Samenvatting van The Student’s Guide to Social Neuroscience van Ward - 2e druk

Samenvatting bij The Student’s Guide to Social Neuroscience

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Waar gaat The student’s guide to social neuroscience van Ward over? - Chapter 0

    Waar gaat The student’s guide to social neuroscience van Ward over? - Chapter 0

    Waar gaat dit boek over?

    • Dit was een van de eerste boeken die biologische systemen in een sociale context plaatst.
    • De social neuroscience is een interdisciplinaire wetenschap die de gevolgen van sociale processen en gedrag op biologische systemen bestudeert, en met biologische concepten sociaal gedrag verklaart.
    • Dit boek geeft een praktische en toegankelijke uitleg van de social neuroscience. De nadruk ligt op de praktijk, met onderwerpen zoals gezichten lezen, andere mensen begrijpen, relaties en identiteit binnen groepen.

     

    Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de 1e en 2e druk?

    • In hoofdstuk 2 is de paragraaf over hersenbeschadiging aangepast en is een paragraaf toegevoegd over het meten van biologische verschillen.
    • In hoofdstuk 4 is een paragraaf toegevoegd over de interactie tussen emoties en cognitieve processen.
    • In hoofdstuk 6 wordt nu meer in de breedte ingegaan op verschillende facetten van empathie.
    • Hoofdstuk 9 is aangepast, een deel van de tekst over religie is verwijderd.
    • In hoofdstuk 11 is een paragraaf toegevoegd waarin het nature vs. nurture debat specifiek wordt toegepast op sociale cognitie.
    • Verder is het boek vrijwel hetzelfde gebleven, er zijn geen grote verschillen tussen de 1e en 2e druk

     

    Access: 
    Public
    Wat houdt sociale neurowetenschap in? - Chapter 1

    Wat houdt sociale neurowetenschap in? - Chapter 1

    Wat is sociale neurowetenschap?

    De sociale psychologie probeert te begrijpen en te verklaren hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van individuen worden beïnvloedt door de daadwerkelijke, voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van anderen. Sociale neurowetenschap (‘social neuroscience’) heeft hetzelfde doel, maar hier wordt geprobeerd deze gedachten, gevoelens en gedragingen te begrijpen en verklaren met behulp van de methoden en technieken van de neurowetenschap. Veel wetenschappers binnen het sociale neurowetenschapsveld komen uit de cognitieve psychologie, de studie van mentale processen zoals denken, waarnemen, spreken, handelen en plannen. In sociale neurowetenschap worden de sociale en cognitieve psychologie aan elkaar verbonden, evenals de geest (psychologie) aan de hersenen (biologie, neurowetenschap).

    De term sociale neurowetenschap kan worden teruggevoerd op een artikel van Cacioppo en Bertson (1992). Voor die tijd waren bepaalde studiegebieden die nu onder sociale neurowetenschap vallen, echter al actief. In de jaren negentig zorgde de opkomst van verfijnde methoden, zoals fMRI en ‘transcranial magnetic stimulance’ (TMS), voor meer toepassingen binnen de sociale en cognitieve psychologie. Uiteindelijk zorgde dit ervoor dat sociale neurowetenschap in 2000 als een apart veld kon worden gezien, met eigen centrale onderzoeksvragen en methoden.

    Wat is het sociale brein?

    Een belangrijke kwestie binnen de sociale neurowetenschap is de mate waarin het sociale brein kan worden onderscheiden van de andere functies die het brein uitvoert. Een mogelijkheid is dat er bepaalde neurale substraten zijn die zich bezig houden met sociale cognitie maar niet met andere soorten van cognitieve verwerking. Deze visie is gerelateerd aan modulariteit en domeinspecifiteit.

    • Modulariteit houdt in dat bepaalde cognitieve processen of hersengebieden beperkt zijn met betrekking tot de informatie die ze verwerken en de manier waarop dit verwerkt wordt.

    • Domeinspecifiteit is het idee dat een cognitief proces of een hersengebied gespecialiseerd is in het verwerken van een bepaalde soort informatie. Het is echter ook mogelijk dat het sociale brein niet alleen gespecialiseerd is in sociaal gedrag, maar ook bijdraagt aan niet-sociale aspecten van cognitie.

    Er zijn daarnaast een aantal visies die tussen deze twee extremen vallen. Zo denkt Mitchell (2009) dat het sociale brein bijzonder is dankzij de natuur van de informatie die verwerkt wordt, en niet per se omdat het sociaal is. Een andere mogelijkheid is dat niet bepaalde delen van het sociale brein speciaal zijn, maar dat er bepaalde neurale mechanismen bestaan die aansluiten bij sociale processen. Een belangrijk inzicht in de sociale neurowetenschap is dat een er een eenvoudig mechanisme zou kunnen zijn – werkend op het niveau van enkele neuronen – dat er voor zorgt dat er correspondentie plaats vindt tussen de zelf en de ander. Volgens sommigen bestaat dit mechanisme uit spiegelneuronen. Hoewel deze neuronen oorspronkelijk tijdens handelingen zijn opgemerkt, is het mogelijk dat spiegelen een algemene eigenschap is van neuronen en dat ze niet in een bepaald gebied gelokaliseerd zijn. Het is moeilijk te zeggen of deze neuronen specifiek sociaal zijn of hun oorsprong vinden in algemenere cognitieve functies.

    Is neurowetenschap een gepast verklaringsniveau voor de studie van sociaal gedrag?

    Sociale psychologie en neurowetenschap gebruiken verschillende verklaringsniveaus. sociale neurowetenschap probeert deze niveaus samen te brengen. Veel wetenschappers binnen dit veld hebben dan ook geen sterke reductionistische benadering. Reductionisme houdt in dat een soort verklaring door de tijd heen vervangen wordt door een andere, meer basale verklaring. Een andere manier waarop neurowetenschappelijke data wordt gebruikt om niveaus van verklaringen samen te brengen is ‘reverse inference’ (omgekeerde gevolgtrekkingen maken). Deze benadering probeert de natuur van cognitieve processen af te leiden uit neurowetenschappelijke data. De betrouwbaarheid van deze methode is afhankelijk van de kennis over de functies van bepaalde hersengebieden. Bovendien zijn de functies van deze gebieden afhankelijk van de context waarin ze actief zijn. Methodologisch gezien is het belangrijk om ook andere vormen van dataverzameling te gebruiken naast reverse inference.

    Er is een scenario waarin op het brein gebaseerde data geen invloed heeft op het begrijpen van sociale processen, dit heet het schone lei scenario (blank slate). In deze situatie wordt alle informatie die aangeboden wordt door het brein geaccepteerd, verwerkt en opgeslagen, zonder dat er gebruik gemaakt wordt van vooraf bestaande biases, kennis en beperkingen. Een meer realistisch scenario is dat het brein randvoorwaarden creëert voor sociaal gedrag. Sociale processen doen zich voor in het brein, maar sommigen worden gecreëerd door randvoorwaarden uit de omgeving en anderen door de inherente organisatie, biases en tekortkomingen van het brein zelf. Variaties zijn echter niet altijd toe te wijzen aan sociale of omgevingsniveaus. In sommige gevallen kan er geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende verklaringsniveaus. Het is mogelijk dat zulke interacties tussen verklaringsniveaus de norm zullen zijn in sociale neurowetenschap, maar het veld is nog te nieuw om deze conclusie te kunnen trekken.

    Stampvragen

    1. Waarom kan sociale neurowetenschap worden gezien als een combinatie van sociale psychologie en neurowetenschap?

    2. Wat is modulariteit?

    3. Wat is domeinspecificiteit?

    4. Welke discussie bestaat er in de sociale neurowetenschap met betrekking tot de mate waarin ‘het sociale brein’ kan worden onderscheiden van andere functies die het brein uitvoert?

    5. Wat stelt het ‘schone lei scenario’? Geef kritiek.

    Access: 
    Public
    Welke methoden worden gebruikt in de sociale neurowetenschap? - Chapter 2

    Welke methoden worden gebruikt in de sociale neurowetenschap? - Chapter 2

    Welke soorten methoden zijn er in de neurowetenschap?

    Social neuroscience maakt gebruik van methoden die afkomstig zijn uit andere velden, zoals sociale en cognitieve psychologie en cognitieve neurowetenschap. De belangrijkste methoden van de cognitieve neurowetenschap kunnen gecategoriseerd worden aan de hand van verschillende eigenschappen.

    • Temporele resolutie verwijst naar de accuraatheid waarmee gemeten kan worden wanneer een gebeurtenis zich voordoet

    • spatiële resolutie verwijst naar de accuraatheid waarmee gemeten kan worden waar een gebeurtenis zich voordoet

    • Invasiviteit verwijst naar de lokalisatie van de apparatuur (intern of extern)

    Methode

    Methode type

    Invasiviteit

    Gebruikt hersenkenmerk

    EEG / ERP

    Opname

    Niet - invasief

    Elektrisch

    Single cell recordings

    Opname

    Invasief

    Elektrisch

    TMS

    Stimulatie

    Niet - invasief

    Elektromagnetisch

    MEG

    Opname

    Niet - invasief

    Magnetisch

    PET

    Opname

    Invasief

    Hemodynamisch

    fMRI

    Opname

    Niet - invasief

    Hemodynamisch

    Tabel 1. Verschillende cognitief-neurowetenschappelijke methoden

    Hoe worden gedrag en cognitie gemeten?

    Er zijn drie soorten metingen die gebruikt worden om gedrag en cognitie te meten: prestatie-gebaseerde metingen, observaties en eerste persoons-gebaseerde metingen.

    Prestatie-gebaseerde metingen

    Mentale chronometrie is de studie van het tijdsverloop van informatieverwerking in het menselijke zenuwstelsel. Dit houdt in dat veranderingen in de natuur of efficiëntie van informatieverwerking zich zullen openbaren in de tijd die nodig is om een taak uit te voeren. Zulke verschillen in reactietijden kunnen zich bijvoorbeeld voordoen tijdens het verifiëren van bepaalde rekensommen (makkelijk vs. moeilijk) of tijdens het identificeren van gezichten (met of zonder emotionele expressie). Een andere prestatie-gebaseerde meting is accuraatheid. Dit kan gemeten worden in termen van error rates, percentage correct of percentielen. Accuraatheid is met name gerelateerd aan kennis, terwijl reactietijden vooral in verband gebracht worden met verwerkingsefficiëntie. In sommige gevallen zijn accuraatheid en efficiëntie echter gerelateerd: zo worden mensen minder accuraat als ze een taak sneller uit moeten voeren (speed - accuracy trade-off).

    + Prestatie-gebaseerde metingen reflecteren echt gedrag

    + Prestatie-gebaseerde metingen zijn eenvoudig te analyseren en interpreteren

    - Het is moeilijk om prestatie-gebaseerde metingen te linken aan neurale substraten

    - Er bestaat niet altijd een duidelijke relatie tussen laboratoriumtaken en ‘real-world’ gedragingen

    Observaties

    Observaties kunnen gebruikt worden wanneer het onmogelijk of ongepast is om instructies aan een participant te geven. Ze worden echter wel geassocieerd met scoring gedrag (kan worden tegengegaan met blind scoring) en observation bias (kan verminderd worden door de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid te berekenen). Bij preferential looking wordt gekeken hoe lang een kind naar een bepaalde stimulus kijkt. Bij habituatie is er sprake van een vermindering in aandacht voor een stimulus na herhaalde blootstelling.

    Masking

    Masking is de presentatie van visueel materiaal om de persistentie van een visuele afbeelding te elimineren.

    Eerste-persoonsgebaseerde metingen: surveys

    Vragenlijsten kunnen in verschillende situaties gebruikt worden waarbij een experimentele manipulatie niet noodzakelijk of gewenst is. Ze meten gedachten en gevoelens in plaats van gedrag. Bij een vragenlijst is het belangrijk om de betrouwbaarheid na te gaan, wat bereikt kan worden met behulp van factoranalyse. Vragenlijsten hebben een lagere externe validiteit dan observaties. Ook moet rekening gehouden worden met type I en II fouten wanneer bevindingen uit vragenlijsten gecorreleerd worden met andere methoden zoals fMRI. De zelfrapportages reflecteren wellicht niet het daadwerkelijke gedrag.

    Hoe worden lichaamsreacties gemeten?

    Het perifere zenuwstelsel bestaat uit het somatische zenuwstelsel (spieractiviteit) en het autonome zenuwstelsel. Het autonome zenuwstelsel, een set zenuwen die de activiteit van de interne organen controleert, kan worden opgedeeld in een sympathisch (verhoogde arousal) en parasympatische deel (rusteffect). De huidgeleidingsrespons (‘skin conductance response’, SCR) meet de activiteit van het somatische zenuwstelsel. Electromyografie (EMG) is een methode waarbij elektrische activiteit die geassocieerd is aan spieractiviteit wordt gemeten. Dit wordt ook gebruikt om de 'eyeblink startle reflex' te meten, een motorische reactie die zich gewoonlijk voordoet door een hard onverwacht geluid, maar gemoduleerd wordt door de emotionele staat van een persoon. Lichaamsreacties treden soms op terwijl mensen zich niet bewust zijn van bepaalde stimuli of in de afwezigheid van een bepaalde taak. Ze zijn bovendien eenvoudig vast te leggen en te analyseren. Het is echter niet makkelijk om lichaamsreacties aan hersenen en cognitie te verbinden.

    Welke elektrofysiologische metingen zijn er?

    Single-cell recording

    ‘Single-cell recording’ is een vorm van een elektrofysiologische meting waarbij de elektronische activiteit van neuronen gemeten wordt. Rate coding houdt in dat een bepaalde stimulus of gebeurtenis geassocieerd is met een toename in de hoeveelheid neuraal vuren. Temporaal coderen houdt in dat een bepaalde stimulus of gebeurtenis wordt gerelateerd aan een grotere synchronisatie van vuren bij verschillende neuronen. Deze meting is direct gerelateerd aan neurale activiteit en heeft goede spatiële en temporale resoluties. Het is echter zo’n invasieve methode dat het bijna nooit op mensen uitgevoerd wordt.

    EEG & ERP’s

    Elektro-encefalografie ('Electroencephalography’ (EEG)) meet elektronische signalen die door het brein gegenereerd worden, via elektroden die op de hoofdhuid geplaatst worden. ‘Event related potentials’ (ERP’s): een gemiddelde set van EEG opnames die qua tijd vastzitten aan een bepaalde gebeurtenis. De N170 is een ERP die gerelateerd is aan gezichtswaarneming. Deze methode heeft een goede temporale resolutie en is een directe meting van neurale activiteit. Het heeft echter een slechte spatiële resolutie en het is onmogelijk om hiermee bepaalde subcorticale hersengebieden te onderzoeken.

    Wat zijn hemodynamische methoden?

    Hemodynamische methoden, zoals PET en fMRI, meten bloedstroom of de oxygenatie van bloed. Deze methoden hebben een goede spatiële resolutie. Voxels zijn driedimensionale versies van een pixel, en de hersenen worden in tienduizenden voxels verdeeld tijdens functional imaging. Een BOLD respons is een verandering in de oxygenatie van bloed die samengaat met neurale activiteit. Een verandering in de BOLD reactie over tijd wordt de hemodynamische respons functie (HRF) genoemd. De HRF bestaat uit drie fases: initiële dip, overcompensatie en undershoot.

    Beperkingen van experimentele designs

    De manieren waarop verschillende soorten trials gegroepeerd zijn kunnen geclassificeerd worden in event-related designs (alle trials worden random tussengevoegd tijdens de stimuluspresentatie maar samengevoegd tijdens de analyse) en Block designs ( trials die bij elkaar horen worden samen gegroepeerd tijdens de stimuluspresentatie). Block designs kunnen alleen gebruikt worden bij PET studies en hebben meer statistische power; fMRI kan allebei de manieren gebruiken. Voor een goed experiment is het belangrijk om een goede selectie van controlecondities te maken.

    Analyse van fMRI data

    De analyse van fMRI data houdt in dat er vastgesteld moet worden of er sprake is van een statistisch significante relatie tussen de veranderingen in een BOLD signaal door de tijd heen, gebaseerd op de verwachtingen van het onderzoeksdesign. Dit wordt voor elke voxel gedaan. Voordat de ruwe data geanalyseerd kan worden moet er eerst voorverwerking plaatsvinden:

    1. De hersenafbeeldingen worden verbonden aan de timing van de stimuluspresentatie

    2. Corrigeren voor hoofdbewegingen

    3. Stereotactische normalisatie, de procedure waarbij de voxels van het individuele brein worden afgebeeld op de equivalente gebieden in een standaardbrein. Dit is noodzakelijk als er verschillende hersenen gebruikt worden, om te kunnen corrigeren voor verschillen in hersenvorm en – grootte. Hiervoor wordt vaak de MNI template gebruikt, een ‘standaardbrein’ dat gebaseerd is op 305 samengevoegde hersenen die aangeboden werden door het Montreal Neurologisch instituut. Een ander template dat soms gebruikt wordt ook wel de talairach coördinaten genoemd.

    4. Smoothing, het verhogen van de spatiële hoeveelheid activiteit in voxels. Dit wordt gedaan om om te gaan met individuele verschillen op het gebied van hersenactiviteit. Ook verbetert dit de signa-to-noise ratio.

    Na het voorverwerken moet er een statistische analyse uitgevoerd worden. Een family wise error (FWE) is een statistische grens die gebruikt wordt bij functionele imaging, gebaseerd op de assumptie van spatiële gladheid. Een alternatieve methode is het gebruik van een false discovery rate (FDR), een statistische grens die gebruikt wordt bij functionele imaging, gebaseerd op permutaties van de data. De FWE methode houdt alleen rekening met de hoeveelheid testen die uitgevoerd zijn, terwijl de FDR ook rekening houdt met de hoeveelheid positieve resultaten. De fMRI heeft over het algemeen een goede spatiële resolutie, is over het algemeen veilig en niet-invasief. Het heeft daarentegen een slechte temporale resolutie en is geen directe meting van neurale activiteit.

    Wat houden laesies & TMS in?

    Neuropsychologie is de studie van de effecten van hersenschade op cognitie. Er zijn verschillende vormen van hersenschade, waaronder beroertes, hoofdbeschadigingen, tumoren, neuro-operaties, virale infecties en neuro-degeneratieve stoornissen. Dankzij functionele specialisatie zal gelokaliseerde schade aan de hersenen sommige maar niet alle cognitieve functies zal beperken, wat ook wel dissociaties genoemd worden. Een dubbele dissociatie is een complementair profiel van twee of meer patiënten tussen intacte en beschadigde vermogens. Methodes die met laesies te maken hebben maken het mogelijk om oorzaak-gevolg relaties tussen hersenen en gedrag te onderzoeken. Er is echter geen experimentele controle over laesies.

    Experimentele laesies bij dieren

    Bij dieren kunnen veel specifiekere laesies aangebracht worden en bovendien kunnen de dieren hun eigen controlepersoon vormen door het gedrag voor en na de laesie te vergelijken. Er zijn verschillende manieren om laesies bij dieren te veroorzaken: aspiratie, transectie, neurochemische en omkeerbare laesies. Deze methode maakt het mogelijk om oorzaak-gevolgrelaties tussen brein en gedrag te onderzoeken, op een hele precieze manier. De hoeveelheid gedragingen die bestudeerd kunnen worden zijn beperkt ten opzichte van die van mensen en er zijn zorgen om dierenwelzijn.

    Transcraniale magnetische stimulatie (TMS)

    TMS veroorzaakt gelokaliseerde neurologische interferentie door kort een magnetisch veld te creëren dat tijdelijk de prestatie onderbreekt. Deze methode kan gebruikt worden om de timing en locatie van cognitie te meten en maakt bovendien binnen-proefpersoon vergelijkingen mogelijk. TMS kan echter maar een aantal gebieden stimuleren en het is lastig om te voorspellen hoe TMS het functioneren van verdere gebieden beïnvloedt.

    Stampvragen

    1. Categoriseer de methoden van sociale neurowetenschap aan de hand van drie bekende eigenschappen.

    2. Geef drie voorbeelden van metingen die gedrag en cognitie meten.

    3. Geef een voorbeeld van een prestatie-gebaseerde meting en licht deze kort toe. Wat zijn de voor- en nadelen van deze methode?

    4. Geef een voorbeeld van een elektrofysiologische meting en licht deze kort toe. Wat zijn de voor- en nadelen van deze methode?

    5. Wat zijn hemodynamische metingen? Geef een voorbeeld. Wat zijn de voor- en nadelen van deze meting?

     

     

    Access: 
    Public
    Wat is de oorsprong van sociale intelligentie en cultuur? - Chapter 3

    Wat is de oorsprong van sociale intelligentie en cultuur? - Chapter 3

    Volgens sommigen is de belangrijkste drijfveer voor menselijke intellectuele ontwikkeling niet het vermogen om slimmer te zijn, maar om complexe sociale interacties te begrijpen en te voorspellen en daarmee beter te zijn dan anderen. Dit vermogen wordt ook wel sociale intelligentie genoemd.

    Cultuur is een gedeelde set van waarden, vaardigheden, artefacten en overtuigingen binnen een groep van individuen. Via het proces van sociaal leren wordt cultuur gedeeld met groepsleden, zowel van persoon tot persoon als van generatie op generatie. De verschillen tussen culturen zijn vaak te wijten aan omgevingsfactoren, terwijl de overeenkomsten kunnen worden toegeschreven aan biologie en evolutie. Onze hersenen zijn op zo’n manier ontwikkeld dat we gedeelde kennis, vaardigheden en overtuigingen kunnen creëren en absorberen.

    Wat is de sociale intelligentie hypothese?

    De sociale intelligentie hypothese stelt dat evolutionaire druk om sociaal slimmer te zijn heeft geleid tot meer algemene veranderingen die resulteerden in toegenome intellect in niet-sociale domeinen. Er zijn verschillende interpretaties van dit basale idee:

    1. Intelligentie wordt gemanifesteerd in het sociale leven. Deze zwakke interpretatie van de hypothese stelt dat intelligentie meer breed geconstrueerd moet worden om problemen op te kunnen lossen in het sociale leven. Dit idee wordt over het algemeen geaccepteerd.

    2. Complexe samenleving vraagt om vergrote intelligentie. Deze iets sterkere interpretatie gaat ervan uit dat er iets veeleisend is aan problemen oplossen in de sociale wereld wat zorgt voor een behoefte aan grotere intelligentie.

    3. Complexe samenleving kiest de specifieke karakteristieken van intelligentie. De sterkste interpretatie van de hypothese stelt dat sociale druk niet alleen invloed heeft op de hoeveelheid intelligentie, maar ook op het type intelligentie.

    In deze samenvatting komt de discussie tussen de tweede en derde interpretatie vaker naar voren. In dit hoofdstuk wordt vooral aandacht besteed aan bewijs van niet-menselijke diersoorten.

    Wat is de relatie tussen sociale intelligentie en hersengrootte?

    Verschillende studies hebben de sociale intelligentie hypothese getest door te kijken naar de relatie tussen sociale intelligentie en hersengrootte. De voorspelling hierbij is dat hoe complexer de sociale wereld van een diersoort is, hoe groter de hersenen zullen zijn. Er zijn een aantal problemen met het bestuderen van deze link. In de eerste plaats zijn er verschillende manieren om sociale intelligentie te definiëren. Ten tweede is het niet altijd mogelijk om het te meten in de natuurlijke staat van bepaalde diersoorten. Bovendien meent deze benadering dat hersengrootte een bruikbare index van algemene intelligentie is, terwijl dat niet het geval hoeft te zijn. Over het algemeen wordt de hersengrootte niet gemeten, maar wordt er uitgerekend hoe de neocortex zich verhoud tot de rest van het brein. Om sociale intelligentie te meten zijn in verschillende studies onder andere groepsgrootte, misleiding, sociaal leren, innovatie en gereedschapsgebruik ingezet. Algemene kritiek op deze studies is dat ze te veel nadruk leggen op een soort meting (hersengrootte). Een preciezere meting waarbij ook gebruik gemaakt wordt van andere methoden kan hele andere uitkomsten geven.

    Onvolwassenheid

    Een factor die gerelateerd is aan hersengrootte is de duur van onvolwassenheid. Mensen doen er lang over om volwassen te worden, en dit heeft als mogelijk voordeel dat ze veel kunnen leren en zich kunnen aanpassen aan hun omgeving en cultuur. De nadruk op sociaal leren heeft interessante implicaties voor het nature-nurture debat: als intelligentie gerelateerd is aan ons vermogen om van elkaar te leren, dan is het zowel een product van de natuur als onze omgeving.

    Komt taal voort uit toegenomen sociaal en cognitief intellect?

    Er zijn een aantal interessante parallellen tussen verschillende taaltheorieën en de sociale intelligentie hypothese. Zo is er bijvoorbeeld een discussie over de vraag of taal voortkomt uit niet-specifieke evolutionaire veranderingen zoals toegenomen hersengrootte. Volgens sommigen (Gould, Chomsky, Dunbar) komt taal voort uit algemene selectieve druk om slimmer te worden - op sociaal en cognitief gebied. Deze druk heeft vervolgens geleid tot algemene veranderingen waaruit taal is ontstaan. Anderen (Pinker, Bloom) stellen dat taal ontstaan is uit selectieve druk die specifiek gerelateerd is aan communicatieve behoeften in plaats van als het bijproduct van meer algemene veranderingen zoals hersengrootte en groepsgrootte. Tegenwoordig wordt taal niet langer gezien als een enkele maar een veelzijdige entiteit, waarvan de verschillende aspecten op een algemene of taal-specifieke manier kunnen worden gezien. Zo kan op verschillende manieren gekeken worden naar de afkomst van twee belangrijke aspecten van taal, larynx (een orgaan in de nek van zoogdieren dat verantwoordelijk is voor geluidsproductie en syntax (de regels waarmee wordt gecombineerd om betekenisvolle zinnen te maken.

    Hoewel er bewijs is voor de sociale intelligentie hypothese, is het onduidelijk of specifieke processen voortkomen uit algemene veranderingen of specifiek gevormd zijn tijdens de evolutie.

    Wat is de evolutionaire oorsprong van cultuur?

    Door de tijd heen is met name onze cultuur veranderd, niet de biologie. Hoewel sommige menselijke culturen andere systemen hebben om in hun omgeving te kunnen overleven, betekend dat niet dat de ene cultuur beter is dan de andere. Bepaalde culturele trends zijn dominant in vergelijking met anderen wanneer ze in contact met elkaar komen (bijvoorbeeld geweren vs. speren). De term meme beschrijft eenheden van cultuur die worden overgedragen van de ene op de andere persoon volgens hun eigen waargenomen ‘fitness’.

    Cultuur in niet-menselijke diersoorten

    Hoewel andere diersoorten niet zulke complexe culturen hebben als mensen, kunnen er toch belangrijke gelijkenissen gevonden worden. Withen en van Schaik (2007) categoriseren sociaal geleerd gedrag van verschillende diersoorten in een ‘cultuurpiramide’. De lagere niveaus zijn meer aanwezig in de natuur. Op het laagste niveau, sociale informatie uitwisseling, wordt bepaalde informatie tijdelijk gebruikt en daarna afgedankt. Het tweede niveau bestaat uit tradities. Een traditie is een onderscheidend patroon van gedrag dat gedeeld wordt door twee of meer individuen in een sociale groep. Meerdere tradities vormen samen een cultuur, het bovenste niveau van de piramide. In cumulatieve culturen passen tradities zich aan of verbeteren ze zich door de tijd heen.

    Welke verschillende vormen van sociaal leren zijn er?

    Hoewel veel diersoorten de mogelijkheid tot sociaal leren hebben, verschillen de mechanismen die gebruikt worden. Afgezien van taal maken mensen bijvoorbeeld gebruik van fundamenteel andere mechanismen. Volgens sommigen maken mensen gebruik van imitatie, een vorm van sociaal leren die gebaseerd is op het begrijpen van de doelen, intenties en mentale staat van andere individuen. Andere, niet-imitatieve vormen van sociaal leren kunnen voortkomen uit een aantal verschillende mechanismen:

    • Mimicking: Het kopiëren van een handeling zonder het doel te begrijpen

    • Stimulus enhancement/local enhancement: Wanneer een ander individu de aandacht vestigt op een locatie of object verhoogt dit de kans dat de observator hier ook aandacht aan zal besteden.

    • Contagion: Dit verwijst naar het nadoen van gedragingen die aangeboren zijn in plaats van aangeleerd, zoals gapen.

    Bij mensen is er bewijs gevonden voor echte imitatie. De neiging van mensen om het gedrag van anderen te begrijpen en te verklaren door gebruik te maken van interne staten wordt intentional stance genoemd. Ook bij sommige primaten is bewijs gevonden voor imitatie. Chimpansees lijken te imiteren op basis van hun begrip van doelen en wellicht ook van intenties. Als imitatie bij mensen en apen zo op elkaar lijkt, hoe kan het dan dat het veel vaker voorkomt bij mensen? Een mogelijkheid is dat mensen betere vaardigheden hebben in andere domeinen waardoor ze meer imiteren. Een andere mogelijkheid is dat imitatie voor mensen meer belonend is dan voor apen.

    Natuurlijke selectie maakt het mogelijk dat mensen zich kunnen aanpassen aan hun omgeving. Een ander, sneller mechanisme – sociaal leren – zorgt voor een nog snellere aanpassing. Samen met innovatie en andere cognitieve vaardigheden zorgt dit ervoor dat er complexe culturen ontstaan. Culturele tradities vergroten onze cognitieve en fysieke mogelijkheden en vormen een middel om zowel individuele als groepsidentiteiten te vormen.

    Wat is biologische antropologie?

    Een andere veld waaruit informatie over de sociale en cognitieve evolutie van de mens wordt gehaald is biologische antropologie, de studie van de gedragsmatige en anatomische evolutie van de mens.

    Hoe neemt het brein materiële symbolen op?

    Hoewel taal ontstaan is dankzij evolutionaire druk, hebben mensen een reeks van materiële symbolen gecreëerd die het product zijn van cultuur (zoals schrijven, cijfers en kunst). Een interessante vraag is hoe het brein zulke informatie kan opnemen. De neurale circuits voor schrijven en rekenen zijn vrijwel gelijk bij mensen uit verschillende culturen en binnen deze culturen. Dit wordt ook wel neuronaal recycling genoemd. Een bepaald hersengebied in het ventrale visuele pad dat meer reageert op de visuele representatie van een letterreeksen dan op andere objecten wordt het visuele woordvorm gebied genoemd. Ook voor numerieke cognitie is een gebied in de parietaalkwab gevonden dat reageert tijdens rekenkundige taken en het bekijken van verschillende numerieke symbolen, zowel binnen en tussen culturen. Hoewel andere diersoorten ook zo’n basaal systeem hebben, gaan mensen dit te boven door gebruik te maken van numerieke symbolen. Door het gebruik van externe technologieën creëren mensen een uitgebreide cognitie die de hersen-gebaseerde en materiële werelden dichter bij elkaar brengt.

    Hoewel schriftelijke en numerieke systemen als sociaal gezien kunnen worden doordat ze zijn verzonnen en overgenomen door velen, zijn er ook meer directe invloeden op de natuur van sociale interactie. Zo heeft geld twee brede sociale functies: sociale uitwisseling en het bereiken of vasthouden van een bepaalde sociale positie.

    Wat is de rol van gereedschap?

    Zoals symbolen ons helpen te ontsnappen aan de beperkingen van onze geest, helpt gereedschap ons om te gaan met de beperkingen van ons lichaam. De informatie over deze objecten, die meestal met de handen gebruikt worden om secundaire objecten te manipuleren, wordt van mens op mens overgebracht.

    Het modificeren van de hersenen door het gebruik van gereedschap en technologie

    Sommige neuronen reageren zowel wanneer een bepaald lichaamsdeel wordt aangeraakt als wanneer een visuele stimulus vlakbij dit lichaamsdeel bewogen wordt. Deze neuronen worden multisensorisch genoemd omdat ze reageren op meer dan een sensorisch systeem en worden vaak bestudeerd bij apen met behulp van een methode die single-cell elektrofysiologie wordt genoemd. Het ruimtelijke gebied dat een neurale respons uitlokt wordt het receptieve veld van de neuron genoemd. Wanneer apen gereedschap gebruikten, veranderde dit receptieve veld en werd het gereedschap hierin opgenomen. Ook bij mensen is er bewijs gevonden voor multisensorische verwerking (bv. een blind persoon met een stok).

    Wat is de rol van spiegelneuronen in imitatie?

    Eén van de meest fascinerende ontdekkingen in cognitieve neurowetenschappen is die van het systeem van spiegelneuronen. Deze neuronen reageren wanneer een handeling wordt uitgevoerd als deze handeling geobserveerd wordt. De reactiekenmerken van deze neuronen zijn vaak vrij specifiek. Soms zijn ze afgestemd op precieze handelingen die doelbewust zijn en reageren ze niet als dezelfde handeling wordt uitgevoerd in de afwezigheid van een object of een intentie. Dit wijst erop dat met name de doelbewuste natuur van belang is. Umilta en collega’s vonden dat spiegelneuronen reageren wanneer als een juiste actie wordt geïmpliceerd of daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Deze bevindingen wijzen erop dat de premotorcortex abstracte representaties van actie-intenties bevat die gebruikt worden bij het plannen van eigen handelingen en het interpreteren van de handelingen van anderen. Een hersengebied dat strekt van het gebied van Broca tot aan de premotorcortex wordt bij mensen geactiveerd wanneer hand- en lipbewegingen worden geobserveerd.

    Waarom apen geen gereedschap gebruiken

    Er is een gebrek in het verhaal over spiegelneuronen, imitatie en gereedschapsgebruik: er wordt aangenomen dat spiegelneuronen bij apen, chimpansees en mensen bestaan, maar gereedschapsgebruik komt bij apen nauwelijks voor, bij chimpansees over het algemeen wel en mensen gebruiken veel gebruik van gereedschap. Wat veroorzaakt dit verschil? Volgens Iriki en collega’s zijn spiegelneuronen wel noodzakelijk, maar niet voldoende om gereedschapsgebruik te kunnen imiteren. Bij apen die wel gereedschap kunnen gebruiken bestaan er extra connecties tussen de intraparietale sulcus en de temporaal-parietale junctie, en bij apen die geen gereedschap kunnen gebruiken niet. Het interparietale gebied bevat neuronen waarvan het receptieve veld vergroot is door gereedschapsgebruik en spiegelneuronen. De temporaal-parietale junctie is gerelateerd aan theory of mind en gevoelens van embodiment. Veranderingen in genenexpressie in het interparietale gebied gaan gepaard met het leren van gereedschapsgebruik en zorgen waarschijnlijk voor de veranderingen in connecties.

    Stampvragen

    1. Wat is sociale intelligentie en wat stelt de sociale intelligentie hypothese?

    2. Geef drie interpretaties van de sociale intelligentie hypothese.

    3. Leg uit wat men bedoelt met de cultuurpiramide van Withen en Schaik en licht de niveaus kort toe.

    4. Geef drie vormen van sociaal leren.

    5. Wat wordt bedoeld met ‘multisensorische neuronen’ en het ‘receptieve veld van de neuron’?

    Access: 
    Public
    Hoe zijn de hersenen betrokken bij emoties en motivatie? - Chapter 4

    Hoe zijn de hersenen betrokken bij emoties en motivatie? - Chapter 4

    Wat zijn emoties?

    Emoties zijn staten die geassocieerd worden met stimuli die belonend of straffend zijn en voorbijgaand in aard (in tegenstelling tot een humeur, waar een emotionele staat zich uitstrekt over langere tijd). Vaak trekken emotionele stimuli de aandacht, zodat ze beter geëvalueerd kunnen worden en er mogelijk op gereageerd kan worden. Bovendien hebben emoties een hedonistische waarde: ze worden subjectief (positief of negatief) beoordeeld. Daarnaast hebben emoties een bepaalde gevoelsstaat in termen van een interne lichaamsreactie. Ook lokken emoties bepaalde externe motorische bewegingen uit in het gezicht en lichaam, waaronder emotionele expressies, die individuen kunnen voorbereiden en signalen kunnen sturen naar anderen. Emoties komen niet alleen bij mensen voor, maar mensen kunnen wel bewust reflecteren op hun emoties en ze delen via taal en cultuur. Een emotie kan worden gezien als een staat die verschillende facetten heeft: bewust en onbewust, intern en extern, automatisch en gecontroleerd. Hoe deze staat er precies uitziet is afhankelijk van de stimulus, de geleerde geschiedenis en huidige context. Ook kunnen emotionele stimuli van invloed zijn op verwerken in andere cognitieve mechanismen.

    Emoties en motivatie

    Hoe kan het dat sommige stimuli wel gerelateerd zijn aan emoties en anderen niet? Sommige stimuli zijn belangrijker dan anderen en emoties zorgen ervoor dat deze stimuli voorrang krijgen. Over het algemeen kunnen ze worden opgedeeld in stimuli die worden opgezocht (belonend) en stimuli die worden vermeden (straffend). Vaak worden emoties verbonden aan het concept motivatie (een staat waarbij beloningen worden gezocht en straffen worden vermeden). Bovendien zijn emoties niet zomaar verbonden aan stimuli, maar aan voorspelbare stimuli. Daarnaast is emotioneel leren een flexibel systeem dat niet beperkt is tot stimuli met een duidelijk overlevingsvoordeel.

    Wat zijn historische perspectieven op emoties?

    Darwin’s evolutionaire theorie van emotie

    Darwin hield zich voornamelijk bezig met het documenteren van expressies en het viel hem op dat veel emoties bij verschillende soorten voorkomen. Volgens hem zijn deze expressies aangeboren en kunnen individuen emotionele expressie gebruiken om de emotionele staat van een ander te interpreteren. Voor Darwin was een emotionele expressie een ware reflectie van een innerlijke staat.

    Freud en onbewuste emotionele motivaties

    Volgens Freud kan de menselijke geest worden opgedeeld in drie mechanismen: id, ego en superego. De id houdt zich bezig met onbewuste motivaties die de primitieve behoeften van onze niet-menselijke voorouders representeren. Soms werden deze ideeën bewust dankzij het ego, de bewuste zelf dat handelt volgens rede in plaats van instinct. Het super-ego representeert de ideale zelf, zoals culturele normen en aspiraties. Hoewel de specifieke details van Freuds theorie niet langer relevant zijn voor de wetenschap, zijn er twee ideeën nog altijd van belang: het basale idee dat emoties een onbewuste bias in ons gedrag zijn en dat veel psychiatrische ziektes worden gezien als emotionele verstoringen.

    De James-Lange theorie

    De James-Lange theorie stelt dat de perceptie van onze eigen lichamelijke veranderingen emotionele ervaringen produceert (je voelt je verdrietig omdat je huilt, en niet je huilt omdat je je verdrietig voelt). Veranderingen in het lichaam worden gemedieerd door het autonome zenuwstelsel. Verschillende studies hebben laten zien dat veranderingen in een somatische staat op zichzelf niet genoeg zijn om een emotie te produceren. Een studie van Schachter en Singer laat zien dat lichamelijke ervaringen emoties niet creëren, maar dat ze wel bewuste emotionele ervaringen kunnen versterken.

    De Cannon-Bard theorie

    Volgens de Cannon-Bard theorie ontstaan emoties in het brein en ontstaan de lichamelijke reacties pas na de emoties zelf. Cannon en Bard dachten dat de hypothalamus het belangrijkste hersendeel was voor emoties. De hypothalamus zou sensorische input krijgen en die vervolgens doorsturen naar het autonome zenuwstelsel en de cortex. Hoewel deze theorie niet correct is gebleken, was het historische belang groot, omdat het een tegenhanger was voor de James-Lange theorie en het bijdroeg aan de ontwikkeling van een belangrijke andere theorie: het Papez circuit en het limbische brein hypothese.

    Het Papez circuit en het limbische brein

    Ook Papez dacht dat de hypothalamus van belang was voor emotionele verwerking, maar hij noemde nog een aantal andere gebieden die hier essentieel voor waren, zoals de hippocampus, de anterieure nucleus van de thalamus en gebieden van de cingulate cortex. Volgens Papez ontstonden emotionele gevoelens in het Papez circuit, een set van onderling verbonden hersengebieden die samen het ‘emotionele brein’ vormden. Een tweede circuit was verantwoordelijk voor een analyse waardoor geassocieerde herinneringen konden worden opgehaald. MacLean ging verder met dit idee en voegde gebieden zoals de amygdala en de orbitofrontale cortex (wat hij het limbische brein noemde) toe aan het emotionele brein. Er is een aantal redenen waarom deze vroege neurobiologische ideeën niet meer worden aangenomen door moderne cognitieve neurowetenschappers. In de eerste plaats vervullen sommige delen van het Papez circuit geen functies die primair gerelateerd zijn aan emoties. Bovendien plaatst hedendaags onderzoek de nadruk op verschillende soorten emoties. Elke basale emotie kan een deel van zijn eigen circuit vormen, en verschillende delen van het circuit kunnen zorgen voor verschillende cognitieve bijdragen.

    Wat zijn onderdelen van het emotionele brein?

    De amygdala

    • Een verzameling nuclei die zich bilateraal in de anterieure temporale kwabben bevind.

    • De amygdala heeft vooral verbindingen met delen van de temporaalkwab (hogere stadia van sensorische verwerking en semantiek) en een aantal subcorticale input-gebieden (hippocampus, hypothalamus, reukstructuren). De amygdala stuurt informatie naar de hypothalamus, het ventrale striatum, en de temporale, orbitofrontale en insulacortex.

    • Betrokken bij het leren van de emotionele waarde van stimuli.

    De insula

    • Een gebied in de cortex dat onder de temporaalkwab ligt.

    • Is aan de voorkant (anterior) verbonden aan de orbitofrontale cortex, limbische structuren en basale ganglia; is aan de achterkant (posterior) verbonden aan de sensorische thalamus en de temporale en pariëtale associatiecortex.

    • Het voorste gedeelte van de insula is betrokken bij interoceptief bewustzijn en algemene lichamelijke gevoelens.

    De anterieure cingulate cortex

    • Bevindt zich rond de voorkant van het corpus callosum op de mediale oppervlakte van het brein en wordt soms opgedeeld in dorsale en ventrale gebieden.

    • Connecties van de mediale thalamische gebieden, orbitofrontale cortex, amygdala en insula. Verbindingen naar het periaqueductale grijze gebied, de dorsale motorische nucleus van de vagus en het ventrale striatum.

    • Betrokken bij het produceren van bepaalde lichamelijke reacties die worden uitgelokt door een emotionele stimulus. Het dorsale gebied houdt zich bezig met het monitoren van reacties en het ventrale gebied vermoedelijk met ‘mentaliseren’, hoewel de meningen hierover verdeeld zijn.

    De orbitofrontale cortex

    • Bevindt zich op de ventrale oppervlakte van de frontaalkwab, boven de oogkassen (orbita).

    • Connecties van corticale sensorische gebieden en heeft wederzijdse verbindingen met de amygdala, hippocampus, insula en cingulate cortex.

    • Berekent de motivationele waarde van beloningen en verandert deze waarde afhankelijk van de context.

    Het ventrale striatum

    • Deel van de basale ganglia dat de nucleus accumbens bevat.

    • Betrokken bij een limbisch circuit dat de orbitofrontale cortex, basale ganglia en thalamus verbindt.

    • Belangrijk voor operant conditioneren.

    • Reageert op beloningen en de anticipatie van beloningen. Berekent wellicht een beloningsvoorspellingsfout (het verschil tussen de werkelijke en verwachtte beloning).

    Welke verschillende categorieën van emoties in de hersenen zijn er?

    Volgens een belangrijke etnografische studie zijn er zes basisemoties te onderscheiden die onafhankelijk zijn van cultuur en hun eigen biologische basis hebben in termen van evolutie en neurale substraten: blijdschap, verdriet, walging, woede, angst en verbazing. Er zijn drie mogelijkheden waarop minder basale emoties gecategoriseerd kunnen worden. Ze kunnen verschillende subonderdelen van een basisemotie zijn, een samenstelling zijn van twee of meer basisemoties of van een basisemotie en een cognitieve evaluatie. Emoties met een cognitieve evaluatie, waarbij daadwerkelijk gedrag met ideaal of normatief gedrag wordt vergeleken, worden morele emoties genoemd. Echter, niet alle wetenschappers nemen aan dat sommige emoties meer basaal zijn dan anderen. Volgens Ortony en collega’s zijn alle emoties evaluaties van stimuli of gebeurtenissen die gebaseerd zijn op een reactie met valentie (positief vs. negatief). Rolls stelt dat verschillende soorten emoties voortkomen uit de afweging van een aantal principes:

    • Wordt er een beloning of een straf toegepast?

    • De intensiteit van emoties kan verschillen doordat er bijvoorbeeld een belonende stimulus wordt weggehaald of onverwacht niet verschijnt.

    • Verschillende combinaties van deze emotionele uitkomsten zijn wellicht het resultaat van het leren van straffen en beloningen

    • De context waarin een emotionele stimulus zich voordoet is van belang

    Welke hersengebieden zijn verbonden met welke emoties?

    De amygdala en angst

    Er wordt aangenomen dat de amygdala belangrijk is voor geheugen – met name de emotionele inhoud van geheugen – en het leren wanneer een bepaalde stimulus-respons wordt beloond of gestraft. Bij apen veroorzaken bilaterale laesies van de amygdala een serie complexe gedragingen die het Kluver-Bucy syndroom wordt genoemd. Onder deze gedragingen vallen abnormale tamheid en emotionele afstomping, de neiging om dingen met de mond te onderzoeken en veranderingen in het dieet. Bij mensen zijn de effecten van laesies niet zo extreem, wat verklaard kan worden doordat ze een grotere corticale invloed hebben op emotioneel en sociaal gedrag of doordat wetenschappers bij de apen laesies aanbrachten die groter waren dan de amygdala.

    De amygdala speelt een belangrijke rol bij angstconditionering, zowel met betrekking tot het leren als het opslaan van de geconditioneerde angstrespons. Het gaat hierbij om het leren en opslaan van reacties op stimuli die oorspronkelijk emotioneel neutraal waren. Associaties worden opgeslagen in de amygdala (het veroorzaken van de geconditioneerde angstrespons) en de hippocampus (het ontstaan van expliciete herinneringen van de associatie). Schade aan de amygdala kan er bovendien voor zorgen dat het vermogen om angst op gezichten te herkennen verminderd wordt. Bij onbewuste, angstige stimuli (slangen die subliminaal worden gepresenteerd aan mensen met een slangenfobie) heeft de amygdala een sterke respons. Over het algemeen wordt aangenomen dat een snelle corticale route van de thalamus naar de amygdala loopt en een langzame route van de amygdala naar de visuele corticale paden. Het activeren van een angstrespons in de amygdala kan zorgen voor veranderingen in andere gebieden van het brein waardoor de bedreiging geëvalueerd en indien nodig, tegengegaan kan worden.

    De amygdala en andere emoties

    De conclusie dat de amygdala gespecialiseerd is in angst is wellicht wat voorbarig. Ten eerste wordt door deze interpretatie van de bevindingen aangenomen dat de stimuli correct gepaard waren en dat ze niet simpelweg moeilijker of meer 'arousing' waren. Echter, bewijs dat schade aan andere gebieden niet selectief angst beïnvloeden spreekt tegen dit bezwaar. In de tweede plaats kan de amygdala gespecialiseerd zijn voor een ander proces dat relevanter is voor angst. Bewijs dat de amygdala betrokken is bij angst in andere domeinen spreekt dit tegen.

    Er bestaat bewijs dat de amygdala niet alleen betrokken is bij angstconditionering maar ook bij het leren van positieve stimulus-emotie associaties. De amygdala speelt wellicht een rol met betrekking tot emotionele intensiteit (zowel positief als negatief), wat gemoduleerd wordt door individuele verschillen.

    De insula en walging

    De insula is betrokken bij verschillende aspecten van lichamelijke perceptie, waaronder de waarneming van pijn en smaak en in het bijzonder walging. Walging is een emotionele categorie die evolutionair gezien gerelateerd is aan infecties en ziektes. De insula reageert niet alleen op walging in de vorm van smaak, maar ook op morele walging. Naast de specifieke betrokkenheid bij walging speelt de insula ook een bredere rol in emotionele verwerking, in het bijzonder met betrekking tot het monitoren van lichamelijke reacties die karakteristiek zijn voor emotionele staten.

    Woede

    Een selectieve beperking met betrekking tot het herkennen van woede kan ontstaan door schade aan het ventrale striatale gebied van de basale ganglia. Het dopaminesysteem in dit gebied is gerelateerd aan agressie en beloningsmotivatie.

    Evaluatie

    Het is lastig om aan te tonen of het idee van basisemoties correct of incorrect is. Over het algemeen zijn er een aantal problemen met de basisemotie benadering:

    • Emoties kunnen in het ene opzicht basaal zijn maar in het andere opzicht complex

    • Sommige ‘basisemoties’ zijn meer basaal dan anderen (bijvoorbeeld omdat ze specifiekere neurale substraten hebben)

    • De neiging van wetenschappers in het veld van sociale neurowetenschap hebben vooral aandacht besteed aan basisemoties en daardoor zijn andere (wellicht meer sociale) emoties zoals trots, schaamte en jaloezie nog niet veel onderzocht.

    Wat is motivatie?

    Motivatie zorgt ervoor dat iemand zijn best doet om een beloning te verkrijgen of een straf te vermijden. In een motivationele staat wordt er naar een bepaald doel verlangd en er wordt een emotionele staat uitgelokt wanneer bepaald doel (niet) bereikt wordt. Een invloedrijke poging om de verschillende aspecten van motivatie te categoriseren is Maslow’s hiërarchie van behoeften. Op het onderste niveau bevinden zich de psychologische behoeften zoals eten en seks. Daarboven ligt de behoefte aan veiligheid en zekerheid. Vervolgens is er de behoefte aan saamhorigheid; de behoefte aan waardering, erkenning en zelfrespect en tenslotte zelf-actualisatie.

    Aangeboren vs. aangeleerde reacties

    De emotionele karakteristieken van stimuli kunnen zowel aangeboren als aangeleerd zijn. Een reinforcer is een stimulus die een bepaald gedragspatroon versterkt over verminderd. Primaire reinforcers zijn stimuli die als beloning of straf werken zonder dat ze aangeleerd zijn. Secundaire reinforcers zijn aangeleerde beloningen of straffen. Voorbeelden van primaire reinforcers zijn bepaalde smaken, geuren, aanrakingen, hechting, samenwerking, groepsacceptatie, ‘mind-reading’, sociale uitsluiting, imitatie en gezichtsuitdrukkingen. Sociaal verwijzen is het gebruik van emotionele cues bij anderen om de belonende/bestraffende natuur van oorspronkelijk neutrale stimuli te leren.

    Hoewel emotionele verwerking over het algemeen automatisch wordt geacht, kan dit gecontroleerd worden tijdens bepaalde taken of in een bepaalde context.

    De orbitofrontale cortex (OFC) berekent de motivationele waarde van beloningen

    De meest basale anatomische verdeling binnen de prefrontale cortex maakt onderscheid tussen drie corticale oppervlakten: lateraal, mediaal en orbitaal. De laterale prefrontale cortex is vooral gerelateerd aan sensorische input in vergelijking met de orbitofrontale cortex. De mediale en orbitofrontale cortex zijn vooral verbonden met structuren in de mediale temporaalkwab die belangrijk zijn voor het lange termijn-geheugen en het verwerken van emotie. Een algemene functie van de OFC is het berekenen van de huidige waarde van een stimulus. Het eten van chocolade kan belonend zijn (activiteit in de mediale OFC) maar als iemand vol zit niet (activiteit in de laterale OFC). De OFC kan dus zorgen voor flexibele veranderingen in het gedrag ten opzichte van stimuli die normaal gesproken belonend zijn maar ineens niet meer. Dit kan de rol van dit gebied in reversal learning (de beloningswaarden van twee stimuli worden omgekeerd) en uitdoving (extinction; een stimulus is niet langer belonend) verklaren. Mensen met schade aan de OFC hebben moeite met de ‘Iowa gambling task’ (de participant moet kiezen uit vier opties die elk geassocieerd zijn met een risico en ervoor zorgen dat hij opties met een hoog risico vermijdt). Activiteit van de OFC is gerelateerd aan de magnitude van beloningen, maar niet van straffen. Ook is de OFC belangrijk voor spijt, een emotie die zich voordoet wanneer een uitkomst slechter is in vergelijking met de uitkomst van een andere keuze. Bovendien is activiteit van de OFC gerelateerd aan subjectieve beoordeling van plezier door stimuli zoals smaak. Deze beoordelingen worden niet alleen beïnvloed door de stimuli, maar de overtuigingen die mensen hebben van de stimuli (Bijv. dure wijn smaakt beter).

    De anterieure cingulate cortex (ACC): cognitieve en affectieve evaluatie van reacties

    De anterieure cingulate cortex (ACC) wordt meestal verdeeld in twee delen – het dorsale en ventrale gebied – die verschillende functies hebben. Schade aan het ventrale deel kan leiden tot een verminderde subjectieve frequentie van emotionele ervaringen en veranderingen in sociaal gedrag en individuele verschillen in grijze massa in dit gebied worden gerelateerd aan subjectieve sociale status. Het dorsale gebied is betrokken bij het opsporen van fouten en het monitoren van reacties waarin zich waarschijnlijk fouten voor zullen doen. Een klassiek voorbeeld van een respons conflict (een situatie waarin de gewenste respons niet het meest eenvoudig is) doet zich vaak voor bij de stroop test (een taak waarbij participanten de kleur van de inkt moeten benoemen en het geschreven woord moeten negeren). Er is ook bewijs dat de ACC betrokken is bij het evalueren van sociale en emotionele stimuli. De functie van de ACC is het nagaan van de waarde van reacties (of een bepaalde handeling een beloning of een straf tot gevolg heeft). Dit verschilt van de OFC, die nagaat of een bepaalde stimulus op dit moment belonend of straffend is. Potentieel gezien kunnen deze cognitieve (fouten en responsconflict) en handeling-waarderingsverklaring (evalueren van de waarde van een respons) allebei correct zijn omdat het gaat om responsevaluatie, al verschilt het in hoeverre dit cognitief of sociaal is.

    Ventrale striatum en beloningen

    Een belangrijke manier waarop de beloningscentra in het brein werden onderzocht was het gebruik van elektrische zelfstimulatie (iets uitvoeren om een directe stimulatie van bepaalde hersengebieden te verkrijgen) bij dieren. De stimulatie van een aantal hersengebieden – waaronder de OFC, de laterale hypothalamus en de amygdala – is belonend. Een ander belonend gebied bevindt zich in de nucleus accumbens van het ventrale striatum, een deel dat zich bezig houdt met het leren van de emotionele waarde van een handeling (zoals het indrukken van een hendel wat een beloning oplevert). Het ventrale striatum is deel van de basale ganglia. De basale ganglia bestaat uit de nucleus caudatus, het putamen en de globus pallidus. De nucleus caudatus vormt samen met het putamen het striatum. Het dorsale deel van het striatum heeft sensomotorische kenmerken en is betrokken bij onder meer gewoontes (een handeling die herhaald wordt, wellicht omdat die eerder belonend is geweest), terwijl het ventrale deel relatief gezien meer betrokken is bij emoties. Er zijn verschillende loops die gebieden in de frontale cortex verbinden met de basale ganglia en de thalamus. Deze loops moduleren de hersenactiviteit binnen deze structuren en vergroten en verkleinen daarmee de kans dat een bepaalde gedraging wordt uitgevoerd. De loop die met name belangrijk is voor het leren van beloningen is het limbische circuit. Het limbische circuit begint en eindigt in de OFC en limbische gebieden (amygdala, hippocampus, ACC) en heeft verbindingen naar het ventrale striatum, de ventrale globus pallidus en de mediodorsale nucleus van de thalamus. Dopaminerge neuronen coderen niet per se de beloning, maar het verschil tussen de verwachtte en daadwerkelijke beloning.

    Stampvragen

    1. Wat is een emotie?

    2. Hoe werden emoties verklaard door Darwin, de James-Lange theorie en de Cannon-Bard theorie?

    3. Welke hersengebieden zijn betrokken bij emoties en op welke manier?

    4. Hoe kunnen emoties worden gecategoriseerd?

    5. Geef drie argumenten tegen de basisemotie benadering.

    6. Leg uit op welke manier de orbitofrontale cortex de motivationele waarde van beloningen berekent.

    Access: 
    Public
    Is er een neurowetenschappelijke basis voor het lezen van gezichten en lichamen? - Chapter 5

    Is er een neurowetenschappelijke basis voor het lezen van gezichten en lichamen? - Chapter 5

    Onze sociale interacties vinden plaats met andere leden van onze soort, de zogenaamde conspecifics. We hebben een effectief systeem nodig om bij te houden wie anderen zijn, hoe ze er uitzien en wat hun normale gedragingen zijn. Gezichten en lichamen vormen een belangrijke bron voor deze informatie.

    Wat is gezichtswaarneming?

    Het waarnemen van gezichten heeft verschillende doelen en tot op zekere hoogte reflecteren diverse aspecten van gezichtswaarneming verschillende cognitieve en neurale mechanismen.

    Een cognitief model van Bruce en Young

    Het Bruce en Young model van gezichtsverwerking beschrijft een aantal afzonderlijke mechanismen die de verschillende doelen van de waarnemer reflecteren. Eerst wordt het gezicht structureel gecodeerd door de oppervlakte, schaduwen en hoeken waar te nemen. Vervolgens wordt er een onderscheid gemaakt tussen het verwerken van een bekend of onbekend gezicht. Het herkennen van een bekend gezicht houdt in dat er een visuele beschrijving van het gezicht wordt gematcht met een opgeslagen representatie van dat gezicht. Alle bekende gezichten zijn opgeslagen en hebben elk hun eigen ‘face recognition unit’. Er zijn bepaalde neuronen die wel op gezichten reageren maar niet op andere objecten. De face recognition units worden gevormd door een set van neuronen, en niet door een enkele neuron die op een gezicht zou reageren. Als het gezicht herkend is wordt andere informatie over de persoon beschikbaar. De person identity node is een hypothetische entiteit die semantische en perceptuele informatie over een bepaald individu aan elkaar verbind. Het verwerken van onbekende gezichten gaat via een andere route (directed visual processing). Een aantal paden in het model zijn van toepassing op zowel bekende als onbekende gezichten, zoals het herkennen van emotionele expressies. Het Bruce en Young model wordt ondersteund door bewijs van patiënten met neurologische beperkingen. Een beperking in gezichtsherkenning die niet verwijst naar moeilijkheden in de vroege visuele analyse wordt proposagnosie genoemd. Deze term wordt soms ook gebruikt om te verwijzen naar het onvermogen om gezichten te herkennen die eerder wel bekend waren. Het is dus van belang om het vermeende cognitieve mechanisme duidelijk te omschrijven.

    De neurale basis van gezichtsperceptie

    Na de eerste fases van visuele corticale verwerking worden neuronen steeds meer gespecialiseerd in hun responskenmerken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende paden – een ventraal visueel pad dat loopt van de occipitaalkwab naar de temporaalkwab en zich bezig houdt met het identificeren van objecten en een dorsaal visueel pad dat loopt van de occipitaalkwab tot de parietaalkwab en zich bezig houdt met het lokaliseren van objecten. De perceptie van gezichten is met name afhankelijk van het ventrale visuele pad.

    Occipitaal gezichtsgebied

    Het occipitaal gezichtsgebied is een deel van de occipitale cortex dat meer op gezichten reageert dan op objecten en lichamen maar geen gezichtsidentiteit verwerkt. Dit gebied codeert de fysieke aspecten van gezichtsstimuli.

    Fusiform gezichtsgebied

    Het fusiforme gezichtsgebied is relatief gespecialiseerd in gezichten (ten opzichte van objecten en lichamen) en is wellicht met name belangrijk voor het herkennen van bekende gezichten en responsief naar gezichtsidentiteit. Volgens sommigen is dit gebied gevoelig voor visuele onderscheiding binnen bepaalde categorieën, en niet per se alleen voor gezichten. Gezichten hebben onderscheid binnen een categorie nodig, in tegenstelling tot verschillende objecten die oppervlakkig onderscheid nodig hebben. Door ervaring met veel verschillende gezichten worden mensen visuele experts in het onderscheiden van gezichten. Deze theorie wordt ondersteund met bewijs uit experimenten waar gebruik gemaakt werd van Greebles. Bewijs dat gezichtsperceptie en visuele expertise niet per se hetzelfde zijn komt van patiënten met proposagnosie.

    Superieure temporale sulcus (STS)

    De STS reageert op veranderende gezichtsaspecten, zoals bepaalde uitdrukkingen, en lichamen. Deze veranderende gezichtsaspecten zijn met name van belang voor het aflezen van sociale cues. De STS is wellicht ook belangrijk voor het verbinden van de dorsale en ventrale paden, wat het mogelijk maakt om dynamische visuele percepties van gezichten en lichamen motorisch te verwerken. Ook ontvangt dit gebied meer multisensorische input dan bijvoorbeeld het fusiforme gezichtsgebied.

    Sociale display regels

    Hoewel basisemoties als universeel worden gezien, kan cultuur een effect uitoefenen op emoties door middel van sociale display regels, de mate waarin iemand emotionele expressies reguleert in de aanwezigheid van anderen.

    Hoe worden emoties waargenomen?

    Hoe is gezichtsuitdrukking gerelateerd aan andere aspecten van gezichtswaarneming?

    Zowel het cognitieve model van Bruce en Young en het neurale model van Haxby maken onderscheid tussen het herkennen van bekende gezichten (gezichtsidentiteit) en het herkennen van emotionele expressies. Hoewel er bewijs is dat dit basale idee klopt, leveren beide modellen volgens Calder en Young geen goede verklaring voor dit idee. De structurele codering is belangrijk voor zowel gezichtsidentiteit als emotionele expressie, maar hersenschade heeft met name invloed op gezichtsidentiteit, omdat gezichtsherkenning meer moeite kost. Calder en Young gaan ervan uit dat er geen enkele route is voor alle emoties, maar dat elke emotie een eigen route heeft.

    Simulatietheorie

    Er bestaat een mechanisme dat zou kunnen werken als een algemeen systeem voor emoties (maar niet voor identiteit) in termen van sensomotorische simulatie. Simulatietheorie stelt dat we anderen begrijpen door hun huidige staat bij onszelf te produceren. Individuen kunnen dus wellicht emoties herkennen, niet alleen door middel van hun visuele verschijning, maar ook doordat het sensomotorische systeem van de waarnemer wordt geactiveerd. Er is bewijs dat het zien van een gezichtsexpressie zorgt voor een verandering in het spierstelsel van ons eigen gezicht en verschillende studies lieten zien dat beperking van dit spierstelsel ervoor zorgt dat emoties minder goed herkend worden.

    Hebben bekende gezichten een signatuur?

    In verschillende studies is de emotionele respons op gezichten gemeten door middel van ‘skin conductance response’ (SCR). Deze reactie doet zich na een aantal seconden voor als een bepaalde stimulus gezien is, en wordt gezien als automatisch en onbewust. Bekende gezichten genereren een grotere SCR dan onbekende gezichten. Dit is ook het geval bij patiënten met prosopagnosie, ook al weten ze niet dat het bekenden zijn en kunnen ze zich niet als bekend classificeren. Dit kan op verschillende manieren verklaard worden. In de eerste plaats kan voor het bewust en onbewust herkennen van gezichten gebruik wordt gemaakt van het zelfde gebied, maar het herkennen van een emotionele signatuur is wellicht eenvoudiger. Een andere verklaring stelt dat er binnen de vroege visuele fases gescheiden processen zijn die leiden tot verschillende uitkomsten.

    Een dissociatie tussen de emotionele inhoud van gezichten en gezichtsidentiteit zou het Capgras syndroom kunnen verklaren, waarbij individuen het waanbeeld hebben dat bekenden vervangen zijn door dubbelgangers. Volgens Ellis en Young is dit het tegenovergestelde van proposagnosie: mensen kunnen bekenden bewust herkennen maar ze hebben geen emotionele respons bij hen.

    Het herkennen van je eigen gezicht

    Wanneer je je eigen gezicht ziet, wordt een circuit van hersengebieden in de frontale en pariëtale kwabben geactiveerd dat niet reageert wanneer je andere bekenden gezichten ziet. Het herkennen van je eigen reflectie in de spiegel vereist niet alleen gezichtsherkenning, maar ook het besef dat het gezicht bij jou hoort. 'Mirror self-recognition’ (MSR) wordt door sommigen gezien als een belangrijke test voor zelfbewustzijn bij andere diersoorten.

    Hoe worden lichamen waargenomen?

    Er is veel minder onderzoek gedaan naar het waarnemen van lichamen dan naar het waarnemen van gezichten. Er bestaat geen model dat gelijkwaardig is aan dat van Bruce en Young voor gezichten en hoewel er bepaalde hersengebieden geïdentificeerd zijn die belangrijk zijn voor het waarnemen van lichamen, zijn de specifieke functies niet zo gespecificeerd.

    Visuele waarneming van lichamen

    Het extrastriate lichaamsgebied ('extrastriate body area', EBA) is een gebied in de visuele cortex dat meer reageert op lichamen en lichaamsdelen dan op gezichten en objecten. Dit gebied codeert waarschijnlijk abstracte beschrijvingen van lichamen, aangezien het niet alleen reageert op foto’s, maar ook op lijntekeningen, getekende poppetjes en lichaamsdelen. Bovendien heeft het EBA een respons op verschillende soorten lichamen. Een tweede gebied dat betrokken is bij de perceptie van lichamen is het fusiforme lichaamsgebied ('fusiform body area', FBA). Dit gebied bevindt zich in de inferieure temporale cortex en reageert meer op hele lichamen dan op lichaamsdelen. Het is onduidelijk wat precies de verschillende bijdragen van het EBA en het FBA zijn, maar het lijkt erop dat dit laatste gebied meer op hele lichamen reageert. Het verwerken van lichaamsbewegingen, ook wel 'biological motion' genoemd, is wellicht meer afhankelijk van de STS, en het verwerken van de lichaamssamenstelling van het EBA en FBA. In een posterieur gebied van de STS wordt gereageerd op biological motion. Dit is een ander deel dan het belangrijkste gebied met betrekking tot visuele perceptie van bewegingen, V5 (of MT) en er zijn wellicht verschillende paden die leiden naar de STS (biological motion) en V5 (visuele beweging in het algemeen).

    Het waarnemen van emoties via lichamen

    Wanneer mensen moeten beoordelen emoties in het gezicht moeten beoordelen en ook informatie hebben over het lichaam, werden ze hierdoor beïnvloedt, wat er op wijst dat deze informatie lastig te negeren is. Het brein ontdekt een mismatch tussen emoties op het gezicht en het lichaam snel.

    De Gelder (2006) heeft een model van emotionele lichaamsperceptie voorgesteld. Het model bevat twee circuits en beide routes hebben een visuele perceptie- en een motorisch component.

    1. Reflexieve perceptie van emotionele lichaamstaal. Dit houdt in dat er een snelle en onbewuste evaluatie van een visuele stimulus plaatsvindt waarbij vooral subcorticale visuele paden worden gebruikt. Dit kan leiden tot de initiatie van motorische responsen via een subcorticaal motorisch circuit in de basale ganglia.

    2. Visueel-motorische perceptie van emotionele lichaamstaal. Een langzamere, meer bewuste inschatting die vooral gebruik maakt van corticale structuren. Visuele analyse doet zich voor in de fusiforme en STS gebieden en gebieden die spiegelneuronen bevatten, zoals de intraparietale sulcus en premotorcortex.

    Dit model moet nog gedetailleerd getest worden, maar er is bewijs voor sociaal spiegelen van lichaamstaal. Dit spiegelen heeft wellicht zelfs een belangrijke sociale functie die nog verder gaat dan simulatie om de emotionele staat van een ander te identificeren.

    Wat is joint attention?

    Joint attention is het proces waarbij aandacht wordt gericht op een bepaald object of een locatie als reactie op de aandacht die een ander persoon daaraan schenkt. Dit kan veroorzaakt worden doordat iemand in een bepaalde richting kijkt of wijst, of doordat hij zijn lichaam of hoofd draait.

    Eye gaze detection

    Het maken van oogcontact is belangrijk voor een-op-een communicatie en de richting van een blik kan belangrijk zijn om aandacht te richten op belangrijke objecten in de omgeving. Bij mensen is het eenvoudig om de richting van een blik te ontcijferen dankzij de combinatie van een donker gedeelte (iris en pupil) van het oog met oogwit. Het kunnen identificeren van de richting van een blik is volgens Baron-Cohen aangeboren en een bijzonder deel van de menselijke cognitie. De STS is met name van belang voor het uitlokken van joint attention van gezichten en lichamen en reageert in het bijzonder op sociale cues. Bovendien zijn cellen in de STS ook gevoelig voor de oriëntatie van het hoofd en lichaam. In reactietijdsexperimenten oriënteert de richting van de blik participanten automatisch op een bepaalde richting, wat ook wel 'gaze cueing' genoemd wordt. De richting van een blik en de verwerking van gezichtsuitdrukking kunnen ook met elkaar interacteren. Zo reageren participanten in experimenten sneller wanneer een blik direct op hen gericht is. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het afleiden van gedragsintenties van approach en avoidance.

    Waarom maken autistische mensen soms geen oogcontact?

    De sociale interacties van autistische individuen wordt gekarakteriseerd door een afwezigheid van joint attention en een gebrek aan direct oogcontact. Dit kan veroorzaakt worden doordat ze niet kunnen ontdekken waar mensen naar kijken of dat ze de sociale significantie van dit gedrag niet begrijpen. Uit onderzoek bleek dat ze wel weten wanneer een persoon hen aankijkt, maar dat ze geen gedragingen of behoeftes kunnen afleiden uit blikken.

    Wijzen en reiken

    Onderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten wijsgedrag: protoimperatief wijzen, waarbij duidelijk gemaakt wordt dat iets gewild is, en protodeclaratief wijzen, wat op zichzelf joint attention uitlokt. Uit onderzoek bleek dat de posterieure STS heeft een algemene rol in het oriënteren van aandacht en is belangrijk voor het visueel coderen van informatie over de intenties van anderen. Andere hersengebieden maken inferenties gebaseerd op deze informatie (zie hoofdstuk 6).

    Hoe worden eigenschappen door middel van gezichten en lichamen afgelezen?

    Eigenschappen ('traits') zijn langdurige disposities om op een bepaalde manier te denken en bijbehorend gedrag te vertonen. Onze persoonlijkheid kan worden gezien als een verzameling eigenschappen. Er zullen nu een aantal associaties tussen gezichtskarakteristieken en persoonlijkheidseigenschappen worden gegeven. Er is hierbij wel een aantal verschillende mogelijkheden waardoor deze associaties verklaard kunnen worden:

    • Er bestaat daadwerkelijk een associatie (bijv. testosteron heeft invloed op mannelijke gezichtsontwikkeling en heeft invloed op gedrag)

    • Er is sprake van een 'self-fulfilling prophecy’

    • Er kan gebruik gemaakt worden van expressies om persoonlijkheidstrekken af te leiden

    • Er kan sprake zijn van culturele stereotypes waar nauwelijks of geen objectieve basis voor bestaat

    Beautiful = good

    De factoren die een gezicht aantrekkelijk maken worden tegenwoordig vrij goed begrepen en Rhodes noemt drie factoren: gemiddeldheid, symmetrie en seksueel dimorfisme. Mensen die een knap gezicht hebben krijgen meer sociaal wenselijke persoonlijkheidstrekken toegeschreven. Deze neiging is gerelateerd aan het halo effect, waarbij een persoon die op een bepaalde dimensie als positief beoordeeld wordt, ook zo gewaardeerd wordt op andere dimensies. Bepaalde studies laten zien dat aantrekkelijkheid niet alleen een structureel kenmerk van een gezicht is, maar ook een projectie is van de eigenschappen die we waarderen in een partner.

    Big five

    Een van de belangrijkste persoonlijkheidstheorieën is de big five. Deze theorie omvat vijf eigenschappen die de meest significante individuele verschillen kunnen verklaren: openheid, consciëntieusheid, extraversie, vriendelijkheid en neuroticisme.

    Agressief gezicht vs. baby face

    Agressief gedrag omvat elke handeling waarbij de intentie is om iemand schade te berokkenen terwijl die persoon dit gedrag wil vermijden. Agressie blijkt gerelateerd te zijn aan de breedte-tot-hoogte ratio van het gezicht. Oosterhof en Todorov maakten gebruik van statistische technieken om vast te stellen wat de onderliggende structuur van gezichten is. Ze vonden dat gezichten konden worden omschreven in termen van twee eigenschappen: hoe dominant (agressie vs. babyface) en hoe betrouwbaar (positief of negatief) een gezicht is. Over het algemeen worden mensen met een babyface positiever beoordeeld, hoewel er ook bewijs is dat soms tegen dit stereotype ingegaan wordt, bijvoorbeeld door adolescenten met een lage SES.

    Betrouwbaarheid

    Gezichten die lijken op je eigen gezicht worden als meer betrouwbaar gezien, maar ook als minder aantrekkelijk (dit werkt wellicht als een evolutionair mechanisme tegen incest). Dit wijst erop dat betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid niet hetzelfde zijn. Het is echter waarschijnlijk dat er ook een ander mechanisme bestaat om vertrouwen vast te stellen, aangezien veel verschillende mensen het eens zijn over welke gezichten betrouwbaar zijn. De amygdala speelt wellicht en rol bij het beoordelen van betrouwbaarheid. Volgens Todorov en Engell gaat het hierbij om het categoriseren van stimuli met positieve en negatieve valentie en niet zo zeer bij sociale attributie in het algemeen. Dominantie is in niet gerelateerd aan activiteit in de amygdala en kan minder goed worden gecategoriseerd in termen van goed en slecht.

    Eigenschappen afleiden van lichamen

    Er is weinig informatie over het afleiden van persoonlijkheidseigenschappen van lichamen, met name vanuit neurowetenschappelijk perspectief. Verhoogd BMI wordt gerelateerd aan luiheid en mensen met over- of ondergewicht werden vaker als eenzaam beoordeeld.

    Stampvragen

    1. Hoe werkt het model van gezichtsverwerking van Bruce en Young?

    2. Hoe werkt het neurale model van Haxby?

    3. Hoe werkt het model van emotionele lichaamsperceptie van De Gelder?

    4. Wat is joint attention?

    5. Welke soorten wijsgedrag zijn er?

    Access: 
    Public
    Wat zegt de neurowetenschap over empathie en autisme? - Chapter 6

    Wat zegt de neurowetenschap over empathie en autisme? - Chapter 6

    Hoe kunnen we de mentale staten van anderen begrijpen? Mentale staten bestaan uit kennis, overtuigingen, intenties en verlangens. Wanneer mentale staten worden afgeleid van of toegeschreven aan anderen wordt dit mentalizing genoemd. Deze term wordt over het algemeen neutraal gebruikt in tegenstelling tot de term ‘theory of mind’, die in feite dezelfde betekenis heeft maar vooral wordt gebruikt door wetenschappers die aannemen dat er een speciaal mechanisme is voor het afleiden van mentale staten. Volgens sommigen kan dit theory of mind principe niet worden gereduceerd tot algemene cognitieve functies. Deze redeneringen wijzen op belangrijke kwesties over de natuur van de mentale en neurale processen die sociaal gedrag ondersteunen en de mate waarop ze gerelateerd zijn aan andere aspecten van cognitie.

    Wat is empathie?

    Empathie is een emotionele reactie op de gevoelens van een andere persoon. Vroeger werd dit woord gebruikt om te verwijzen naar perspectief nemen, jezelf in iemands anders situatie verplaatsen. Nu zal eerst worden beschreven hoe empathie tegenwoordig wordt gezien.

    Empathie als een concept met meerdere facetten

    De bovenstaande definitie van empathie kan op verschillende manieren worden opgevat:

    1. Het kennen van de interne staat van een ander, inclusief gedachten en gevoelens.

    2. De houding van een ander aannemen of zorgen dat de neurale respons overeenkomt.

    3. Een emotionele reactie hebben vanwege de situatie van iemand anders, hoewel het niet dezelfde reactie hoeft te zijn.

    4. Voorstellen hoe je je zou voelen of hoe je zelf zou reageren in die situatie.

    5. Voorstellen hoe een ander zich zou voelen of zou reageren in die situatie.

    De eerste drie scenario’s verschillen in de mate waarin de kennis of het gevoel hetzelfde is bij jezelf en de ander. Als je de interne staat van een ander weet, betekent dit niet dat je deze staat zelf ook ervaart. De tweede manier waarop empathie wordt gebruikt is het meest gerelateerd aan spiegelsystemen, imitatie en contagion. Zo kun je personal distress voelen wanneer je iemand anders ziet lijden. Bovendien kan er sprake zijn van empathie waarbij de reactie van een persoon niet overeenkomt, zoals medelijden vanwege de situatie en sympathie richting het slachtoffer. De vierde en vijfde optie zijn meer gerelateerd aan het nemen van perspectief, maar verschillen in de mate waarin je op jezelf of de ander gericht bent. Aangezien er zo veel verschillende manieren zijn waarop je empathie kunt uitleggen, is het niet verbazingwekkend dat er geen overeenstemming bestaat over een meting voor empathie.

    Van imitatie naar empathie?

    Sommige sociaal psychologische studies ondersteunen het bestaan van een relatie tussen imitatie en empathie. In deze onderzoeken wordt meestal gebruik gemaakt van onbewuste imitatie waarbij de participant samen met een andere persoon (confederate) een taak moet uitvoeren en gemeten wordt in welke mate de participant deze ander nadoet. Imitatie zorgt ervoor dat iemand aardiger gevonden wordt en leidt tot meer hulpvaardig gedrag. Andere studies wijzen erop dat spiegelneuronen kunnen bijdragen aan het bijdragen van ten minste een mentale staat: intenties. Volgens Carr en collega’s activeert imitatie gedeelde motorische representaties tussen de zelf en de ander, maar er is ook een tweede stap waarbij deze informatie via de insula naar het limbische systeem wordt gebracht. Hun hypothese is dat deze actie-naar-emotie route ten grondslag ligt aan empathie. Hoewel dit model simpel is, is het ook simplistisch. Zo is de assumptie dat limbisch gelijk is aan emotie een oversimplificatie, evenals de claim dat emotionele imitatie hetzelfde is als empathie. Bovendien is de relatie tussen spiegelneuronen en imitatie ook controversieel. Het is mogelijk dat er alternatieve scenario’s bestaan voor het imitatie-empathiemodel die vallen binnen een algemeen simulatietheorie kader.

    Empathie voorbij simulatie

    Sommige theorieën van empathie stellen verschillende mechanismen voor waarvan simulatie er slechts een is. Het zien van iemand met pijn kan bepaalde delen van ons pijncircuit in de hersenen activeren, wat ondersteuning is voor simulatietheorie. Echter, onze overtuigingen over die persoon kunnen dit mechanisme moduleren of te boven gaan. Deze bevindingen hebben belangrijke implicaties voor condities die geassocieerd worden met een gebrek aan empathie, zoals autisme en psychopathie: er zijn verschillende redenen waarom dit gebrek zich voordoet. Volgens Bandura speelt simulatie een relatief kleine rol bij empathie, omdat mensen anders emotioneel uitgeput zouden raken en niet goed zouden kunnen functioneren. Bovendien lijkt het gebrek aan empathie (ten opzichte van sociaal gemarginaliseerde groepen) een typisch aspect van menselijk gedrag te zijn. Er zijn verschillende studies die deze opvatting ondersteunen. De neiging om te simuleren lijkt gemoduleerd te worden door cognitieve controle en onze moeite om het perspectief van een ander te nemen. Andere studies wijzen erop dat op imitatie gebaseerde simulatie mogelijk flexibel en contextgevoelig is, en dat er meer informatie in overweging wordt genomen dan alleen perceptie-actie relaties. Daarnaast maken bepaalde modellen onderscheid tussen cognitieve (bijv. intenties, regulatie affectieve reacties) en affectieve (bijv. pijnsimulatie) empathie. Het zou echter correcter zijn om te spreken van affectieve en niet-affectieve empathie, omdat dit recht doet aan de informationele inhoud. De meeste simulatietheorieën passen niet perfect in of de cognitieve of de affectieve component van empathie.

    Een model van empathie dat is voorgesteld door Decety en Jackson maakt onderscheid tussen simulatie- en andere mechanismen, maar geen duidelijk onderscheid tussen cognitieve en affectieve processen. Volgens dit model heeft empathie drie aspecten:

    1. Gedeelde representaties tussen de zelf en ander, gebaseerd op een koppeling tussen perceptie en actie

    2. Een bewustzijn van zelf-ander als gelijkwaardig maar afzonderlijk

    3. Een capaciteit voor mentale flexibiliteit om perspectiefname en zelfregulatie mogelijk te maken

    Dit model geeft een goede beschrijving van empathie als een construct met meerdere facetten, in termen van cognitieve mechanismen, sociale invloeden en neurale substraten.

    Antropomorfisme

    Antropomorfisme is het toeschrijven van menselijke karakteristieken aan niet menselijke dieren, objecten of andere concepten, wat gezien kan worden als een natuurlijke neiging om een mentale staat extern te attribueren. Gelijkenis en beweging kunnen van invloed zijn op antropomorfisme. Bovendien bestaan er individuele verschillen in de mate waarin deze neiging wordt toegepast.

    Wat is theory of mind onderzoek?

    Dit gedeelte onderscheidt zich van het vorige omdat het een bepaalde taak gedetailleerd onderzoekt: bewuste pogingen om over mentale staten te redeneren en mentale staten aan anderen toe te schrijven. De taken die bij theory of mind onderzoek gebruikt worden bevatten andere stimuli (verhalen of opeenvolgingen van gebeurtenissen in plaats van het observeren van een bepaalde staat) en respons (open respons vs. meting van gedrag of spiersamentrekkingen). Een voorbeeld van zo’n theory of mind taak is de Sally-Anne (false belief) test. Wanneer iemand echter zo’n taak niet goed uitvoert betekend het niet meteen dat iemand een gebrek aan theory of mind heeft: het kan ook wijzen op taalproblemen of moeite om de eigen, dominante respons te onderdrukken. Sociale psychologen gebruiken de term attributie om te verwijzen naar het proces waarbij iemand de oorzaken van het gedrag van mensen probeert te achterhalen. Intentional stance is de neiging om gedrag te verklaren of voorspellen door intentionele staten te gebruiken. Er zijn verschillende niveaus van intentionaliteit die gedrag kunnen verklaren:

    • Zero-order intentionaliteit. De assumptie dat een agent geen overtuigingen en verlangens heeft.

    • First-order intentionaliteit. De inferentie dat een agent overtuigingen en verlangens heeft, maar geen overtuigingen over overtuigingen.

    • Second-order intentionaliteit. De inferentie dat een agent overtuigingen heeft over de overtuigingen van anderen.

    • Third-order intentionaliteit. Een agent heeft overtuigingen over de overtuigingen die iemand anders heeft over de overtuigingen van een ander.

    Domein-algemene vs. domeinspecifieke verklaringen van theory of mind

    Domeinspecificiteit is gerelateerd aan modulariteit. Een cognitief mechanisme of hersengebied is domeinspecifiek als het gespecialiseerd is om slechts een soort informatie te verwerken. Historisch gezien zijn er twee verschillende soorten verklaringen van theory of mind: theory-theory en simulatietheorie.

    1. Theory-theory is het idee dat we een set van principes die gerelateerd zijn aan mentale staten en hoe deze staten gedrag leiden als expliciete kennis opslaan.

    2. Dit is tegengesteld aan simulatietheorie, waar alleen perceptuele motorische systemen (en niet denken en theorieën) benodigd zijn voor het begrijpen van anderen.

    Als het op deze manier wordt omschreven zou je zeggen dat simulatietheorie meer domeinalgemeen is en theory-theory meer domeinspecifiek. Dit is echter een te zwart wit beeld, en dit onderscheid is niet langer erg nuttig. Volgens Apperly is het nuttiger om concepten uit de social neuroscience te gebruiken om theory of mind te begrijpen. Stone en Gerrans zijn tegen een domeinspecifiek mechanisme en stellen voor dat de beschikbare data meer overeenkomen met het idee dat theory of mind voorkomt uit de interactie tussen een aantal verschillende mechanismen. Taal speelt bovendien wellicht een belangrijke rol bij theory of mind en heeft verschillende functies: sociaal, communicatief en het verkrijgen van semantische kennis van mentale staatwoorden zoals ‘willen’ en ‘denken’. Echter, als een normale theory of mind vastgesteld is, is dit mechanisme niet langer afhankelijk van taal alleen, zo blijk uit onderzoek met afasiepatiënten. Afasie is een gebrek in gesproken taal productie of begrip, meestal opgelopen door hersenschade.

    Neurale substraten van theory of mind

    Bewijs voor de neurale substraten van theory of mind wordt verkregen uit twee soorten bronnen: functionele imaging studies van normale participanten of gedragsstudies met patiënten met hersenlaesies. Een metanalyse van de functionele imaging studies heeft laten zien dat er drie gebieden een belangrijke rol spelen bij ‘mentalizing’.

    Temporal poles

    Dit gebied wordt normaal gesproken actief tijdens taken die te maken hebben met taal en het semantische geheugen. Bovendien draagt het bij aan het genereren van schema’s die de huidige emotionele of sociale context specificeren en is ook betrokken bij semantiek in het algemeen. Schema’s zijn georganiseerde clusters van verschillende informatie. Hersenschade aan dit hersengebied komt voor bij semantische dementie, een neurologische conditie die geassocieerd wordt met progressieve aftakeling van de betekenis van woorden en objecten.

    Mediale prefrontale cortex (mPFC)

    De mPFC werd geactiveerd in alle functional imaging taken van ‘mentalizing’ die in een metanalyse geanalyseerd werden. Dit gebied reageert vooral op denken over mensen en minder op andere entiteiten, en in het bijzonder door denken aan de geest (mind) van een ander (vooral als deze mensen op ons lijken). Dit gebied is ook betrokken bij de pragmatiek van taal (bijv. ironie en metaforen), waarbij de intentie van een ander afgeleid moet worden van ambigue kenmerken van de woorden. Volgens Amodio en Frith is de functie van de mPFC het reflecteren op gedachten en intenties. Een iets andere verklaring van de functie van dit gebied is dat de mPFC verschillende soorten informatie verbindt om een ‘sociale gebeurtenis’ te creëren. Het lijkt erop dat dit gebied niet per se betrokken is bij het toeschrijven van mentale staten op zich, maar voor het vergelijken van jezelf in relatie tot anderen.

    Temporo-parietale junctie (TPJ)

    Dit gebied wordt geactiveerd bij taken die te maken hebben met mentalizing, biological motion, eye gaze, bewegende monden en levende dingen in het algemeen. Deze vaardigheden zijn van belang voor het ontdekken van andere ‘agents’ en het verwerken van hun observeerbare handelingen. Bovendien lijkt dit gebied betrokken te zijn bij het representeren van de mentale staten van anderen. Sommige studies wijzen erop dat er wellicht eerder sprake is van een conflict met de werkelijkheid dan van mentalizing. Volgens Saxe en collega’s bestaat dit gebied uit verschillende subgebieden, waaronder een subgebied dat gespecialiseerd is in de attributie van mentale staten.

    Hoe kan autisme verklaard worden?

    Autisme is een ontwikkelingsstoornis die geassocieerd wordt met de aanwezigheid van abnormale of beperkte ontwikkeling in sociale interactie en communicatie en een beperkt repertoire aan activiteiten en interesses. Er zijn een aantal moeilijkheden met betrekking tot het diagnosticeren van autisme. In de eerste plaats wordt het gedefinieerd aan de hand van gedrag en zijn er geen specifieke biologische markers te meten. Ten tweede kunnen het profiel en de ernst van de stoornis veranderen tijdens de ontwikkeling. Bovendien is autisme een spectrum van condities die verschillen in ernst. Asperger is een subtype van autisme dat geassocieerd wordt met minder duidelijke niet-sociale beperkingen.

    Autisme als ‘mind-blindness’

    Veel autisten beschikken niet over het vermogen om mentale staten te representeren (theory of mind) Dit onvermogen wordt ook wel ‘mind blindness’ genoemd. Mind-blindness wordt niet veroorzaakt door een tekortkoming van het geheugen. Hoewel sommige onderzoekers stellen dat autisten niet in staat zijn om meta-representaties te vormen, zijn er ook studies die precies de tegenovergestelde conclusie hadden. Een aantal andere onderzoeken lieten zien dat er sprake is van moeite met mentalizing. Het is bovendien belangrijk om onderscheid te maken tussen impliciete en expliciete mentalizing.

    Autisme als executief disfunctioneren

    Er zijn twee belangrijke kritiekpunten op de theory of mind verklaring van autisme. In de eerste plaats zijn er ook andere verklaringen voor de data mogelijk. Ten tweede lijkt dit wel noodzakelijk, maar niet voldoende te zijn. Een ander belangrijk gebrek heeft betrekking tot executief functioneren, controleprocessen die nodig zijn om gespecialiseerde componenten van het brein te coördineren, waardoor het mogelijk is om je aandacht te verschuiven van de ene naar de andere taak, zodat bepaalde soorten informatie prioriteit hebben. Bovendien is dit belangrijk voor het ontwikkelen van nieuwe oplossingen en het onderdrukken van oude, bekende oplossingen. Volgens Baron-Cohen ligt het probleem niet bij executief functioneren, maar wordt dit veroorzaakt doordat autisten vasthouden aan hun eigen systeem van regels.

    Autisme als zwakke centrale coherentie

    De theory of mind verklaring kan niet verhelderen waarom sommige cognitieve sterktes en zwaktes zich voordoen. Bij autisten wordt vaak aangenomen dat ze ‘savantenvaardigheden’ hebben. Hoewel dit het geval is bij slechts tien procent van de autisten, is het wel belangrijk om te onderzoeken omdat informatie hierover noodzakelijk is om autisme helemaal te kunnen begrijpen. Bepaalde vaardigheden kunnen beter of slechter worden, bijvoorbeeld door oefenen en verschillen in verwerkingsstijl. Centrale coherentie houdt in dat het verwerken van delen eenvoudiger gaat dan het verwerken van helen. Dit wordt gerelateerd aan verschillen in hersengrootte en connectiviteit. Verwerkingsverschillen kunnen ontstaan door bepaalde sociaal cognitieve processen.

    Autisme als een extreme vorm van het mannenhoofd

    Volgens Baron-Cohen zijn er twee dimensies waarmee de karakteristieken van individuen kunnen worden geclassificeerd: empathie tonen (emphasizing; het voorspellen van iemands gedrag en je zorgen maken over hoe anderen zich voelen) en systemizing (het begrijpen van wettige, op regels gebaseerde systemen waarbij aandacht voor details zich voordoet). Bij autisten is dit laatste mechanisme veel actiever. De extreem mannelijke brein hypothese kan gezien worden als een uitbreiding van de theory of mind verklaring. Het onvermogen om met anderen om te gaan zorgt voor een compenserende strategie, andersom of allebei.

    De gebroken spiegeltheorie van autisme

    Bij deze verklaring van autisme worden de sociale moeilijkheden gezien als een consequentie van het disfunctioneren van het spiegelsysteem. Deze verklaring is onderzocht met behulp van EEG, fMRI en TMS. Mu golven zijn EEG oscilliations op een bepaalde frequentie (8-13hz) die het meest actief zijn wanneer iemand rust. Mu onderdrukking is de neiging om minder mu stralen te hebben tijdens de uitvoering van een handeling. Deze onderdrukking doet zich vaak voor als andere mensen handelingen observeren. Dit model heeft een aantal nieuwe voorspellingen met betrekking tot imitatie en het begrijpen van doelen. Er zijn twee kritiekpunten voor deze theorie. In de eerste plaats geeft het een verklaring voor al het ongewone gedrag. Bovendien is de relatie tussen empathie, imitatie en spiegelneuronen non onduidelijk.

    Stampvragen

    1. Wat is empathie?

    2. Hoe verklaart het imitatie-empathiemodel van Carr empathie?

    3. Uit welke drie aspecten bestaat empathie volgens het model van Decety en Jackson?

    4. Wat is theory of mind?

    5. Welke twee soorten verklaringen van theory of mind zijn er?

    Access: 
    Public
    Valt samenwerken te verklaren vanuit de evolutionaire psychologie? - Chapter 7

    Valt samenwerken te verklaren vanuit de evolutionaire psychologie? - Chapter 7

    Wat zijn dyadische interacties?

    Dyadische interacties zijn face-to-face interacties. Hier worden twee soorten interacties beschreven: coöperatie en competitie. Coöperatie omvat het delen van grondstoffen en kennis en het aanbieden van hulp. Dit hulpvaardige gedrag is gerelateerd aan altruïsme, meer verschilt hiervan omdat altruïsme wordt gezien als ‘selfless’ omdat er geen persoonlijke winst wordt gehaald. Alle coöperatieve handelingen zijn gebaseerd op vertrouwen, de overtuiging dat anderen zich ten opzichte van ons eerlijk zullen gedragen. De beslissing of je iemand kunt vertrouwen wordt bepaald door de context en de kennis die je hebt van het eerdere gedrag van die andere persoon. Vertrouwen is waarschijnlijk afhankelijk van ons vermogen om te begrijpen dat anderen soortgelijke mentale staten hebben en ons vermogen om gedeelde doelen tussen individuen te vormen. Mensen die de voordelen van coöperatie ontvangen maar zelf niet aan de groep bijdragen worden freeloaders genoemd.

    Er zijn een aantal redenen waarom mensen samenwerken. In de eerste plaats kunnen ze een intrinsiek verlangen hebben om te helpen. Ten tweede kunnen ze profiteren van de voordelen van wederkerigheid. In de derde plaats omdat mensen altruïstisch straffen wil ontwijken. Deze vorm van straffen heeft geen voordelen, maar nadelen voor de straffer. In de vierde plaats kunnen mensen samenwerken uit een verlangen om te conformeren. In dit hoofdstuk zal worden beschreven hoe mensen samenwerken, niet waarom ze dit doen.

    Altruïsme en hulpgedrag

    In de evolutionaire psychologie worden twee mechanismes gebruikt om de evolutie van altruïsme te verklaren: kin selectie (we helpen anderen die gerelateerd aan ons zijn) en wederkerige altruïsme (we helpen anderen zodat we in de toekomst hun hulp kunnen inroepen. Het gaat hierbij om ‘survival of the fittest-trait’, en niet om een persoon op zich. Een derde biologische verklaring is seksuele selectie, waarbij een eigenschap wordt geselecteerd tijdens de evolutie omdat het potentiële partners aantrekt. Volgens Nowak en Sigmund bestaat er nog een ander mechanisme, indirecte reciprociteit, het helpen van anderen die je wellicht nooit meer zult ontmoeten.

    Altruïsme bij mensen

    Volgens Nowak zijn alleen mensen in staat tot indirecte reciprociteit, omdat je de reputaties van anderen moet kunnen overwegen, kennis die opgedaan kan worden door middel van taal en sociale normen. Mensen verschillen van andere dieren in hulpvaardig gedrag omdat ze kunnen reflecteren op hulpvaardig gedrag en enige mate van controle over hun beslissingen om te helpen hebben. Evolutionaire theorieën vormen een kader om de mechanismes waarmee een populatie hulpvaardig gedrag vertoont te begrijpen en op het individuele niveau zijn er wellicht ingebouwde motivationele mechanismen die prosociaal gedrag drijven. Een aantal theorieën van altruïsme gaan ervan uit dat empathie een belangrijke rol speelt bij hulpvaardig gedrag. Het empathie-altruïsme model stelt dat de motivatie om anderen te helpen gebaseerd is op empathische zorg voor anderen. Er zijn een aantal kritiekpunten voor dit model genoemd. Een methodologisch kritiekpunt houdt in dat het bewijs is gebaseerd op de assumptie dat mensen accuraat kunnen reflecteren op hun eigen handelingen en gevoelens in scenario’s. Theoretisch gezien gaat het model uit van de assumptie dat er een duidelijk onderscheid is tussen de zelf en de ander. Wanneer dit onderscheid niet duidelijk is heeft dit ook gevolgen voor het onderscheid tussen altruïstische en egoïstische motieven.

    Wat is gehoorzaamheid?

    Obedience verwijst naar het volgen van expliciete aanwijzingen van anderen die autoriteit hebben of verantwoordelijkheid nemen. Een voorbeeld van een onderzoek naar obedience is het klassieke experiment van Milgram. Compliance is een verandering in gedrag die volgt als een reactie op de attitudes van anderen, zonder dat er expliciete opdrachten voor verandering worden gegeven. Een voorbeeld van een compliance experiment is het onderzoek van Ash. Deze studies laten zien dat er waarschijnlijk verschillende mechanismen bestaan, waaronder empathie, conformiteit en overtuigingen over het onderzoek.

    Wat is van invloed bij sociale besluitvorming?

    Het besluit om samen te werken of te concurreren omvat meestal een complexe wisselwerking tussen kosten en opbrengsten. Sociale besluitvorming maakt deels gebruik van dezelfde mechanismen als andere, niet sociale besluitvorming. Game theory is een wiskundig model dat vastlegt hoe iemands vermogen om (juiste) beslissingen te maken wordt beïnvloedt door anderen. De beslissingen die mensen nemen zijn niet altijd optimaal (Nash equilibrium), wat er op wijst dat mensen ook andere factoren overwegen dan alleen persoonlijke winst. Bevindingen uit de psychologie worden aangevuld met informatie vanuit de neuro-economie, waarbij hersengebaseerde verklaringen worden gegeven voor de manier waarop individuen en groepen economische beslissingen maken, zoals het toeschrijven van waarde aan concurrerende keuzes, uitwisseling, reciprociteit en het best gebruik maken van zo min mogelijk middelen.

    Het gevangenendilemma (prisoners dilemma)

    Een voorbeeld van een situatie waarin wederkerig altruïsme niet de beste oplossing is, is het gevangenendilemma, een spel voor twee personen waarbij de beste individuele strategie inhoudt dat je niet samenwerkt, maar de beste collectieve strategie samenwerking is. De verschillende opties kunnen worden weergegeven in een payoff matrix, waarin de kosten en opbrengsten - gebaseerd op verschillende onafhankelijke beslissingsopties - voor elke speler worden opgenomen. Wanneer het spel meerdere rondes heeft is het effectief om gebruikt te maken van de tit-for-tat strategie, waarbij samenwerking leidt tot samenwerking en niet samenwerken tot geen samenwerking, gebaseerd op een trial-by-trial basis. Deze oplossing is eerlijk en vergevingsgezind. Uit een fMRI studie bleek dat de conditie waarin beide participanten meewerkten leidde tot de meeste hersenactiviteit, in gebieden zoals het ventrale striatum en de orbitofrontale en ventromediale prefrontale cortex.

    Het ultimatum spel

    Het ultimatum spel wordt gespeeld door twee personen, waarvan een voorstel doet en de ander daarop reageert. De persoon die het voorstel doet krijgt geld en moet een deel daarvan aan de ander geven. De persoon die reageert kan het aanbod accepteren of afwijzen. Er moet een afweging gemaakt worden tussen een financiële of sociale opbrengst en een gevoel van rechtvaardigheid lijkt hier een grote rol bij te spelen. Dit blijkt ook fMRI studies, waarbij activiteit werd gevonden in de bilaterale insula, de anterieure cingulate cortex en de dorsolaterale prefrontale cortex.

    Het publieke middelen en vertrouwen spel

    Het publieke middelen spel wordt gespeeld door meerdere personen die mogen kiezen hoeveel geld ze willen bijdragen aan een gemeenschappelijke pot met geld, maar iedereen ontvangt de dezelfde hoeveelheid terug uit de pot. Het gedeelde geld wordt verdubbeld en vervolgens verdeeld over de spelers. De beste collectieve optie is om allemaal mee te werken, maar de beste individuele optie is om niet mee te werken en te hopen dat alle anderen dat wel doen. Het vertrouwen spel (trust game) is een spel voor twee personen waarbij de een beslist hoeveel geld er geïnvesteerd zal worden (trustee) en de investeerder hoeveel er teruggegeven wordt. Wanneer er slechts een ronde wordt gespeeld kun je het beste alles zelf houden, maar wanneer er nog vaker geïnvesteerd moet worden is dat een minder goed alternatief. Allebei deze spellen zijn afhankelijk van vertrouwen en bij beide spellen is er het risico om uitgebuit te worden. Vertrouwen is wellicht gebaseerd op sociale normen die gebaseerd zijn op een basaal gevoel van goed of slecht wat voortkomt uit ons vermogen om te begrijpen hoe anderen zich voelen. Sociale normen kunnen versterkt worden door straffen, zelfs al zijn deze straffen nadelig voor de persoon zelf. Ook speelt reputatie een belangrijke rol waarbij het gaat om vertrouwen.

    Bij het maken van sociale beslissingen is een netwerk van hersengebieden actief, waaronder gebieden die zich bezig houden met emoties (bijvoorbeeld de insula), cognitieve controle (prefrontale cortex) en beloningen (bijvoorbeeld ventrale striatum). Sociale interacties lijken belonend van zichzelf te zijn. De hersengebieden voor beloning worden sterker geactiveerd als mensen met anderen interacteren in plaats van met een computer, terwijl de andere gedragsuitkomsten gelijk zijn voor beide interacties.

    Stampvragen

    1. Waarom werken mensen samen?

    2. Noem vier verklaringen voor de evolutie van altruïsme.

    3. Wat is game theory?

    4. Noem voorbeelden van game theory.

    5. Wat is een payoff matrix?

    5. Wat gebeurt er tijdens het gevangenendilemma? Wat is de beste strategie?

    Access: 
    Public
    Hebben relaties, liefde en hechting een neurowetenschappelijke basis? - Chapter 8

    Hebben relaties, liefde en hechting een neurowetenschappelijke basis? - Chapter 8

    Een sociale band is een hypothetische verbinding tussen mensen die een gevoel van blijdschap of welzijn oproept in de bijzijn van die ander en een gevoel van gemis of verlangen als die ander er niet is. Hechting is een belangrijke vorm van een sociale band die meestal beperkt is tot bepaalde soorten relaties. Historisch gezien werd het vooral gebruikt om de relatie tussen moeders en kinderen te beschrijven, maar tegenwoordig wordt het ook toegepast op romantische relaties. De emotie die met een hechtingsrelatie wordt verbonden is liefde.

    All you need is love?

    Hoewel liefde niet wordt gezien als een basisemotie, is het wel basaal in de zin dat het een evolutionaire functie en een eigen neurologische signatuur heeft. Eén van de meest invloedrijke modellen over liefde is Sternbergs triangulaire theorie van de liefde, een verklaring van liefde in termen van drie factoren: passie, intimiteit en toewijding. De soort liefde die ervaren wordt kan over tijd veranderen. Volgens Adams en Jones zijn er drie factoren die bijdragen aan commitment:

    • Persoonlijke toewijding (dankzij blijvende positieve gevoelens ten opzichte van de partner)

    • Morele verplichting (dankzij sociale normen of culturele en religieuze overtuigingen)

    • De opbrengsten en kosten van vertrek (financiële en emotionele kosten; de aanwezigheid van een alternatieve relatie).

    Welke factoren zorgen ervoor dat we verliefd worden?

    • Nabijheid: Mensen moeten de mogelijkheid hebben om contact te hebben.

    • Bekendheid: Mensen worden leuker gevonden als ze vaker gezien worden.

    • Fysieke aantrekkelijkheid: Deze factor is al eerder besproken in hoofdstuk vijf, maar een van de factoren die toen niet aan bod is gekomen is de relatieve aantrekkelijkheid ten opzichte van je partner. De matchinghypothese houdt in dat het waarschijnlijker is dat mensen langdurige relaties vormen met mensen die gelijkwaardig zijn qua fysieke aantrekkelijkheid.

    • Gelijkheid van attitudes.

    • Wederkerig aardig vinden.

    Neurowetenschap en liefde

    Onderzoek in social neuroscience is niet gebaseerd op modellen uit de sociale psychologie, maar probeert op andere manieren naar liefde te kijken. De aanwezigheid van een geliefde zorgt voor activiteit in hersengebieden die veel van de neuro-hormonen zoals vasopressine en oxytocine en de zogenaamde ‘beloningscentra’. Ook werd de activiteit in andere hersengebieden, zoals de amygdala en gebieden die gerelateerd worden aan ‘mentalizing’, juist minder. Uit onderzoek bleek dat niet alleen de aanwezigheid van een geliefde belonend is, maar ook als een buffer kan werken tegen stress of pijn. De symptomen die horen bij verliefd worden laten zien dat er waarschijnlijk en belangrijk biologisch mechanisme bestaat dat ervoor zorgt dat mensen hun inhibities aan de kant zetten en uit hun comfortzone komen. Er lijkt sprake te zijn van hormonale en neurochemische veranderingen bij mensen die zich in verschillende fases van een romantische relatie bevinden. Deze veranderingen treden met name op tijdens de eerste passionele fase.

    Wat is hechting?

    Hechting is een langdurige, emotioneel waardevolle band met een bepaald individu. Bij jonge kinderen zorgt hechting ervoor dat kinderen comfort en veiligheid hebben en wordt gedragsmatig gekenmerkt door het zoeken van nabijheid en verlatingsangst. Bij alle diersoorten komt hechting voor, wat geïllustreerd wordt door imprinting, het proces waarbij dieren een moederfiguur herkennen en haar nabijheid zoeken. Bij mensen is het hechtingssysteem vaak flexibeler met betrekking tot de anderen met wie de band gevormd wordt, met hoeveel anderen dit gedaan wordt en wanneer dit zich voordoet. Interactie met hechtingsfiguren activeert de beloningsgebieden in de hersenen. Ook zorgt hechting voor een afname van stressreacties, wat kan bijdragen aan het gevoel van veiligheid dat geassocieerd wordt met hechting.

    Individuele verschillen in de hechting tussen moeder en kind

    De aanwezigheid van een of meerdere stabiele verzorger(s) tijdens de sensitieve periode in het eerste levensjaar is noodzakelijk om een hechtingsband te vormen, maar de kwaliteit van deze band is afhankelijk van de kwaliteit van de interacties. De klassieke taak die gebruikt wordt om hechting te onderzoeken is de Strange Situation test, waarbij een kind gescheiden wordt van het hechtingsfiguur en later wordt herenigd met een vreemdeling en de hechtingsfiguur. Er zijn verschillende hechtingsstijlen te onderscheiden. Veilige hechting wordt gekenmerkt door het zoeken van nabijheid en vermijdingsangst. Er zijn ook twee soorten onveilige hechting: vermijdende hechting (avoidant; deze stijl wordt gekenmerkt door ambivalentie ten opzichte van de hechtingsfiguur en vermijding tijdens de hereniging) en angstige hechting (anxious; een stijl waarbij een kind erg van streek raakt tijdens de scheiding). Hechtingsstijlen voorspellen de kwaliteit van latere sociale interacties en laten zich zien door gezichtswaarneming en aandachtsgerelateerde componenten.

    Hechting in volwassen relaties

    Volgens sommige onderzoekers kan de hechtingsstijl worden teruggevonden in de relaties die mensen als volwassenen hebben. De hechting bij volwassenen wordt niet gecategoriseerd in categorieën maar aan de hand van twee dimensies: vermijding en angst. Hechtingsstijlen lijken over het algemeen stabiel te zijn, maar kunnen beïnvloedt worden door negatieve levensgebeurtenissen. Lage niveaus van hechtingsangst zijn gerelateerd aan hoge activiteit in de orbitofrontale cortex en hoge niveaus van hechtingsvermijding aan hoge activiteit in de laterale prefrontale gebieden. Ook lijken gebieden die te maken hebben met emoties en beloningen betrokken te zijn bij hechting. De amygdala is bijvoorbeeld mogelijk betrokken bij onzekerheid over hechting. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl lijken relatief ongevoelig voor sociale beloningen en mensen met een angstige hechtingsstijl zijn extra gevoelig voor sociale straffen.

    De rol van hormonen en neurotransmitters bij hechting

    Er is ondersteuning voor de opvatting dat vroege hechtingsrelaties een voorbeeld vormen voor toekomstige langdurige relaties, in de vorm van neurobiologisch bewijs dat er gedeelde substraten bestaan voor de band tussen ouder-kind en partner-partner. Onderzoeken laten zien dat hechting bidirectioneel is en niet gelimiteerd is tot de kindertijd. Veel bewijs op dit gebied komt van studies met twee soorten zoogdieren: de prairiewoelmuis (vormt een langdurige band met een partner; pair bonding) en de microtus montanus (is promiscue). Twee hormonen die veel onderzocht zijn met betrekking tot hechting zijn oxytocine (betrokken bij het vormen van een hechtingsband; hecht aan bepaalde receptoren in het brein) en vasopressine (een soortgelijk hormoon waar mannen gevoeliger voor zijn dan vrouwen). Beide hormonen kunnen invloed uitoefenen op het dopaminerge beloningssysteem, wat begint in het ventrale tegmentale gebied en via het ventrale striatum naar de prefrontale cortex loopt. De rol van dopamine bij hechting is waarschijnlijk gerelateerd aan de interactie van deze neurotransmitter in enkele belangrijke gebieden. De HPA-as (hypothalamus-hypofyse-bijnier as) wordt geactiveerd tijdens stress en produceert veranderingen in stressgerelateerde hormonen zoals cortisol. Veilig gehechte mensen scheiden minder cortisol uit, wat overeenkomt met de aanname dat mensen met een veilige hechting minder stress ervaren. Oxytocine (en vasopressine) zorgt niet alleen voor de beloning van affiliërend gedrag, maar ook voor de behoefte om te affiliëren. Er kan hierbij sprake zijn van verschillende paden (die nog niet helemaal begrepen zijn), of wellicht zijn er andere mogelijkheden.

    Wat doet sociale uitsluiting?

    Sociale uitsluiting is waarschijnlijk afhankelijk van dezelfde neurale substraten als fysieke pijn. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in studies waarin participanten het spel cyberball moeten spelen. De anterieure cingulate cortex en anterieure insula werden geactiveerd door sociale uitsluiting. Hoewel uitsluiting soms samengaat met negatieve emoties is er in veel gevallen ook sprake van emotionele afstomping, voor zowel positieve als negatieve emoties. Rouw is een intens gevoel van verlies dat optreedt als gevolg van een permanente scheiding van een geliefde. Een ander concept dat gerelateerd is aan sociale uitsluiting is eenzaamheid, een waargenomen sociale isolatie of gebrek aan intimiteit. Het lijkt echter meer op een persoonlijkheidseigenschap en er hoeft geen sprake te zijn van echte uitsluiting. Eenzame mensen hebben waarschijnlijk de neiging om sociale stimuli anders te verwerken. Eenzaamheid is gerelateerd aan negatieve gevolgen voor de gezondheid.

    Stampvragen

    1. Welke drie factoren beïnvloeden commitment, volgens Adams en Jones?

    2. Welke factoren beïnvloeden of we wel of niet verliefd worden?

    3. Wat is hechting en wat zijn hechtingsstijlen?

    4. Welke rol spelen hormonen bij het ontwikkelen van hechtingsstijlen?

    Access: 
    Public
    Wat houden zelfconcept en groepsidentiteit in? - Chapter 9

    Wat houden zelfconcept en groepsidentiteit in? - Chapter 9

    Een psychologische groep bestaat uit twee of meer personen die zichzelf bij een groep vinden horen en wordt gekenmerkt door een waargenomen verbondenheid en afhankelijkheid, gedeelde doelen en de manier waarop mensen elkaar beïnvloeden. Bovendien zijn de interacties van groepsleden gestructureerd bij een set van normen en regels.

    Wat is ons zelfconcept?

    Zelfbewustzijn is ons bewuste gevoel van een eenvormige, voortdurende zelf. Ons zelfconcept kan worden geconstrueerd in termen van verschillende soorten mechanismen die gebruik maken van verschillende soorten informatie. Deze mechanismen bevinden zich op een continuüm als het aankomt op beïnvloeding door cultuur. De culturele of collectieve zelf (o.a. groepslidmaatschap en gedeelde overtuigingen, vaardigheden en rituelen) wordt vrijwel volledig bepaald door cultuur; de sensomotorische zelf (gevoel van agency en embodiment) wordt vrijwel niet bepaald door cultuur en de voortdurende zelf (persoonlijke herinneringen, persoonlijkheidseigenschappen en motivatie) bevindt zich hier midden in. Embodiment is het gevoel dat de zelf gelokaliseerd is in het lichaam. Agency is het gevoel dat je je eigen gedachtes en handelingen controleert. Wanneer we een actie genereren kunnen we een motorisch programma gebruiken om te voorspellen hoe de handeling zal zijn, wat ook wel een forward model genoemd wordt. Als er sprake is van overeenstemming tussen de voorspelde effecten en de daadwerkelijke actie wordt de handeling toegeschreven aan de zelf. Het hoeft echter niet zo te zijn dat we daadwerkelijk controle hebben over onze handelingen. Wel is dit gevoel belangrijk om morele en sociale verantwoordelijkheid voor ons gedrag te nemen. Mensen met schizofrenie ervaren soms controlewanen (‘delusions of control’), waarbij ze denken dat hun gedachten en handelingen onder externe controle staan.

    Gevoel van embodiment

    Lichaamsgevoel bevat niet alleen het aanrakingszintuig, maar ook proprioceptie (het gevoel waar onze lichaamsdelen zich in de ruimte om ons heen bevinden) en interoceptie, gevoelens die te maken hebben met de interne staat van ons lichaam, zoals pijn, honger, hartslag, etc. Een gevoel van onderbreking van embodiment kan gepaard gaan met verschillende hersenlaesies. Zo kan er sprake zijn van out-of-body ervaringen als er schade is aan de rechter temporaal-pariëtale junctie.

    Het geheugen en de zelf

    Het geheugensysteem dat gerelateerd is aan de zelf bestaat volgens Conway en Pleydell-Pearce uit twee componenten (die met elkaar interacteren): (1) autobiografische en episodische kennis en (2) de werkende zelf, bestaande uit de doelen en motivationele staat van een individu. Le Doux daarentegen combineert alle geheugensystemen. Zijn aanpak is erg reductionistisch: hij reduceert verschillende psychologische mechanismen tot een neurobiologisch mechanisme. Zijn verklaring lijkt echter de gedetailleerde bevindingen die eerder beschreven werden niet te kunnen verklaren.

    Kennis van persoonlijkheidseigenschappen

    De mPFC is een cruciaal deel van het sociale brein, maar de functie van dit gebied is nog onduidelijk. Het wordt geactiveerd wanneer we (anderen) moeten beoordelen, maar er lijkt een onderscheid tussen oordelen over onszelf (ventrale gebieden) en over anderen (dorsale gebieden). Bij mensen die op ons lijken worden vaak de zelfgerelateerde gebieden geactiveerd.

    Culturele en sociale identiteit

    Verschillende belangrijke theorieën binnen de sociale psychologie maken onderscheid tussen iemands persoonlijke identiteit en zijn sociale identiteit. De mate waarin iemands gedrag door deze identiteiten beïnvloedt wordt is afhankelijk van de informatie die op een bepaald moment beschikbaar is en kan verschillen per cultuur. In Oosterse landen hebben veel mensen een afhankelijk zelfbeeld, een vorm van sociale identiteit waarbij individuele overtuigingen en doelen sterk verbonden zijn met de mensen om hen heen. In Westerse landen hebben mensen een onafhankelijk zelfbeeld, waarbij de individuele overtuigingen en doelen als onafhankelijk van cultuur gezien worden. Dit verschil heeft te maken met het onderscheid tussen collectivistische (nadruk op de doelen van de sociale groep) en individualistische culturen (nadruk op individuele doelen). Hoewel deze verschillen het gevolg zijn van omgevingsfactoren, leiden ze tot vergaande veranderingen in het brein.

    Over het algemeen bevat het zelfconcept dus twee soorten processen: differentiatie (de zelf wordt gezien als een unieke entiteit met onderscheidende disposities en geschiedenis, bevindt zich in een bepaald lichaam en heeft controle over zijn of haar gevoelens en handelingen) en assimilatie (iemands identiteit ligt ingebed in een bepaalde culturele en sociale context en we identificeren ons met een of meer groepen en we delen de waarden en gebruiken van die groep(en).

    Hoe wordt onze sociale identiteit geconstrueerd?

    Onze sociale identiteit kan geconstrueerd worden als een verzameling van verschillende groepslidmaatschappen. Attributen die samengaan met een groepslidmaatschap zijn niet altijd onafhankelijk en kunnen leiden tot stereotypering, waarbij mensen worden bekeken in termen van een sociale categorie en niet aan de hand van hun eigen unieke kenmerken. Stereotypering en categorisering zorgen ervoor dat we grote hoeveelheden informatie kunnen verwerken en generalisaties en voorspellingen kunnen maken. Echter, het gebruik hiervan kan ook leiden tot negatieve uitkomsten zoals vooroordelen, een negatieve oriëntatie ten opzichte van een bepaalde groep.

    Positieve beoordeling van de zelf als oorsprong van in-groepsvoorkeur

    Zelfs wanneer mensen random worden ingedeeld in arbitraire groepen hebben ze een voorkeur voor hun in-group. Een mogelijke reden voor deze preferentie is dat er meer zelfgerelateerde attributen worden gevonden in in-groups en dat mensen in het algemeen deze attributen positief beoordelen. Er is bewijs dat mensen een onbewuste voorkeur hebben voor zelfgerelateerd materiaal. Zo prefereren mensen letters uit hun eigen naam (‘name letter effect’).

    Outgroup vooroordelen en racisme

    Vooroordelen zijn negatieve attitudes, emoties of gedragingen ten opzichte van groepsleden omdat ze lid zijn van die bepaalde groep. Racisme, sexisme en ageism zijn specifieke voorbeelden van vooroordelen. Een belangrijk cognitief mechanisme in onderzoek naar vooroordelen is stereotypering. Een probleem binnen dit soort onderzoek is hoe je vooroordelen precies moet meten. Expliciete metingen, zoals vragenlijsten, leiden vaak tot vertekeningen door sociale wenselijkheid. Daarom wordt er ook wel gebruik gemaakt van impliciete metingen, waarvan wordt aangenomen dat ze leiden tot meer automatische en niet-bewust beïnvloedbare antwoorden. Een van de meest gebruikte impliciete metingen is de impliciete associatietest (IAT). De IAT geeft een meting van een differentiële associatie van twee targetconcepten met een attribuut, door verschillende concepten en attributen aan dezelfde of een verschillende reactietoets te verbinden. Deze meting is minder afhankelijk van sociale wenselijkheid en kan eenvoudig worden aangepast om ander zaken te meten die gerelateerd zijn aan stereotypering en in-group/out-group biases. Het grootste probleem van deze methode is echter dat het onduidelijk is wat het nu precies meet: culturele kennis van stereotypes of daadwerkelijk onze diepste overtuigingen? De meeste social neuroscience studies naar vooroordelen maken gebruik van impliciete metingen. Deze metingen hebben waarschijnlijk meerdere facetten: verschillende cognitieve mechanismen dragen bij aan een gedragsmatige meting. Er lijken verschillende mechanismen betrokken te zijn bij het representeren van stereotypische kennis en de affectieve waarde hiervan. Pogingen om vooroordelen te controleren kunnen gebruik maken van verschillende mechanismen en beïnvloedt worden door interne overtuigingen of externe verlangens om te conformeren.

    Wat is herding?

    Herding is convergent sociaal gedrag in een groep door lokale interactie zonder gecentraliseerde coördinatie. Er is een sociale neurowetenschappelijke verklaring waarom dit gedrag plaatsvindt. Binnen de sociale psychologie wordt wel onderzoek gedaan naar massa’s. Volgens sommige onderzoekers treedt er deïndividuatie op, waarbij mensen hun individuele identiteit verliezen en vervangen met groepsnormen of een bepaalde rol binnen deze groep. Anderen zijn van mening dat de individuele identiteit niet verloren gaat, maar verandert en zich aanpast aan de groep.

    Religie

    Religieuze activiteiten en overtuigingen zijn voorbeelden van groepsgedrag dat kan ontstaan als gevolg van een complexe mix van cognitieve, emotionele en sociale functies. Religies bevorderen prosociaal gedrag, wat kan verklaren waarom het zo’n wijdverspreid fenomeen is. Theory-of-mind verklaringen van religie kunnen opheldering geven over de natuur van de overtuigingen. Kapogiannis en collega’s maken onderscheid tussen drie dimensies met mogelijk verschillende cognitieve en neurale mechanismen:

    1. Gods waargenomen mate van betrokkenheid.

    2. Gods waargenomen niveau van emotie.

    3. Bron van kennis.

    Stampvragen

    1. Wat is een psychologische groep?

    2. In welke drie dimensies kan het zelfconcept worden verdeeld?

    3. Uit welke twee componenten bestaat het geheugensysteem volgens Conway en Pleydell?

    4. Uit welke twee processen bestaat het zelfconcept?

    5. Wat is het verschil tussen een afhankelijk en een onafhankelijk zelfbeeld?

    Access: 
    Public
    Wat is de neurowetenschappelijke basis van moraliteit? - Chapter 10

    Wat is de neurowetenschappelijke basis van moraliteit? - Chapter 10

    Welke sociale normen zijn er?

    Antisociaal gedrag schendt de sociale normen van een bepaalde cultuur. Er kunnen twee soorten sociale normen onderscheiden worden: conventionele normen, die via consensus worden vastgesteld, en morele normen, die gebaseerd zijn op persoonlijk welzijn. Conventionele normen verschillen meer per cultuur en het verbreken van een morele norm leidt waarschijnlijker tot straf. De intenties achter bepaalde handelingen kunnen goed of fout zijn op ten minste drie manieren:

    1. Voelt iets goed of fout voor mij?

    2. Is iets goed of fout volgens de samenleving?

    3. De consequentie van een handeling is positief of negatief, afhankelijk van een rationele kosten-baten analyse.

    Vraagstukken zoals het trolley en footbridge dilemma zorgen ervoor dat we moeten kiezen tussen onze intuïties en beredeneerd oordelen. Een voorbeeld van zo’n oordeel is een utilitaristische beslissing over de kosten en opbrengsten van een beslissing.

    Wat is de neurowetenschap van moraliteit?

    Er zijn twee mechanismen voorgesteld met betrekking tot het maken van extreme beslissingen: (1) een mechanisme dat is gebaseerd op emotionele evaluaties (instinct; morele intuïtie) en (2) een mechanisme dat gebruik maakt van logisch redeneren (moreel redeneren). Volgens Haidt zijn er bepaalde morele emoties die we gebruiken om te oordelen. Het meer cognitieve redeneringmechanisme gebruiken we volgens hem om deze oordelen achteraf te kunnen verklaren. Woede is de emotie die iemand voelt als een ander bewust een sociale norm heeft overtreden. Morele walging komt voort uit de beoordeling van de morele positie van een ander persoon ten opzichte van jezelf, in termen van hun algemene dispositie om foute handelingen uit te voeren. Walging kan ontstaan als gevolg van dehumanisatie, waarbij bepaalde mensen of groepen behandeld worden alsof ze dieren zijn. Morele emoties verschillen van basisemoties omdat ze bestaan uit een combinatie van basisemoties met cognitieve waarderingen van gebeurtenissen. Bij deze emoties zijn niet alleen hersengebieden actief die te maken hebben met emoties, maar ook delen die betrokken zijn bij hogere cognitie en mentalizing.

    Universele moralen, morele variaties en de afwezigheid van moraliteit

    Sommige morele normen lijken aangeboren, zoals ‘incest is verkeerd’. Bewijs hiervoor komt van het zogenaamde Westermarck effect, de neiging om je als volwassene niet seksueel aangetrokken te voelen ten opzichte van mensen die je kent sinds je eerste levensjaren. Het is waarschijnlijk dat er bij veel morele normen sprake is van een interactie tussen nature en nurture. Er zijn verschillende voorbeelden van individuele verschillen binnen culturen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen conventionele en morele normen:

    1. Liberale vs. conservatieve morele attitudes

    2. Morele vs. conventionele onderdrukking van racistische attitudes

    3. Moreel vs. conventioneel onderscheid in psychopathie

    Mensen met psychopathie hebben hoge instrumentele en reactieve agressieniveaus die niet verminderd worden door schuld of empathie ten opzichte van een slachtoffer.

    Deze drie voorbeelden laten zien dat het onderscheid tussen morele en conventionele normen per cultuur verschilt en waarschijnlijk ook tussen culturen. Mensen met schade aan de frontale kwabben vertonen regelmatig antisociaal gedrag en hebben vaak hoge agressieniveaus. Bij onpersoonlijke dilemma’s reageren individuen over het algemeen rationeler dan bij persoonlijke vraagstukken.

    Wat is agressie?

    Agressie is gedrag dat tegen een ander individu gericht is met de intentie om die persoon schade te berokkenen. Hoewel agressie in sommige opzichten disfunctioneel lijkt, zijn er ook momenten waarom zulk gedrag geaccepteerd wordt.

    Heeft agressie en sociale functie?

    Bij niet-menselijke dieren lijkt agressie bij te dragen aan sociale dominantie. De bovenstaande definitie van agressie kan dus worden uitgebreid: de directe intentie is wellicht om iemand schade te berokkenen, maar de primaire intentie is het vaststellen of behouden van status. Er kan gebruik gemaakt worden van appeasement gedrag, waarbij signalen worden afgegeven die wijzen op een nederlaag. De emotie die vaak samengaat met agressie is woede. Woede wijst vaak op de onvervuldheid van doelen, het schenden van een sociale norm of het bedreigen van een sociale positie. Mensen die hoog scoren op de persoonlijkheidstrek woede interpreteren de acties van anderen vaak als vijandig en gaan het liefst de confrontatie aan. Agressieve handelingen zijn niet altijd gericht op de mensen die woede veroorzaakt hebben, maar soms op mensen met een lagere status, wat ook wel vervangende agressie wordt genoemd.

    De biologische basis van agressie en woede

    De amygdala is niet alleen belangrijk voor de perceptie en veroorzaken van angst, maar ook van woede. Agressie en angst delen bepaalde neurale substraten, wat niet verbazingwekkend is aangezien ze allebei gerelateerd zijn aan de fight-or-flight reactie. De specifieke rol van de amygdala met betrekking tot agressie ligt waarschijnlijk in de regulatie van agressie. Een defensieve reactie kan worden uitgelokt door stimulatie van het periaqueductale grijze gebied in de middenhersenen. Ook subgebieden van de amygdala en hypothalamus zijn van invloed op dit gedrag. De perceptie van woede is gerelateerd aan het ventrale striatum en de orbitofrontale en ventromediale prefrontale cortex. Aangezien het ventrale striatum ook een rol speelt bij beloningen, wijzen sommigen erop dat dit systeem wellicht vooral belangrijk is voor instrumentele agressie. Ook wordt het hormoon testosteron verbonden aan woede, agressie en sociale dominantie. Testosteron heeft een organiserend effect tijdens de ontwikkeling en een activerend effect tijdens de rest van iemands leven. De relatie en effecten tussen woede, agressie, sociale dominantie en testosteron lijken bidirectionaal te zijn.

    Pathologische aspecten van agressie

    De termen psychopathie, sociopathie en antisociale persoonlijkheidsstoornis worden eenvoudig door elkaar gehaald. Volgens sommigen zijn dit termen voor dezelfde conditie, terwijl anderen van mening zijn dat psychopathie iets anders is dan sociopathie / antisociale persoonlijkheidsstoornis. Bij kinderen worden vergelijkbare kenmerken conductstoornis genoemd. Mensen die pesten lijken bovendien een goede sociale intelligentie te hebben en kunnen het effect dat hun gedrag op slachtoffers heeft negeren.

    Psychopathie

    Psychopaten lijken zich wel bewust te zijn van sociale normen van goed en fout, maar lijken bereid te zijn ze te schenden. Sommige onderzoekers stellen dat de emotionele verwerking van psychopaten anders is terwijl anderen wijzen op prefrontaal disfunctioneren. Hersenschade aan de orbitofrontale kwab leidt in sommige gevallen tot ‘verworven sociopathie’. Het is met name het rechtergebied dat zorgt voor deze symptomen. Ook zijn er dubbele dissociaties tussen verworven sociopathie en executieve functies gevonden. De patiënten lijken met name moeite te hebben met het controleren van gedrag op emotionele cues.

    Wat is verantwoordelijkheid?

    Een ander belangrijk concept dat gerelateerd is aan antisociaal gedrag is verantwoordelijkheid, de mate waarin iemand als toerekeningsvatbaar gezien kan worden voor zijn daden. Dit is gerelateerd aan de mate van controle die mensen over hun gedrag hebben. Deze onderwerpen worden onderzocht in de neuro-ethiek, het toepassen van neurowetenschappelijke bevindingen op ethische vraagstukken. Verantwoordelijkheid opereert op het sociale niveau, terwijl controle op een individueel niveau functioneert. De mate waarin structurele of functionele hersenverschillen gebruikt kunnen worden om verminderde verantwoordelijkheid te ondersteunen is onduidelijk dankzij verschillende factoren,waaronder het vaststellen van causaliteit, normaliteit en de mate waarin normale controle te beïnvloeden is door onbewuste biases.

    Stampvragen

    1. Wat voor sociale normen kunnen door antisociaal gedrag worden aangetast?

    2. Welke twee mechanismen zijn betrokken bij het maken van extreme beslissingen?

    3. Op welke manier komen morele normen tot stand?

    4. Wat is agressie?

    5. Noem drie ontdekkingen in de biologie met betrekking tot de neurologische basis voor agressie en woede.

    Access: 
    Public
    Wat is de neurowetenschappelijke basis van sociale ontwikkeling? - Chapter 11

    Wat is de neurowetenschappelijke basis van sociale ontwikkeling? - Chapter 11

     

     

    Ontwikkelings-sociale neurowetenschap ontwikkelt op hersenen gebaseerde verklaringen die kunnen bijdragen aan het oplossen van het nature-nurture debat, de mate waarin gedrag en cognitie kunnen worden toegeschreven aan genen of omgeving. Binnen dit debat is het belangrijk om polygenetische (ontwikkeling van een soort) en ontogenetische ontwikkeling (ontwikkeling van een individu) niet door elkaar te halen. Mensen onderscheiden zichzelf van andere dieren dankzij hun sociale intelligentie. Hieronder wordt beschreven hoe sociale ontwikkeling plaatsvindt.

    Hoe ontwikkelt het brein zich?

    Het zenuwstelsel ontstaat vanuit een verzameling cellen in de vorm van een cilinder, de neurale buis. De meeste neuronen worden voor de geboorte gevormd, dus hersenveranderingen na de geboorte zijn te danken aan de groei van synapsen, dendrieten en axonenbundels, de proliferatie van gliacellen en de myelinisatie van zenuwen.

    Sociaal leren bij baby’s

    Een mensenkind wordt vanaf de geboorte tot ongeveer 18 maanden een baby of zuigeling (infant) genoemd. Tijdens deze periode bestaat de sociale wereld vooral uit de ouders of verzorgers. Een baby leert door middel van zicht, geluid en reuk hoe sociale cues begrepen moeten worden en wat hun significantie is via gedeelde activiteiten.

    Het herkennen van anderen

    Als baby’s op de wereld komen kennen ze de stem en taal van hun moeder al. Ze beschikken echter nog niet over dezelfde stemherkenningvermogens als volwassenen. Daarnaast hebben kinderen een voorkeur voor stimuli die op gezichten lijken, maar ze kunnen niet noodzakelijkerwijs echte van onmogelijke gezichten onderscheiden. Kinderen kunnen het gezicht van hun moeder mogelijk al eerder herkennen, maar herkenning van andere gezichten vindt plaats vanaf drie maanden. Rond vijf maanden kan een kind een object vasthouden en manipuleren. Als gevolg hiervan verplaatst hun interactie van dyadisch naar triadisch (tussen twee personen en een object). Het vermogen om blikken te kunnen herkennen en hierop te reageren is essentieel voor het ontwikkelen van joint attention. Vanaf zeven maanden kunnen kinderen onderscheid maken tussen dynamische emotionele expressies, al is dit waarschijnlijk niet te scheiden van gezichtsherkenning. Sociaal verwijzen wordt mogelijk wanneer gaze cues en gezichtsuitdrukkingen gecombineerd worden om te leren over de potentiële emotionele significatie van objecten.

    Cognitieve neurowetenschappelijke methoden voor baby’s en kinderen

    Methoden zoals EEG en fMRI worden over het algemeen als geschikt gezien voor baby’s en kinderen. Een van de voordelen van zulke methoden is dat ze geen verbale of motorische respons hoeven te geven. Een relatief nieuwe hemodynamische methode is near-infrared spectroscopy, waarbij oxygenatie van het bloed in de hersenen gemeten wordt.

    Imitatie, beurten nemen en vroege communicatie

    Pasgeboren kinderen kunnen niet intentioneel imiteren maar wel handelingen nadoen. Als baby’s drie maanden zijn kunnen ze herkennen dat hun eigen handelingen worden nagedaan door een volwassene. Ook zijn ze gevoelig voor emotionele ‘besmetting’. Er wordt aangenomen dat de zuigeling geen controle heeft over mimicry en emotionele besmetting. Toch gebruiken ze deze mechanismen om te leren dat anderen zijn zoals zijzelf. Bij beurten nemen (turn taking) wisselen een kind en volwassene een activiteit af. Voordat kinderen via taal gaan communiceren maken ze gebruik van gebaren, bijvoorbeeld proclaratief wijzen. Hoewel taalontwikkeling vaan bestudeerd wordt vanuit een cognitief perspectief, is het van belang aandacht te besteden aan de sociale component, omdat communicatie sociaal gedrag is. In bijna alle culturen praten volwassenen ‘mama-taal’ (motherese) tegen kinderen, die een voorkeur hebben voor deze spraaksoort.

    De ontwikkeling van zelfherkenning en zelfbewustzijn

    Vanaf tweejarige leeftijd hebben kinderen een volledig begrip van de overeenstemming tussen hun eigen lichaam en hun reflectie in de spiegel. De temporale pariëtale junctie lijkt hier betrokken bij te zijn. Kinderen zijn zich wellicht tot vier jarige leeftijd niet bewust van den continuïteit van de zelf. Het onvermogen om herinneringen aan onze eerste jaren op te halen wordt kindertijd amnesie genoemd.

    Hoe ziet het sociale brein er in de kindertijd uit?

    Vanaf de zuigelingentijd tot aan de adolescentie bevindt het kind zich in de kindertijd, een periode die gekenmerkt wordt door een complexe en diverse set van sociale interacties. Kinderen worden in grote mate beïnvloedt door zijn of haar peers en normen en vaardigheden van de cultuur. Er zijn niet veel neurowetenschappelijke onderzoeken van de kindertijd in vergelijking met de zuigelingentijd, maar het is belangrijk om dit te onderzoeken omdat het de basis vormt voor veel sociaal gedrag bij volwassenen.

    Het ontwikkelen van een theory of mind

    Baby’s van 15 maanden laten zien dat ze verbaasd zijn wanneer een volwassene reikt voor een object in een doos dat overeenkomt met de daadwerkelijke locatie maar niet met de overtuigingen die de volwassene zou moeten hebben. Volgens sommigen wordt dit gezien als bewijs dat kinderen false beliefs al veel eerder begrijpen dan voordat het moment dat ze expliciet kunnen redeneren over mentale staten. Er is weinig bewijs dat ‘kern’ gebieden voor theory of mind al gebruikt worden bij kinderen van 18 maanden waarbij aanvullende bronnen zoals taal en executief functioneren later in de ontwikkeling belangrijker worden. Hoewel het vrij duidelijk is uit welke componenten theory of mind bestaat, is het niet eenvoudig om deze facetten te verbinden.

    De ontwikkeling van empathie en prosociaal gedrag

    Het lijkt erop dat kinderen van 18 maanden al intentioneel, prosociaal hulpvaardig gedrag vertonen en dit gedrag op zichzelf belonend vinden. Het is onduidelijk of het hulpvaardige gedrag gedreven wordt door bezorgdheid voor de ander of het verlichten van persoonlijk ongemak. Als kinderen drie zijn vertonen ze tekenen van het maken van onderscheid tussen potentiële samenwerkingspartners. Ook laten oudere kinderen, van 9-10 jaar, soms starre eerlijkheidsnormen zien, bijvoorbeeld in het ultimatumspel. Ontwikkelingsverschillen in prefrontale cortex functioneren gerelateerd aan empathie komen voor bij individuen met dezelfde of een verschillende leeftijd.

    De rol van peers, familie en cultuur

    Er wordt over het algemeen niet aangenomen dat cultuur van invloed is op de ontwikkeling van mindreading zoals het geval is bij theory of mind taken. Dit wijst er niet per se op dat de neurale substraten die hieraan ten grondslag liggen ook gelijk zijn per cultuur. Een omgevingsaspect dat wel invloed heeft op de ontwikkeling van mentalizing is de familie. Zo kunnen familieleden meer praten over gedachtes en gevoelens van anderen of zijn er broers en zussen binnen het gezin, wat allebei gerelateerd is aan een betere prestatie op theory of mind taken. De meeste omgevingsbeïnvloeding vindt echter plaats via peerinvloed. Via de ouders wordt bepaalde culturele informatie doorgegeven aan de kinderen, maar de vrienden beïnvloeden welke ideeën geaccepteerd of afgewezen worden. Een kinds bewustzijn van zijn of haar sociale identiteit wordt gevormd tijdens de kinderjaren. Een van de eerst ontwikkelde aspecten van deze identiteit is het geslacht en de culturele normen die hieraan verbonden zijn.

    Hoe ziet het brein er in de adolescentie uit?

     

    Adolescentie een periode tussen het begin van de puberteit en volwassenheid die gekarakteriseerd wordt door hormonale en fysieke veranderingen. Voor adolescenten is het belangrijk om een sociale identiteit te ontwikkelen en een reputatie op te bouwen, en ze vergelijken zichzelf met anderen in termen van hun sociale posities maar ook door het conformeren aan bepaalde sociale normen.

    Structurele veranderingen in het brein van de adolescent

    Het hersengebied dat de meeste verandering ondergaat tijdens de adolescentie is de prefrontale cortex. De dichtheid van witte massa groeit tijdens de eerste decennia van het leven en stabiliseren rond de late adolescentie. Dit wordt over het algemeen toegeschreven aan myelinisatie, een toename in de vettige substantie die zich rondom axonen bevindt en de snelheid van informatieoverdracht verhoogt. De prefrontale cortex is een van de laatste gebieden waarin myelinisatie een volwassen niveau bereikt. Veranderingen in grijze massa zijn gerelateerd aan de dichtheid van synaptische verbindingen. Het ventrale striatale pad ontwikkelt zich sneller dan de prefrontale cortex in de adolescentie, wat leidt tot meer risicogedrag en behoefte aan belonende sociale banden.

    Controle over de sociale wereld verkrijgen

    Dat de activiteit in de prefrontale gebieden bij adolescenten toeneemt bij sommige taken kan erop wijzen dat deze gebieden minder efficiënt functioneren. Daarnaast is een volgroeid theory of mind systeem waarschijnlijk pas tegen het einde van de adolescentie volledig ontwikkeld. De behoefte van adolescenten om een reputatie te hebben en risicovol gedrag te vertonen is wellicht gerelateerd aan het verlangen om relaties met anderen te vormen.

    Stampvragen

    1. Wat doet men in de ontwikkelings- sociale neurowetenschap?

    2. Wat is het verschil tussen polygenetische en ontogenetische ontwikkeling?

    3. Leg kort uit hoe het brein zich ontwikkelt.

    4. Leg kort uit hoe sociaal leren zich ontwikkelt bij baby’s tot aan 5 maanden.

    5. Hoe ontwikkelt sociaal leren zich bij jonge kinderen?

    6. Hoe ontwikkelt theory of mind zich van een baby tot aan de adolescentie?

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4384 1 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector