daarvan zal de voorzieningenrechter oordelen of er gratie moet worden verleend aan de gedetineerde. Tussen de verlofdagen dienen vier maanden te zitten. De resocialisatie dient in het teken te staan van zelfinitiatief, zelfontplooiing en zelfredzaamheid.

Hoe oordeelt het EHRM?

In het arrest Murray tegen Nederland heeft het EHRM bepaald dat een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM, nu gedetineerde geen zicht heeft op vrijlating. Na 25 jaar van levenslange detentie dient er dus getoetst te worden of zich positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. De criteria mogen niet zo streng zijn, dat vrijlating alleen is toegestaan bij ziekte of een hoge leeftijd. De herbeoordeling moet met voldoende procedurele waarborgen zijn omgeven en men dient rekening te houden met alle ontwikkelingen die de veroordeelde heeft doorgemaakt. Er dient wel onderscheid te worden gemaakt tussen resocialisatie en re-integratie. Met re-integratie kan pas worden begonnen na 25 jaar detentie. De voortgang van de resocialisatie moet maandelijks worden beoordeeld middels een voortgangsrapportage.

Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 7 WorldSupporter tools
Follow the author: Law Supporter
Promotions
verzekering studeren in het buitenland

Ga jij binnenkort studeren in het buitenland?
Regel je zorg- en reisverzekering via JoHo!

Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.