Staatsrecht 1 - RUG - Oefententamen 2013/2014


Vragen

De grondrechten

Vraag 1

Art. 2, tweede lid van het Vierde Protocol bij het EVRM (dat door het Koninkrijk is geratificeerd, is gepubliceerd en in werking is getreden) bepaalt:

“Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.” Deze norm kan in de Nederlandse rechtsorde:

  1. slechts worden toegepast voor zover dat verenigbaar is met een eenieder verbindende wettelijke bepaling;

  2. slechts worden toegepast voor zover de wet de norm heeft omgezet in een eenieder verbindende bepaling;

  3. worden gewijzigd door de wet waarbij het Vierde Protocol is goedgekeurd;

  4. als verdragsnorm worden toegepast.

Vraag 2

Een bijzondere school voor algemeen vormend lager onderwijs (een bijzondere basisschool) die aan alle wettelijke eisen voldoet heeft naar Nederlands staatsrecht:

  1. naar dezelfde maatstaf als een openbare basisschool aanspraak op volledige financiering door de overheid;

  2. naar dezelfde maatstaf als een openbare basisschool aanspraak op volledige financiering door de ouders van schoolgaande kinderen;

  3. slechts aanspraak op financiering door de overheid indien in de gemeente waar de school is gevestigd onvoldoende capaciteit in het openbaar onderwijs beschikbaar is;

  4. geen aanspraak op gedeeltelijke of volledige financiering door de overheid.

Vraag 3

In verband met de vraag naar de beperkingsmogelijkheden van grondrechten spreekt Belinfante van ‘algemene beperkingen’ van grondrechten. Dit zijn beperkingen van een grondrecht:

  1. door organen van de centrale overheid op grond van algemene beleidsregels;

  2. door een geheel buiten de sfeer van het grondrecht gelegen regeling, die als neveneffect heeft dat de uitoefening van het grondrecht wordt beperkt;

  3. die slechts toegestaan zijn op grond van algemene rechtsbeginselen;

  4. die neerkomen op het zodanig uithollen van grondrechten dat zij geen enkele bescherming meer bieden.

Vraag 4

De regering dient een wetsvoorstel in dat onder meer het volgende voorstelt:

Art. 1. Aan de Gemeentewet wordt de volgende bepaling toegevoegd:
Het in het openbaar te koop aanbieden van boeken met een discriminatoire inhoud is slechts toegestaan met vergunning van het college van burgemeester en wethouders.

Art. 2. Aan het Wetboek van Strafrecht wordt de volgende bepaling toegevoegd:
Hij die een boek uitgeeft waarin de Holocaust wordt ontkend, wordt gestraft met zes maanden gevangenisstraf.

Welke van deze voorschriften is in strijd met de interpretatie die volgens Belifante aan art. 7 lid 1 Grondwet wordt gegeven?

  1. Zowel art. 1 als art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd;

  2. Art. 1 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd, maar art. 2 niet;

  3. Art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd, maar art. 1 niet;

  4. Art. 1, noch art. 2 van het wetsvoorstel is daarmee in strijd.

Vraag 5

Nederlandse burgers kunnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens:

  1. de grondwettigheid van wetten laten beoordelen;

  2. opkomen tegen schendingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

  3. een klacht indienen tegen de Nederlandse staat wegens het niet-naleven van de bepalingen van het EVRM;

  4. een klacht indienen tegen een andere burger wegens het niet-naleven van de bepalingen van het EVRM.

Vraag 6

Het verbieden van een demonstratie die zeer waarschijnlijk vijandige reacties van de omstanders bij de demonstratie zal uitlokken is:

  1. toegestaan zodra aangetoond kan worden dat de verwachte vijandelijke reacties zich daadwerkelijk zullen voordoen;

  2. toegestaan, indien degenen die verantwoordelijk zijn voor de vijandelijke reacties daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd;

  3. niet toegestaan, tenzij het onmogelijk is voldoende andere maatregelen te nemen om de openbare orde te handhaven;

  4. in geen geval toegestaan, aangezien dat in strijd zou komen met de vrijheid van betoging.

Vraag 7

Horizontale werking van grondrechten ziet op de werking van grondrechten tussen:

  1. burgers of privaatrechtelijke instellingen onderling;

  2. overheidsorganen of publiekrechtelijke instellingen onderling;

  3. burgers en de overheid;

  4. overheidsorganen in één en hetzelfde openbaar lichaam.

De regering

Vraag 8

Behoudens het geval waarin een minister zijn ambt ter beschikking heeft gesteld en lid is van een van kamers van de Staten-Generaal, heeft een minister in die kamers:

  1. het recht om aan zowel de beraadslagingen als de stemmingen deel te nemen;

  2. het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen, zij het dat hij dan in rechte vervolgd kan worden voor hetgeen hij tijdens de vergadering heeft gezegd;

  3. het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen, maar niet aan de stemmingen;

  4. niet het recht om aan de beraadslagingen of de stemmingen deel te nemen.

Vraag 9

De staatsrechtelijke positie van een staatssecretaris verschilt van die van een minister zonder portefeuille doordat een staatssecretaris, anders dan de minister zonder portefeuille:

  1. Niet is belast met het beheer van een ministerie;

  2. In de ministerraad slechts stemgerechtigd is voor zover het zaken betreft waarbij hij uit hoofde van zijn ambt rechtstreeks is betrokken;

  3. Gebonden is aan de taakomschrijving die voor hem is vastgesteld door de op hetzelfde departement werkzame minister;

  4. Wordt benoemd en ontslagen bij besluit van de minster-president.

Vraag 10

De Tweede Kamer neemt een initiatiefwetsvoorstel aan op het gebied van Veiligheid en Justitie. De minister van Veiligheid en Justitie is zeer gekant tegen het wetsvoorstel en is voornemens de Kamer tijdens de beraadslaging te melden dat de regering het voorstel niet zal bekrachtigen. Is hij verplicht zijn voornemen in de ministerraad te bespreken?

  1. Ja, het standpunt van de regering over initiatiefwetsvoorstellen moet besproken worden in de ministerraad;

  2. Ja, tenzij de minister-president als voorzitter van de ministerraad de minister van Veiligheid en Justitie laat weten dat dit consulteren achterwege kan blijven;

  3. Nee, tenzij de Tweede Kamer een unaniem oordeel van de regering over het voorstel eist;

  4. Nee, de minister hoeft de ministerraad niet te consulteren nu het om een wetsvoorstel op het terrein van Veiligheid en Justitie gaat.

Vraag 11

Welk van de volgende uitspraken over de positie van de minister-president in de ministerraad is onjuist?

  1. De minister-president ziet toe op de totstandkoming van een samenhangend regeringsbeleid;

  2. De minister-president kan in overeenstemming met het gevoelen van de raad nadere schriftelijke aanwijzingen vaststellen inzake de werkwijze van de raad;

  3. De minister-president kan bindende aanwijzingen geven aan zijn collega-ministers;

  4. De minister-president ziet toe op de uitvoering van de besluiten van de raad.

Vraag 12

Hoe verloopt naar Nederlands staatsrecht de parlementaire besluitvorming over een wetsvoorstel tot benoeming van een regent die gedurende de minderjarigheid van de Koning het koninklijk gezag uitoefent?

  1. De Tweede en Eerste Kamer besluiten ieder voor zich met een gewone meerderheid;

  2. De Staten-Generaal besluiten in verenigde vergadering met een gewone meerderheid;

  3. De Tweede en Eerste Kamer besluiten ieder voor zich met een meerderheid van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen;

  4. De Staten-Generaal besluiten in verenigde vergadering met een meerderheid van ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Vraag 13

Voordat de minister van Veiligheid en Justitie naar Brussel vertrekt om deel te nemen aan een vergadering van de Raad die zal besluiten over een voorstel betreffende de privacy van de burgers van de Unie overlegt hij met de Tweede Kamer. De Kamer verzoekt hem bij motie voor het voorstel te stemmen. De minister doet dit, maar door weerstand bij ministers van andere lidstaten wordt het voorstel toch verworpen. De minister van Veiligheid en Justitie is over zijn stemgedrag tijdens de vergadering van de Raad:

  1. alleen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer;

  2. verantwoording verschuldigd aan de Tweede en de Eerste Kamer;

  3. geen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer omdat hij overeenkomstig de wensen van de Kamer heeft gehandeld;

  4. geen verantwoording verschuldigd aan de Tweede Kamer omdat zijn bijdrage aan de besluitvorming van de Raad buiten de reikwijdte van art. 42 Grondwet valt.

Decentralisatie (Provincie, gemeente en waterschap)

Vraag 14

Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Kan de burgemeester tussentijds worden ontslagen?

  1. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de regering;

  2. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de raad;

  3. Ja, de burgemeester kan worden ontslagen door de commissaris van de Koning;

  4. Nee, de burgemeester wordt benoemd voor de termijn van zes jaar.

Vraag 15

Is de regering bevoegd een besluit dat de gemeenteraad van Groningen in autonomie heeft genomen te vernietigen omdat zij het een politiek onwenselijk besluit vindt?

  1. Nee, de regering is alleen bevoegd gemeentelijke besluiten te vernietigen op grond van onrechtmatigheid;

  2. Nee, dat zou in strijd zijn met de grondwettelijk gegarandeerde autonomie van de gemeente;

  3. Ja, tenzij het college van burgemeester en wethouders van Groningen zich tegen die vernietiging verzet;

  4. Ja, de regering kan het besluit van de gemeenteraad bij koninklijk besluit vernietigen.

Vraag 16

Om stemgerechtigd te zijn voor gemeenteraadsverkiezingen moet men aan verschillende eisen voldoen. Welk van de volgende eisen behoort daartoe?

  1. Niet-Nederlandse onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie zijn stemgerechtigd mits zij rechtmatig in Nederland verblijven en ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van Nederland waren;

  2. Niet-Nederlandse onderdanen van andere staten dan lidstaten van de Europese Unie zijn stemgerechtigd mits zij rechtmatig in Nederland verblijven en ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van Nederland waren;

  3. Ingezetenen zijn stemgerechtigd mits zij ten minste vijf jaar onafgebroken ingezetene van de betreffende gemeente zijn geweest;

  4. Ingezetenen zijn stemgerechtigd mits zij gerechtigd zijn de leden van de Tweede Kamer te kiezen.

Vraag 17

Ter uitvoering van een wet die medebewind vordert van gedeputeerde staten doet gedeputeerde Eigenheimer bestedingen zonder die met de overige leden van gedeputeerde staten te overleggen. Later blijkt dat deze bestedingen onrechtmatig waren en dat de provincie financiële schade oploopt. Jegens wie is het college van gedeputeerde staten of een van zijn leden hiervoor politieke verantwoording schuldig?

  1. Alleen gedeputeerde Eigenheimer is politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten;

  2. Alleen de gedeputeerden zijn politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten;

  3. Gedeputeerde staten en elk van zijn leden zijn politieke verantwoording schuldig aan de regering;

  4. Gedeputeerde staten en elk van zijn leden zijn politieke verantwoording schuldig aan de provinciale staten.

Vraag 18

Wie stelt de gemeentelijke begroting vast?

  1. het college van burgemeester en wethouders;

  2. de gemeenteraad;

  3. de burgemeester;

  4. de wethouders.

De verhouding van parlement, ministers en Koning

Vraag 19

Na een vertrouwensbreuk tussen de Tweede Kamer en de regering bieden alle bewindspersonen hun ontslag aan de Koning aan. De Koning zal al deze verzoeken niet onmiddellijk inwilligen omdat:

  1. de regering, bij een ontslag van alle bewindspersonen zonder dat wordt voorzien in de benoeming van vervangers, geen besluiten meer kan nemen;

  2. ontslag van ministers eerst mogelijk is nadat de Tweede Kamer overeenkomstig art. 16 Reglement van Orde van de Tweede Kamer voor ieder ministerie een nieuwe commissie heeft benoemd;

  3. over ontslagverzoeken eerst het advies van de Raad van State moet worden ingewonnen;

  4. een beslissing op het ontslagverzoek op grond van art. 4, tweede lid onder k jo. art. 9 Reglement van Orde voor de ministerraad pas na een week genomen kan worden.

Vraag 20

De grondwettelijke plicht van een minister tot het verschaffen van door een lid van de Staten-Generaal gevraagde inlichtingen geldt:

  1. uitsluitend indien het verstrekken van inlichtingen in het belang van de staat is;

  2. uitsluitend voor zover de inlichtingen gevraagd worden door het kamerlid dat ter zake verantwoordelijk is;

  3. voor vragen van zowel leden van de Tweede Kamer als leden van de Eerste Kamer;

  4. voor vragen tot het stellen waarvan door de betrokken Kamer verlof is verleend.

Vraag 21

De dualistische verhouding tussen regering en Staten-Generaal blijkt uit de regel dat:

  1. ministers niet door de Staten-Generaal maar bij koninklijk besluit worden benoemd;

  2. een bewindspersoon in wie het vertrouwen is opgezegd, zijn ontslag moet aanbieden aan de Tweede Kamer;

  3. informateurs en formateurs worden benoemd door de Tweede Kamer;

  4. door de kamers aangenomen moties bindend zijn voor de regering.

Financiën, buitenlands beleid en defensie

Vraag 22

Met de vaststelling van de begroting van een ministerie door de formele wetgever is:

  1. de verantwoordelijke minister gemachtigd om de in de begroting vastgestelde bedragen uit te geven;

  2. de verantwoordelijke minister verplicht om de in de begroting vastgestelde bedragen uit te geven;

  3. de Algemene Rekenkamer verplicht om decharge te verlenen aan de verantwoordelijke minister;

  4. de Raad van State gemachtigd om decharge te verlenen aan de verantwoordelijke minister.

Vraag 23

Stel dat de Nederlandse regering Amsterdam wil nomineren om gastheer te zijn voor de Olympische Zomerspelen van 2028. In haar contacten met het Internationaal Olympisch Comité, de organisatie die over toewijzing van de Spelen beslist, belooft de regering dat het IOC en zijn medewerkers voor de duur van de Spelen (drie weken) niet in rechte zullen kunnen worden vervolgd of aangesproken voor eventuele onrechtmatige gedragingen begaan tijdens de Spelen en de onmiddellijke voorbereidingen daarop. Om één en ander vast te leggen sluit de regering een verdrag met het IOC dat een geldigheidsduur heeft van zeven maanden. Voor dit verdrag is:

  1. op grond van de art. 91, 112 en 113 Grondwet goedkeuring met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen in beide kamers van de Staten- Generaal vereist;

  2. stilzwijgende goedkeuring vereist;

  3. uitdrukkelijke goedkeuring vereist;

  4. geen goedkeuring vereist.

Vraag 24

Het rechtsgevolg van het sluiten van een verdrag is dat:

  1. de tekst van het verdrag vaststaat;

  2. de Staten-Generaal gehouden zijn het verdrag goed te keuren;

  3. de regering gehouden is het verdrag te ratificeren;

  4. het Koninkrijk der Nederlanden gebonden is aan het verdrag.

Rechtspraak

Vraag 25

De rechter mag wetten in formele zin:

  1. aan geen enkele rechtsnorm toetsen;

  2. niet toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden en aan de Grondwet;

  3. toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden;

  4. toetsen aan bepalingen van internationale verdragen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, aan de Grondwet, aan het Statuut en aan algemene rechtsbeginselen.

Vraag 26

Rechters dienen onafhankelijk te zijn van:

  1. de wet;

  2. zowel de wet als de regering;

  3. zowel de wet als de Staten-Generaal;

  4. zowel de regering als de Staten-Generaal.

Vraag 27

De Grondwet waarborgt de onafhankelijkheid van alle leden van:

  1. de rechterlijke macht;

  2. alle met rechtspraak belaste gerechten;

  3. de rechterlijke macht voor zover zij niet met rechtspraak zijn belast;

  4. de rechterlijke macht die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Procureur- Generaal bij de Hoge Raad.

De staat

Vraag 28

Onder een stelsel van “checks and balances” wordt door het boek Beginselen van het Nederlandse staatsrecht (Belinfante) verstaan:

  1. een zodanige toedeling van bevoegdheden dat elk overheidsorgaan bij uitsluiting van alle andere organen bevoegd is;

  2. de op overheidsorganen rustende verplichting verantwoording af te leggen aan de door burgers gekozen vertegenwoordiging;

  3. een zodanige toedeling van bevoegdheden dat overheidsorganen slechts een deel van het gezag kunnen uitoefenen en tot andere overheidsorganen in een relatie van afhankelijkheid en verantwoording staan;

  4. een door functionele en territoriale splitsing van bestuursbevoegdheden bewerkstelligd evenwicht tussen de centrale overheid en zelfstandige bestuursorganen.

Vraag 29

Machiavelli zocht de grondslag van het overheidsgezag in:

  1. het gegeven dat de vorst de vertegenwoordiger is van het goddelijk gezag;

  2. het gegeven dat de vorst bepaalde waarden en deugden als gerechtigheid en rechtschapenheid vertegenwoordigt;

  3. het feit of de vorst er in slaagt als orgaan en symbool succesvol te zijn in het scheppen van orde en vrede;

  4. een tussen vorst en onderdanen gesloten maatschappelijk verdrag.

Geschiedenis

Vraag 30

Welke staatsorganen waren ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden belast met de uitoefening van overheidstaken?

  1. De landsheer, de raadspensionaris en de Nationale Vergadering;

  2. De stadhouders, de Staten-Generaal en de Raad van State;

  3. De Koning, de Staten-Generaal en de Raad van State;

  4. De landvoogdessen, de Nationale Vergadering en het Uitvoerend Bewind.

Vraag 31

De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk (1798):

  1. berustte onder meer op de gedachte van volkssoevereiniteit;

  2. vestigde een federale staat;

  3. vormde de staatsrechtelijke grondslag voor het Koningrijk Holland;

  4. schafte de scheiding tussen kerk en staat af.

De Staten-Generaal

Vraag 32

In hoeverre leidt het Nederlandse stelsel van evenredige vertegenwoordiging, zoals dat geldt ten aanzien van de Tweede Kamerverkiezingen, tot het verloren gaan van uitgebrachte stemmen (in de zin van onbenut blijven)? Dit kiesstelsel kent:

  1. geen verlies van stemmen;

  2. in zoverre verlies van stemmen, dat alleen zetels aan lijsten worden toegekend die de kiesdeler hebben behaald;

  3. in zoverre verlies van stemmen, dat een kandidaat om verkozen te zijn ten minste 25% van de kiesdeler moet behalen;

  4. verlies van stemmen, nu personen die de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt niet mogen stemmen.

Vraag 33

De onafhankelijkheid van leden van de Tweede Kamer wordt onder andere gewaarborgd doordat zij:

  1. niet uit hun fractie kunnen worden verwijderd vanwege van die fractie afwijkend stemgedrag;

  2. niet uit de Tweede Kamer kunnen worden verwijderd vanwege van hun fractie afwijkend stemgedrag;

  3. niet in rechte kunnen worden aangesproken op wat zij in of buiten de vergaderingen van de Tweede Kamer hebben gezegd;

  4. tijdens vergaderingen van de Tweede Kamer slechts onderworpen zijn aan het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.

Rechtsbescherming tegen de overheid

Vraag 34

Een burger heeft een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een dakkapel. Deze wordt door het bevoegde bestuursorgaan afgewezen. Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt, staat er voor de burger beroep bij de bestuursrechter open. De burger besluit evenwel een vordering in te stellen bij de burgerlijke rechter, op grond van onrechtmatige daad. Op basis van de huidige jurisprudentie zal de burgerlijke rechter:

  1. beoordelen of het bestuursorgaan inderdaad een onrechtmatige daad gepleegd heeft;

  2. zichzelf bevoegd achten, maar de burger niet-ontvankelijk verklaren;

  3. zichzelf onbevoegd verklaren;

  4. de zaak terugverwijzen naar het bestuursorgaan.

Vraag 35

Welk rechterlijk college spreekt in hoogste instantie recht in sociale zekerheidszaken?

  1. de Hoge Raad;

  2. de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State;

  3. de Centrale Raad van Beroep;

  4. het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De Europese Unie

Vraag 36

De rechtbank Noord-Nederland wordt in een civielrechtelijke zaak geconfronteerd met een vraag die betrekking heeft op de juiste uitleg van het recht van de Europese Unie. Tegen de beslissing van de rechtbank zal geen rechtsmiddel openstaan. De uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie is niet evident en de rechtspraak erover is niet voldoende duidelijk om zeker te weten welke interpretatie in het voorliggende geval de juiste is.

De rechtbank Noord-Nederland is nu:

  1. bevoegd maar niet verplicht een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

  2. verplicht een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

  3. bevoegd maar niet verplicht een prejudiciële vraag aan de Commissie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie;

  4. verplicht een prejudiciële vraag aan de Commissie te stellen over de juiste uitleg van de Europeesrechtelijke bepaling in kwestie.

Vraag 37

Ter naleving van het in het recht van de Europese Unie verankerde subsidiariteitsbeginsel zijn bijzondere bevoegdheden toegekend aan:

  1. het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

  2. de nationale rechterlijke colleges tegen wiens uitspraken geen rechtsmiddelen openstaan;

  3. het Europees Parlement;

  4. de nationale parlementen.

De rijkswetgeving

Vraag 38

Naar aanleiding van de ramp het met cruiseschip Costa Concordia wenst de Koninkrijksregering nieuwe rijkswetgeving over de veiligheid van onder de vlag van het Koninkrijk varende cruiseschepen tot stand te brengen. Dit voornemen stuit op heftige weerstand van de autoriteiten en inwoners van Sint Maarten. De Koninkrijksregering toont zich echter vastberaden en brengt een voorstel van rijkswet in procedure. Welke mogelijkheden biedt het constitutionele recht van het Koninkrijk aan de autoriteiten op Sint Maarten om zich tegen de totstandkoming van de rijkswet te verzetten?

  1. Door het voorstel van rijkswet te verwerpen kunnen de Staten van Sint Maarten voorkomen dat het rijkswetsvoorstel kracht van wet verkrijgt;

  2. Door het voorstel van rijkswet niet te contrasigneren kan de regering van Sint Maarten voorkomen dat het rijkswetsvoorstel kracht van wet verkrijgt;

  3. Door zich in de Raad van State van het Koninkrijk tegen het voorstel uit te spreken, kunnen de door Sint Maarten afgevaardigde Gevolmachtigde Minister en bijzondere gedelegeerden een bindend advies over het rijkswetsvoorstel uitbrengen;

  4. Door zich in de Staten-Generaal tegen het voorstel uit te spreken, kunnen de door Sint Maarten afgevaardigde Gevolmachtigde Minister en bijzondere gedelegeerden hun bezwaren kenbaar maken.

Bestuur

Vraag 39

Belastinginspecteurs hebben op grond van door de wetgever uitgevaardigde belastingwetgeving diverse bevoegdheden. Dergelijke toekenning van bevoegdheden is een vorm van:

  1. deconcentratie;

  2. decentralisatie;

  3. delegatie;

  4. medebewind.

De Nationale Ombudsman

Vraag 40

De wettelijke taak van de Nationale ombudsman is het onderzoeken van:

  1. de doelmatigheid van overheidshandelingen;

  2. de rechtmatigheid van overheidshandelingen;

  3. de behoorlijkheid van overheidshandelingen;

  4. de behoorlijkheid en doelmatigheid van overheidshandelingen.

Antwoordindicatie

1 D

2 A

3 B

4 B

5 C

6 C

7 A

8 C

9 C

10 A

11 C

12 B

13 B

14 A

15 D

16 B

17 D

18 B

19 A

20 C

21 A

22 A

23 D

24 A

25 C

26 D

27 D

28 C

29 D

30 B

31 A

32 A & B

33 B

34 B

35 C

36 B

37 D

38 D

39 A

40 C

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering