Onze sociale interacties vinden plaats met andere leden van onze soort, de zogenaamde conspecifics. We hebben een effectief systeem nodig om bij te houden wie anderen zijn, hoe ze er uitzien en wat hun normale gedragingen zijn. Gezichten en lichamen vormen een belangrijke bron voor deze informatie.
Het waarnemen van gezichten heeft verschillende doelen en tot op zekere hoogte reflecteren diverse aspecten van gezichtswaarneming verschillende cognitieve en neurale mechanismen.
Een cognitief model van Bruce en Young
Het Bruce en Young model van gezichtsverwerking beschrijft een aantal afzonderlijke mechanismen die de verschillende doelen van de waarnemer reflecteren. Eerst wordt het gezicht structureel gecodeerd door de oppervlakte, schaduwen en hoeken waar te nemen. Vervolgens wordt er een onderscheid gemaakt tussen het verwerken van een bekend of onbekend gezicht. Het herkennen van een bekend gezicht houdt in dat er een visuele beschrijving van het gezicht wordt gematcht met een opgeslagen representatie van dat gezicht. Alle bekende gezichten zijn opgeslagen en hebben elk hun eigen ‘face recognition unit’. Er zijn bepaalde neuronen die wel op gezichten reageren maar niet op andere objecten. De face recognition units worden gevormd door een set van neuronen, en niet door een enkele neuron die op een gezicht zou reageren. Als het gezicht herkend is wordt andere informatie over de persoon beschikbaar. De person identity node is een hypothetische entiteit die semantische en perceptuele informatie over een bepaald individu aan elkaar verbind. Het verwerken van onbekende gezichten gaat via een andere route (directed visual processing). Een aantal paden in het model zijn van toepassing op zowel bekende als onbekende gezichten, zoals het herkennen van emotionele expressies. Het Bruce en Young model wordt ondersteund door bewijs van patiënten met neurologische beperkingen. Een beperking in gezichtsherkenning die niet verwijst naar moeilijkheden in de vroege visuele analyse wordt proposagnosie genoemd. Deze term wordt soms ook gebruikt om te verwijzen naar het onvermogen om gezichten te herkennen die eerder wel bekend waren. Het is dus van belang om het vermeende cognitieve mechanisme duidelijk te omschrijven.
De neurale basis van gezichtsperceptie
Na de eerste fases van visuele corticale verwerking worden neuronen steeds meer gespecialiseerd in hun responskenmerken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende paden – een ventraal visueel pad dat loopt van de occipitaalkwab naar de temporaalkwab en zich bezig houdt met het identificeren van objecten en een dorsaal visueel pad dat loopt van de occipitaalkwab tot de parietaalkwab en zich bezig houdt met het lokaliseren van objecten. De perceptie van gezichten is met name afhankelijk van het ventrale visuele pad.
Occipitaal gezichtsgebied
Het occipitaal gezichtsgebied is een deel van de occipitale cortex dat meer op gezichten reageert dan op objecten en lichamen maar geen gezichtsidentiteit verwerkt. Dit gebied codeert de fysieke aspecten van gezichtsstimuli.
Fusiform gezichtsgebied
Het fusiforme gezichtsgebied is relatief gespecialiseerd in gezichten (ten opzichte van objecten en lichamen) en is wellicht met name belangrijk voor het herkennen van bekende gezichten en responsief naar gezichtsidentiteit. Volgens sommigen is dit gebied gevoelig voor visuele onderscheiding binnen bepaalde categorieën, en niet per se alleen voor gezichten. Gezichten hebben onderscheid binnen een categorie nodig, in tegenstelling tot verschillende objecten die oppervlakkig onderscheid nodig hebben. Door ervaring met veel verschillende gezichten worden mensen visuele experts in het onderscheiden van gezichten. Deze theorie wordt ondersteund met bewijs uit experimenten waar gebruik gemaakt werd van Greebles. Bewijs dat gezichtsperceptie en visuele expertise niet per se hetzelfde zijn komt van patiënten met proposagnosie.
Superieure temporale sulcus (STS)
De STS reageert op veranderende gezichtsaspecten, zoals bepaalde uitdrukkingen, en lichamen. Deze veranderende gezichtsaspecten zijn met name van belang voor het aflezen van sociale cues. De STS is wellicht ook belangrijk voor het verbinden van de dorsale en ventrale paden, wat het mogelijk maakt om dynamische visuele percepties van gezichten en lichamen motorisch te verwerken. Ook ontvangt dit gebied meer multisensorische input dan bijvoorbeeld het fusiforme gezichtsgebied.
Hoewel basisemoties als universeel worden gezien, kan cultuur een effect uitoefenen op emoties door middel van sociale display regels, de mate waarin iemand emotionele expressies reguleert in de aanwezigheid van anderen.
Hoe is gezichtsuitdrukking gerelateerd aan andere aspecten van gezichtswaarneming?
Zowel het cognitieve model van Bruce en Young en het neurale model van Haxby maken onderscheid tussen het herkennen van bekende gezichten (gezichtsidentiteit) en het herkennen van emotionele expressies. Hoewel er bewijs is dat dit basale idee klopt, leveren beide modellen volgens Calder en Young geen goede verklaring voor dit idee. De structurele codering is belangrijk voor zowel gezichtsidentiteit als emotionele expressie, maar hersenschade heeft met name invloed op gezichtsidentiteit, omdat gezichtsherkenning meer moeite kost. Calder en Young gaan ervan uit dat er geen enkele route is voor alle emoties, maar dat elke emotie een eigen route heeft.
Simulatietheorie
Er bestaat een mechanisme dat zou kunnen werken als een algemeen systeem voor emoties (maar niet voor identiteit) in termen van sensomotorische simulatie. Simulatietheorie stelt dat we anderen begrijpen door hun huidige staat bij onszelf te produceren. Individuen kunnen dus wellicht emoties herkennen, niet alleen door middel van hun visuele verschijning, maar ook doordat het sensomotorische systeem van de waarnemer wordt geactiveerd. Er is bewijs dat het zien van een gezichtsexpressie zorgt voor een verandering in het spierstelsel van ons eigen gezicht en verschillende studies lieten zien dat beperking van dit spierstelsel ervoor zorgt dat emoties minder goed herkend worden.
Hebben bekende gezichten een signatuur?
In verschillende studies is de emotionele respons op gezichten gemeten door middel van ‘skin conductance response’ (SCR). Deze reactie doet zich na een aantal seconden voor als een bepaalde stimulus gezien is, en wordt gezien als automatisch en onbewust. Bekende gezichten genereren een grotere SCR dan onbekende gezichten. Dit is ook het geval bij patiënten met prosopagnosie, ook al weten ze niet dat het bekenden zijn en kunnen ze zich niet als bekend classificeren. Dit kan op verschillende manieren verklaard worden. In de eerste plaats kan voor het bewust en onbewust herkennen van gezichten gebruik wordt gemaakt van het zelfde gebied, maar het herkennen van een emotionele signatuur is wellicht eenvoudiger. Een andere verklaring stelt dat er binnen de vroege visuele fases gescheiden processen zijn die leiden tot verschillende uitkomsten.
Een dissociatie tussen de emotionele inhoud van gezichten en gezichtsidentiteit zou het Capgras syndroom kunnen verklaren, waarbij individuen het waanbeeld hebben dat bekenden vervangen zijn door dubbelgangers. Volgens Ellis en Young is dit het tegenovergestelde van proposagnosie: mensen kunnen bekenden bewust herkennen maar ze hebben geen emotionele respons bij hen.
Het herkennen van je eigen gezicht
Wanneer je je eigen gezicht ziet, wordt een circuit van hersengebieden in de frontale en pariëtale kwabben geactiveerd dat niet reageert wanneer je andere bekenden gezichten ziet. Het herkennen van je eigen reflectie in de spiegel vereist niet alleen gezichtsherkenning, maar ook het besef dat het gezicht bij jou hoort. 'Mirror self-recognition’ (MSR) wordt door sommigen gezien als een belangrijke test voor zelfbewustzijn bij andere diersoorten.
Er is veel minder onderzoek gedaan naar het waarnemen van lichamen dan naar het waarnemen van gezichten. Er bestaat geen model dat gelijkwaardig is aan dat van Bruce en Young voor gezichten en hoewel er bepaalde hersengebieden geïdentificeerd zijn die belangrijk zijn voor het waarnemen van lichamen, zijn de specifieke functies niet zo gespecificeerd.
Visuele waarneming van lichamen
Het extrastriate lichaamsgebied ('extrastriate body area', EBA) is een gebied in de visuele cortex dat meer reageert op lichamen en lichaamsdelen dan op gezichten en objecten. Dit gebied codeert waarschijnlijk abstracte beschrijvingen van lichamen, aangezien het niet alleen reageert op foto’s, maar ook op lijntekeningen, getekende poppetjes en lichaamsdelen. Bovendien heeft het EBA een respons op verschillende soorten lichamen. Een tweede gebied dat betrokken is bij de perceptie van lichamen is het fusiforme lichaamsgebied ('fusiform body area', FBA). Dit gebied bevindt zich in de inferieure temporale cortex en reageert meer op hele lichamen dan op lichaamsdelen. Het is onduidelijk wat precies de verschillende bijdragen van het EBA en het FBA zijn, maar het lijkt erop dat dit laatste gebied meer op hele lichamen reageert. Het verwerken van lichaamsbewegingen, ook wel 'biological motion' genoemd, is wellicht meer afhankelijk van de STS, en het verwerken van de lichaamssamenstelling van het EBA en FBA. In een posterieur gebied van de STS wordt gereageerd op biological motion. Dit is een ander deel dan het belangrijkste gebied met betrekking tot visuele perceptie van bewegingen, V5 (of MT) en er zijn wellicht verschillende paden die leiden naar de STS (biological motion) en V5 (visuele beweging in het algemeen).
Het waarnemen van emoties via lichamen
Wanneer mensen moeten beoordelen emoties in het gezicht moeten beoordelen en ook informatie hebben over het lichaam, werden ze hierdoor beïnvloedt, wat er op wijst dat deze informatie lastig te negeren is. Het brein ontdekt een mismatch tussen emoties op het gezicht en het lichaam snel.
De Gelder (2006) heeft een model van emotionele lichaamsperceptie voorgesteld. Het model bevat twee circuits en beide routes hebben een visuele perceptie- en een motorisch component.
Reflexieve perceptie van emotionele lichaamstaal. Dit houdt in dat er een snelle en onbewuste evaluatie van een visuele stimulus plaatsvindt waarbij vooral subcorticale visuele paden worden gebruikt. Dit kan leiden tot de initiatie van motorische responsen via een subcorticaal motorisch circuit in de basale ganglia.
Visueel-motorische perceptie van emotionele lichaamstaal. Een langzamere, meer bewuste inschatting die vooral gebruik maakt van corticale structuren. Visuele analyse doet zich voor in de fusiforme en STS gebieden en gebieden die spiegelneuronen bevatten, zoals de intraparietale sulcus en premotorcortex.
Dit model moet nog gedetailleerd getest worden, maar er is bewijs voor sociaal spiegelen van lichaamstaal. Dit spiegelen heeft wellicht zelfs een belangrijke sociale functie die nog verder gaat dan simulatie om de emotionele staat van een ander te identificeren.
Joint attention is het proces waarbij aandacht wordt gericht op een bepaald object of een locatie als reactie op de aandacht die een ander persoon daaraan schenkt. Dit kan veroorzaakt worden doordat iemand in een bepaalde richting kijkt of wijst, of doordat hij zijn lichaam of hoofd draait.
Eye gaze detection
Het maken van oogcontact is belangrijk voor een-op-een communicatie en de richting van een blik kan belangrijk zijn om aandacht te richten op belangrijke objecten in de omgeving. Bij mensen is het eenvoudig om de richting van een blik te ontcijferen dankzij de combinatie van een donker gedeelte (iris en pupil) van het oog met oogwit. Het kunnen identificeren van de richting van een blik is volgens Baron-Cohen aangeboren en een bijzonder deel van de menselijke cognitie. De STS is met name van belang voor het uitlokken van joint attention van gezichten en lichamen en reageert in het bijzonder op sociale cues. Bovendien zijn cellen in de STS ook gevoelig voor de oriëntatie van het hoofd en lichaam. In reactietijdsexperimenten oriënteert de richting van de blik participanten automatisch op een bepaalde richting, wat ook wel 'gaze cueing' genoemd wordt. De richting van een blik en de verwerking van gezichtsuitdrukking kunnen ook met elkaar interacteren. Zo reageren participanten in experimenten sneller wanneer een blik direct op hen gericht is. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het afleiden van gedragsintenties van approach en avoidance.
Waarom maken autistische mensen soms geen oogcontact?
De sociale interacties van autistische individuen wordt gekarakteriseerd door een afwezigheid van joint attention en een gebrek aan direct oogcontact. Dit kan veroorzaakt worden doordat ze niet kunnen ontdekken waar mensen naar kijken of dat ze de sociale significantie van dit gedrag niet begrijpen. Uit onderzoek bleek dat ze wel weten wanneer een persoon hen aankijkt, maar dat ze geen gedragingen of behoeftes kunnen afleiden uit blikken.
Wijzen en reiken
Onderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten wijsgedrag: protoimperatief wijzen, waarbij duidelijk gemaakt wordt dat iets gewild is, en protodeclaratief wijzen, wat op zichzelf joint attention uitlokt. Uit onderzoek bleek dat de posterieure STS heeft een algemene rol in het oriënteren van aandacht en is belangrijk voor het visueel coderen van informatie over de intenties van anderen. Andere hersengebieden maken inferenties gebaseerd op deze informatie (zie hoofdstuk 6).
Eigenschappen ('traits') zijn langdurige disposities om op een bepaalde manier te denken en bijbehorend gedrag te vertonen. Onze persoonlijkheid kan worden gezien als een verzameling eigenschappen. Er zullen nu een aantal associaties tussen gezichtskarakteristieken en persoonlijkheidseigenschappen worden gegeven. Er is hierbij wel een aantal verschillende mogelijkheden waardoor deze associaties verklaard kunnen worden:
Er bestaat daadwerkelijk een associatie (bijv. testosteron heeft invloed op mannelijke gezichtsontwikkeling en heeft invloed op gedrag)
Er is sprake van een 'self-fulfilling prophecy’
Er kan gebruik gemaakt worden van expressies om persoonlijkheidstrekken af te leiden
Er kan sprake zijn van culturele stereotypes waar nauwelijks of geen objectieve basis voor bestaat
Beautiful = good
De factoren die een gezicht aantrekkelijk maken worden tegenwoordig vrij goed begrepen en Rhodes noemt drie factoren: gemiddeldheid, symmetrie en seksueel dimorfisme. Mensen die een knap gezicht hebben krijgen meer sociaal wenselijke persoonlijkheidstrekken toegeschreven. Deze neiging is gerelateerd aan het halo effect, waarbij een persoon die op een bepaalde dimensie als positief beoordeeld wordt, ook zo gewaardeerd wordt op andere dimensies. Bepaalde studies laten zien dat aantrekkelijkheid niet alleen een structureel kenmerk van een gezicht is, maar ook een projectie is van de eigenschappen die we waarderen in een partner.
Big five
Een van de belangrijkste persoonlijkheidstheorieën is de big five. Deze theorie omvat vijf eigenschappen die de meest significante individuele verschillen kunnen verklaren: openheid, consciëntieusheid, extraversie, vriendelijkheid en neuroticisme.
Agressief gezicht vs. baby face
Agressief gedrag omvat elke handeling waarbij de intentie is om iemand schade te berokkenen terwijl die persoon dit gedrag wil vermijden. Agressie blijkt gerelateerd te zijn aan de breedte-tot-hoogte ratio van het gezicht. Oosterhof en Todorov maakten gebruik van statistische technieken om vast te stellen wat de onderliggende structuur van gezichten is. Ze vonden dat gezichten konden worden omschreven in termen van twee eigenschappen: hoe dominant (agressie vs. babyface) en hoe betrouwbaar (positief of negatief) een gezicht is. Over het algemeen worden mensen met een babyface positiever beoordeeld, hoewel er ook bewijs is dat soms tegen dit stereotype ingegaan wordt, bijvoorbeeld door adolescenten met een lage SES.
Betrouwbaarheid
Gezichten die lijken op je eigen gezicht worden als meer betrouwbaar gezien, maar ook als minder aantrekkelijk (dit werkt wellicht als een evolutionair mechanisme tegen incest). Dit wijst erop dat betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid niet hetzelfde zijn. Het is echter waarschijnlijk dat er ook een ander mechanisme bestaat om vertrouwen vast te stellen, aangezien veel verschillende mensen het eens zijn over welke gezichten betrouwbaar zijn. De amygdala speelt wellicht en rol bij het beoordelen van betrouwbaarheid. Volgens Todorov en Engell gaat het hierbij om het categoriseren van stimuli met positieve en negatieve valentie en niet zo zeer bij sociale attributie in het algemeen. Dominantie is in niet gerelateerd aan activiteit in de amygdala en kan minder goed worden gecategoriseerd in termen van goed en slecht.
Eigenschappen afleiden van lichamen
Er is weinig informatie over het afleiden van persoonlijkheidseigenschappen van lichamen, met name vanuit neurowetenschappelijk perspectief. Verhoogd BMI wordt gerelateerd aan luiheid en mensen met over- of ondergewicht werden vaker als eenzaam beoordeeld.
1. Hoe werkt het model van gezichtsverwerking van Bruce en Young?
2. Hoe werkt het neurale model van Haxby?
3. Hoe werkt het model van emotionele lichaamsperceptie van De Gelder?
4. Wat is joint attention?
5. Welke soorten wijsgedrag zijn er?