Samenvattingen bij de voorgeschreven artikelen van Cultural diversity (UU) 21/22

Samenvattingen bij de voorgeschreven artikelen van Cultural diversity (UU) 21/22

Image

Check: summaries and supporting content in full
Artikelsamenvatting bij Hoe hebben migratietrends, migratiebeleid en het politieke debat zich ontwikkeld tussen 1990 en 2010? van Bonjour & Scholten

Artikelsamenvatting bij Hoe hebben migratietrends, migratiebeleid en het politieke debat zich ontwikkeld tussen 1990 en 2010? van Bonjour & Scholten

Wat is het migranten immigratiebeleid?

In het begin van de jaren negentig veranderde de Nederlandse aanpak van migranten van een etnische minderheden beleid naar een migranten immigratiebeleid. Dit beleid benadrukt socio-economische participatie in plaats van culturele rechten. Migratie werd geprobeerd te beperken door middel van restrictieve veranderingen van asiel en familiemigratiebeleid, en door het uitsluiten van irreguliere migranten van publieke diensten.

Waardoor ging de Nederlandse politiek over tot een hardere aanpak van migranten aan het begin van de 21e eeuw?

De aanval op de Twin Towers in 2001 en de moord op Pim Fortuyn in 2002 leidde er toe dat Nederlandse politici overgingen naar een hardere aanpak van migranten. Het succes van Pim Fortuyn werd door politici geweten aan hun eigen falen om de bezorgdheid van Nederlanders over migranten aan te pakken. De politici gingen over tot een hardere aanpak met betrekking tot migranten om zo meer stemmen te kunnen winnen. Ondanks intense politieke debatten is het algemene beleid met betrekking tot migranten weinig veranderd en immigratiestromen zijn blijven stijgen. Dit komt mede door de ontwikkelingen in de Europese Unie: de toegang van inwoners uit Centraal- en Oost-Europa en nieuw Europese asiel- en migratiebeleid.

Wat is de invloed van de Europese Unie op het Nederlandse immigratiebeleid?

Europeanisering beperkt de bewegingsruimte voor Nederlandse beleidsmakers op verschillende manieren. Met name de rechtse politici hebben een hekel aan het verliezen van de nationale soevereiniteit over immigratie en de obstakels van de Europese Unie bij het invoeren van restrictieve veranderingen. Zo hebben uitspraken van de Europese rechtbank er toe geleid dat Nederland de inkomenseis van familiemigranten moest verlagen, asielzoekers niet langer naar Griekenland mocht sturen, en de administratieve kosten van verblijfsvergunningen moest verlagen. Zowel het Rutte I als het Rutte II kabinet streven naar heronderhandelingen over het Europese migratiebeleid (met name over familiemigratie).

Hoe beïnvloedt de Europese Unie het Nederlandse familiemigratiebeleid?

In het begin van de 21e eeuw werd familiemigratie gezien als een van de meest problematische vormen van migratie. Ten eerste omdat familiemigranten zich vaak bevinden in slechte socio-economische posities. Ten tweede omdat familiemigratie de grote culturele en religieuze verschillen tussen Nederlanders en Moslim migranten blootlegt. Beleidshervormingen werden doorgevoerd, zoals het verhogen van de inkomenseis, de minimumleeftijd, en het niveau van de taaltest. Sommige van de ingevoerde hervormingen moesten worden teruggedraaid en andere gewilde hervormingen konden niet worden ingevoerd als het gevolg van regulaties van de Europese Unie.

Wat is er verandert in het Nederlandse asielzoekersbeleid sinds 2000?

Het aanvragen van een verblijfsvergunning voor asielzoekers was voor 2000 een langdurig proces dat jaren kon duren. De Nederlandse overheid richtte zich op het verkorten en versimpelen van asielprocedures. Verschillende verblijfsvergunningen voor asielzoekers zijn samengevoegd in een enkele tijdelijke verblijfsvergunning die na vijf jaar kan worden vervangen door een permanente verblijfsvergunning. In 2007 werd een generaal pardon gegeven aan asielzoekers die al voor 2001 hun verblijfsvergunning hadden aangevraagd.

In 2010 is ook een nieuwe procedure ingevoerd die het proces van asielzoekers verkort waardoor ze sneller weten of ze een verblijfsvergunning krijgen of niet.

Welke problemen zijn in Nederland ontstaan met betrekking tot arbeidsmigratie?

Arbeidsmigratie in Nederland werd als onproblematisch ervaren tot aan het begin van de 21e eeuw. Een onderzoek wees uit dat, na een hoge mate van Oost-Europese arbeidsmigratie, Nederland niet in staat was om de stroom van arbeidsmigranten in goede banen te leiden. Zorgen werden vooral geuit over de huisvesting van arbeidsmigranten en de groei van malafide uitzendbureaus. Arbeidsmigranten van buiten de Europese Unie kunnen via simpele procedures naar Nederland verhuizen zolang ze kunnen aantonen dat ze in hoge mate zullen bijdragen aan de Nederlandse economie.

Wat is de Wet Modern Migratiebeleid?

De overheid is in 2006 begonnen aan de Wet Modern Migratiebeleid en deze is in 2013 ingevoerd. Deze wet betreft een modernisering van het migratiebeleid voor vreemdelingen die op reguliere gronden verblijf wensen in Nederland. Op basis van deze wet hebben bedrijven en instituties een verhoogde verantwoordelijkheid voor documentatie en gedrag van hun buitenlandse werknemers, en zijn zij vatbaar voor administratieve en financiële sancties. Werkgevers kunnen worden gelabeld als erkende sponsor na het doen van een solvability- en betrouwbaarheidscontrole. Als erkende sponsor hebben zij toegang tot een versnelde procedure voor het aanvragen van verblijfsvergunningen voor hun werknemers.

Wat zijn de kenmerken van de migrantenpopulatie in Nederland (in 2013)?

Hoeveel migranten er in Nederland zijn is afhankelijk van de definitie die wordt gebruikt. Er kan worden gekeken naar de mensen met een buitenlandse nationaliteit die in Nederland wonen (5%), de mensen die in het buitenland zijn geboren (11%), en de mensen die zelf in het buitenland zijn geboren of van wie één of beide ouders in het buitenland zijn geboren (21%). De vijf grootste groepen migranten bestaan uit Turken, Marokkanen, Surinamers, Indonesiërs en Duitsers. De meeste Turken en Marokkanen zijn gekomen in de jaren zestig en zeventig om te werken, en later zijn hun families ook gekomen. Surinamers en Indonesiërs zijn voornamelijk gekomen toen hun landen onafhankelijk werden (in 1970 en 1950). Een nieuwe groeiende groep sinds 2004 in Nederland bestaat uit Polen.

Hoe ziet de trend van immigratie in Nederland er uit?

Immigratie nam toe vanaf 1995 tot aan 2000. De grootste oorzaak daarvan was familiemigratie gevolgd door asielzoekers. De afname van de migratiecijfers vanaf 2000 kan worden verklaard door een verminderd aantal asielzoekers en minder familiemigratie (door nieuw restrictief beleid dat familiemigratie moeilijker maakt). Vanaf 2005 nemen de immigratiecijfers weer toe. Dit kwam gedeeltelijk door een nieuwe stijging in familiemigratie (voornamelijk Oost-Europeanen), maar voornamelijk door een sterke toename van arbeidsmigratie. Er zijn ook meer buitenlandse studenten (bijna drie keer zo veel buitenlandse studenten als asielzoekers). Ten slotte, sinds Polen lid is van de Europese Unie in 2004 is de Poolse immigratie de grootste ontwikkeling in de meest recente migratietrends.

Wat zijn kenmerken van de participatie van migranten in het publieke leven?

  • De kredietcrisis van 2008 heeft een grote invloed gehad op de arbeidsparticipatie van immigranten. De afname van de arbeidsparticipatie was groter voor niet-westerse migranten dan voor de inheemse Nederlanders. Dit kan allicht worden verklaard door de flexibele werkrelaties van de migranten en het vaak werken met tijdelijke contracten.
  • Migrantengroepen leven vaker in grote stedelijke gebieden zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, en Eindhoven. Binnen deze steden wonen zij vaak in specifieke delen van de stad.
  • Niet-westerse migranten lopen achter vergeleken met inheemse Nederlanders op het gebied van educatie. Ze stoppen vaker met hun opleiding, zijn onder gerepresenteerd in midden- en hoge opleidingsniveaus, en lopen vaker achter met hun studie. Het verschil tussen niet-westerse migranten en inheemse Nederlanders wordt steeds kleiner.

Wat is het inburgeringsbeleid?

Inburgering is een specifieke en doelgericht gestuurde vorm van maatschappelijke integratie. Een permanente verblijfsvergunning wordt pas gegeven als een immigrant het inburgeringsexamen haalt. Het examen bestaat uit een praktisch deel (taalvaardigheid en kennis van de Nederlandse samenleving in praktijksituaties) en een theoretisch deel (basiskennis van de Nederlandse samenleving en taalvaardigheid). Het einddoel van de inburgering is een succesvolle integratie en naturalisatie.

Wat is de Koppelingswet?

De Koppelingswet is een wet uit 1998 die een relatie legt tussen het verblijfsrecht van vreemdelingen en de voorzieningen die door de overheid worden verstrekt. Het verbindt de gemeentelijke basisadministratie met het vreemdelingen administratiesysteem. Migranten met een permanente verblijfsvergunning hebben toegang tot bijna alle sociale en politieke rechten. Migranten zonder verblijfsvergunning hebben geen recht op voorzieningen, met uitzondering van dringende medische hulp, onderwijs voor leerplichtigen en rechtsbijstand.

Hoe heeft Pim Fortuyn (en zijn moord) het thema van migratie in de Nederlandse politiek veranderd?

In 2002 maakte Pim Fortuyn immigranten en hun integratie het middelpunt van de aandacht. Hij stelde dat Nederland vol was en dat immigratie moest stoppen. Hij ontwikkelde een nieuwe stroming die multiculturalisme koppelde aan politieke correctheid, taboes, en het te zacht zijn voor immigranten. Coïnciderend met de aanvallen op de Twin Towers groeide de angst voor islam en immigratie en won zijn partij aan populariteit. Na zijn moord in 2002 was zijn partij voor korte tijd lid van de regerende coalitie in 2003. Ook al bleef de partij niet bestaan, populisme en anti-immigranten politieke partijen zijn sindsdien aanwezig in de Nederlandse politiek. Met name de partij van Geert Wilders, de Partij van de Vrijheid, deelt de ideeën van Pim Fortuyn en is zeer populair.

Wat is de articulatiefunctie van de politiek?

De articulatiefunctie van de politiek verwijst naar de taak van politieke partijen om de wensen van hun achterban aan te geven. De landelijke politiek speelt een belangrijke rol door het simpelweg over bepaalde problemen te hebben. Sinds de groei van de kritiek op het multiculturalisme en de groei van populistische partijen is de articulatiefunctie belangrijker geworden in de Nederlandse politiek.

Wat bedoelt Baukje Prins met het Nieuw Realisme?

Baukje Prins nam ten tijde van de moord op Pim Fortuyn een discoursomslag waar. De Nederlandse bevolking was overgegaan van een denkwereld waarin kritiek op een gebrek aan integratie van minderheden snel werd uitgelegd als racistisch en intolerant naar een visie waarin dergelijke kritiek juist werd ervaren als open en eerlijk. Het Nieuw Realisme verwijst naar het eerlijk zeggen wat ´iedereen al denkt´.

Wat is de focus van het politieke debat met betrekking tot immigratie sinds 2012?

Controverse in de politiek over integratie en Islam heeft zich sinds 2012 vermindert. Migrantenintegratie wordt vaker niet op zichzelf bekeken, maar in relatie tot onderwijs, huisvesting en arbeidsparticipatie. De media en de politiek geven nu meer aandacht aan de problematiek die is gekomen met de arbeidsmigratie van Oost-Europeanen. Deze problematiek bestaat onder meer uit uitbuiting van migranten op de woningmarkt, het ontstaan van Poolse ´hotels´, alcohol- en misdaad gerelateerde problemen, en de onsuccesvolle pogingen om werkloze Nederlanders banen aan te laten nemen in de tuinbouwsector waar veel migranten werken. De politiek heeft er moeite mee om deze problematiek aan te pakken, omdat deze migranten leden zijn van de Europese Unie en niet kunnen worden gedwongen tot deelname aan inburgeringsprogramma´s.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Comparative Integration Context Theory: Participation and Belonging in New Diverse European Cities van Schneider & Crul - 2010

Artikelsamenvatting bij Comparative Integration Context Theory: Participation and Belonging in New Diverse European Cities van Schneider & Crul - 2010

Migratietheorieën in de Verenigde Staten

In de Verenigde Staten zijn voornamelijk twee theorieën van belang geweest met betrekking tot migratie en assimilatie. In tegenstelling tot de altijd gehanteerde klassieke assimilatietheorie die stelde dat assimilatie van migranten onvermijdelijk is, stelt de gesegmenteerde assimilatie theorie dat er meerdere uitkomsten mogelijk zijn. De verwachting dat migranten zich altijd aanpassen aan de nieuwe cultuur bleek niet overeen te komen met de realiteit. De gesegmenteerde assimilatietheorie stelt dat migranten soms vasthouden aan aspecten van hun etnische cultuur en veel gebruik maken van de steun uit de eigen etnische groep en zich alsnog goed kunnen adapteren door zich alleen te assimileren aan die aspecten van de nieuwe cultuur die belangrijk zijn voor economische vooruitgang. De nieuwe assimilatietheorie daarentegen laat zien dat immigranten vaker het patroon van ‘straight line assimilation’ volgen, waarbij de migranten steeds meer de normen, waarden en gedragingen van de nieuwe cultuur gaan overnemen. Beide trends zijn zichtbaar in Europa en beide vereisen aandacht. Vooruitgang en stagnatie hoeven elkaar immers niet altijd uit te sluiten.

‘The Integration of the European Second Generation’ (TIES)

De Amerikaanse theorieën wijzen op het belang van de context, denk aan de manier van ontvangst in het nieuwe land, de maatschappelijke context en de lokale context. Ook wijzen ze op het belang van sociale netwerken. Het onderzoeken van deze theorieën aan de hand van Europese data is zeer interessant, omdat Europa veel verschillende landen bevat en er veel verschillende immigratie-uitkomsten met elkaar vergeleken kunnen worden. Dit heeft geleid tot het ontstaan van het TIES-onderzoek, een internationaal onderzoek naar de tweede generatie immigranten in vijftien Europese steden. De eerste resultaten toonden aan dat de institutionele omgeving zeer veel invloed heeft.

De tweede generatie in Europese steden

Het definiëren van de tweede generatie

In de Verenigde Staten worden deze twee groepen samengevoegd, maar er moet onderscheid gemaakt worden tussen de tweede generatie die geboren zijn in het land van immigratie en de kinderen die met de ouders mee verhuisden naar het nieuwe land. De kinderen die immers al in het nieuwe land geboren zijn verschillen enorm van de kinderen die zijn verhuisd. Zo hebben zij geen migratie-ervaring, hoeven zij zich niet aan te passen aan een onbekende maatschappij en hoeven zij geen lidmaatschap te verwerven tot die maatschappij. Er blijkt ook dat deze groep hoge biografische continuïteit vertoont (zij zijn geboren, opgegroeid en wonen nog steeds in dezelfde stad). Vergeleken met deze kinderen uit de tweede generatie die al in het nieuwe land geboren zijn kan het voor autochtone kinderen die bijvoorbeeld van het platteland naar de stad verhuizen veel moeilijker zijn om te integreren in de nieuwe omgeving. Ook blijkt uit onderzoek dat veel kinderen uit de tweede generatie die al in het nieuwe land geboren zijn steeds beter opgeleid raken en nieuwe professionele rollen en identiteiten aannemen.

Het herdefiniëren van de mainstream

De populatie in steden is onderhevig aan grote veranderingen. Een relatief nieuw fenomeen is dat een eerder duidelijk gedefinieerde etnische meerderheid verandert in een kleinere etnische minderheid. Dit betekent echter niet dat zij ook hun dominante status op het sociale en economische vlak verliezen, maar volgens de socioloog Richard Alba wordt de ‘etnische hiërarchie’ wel onder druk gezet en zullen over loop van tijd steeds meer niet-blanke etnische groepen worden geïncorporeerd. Deze nieuwe stedelijke identiteit kan aan de hand van TIES-data goed worden onderzocht.

TIES-data over de mainstream

Zo blijkt uit de data dat de hoog opgeleiden in de tweede generatie migranten vaak het meeste omgaan met mensen buiten hun eigen etnische groep. Doordat zij ook vaak werk vinden in administratie, onderwijs en in de sociale sector geeft hen dat ook de mogelijkheid om beleid en politiek te beïnvloeden. Dit terwijl de hoog opgeleide autochtonen en de laag opgeleiden uit de tweede generatie en de laag opgeleide autochtonen vooral met mensen uit hun eigen etnische groep omgaan. Voor de laag opgeleiden maakt hun beperkte sociale netwerk het moeilijker om hun kansen in het onderwijs, op huisvesting en op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het herdefiniëren van de mainstream vereist dus dat de focus verschuift en gaat kijken naar welke groepen nou eigenlijk meer of minder geassimileerd zijn. Zo kunnen ook autochtonen met weinig connecties buiten hun eigen groep zich buiten de mainstream bevinden.

‘Comparative Integration Context Theory’

Alle Europese steden zijn verschillend en er wordt gekeken naar de rol van de integratiecontexten die het verkrijgen van bepaalde posities helpen of verhinderen. Blijken zal dat de participatie van de tweede generatie in de Europese steden sterk afhankelijk is van de integratiecontext. Verschillen in integratiecontexten kunnen worden veroorzaakt door verschillende institutionele regelingen in onderwijs, de arbeidsmarkt, huisvesting, religie en wetgeving. Verschillen in de sociale en politieke context zijn met name belangrijk voor sociale en culturele participatie en ‘belonging’.

De context van institutionele regelingen

Wanneer men verschillende etnische groepen in dezelfde nationale of lokale context bekijkt gaat de focus al snel liggen op de allochtonen die niet goed presteren. De meest aangenomen verklaring daarvoor is dan hun cultuur en sociale klasse. Terwijl als deze groep vergeleken wordt met dezelfde groep die te maken hebben met andere institutionele regelingen, lijken cultuur en klasse minder belangrijk te worden en de institutionele regelingen belangrijker. De institutionele regelingen verschillen veel tussen de Europese landen (denk aan leeftijd om naar school te gaan, voor hoe lang, het leren van andere talen op jonge leeftijd).

Perspectief van de samenleving en perspectief van de individuen

Participatie kan vanuit twee perspectieven worden bekeken. Vanuit het perspectief van de samenleving wordt gekeken naar de maatschappelijke en lokale institutionele regelingen die de participatie van migranten verhinderen of aanmoedigen, of ongelijkheid stimuleren of verminderen. Weinig participatie in een samenleving kan dan worden gezien als een indicator van obstakels bij de toegang en participatie in het systeem. De vraag is dan niet waarom individuen niet participeren, maar waarom instituties voor hen gesloten zijn. Het perspectief van de individuen kijkt naar de individuen en groepen die actief hun opties en keuzemogelijkheden ontwikkelen, gegeven mogelijkheden uitdagen en bestaande structuren beïnvloeden en uitdagen.

De sociale en politieke context

De discursieve context heeft indirect invloed op immigranten en hun kinderen en hun zoektocht naar betekenis en een zinvolle plaats in de maatschappij. De discursieve context representeert een complex gebied waarin de gevoelens van ‘belonging’ van de tweede generatie immigranten continue op gespannen voet staan met de representaties van hun posities in de maatschappij door de politiek, de sociale wereld en de media. Er worden drie typen binnen de discursieve context onderscheiden, te weten de politieke context, de sociale context en de media.

Methodologie

Het startpunt ligt bij hoe de mensen in de praktijk omgaan met het verkrijgen van hun gevoelens van ‘belonging’. In veel onderzoek wordt integratie gemeten als een huidige staat of uiteindelijke uitkomst (zoals het hoogst behaalde diploma of de huidige baan). Terwijl deze vaak het gevolg zijn van onderliggende processen en het daarom zeer moeilijk wordt om verbanden te leggen met institutionele regelingen. Daarbij is er in de realiteit niet vaak een duidelijk onderscheid tussen geïntegreerd en niet-geïntegreerd. Om een verband te kunnen leggen met institutionele regelingen moet het proces van integratie bij het onderzoek worden betrokken (bijvoorbeeld wanneer start het onderwijs en zijn er duidelijke en makkelijke mogelijkheden om door te studeren?).

Aanbevelingen voor de toekomst

De uitdaging voor de wetenschappers is om de trends in de verschillende Europese landen bloot te leggen en te voorspellen. Volgens de auteurs kan dit het beste worden gedaan aan de hand van de door hen voorgestelde ‘comparative integration context theory’. Tevens moet er gekeken worden naar de definities van assimilaties en integratie en welke mate van assimilatie nou eigenlijk gewenst is in de maatschappij. De assimilatiewensen verschillen veel tussen de verschillende landen. Daarbij wordt het nog gecompliceerder doordat assimilatie vaak gaat over het meer zijn zoals de mainstream, terwijl deze ‘mainstream’ zelf ook aan verandering onderhevig is.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Themes and Variations: Parental Ethnotheories in Western Cultures van Harkness & Super - 2006

Artikelsamenvatting bij Themes and Variations: Parental Ethnotheories in Western Cultures van Harkness & Super - 2006

Het 'development niche' framework

In dit artikel worden observaties op onderzoek bij ouders en kinderen in Westerse landen bekeken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het ‘development niche’ framework. Hierbij is de culturele omgeving van een kind geconceptualiseerd met drie componenten:

  1. Psychische en sociale settings waarin een kind leeft.

  2. Cultureel gereguleerde gewoontes van kinderzorg en opvoeding.

  3. De psychologie van de zorgdragers, dus de ouders en docenten.

Samen vormen deze componenten een systeem binnen een grote cultuur.

Culturele modellen

‘Parental ethnotheories’ zijn culturele modellen, die ouders hebben met betrekking tot hun kinderen of families en zichzelf, als ouder. Het is dus een georganiseerde set van ideeën dat gedeeld wordt. Onderzoekers kunnen het dagelijks leven van families observeren door ouders dagboeken bij te laten houden over hun kinderen en de dagelijkse routines. Dit is in dit artikel bekeken, waarbij Amerikaanse en Nederlandse ouders vergeleken worden. In elk land, op elke plaats zijn de dagelijkse routines van kinderen gestructureerd, om het kind te helpen met een goed lid van de cultuur te worden. De structuur van deze routines verschilt uiteraard wel per land, plaats en cultuur.

Er is in de dagelijkse routines gekeken naar ‘special time’ en ‘slaapmanagement’:

  1. Bij ‘special time’ valt op dat de Amerikaanse ouders dit beschrijven als een activiteit met de hele familie, maar waarbij de focus op de behoeften van het kind ligt. Nederlandse ouders beschrijven automatisch voornamelijk hoe fijn en gezellig het was om af en toe wat met hun kind te doen, of het belang van samen eten.

  2. Bij slaapmanagement valt op dat de Nederlandse gezinnen werken met de 3 R’s. Rust, reinheid en regelmaat. Ook onderstrepen zij het belang hiervan. Daarnaast geven ze aan wat voor effect het voor de kinderen heeft, terwijl de Amerikaanse ouders voornamelijk praten over hoe lastig het voor hun eigen slaapritme is.

Ook is gekeken naar hoe ouders naar kinderen kijken en hun kinderen beschrijven. Hierin zijn veel verschillen opgemerkt, zoals het feit dat Italiaanse ouders hun kind bijna nooit als intelligent beschrijven, en Zweedse ouders juist heel vaak hun kind als ‘gelukkig’ beschrijven. Uit deze patronen van cross-culturele verschillen en overeenkomsten in de beschrijvingen die ouders geven van hun kinderen blijkt wel dat deze beschrijvingen dus cultureel geconstrueerd worden. Oftewel, het zijn over het algemeen lokaal gedeelde ideeën over bijvoorbeeld de kinderkwaliteiten die het meest van belang zijn. Door middel van het ‘developmental niche’-framework kunnen alle culturen op een logische manier uitgeplozen en gestructureerd worden. Uit deze onderzoeken blijkt wel dat het universele doel van alle ouders is om hun kind te laten overleven, bij de familie te houden en lid van de cultuur te worden.

Het gaat hier voornamelijk om thema’s binnen culturen, maar er moet ook gekeken worden naar de thema’s en variaties binnen een culturele gemeenschap. Deze thema’s komen meestal grotendeels met de algemene cultuur overeen, maar verschillen hier op individueel niveau. Uit dit artikel leek dat ‘parental ethnotheories’ een deel van een systeem vormen. Het systeem wat alle ideeën over kinderen, praktijken en uitkomsten van praktijken met elkaar linkt. Deze theorieën zijn niet te begrijpen zonder dat je het culturele aspect ook in het oog houdt.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Bronfenbrenner's Bioecological Theory Revision: Moving Culture From the Macro Into the Micro van Velez-Agosto e.a. - 2017

Artikelsamenvatting bij Bronfenbrenner's Bioecological Theory Revision: Moving Culture From the Macro Into the Micro van Velez-Agosto e.a. - 2017

Wat is het conceptuele probleem binnen Bronfenbrenner´s bio-ecologische ontwikkelingsmodel met betrekking tot cultuur?

Bronfenbrenner´s bio-ecologisch ontwikkelingsmodel is een veel gebruikt theoretisch framework dat wordt gebruikt in diverse wetenschappelijke disciplines en praktijkgebieden in de sociale wetenschappen. Het model houdt echter geen rekening met de rol van cultuur en beschouwt deze simpelweg als een factor in het macrosysteem, zonder deze term te definiëren. Verschillende wetenschappelijke theorieën dagen Bronfenbrenner´s theorie uit en stellen allemaal dat cultuur niet los staat van het individu, maar een product is van menselijke activiteit. Cultuur functioneert dus niet uitsluitend op een macroniveau, maar is aanwezig in dagelijkse activiteiten. Cultuur maakt deel uit van gemeenschappen en gedragingen door middel van taal en betekenisgeving. Cultuur maakt ook onderdeel uit van cognitieve processen, zoals intelligentie en geheugen.

Hoe zag Bronfenbrenner´s bio-ecologisch ontwikkelingsmodel er uit toen hij deze voor het eerst ontwikkelde in 1974?

In 1974 presenteerde Bronfenbrenner zijn eerste versie van het bio-ecologisch ontwikkelingmodel. Hierin definieerde hij zijn theorie als een studie van menselijke ontwikkeling in context. De ecologie van het kind bestond volgens zijn theorie uit twee lagen, de bovenste laag en de ondersteunende omringende laag. De bovenste laag bestond uit de directe omgeving (thuis, school, vrienden, etc.) en had drie dimensies: de fysieke dimensie, de mensen en hun rollen in het kinds leven, en de activiteiten van het kind en de sociale betekenissen van die activiteiten. De ondersteunende omringende laag bevat fysieke en geografische kenmerken en institutionele contexten. Deze laag bepaalt wat er wel of niet in de directe omgeving kan gebeuren. In dit model wordt cultuur niet gedefinieerd, maar wordt geïmpliceerd in de vorm van sociale systemen die onderdeel zijn van de ondersteunde omringende laag.

Hoe zag Bronfenbrenner´s bio-ecologisch ontwikkelingsmodel er uit toen hij deze opnieuw presenteerde in 1977?

Het model dat Bronfenbrenner presenteerde in 1977 was uitgebreid naar een complexere serie van systemen die onderling afhankelijk van elkaar zijn. Het model bevatte vier lagen met het individu in het midden:

  • Het individu (individuele kenmerken zoals geslacht en gezondheid).

  • Het microsysteem (familie, vrienden, school, kerkgemeenschap, etc).

  • Het mesosysteem (de directe en indirecte manier van contact).

  • Het exosysteem (factoren waar het individu zelf geen invloed op heeft, maar die wel directe invloed hebben op het individu en de ontwikkeling, e.g. media, sociale voorzieningen, buren, politiek).

  • Het macrosysteem (attituden en ideologieën van de maatschappij en de cultuur).

In dit model wordt cultuur ook niet direct gedefinieerd, maar gezien als een onderdeel van het macrosysteem en een ideologische structuur in het mesosysteem.

Wat bedoelt Bronfenbrenner met de blauwdruk van macrosystemen?

Bronfenbrenner introduceert de term blauwdruk als onderdeel van het macrosysteem. Hij stelt dat het macrosysteem fundamenteel verschilt van de andere systemen doordat het niet verwijst naar de specifieke contexten die het leven van een bepaald persoon beïnvloeden, maar meer naar algemene prototypes die bestaan in de (sub)cultuur die het patroon creëren voor de structuren en activiteiten die op dat niveau plaatsvinden. Binnen een bepaalde maatschappij zijn formele en informele instellingen opgebouwd uit min of meer dezelfde blauwdrukken (soms bestaan ze expliciet in de vorm van wetten, en regels).

Wat is Vygotsky´s socioculturele theorie?

Vygotsky´s socioculturele theorie is gebaseerd op hoe cultuur de menselijke ervaring bemiddelt en menselijke activiteit transformeert. De theorie stelt dat cultureel gedefinieerde gereedschappen en betekenissen worden geïnternaliseerd in hogere psychologische functies. Cultuur wordt niet gezien als een aparte entiteit die opereert vanuit een hoger macrosysteem, maar als het systeem waarin dagelijkse menselijke activiteiten worden gerealiseerd en geïnternaliseerd. Culturele vormen van gedrag ontstaan tijdens de kindertijd door het gebruiken van gereedschappen en het ontwikkelen van spraak. Menselijke ontwikkeling is dus een cultureel gemedieerd proces, doordat het gebruik van gereedschappen en het ontwikkelen van taal cultureel gedefinieerde en geleerde gedragingen zijn.

Wat is Thomas Weisner´s eco-culturele theorie?

Weisner´s theorie biedt de culturele gemeenschap kinderen een ontwikkelingspad binnen een eco-culturele context. De ontwikkelingspaden zijn geïnternaliseerd in alledaagse routines en verwijzen naar de verschillende soorten activiteiten, georganiseerd door families en lokale gemeenschappen, waarin het kind kan of zal deelnemen tijdens de ontwikkeling. Cultuur staat niet los van de persoon en de interacties, maar ontwikkelt zich als de routines die we uitvoeren. De persoon is hierbij niet een passieve ontvanger van cultuur, zoals in het model van Bronfenbrenner, maar een actor in zijn eigen ontwikkeling.

Wat is Barbara Rogoff´s participatie transformatie perspectief?

Rogoff beschouwt ontwikkeling als transformatie van participatie in socioculturele activiteiten. Zij plaats cultuur binnen de gemeenschappelijke routines die richtlijnen geven van betrokkenheid bij culturele participatie in dagelijkse activiteiten. Cultuur doordringt alle aspecten van het leven (routines, gewoontes, taal, etc.) en daarbij speelt een essentiële rol bij de ontwikkeling van mentale processen.

Waarom moet cultuur worden toegevoegd aan Bronfenbrenner´s model?

Cultuur speelt een centrale rol binnen alledaagse activiteiten en biedt de context voor menselijke ontwikkeling. Cultuur is een continu veranderend systeem van de gewoontes van sociale gemeenschappen en de interpretatie van die gewoontes door middel van taal. In het model van Bronfenbrenner is cultuur een aspect van het macrosysteem, terwijl in de realiteit cultuur en de binnenste lagen elkaar continu wederzijds beïnvloeden. Het model van Bronfenbrenner houdt hier vrijwel geen rekening mee.

Waarom is het beter om de cirkels van Bronfenbrenner te vervangen door een spiraal?

Diagrammen versimpelen altijd de werkelijkheid door het visueel representeren van complexe processen, maar het model van Bronfenbrenner maakt een scheiding tussen het individu en cultuur die incorrect is. Alsof cultuur een op zichzelf staande entiteit is en er een hiërarchische indeling bestaat waarbij cultuur het individu beïnvloedt en niet andersom. De cirkels kunnen beter worden vervangen door een spiraal, waarbij cultuur bestaat binnen de verschillende instellingen, en distaal of proximaal in relatie tot het individu. Op deze manier wordt de transactionele aard van menselijke ontwikkeling benadrukt.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The weirdest people in the world? van Henrich e.a. - 2020

Artikelsamenvatting bij The weirdest people in the world? van Henrich e.a. - 2020

Wat is een WEIRD-groep?

De onderzoeksresultaten van veel beroemde wetenschappelijke tijdschriften zijn gebaseerd op een zeer specifieke onderzoeksgroep. Deze groep bestaat vooral uit mensen die leven in Westerse, geschoolde, geïndustrialiseerde, rijke en democratische samenlevingen. Deze onderzoeksgroep wordt ook wel afgekort met de term WEIRD (Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic).

Kunnen onderzoeksresultaten op basis van de WEIRD-groep worden gegeneraliseerd naar de gehele menselijke populatie?

Er bestaat substantiële variabiliteit tussen samenlevingen, en de WEIRD-groep is een vrij ongebruikelijke groep mensen vergeleken met de rest van de menselijke populatie. Het blijkt zelfs dat leden van de WEIRD-samenlevingen behoren tot de minst representatieve populaties wanneer het gaat om het generaliseren van resultaten naar de gehele menselijke populatie. De psycholoog Jeffrey Arnett toonde in 2008 aan dat 96% van de psychologische onderzoeken gebruik maakten van een steekproef gebaseerd op een populatie die maar 12% van de gehele wereldpopulatie uitmaakt. De manier waarop de steekproeven worden getrokken is dus verre van representatief. Het gebruik maken van een beperkte database is op zich niet zo erg, als de wetenschappers hun resultaten dan ook niet zouden generaliseren naar de gehele menselijke populatie. Dit doen zij echter vaak wel en zij maken vaak conclusies over de menselijke geest en het menselijke gedrag.

Wanneer kunnen generalisaties worden gemaakt van de resultaten van een kleine steekproef naar de gehele menselijke populatie?

Generalisaties kunnen gemaakt worden wanneer wordt voldaan aan twee criteria. Ten eerste moeten er goede empirische redenen bestaan om aan te nemen dat er weinig variatie bestaat tussen de verschillende populaties binnen een bepaald domein. Ten tweede zou men kunnen stellen dat als de steekproef getrokken wordt uit het midden van de distributie, dat het gevonden patroon representatief zou zijn voor de centrummaat van de populatie.

Hoe vergelijken geïndustrialiseerde samenlevingen met kleine samenlevingen?

Er zijn een aantal domeinen waarin de data van geïndustrialiseerde samenlevingen overeenkomt met de data van kleine samenlevingen (zoals bepaalde perceptuele illusies, emotionele expressies, en psychologisch essentialisme). Echter, vergelijkend onderzoek laat ook zien dat in andere domeinen de data van geïndustrialiseerde samenlevingen vooral beschouwd moet worden als bestaande uit outliers. Zo blijkt uit onderzoek naar visuele perceptie dat er populatie-verschillen bestaan in de vatbaarheid voor optische illusies doordat het visuele systeem zich ontogenetisch aanpast aan de terugkerende kenmerken van de lokale visuele omgeving. Ook met betrekking tot fairness en samenwerkingen in economische besluitvormingsmodellen blijken de leden van de geïndustrialiseerde samenlevingen zich aan de einden van de distributie te bevinden.

Waarom kunnen onderzoeksresultaten van WEIRD-kinderen niet worden gegeneraliseerd naar andere kinderen?

Als voorbeeld wordt hier gebruikt de representativiteit van WEIRD-leden binnen het domein van de folkbiologie. Folkbiologie is de cognitieve studie van hoe mensen classificeren en redeneren over de organische wereld. De kinderen van WEIRD-ouders groeien meestal op in geürbaniseerde en culturele en experiëntele arme omgevingen, vergeleken met kinderen uit kleine samenlevingen. Onderzoeksresultaten van kinderen uit dergelijke informeel arme omgevingen kunnen niet worden gegeneraliseerd naar kinderen uit landelijke gebieden die zijn opgegroeid met een overvloed aan interacties met de natuurlijke wereld.

Hoe vergelijken Westerse samenlevingen met niet-Westerse geïndustrialiseerde samenlevingen?

Ook hier bestaan er domeinen waarin de data van Westerse samenlevingen overeenkomt met data van niet-Westerse geïndustrialiseerde samenlevingen, zoals met betrekking tot partnervoorkeur, personaliteitsstructuur, en het bestraffen van freeriden. Er zijn echter ook domeinen waarbij de data van Westerse samenlevingen zich aan de buitenkant van de verdeling bevindt. Dit zijn niet altijd alleen verschillen in grootte, maar ook kwalitatieve populatieverschillen. Zo is er met betrekking tot anti-sociale bestraffing en samenwerking een fenomeen waargenomen dat zich alleen voordoet bij Westerse studenten (anti-sociale bestraffing).

Wat zijn independente en interdependente zelfconcepten?

Zelfconcepten bevinden zich op een continuüm dat strekt van independentie naar interdependentie en is vergelijkbaar met het individualisme-collectivisme debat. Waar men zichzelf ziet op dit continuüm beïnvloedt hun emoties, cognities, en motivaties. Aan deze zelfconcepten zijn verschillende psychologische patronen verbonden. Zo denken independente mensen vaak positiever over zichzelf, hechten zij meer waarde aan persoonlijke keuze en zijn zij meer gemotiveerd om anders te zijn dan om erbij te horen.

Kunnen onderzoeksresultaten over zelfconcepten van Westerse mensen worden gegeneraliseerd naar niet-Westerse mensen?

Veel onderzoek heeft al aangetoond dat Westerse mensen zich meer independenter voelen dan niet-Westerse mensen. Zij identificeren zichzelf vaker aan de hand van hun persoonlijkheidskenmerken en attituden, en minder aan de hand van hun sociale rollen en relaties. Zelfverrijking, persoonlijke keuze en de motivatie om te conformeren zijn vaak besproken als zijnde fundamentele aspecten van de menselijke psychologie, terwijl deze veel meer aanwezig zijn bij Westerse mensen dan bij niet-Westerse mensen.

Wat is analytisch en holistisch denken?

Holistisch denken betreft een oriëntatie op de context als een geheel, met aandacht voor de relaties tussen het focale object en het veld, en een voorkeur voor het verklaren en voorspellen van gebeurtenissen op basis van die relaties. Analytisch denken betreft het onthechten van objecten uit hun context, en een neiging om te focussen op de attributen van een object en het gebruiken van categorische regels om gedrag te verklaren en te voorspellen. Beide cognitieve systemen zijn aanwezig in alle volwassen mensen, maar verschillen in de omgeving, ervaringen en culturen zorgen er voor dat mensen een voorkeur hebben voor een van de twee systemen.

Hoe verschillen Westerse mensen van de rest van de wereld met betrekking tot analytisch en holistisch denken?

In verschillende populaties hebben mensen een andere voorkeur voor de manier van denken en er is steeds meer bewijs dat de Westerse manier van denken verschilt van de rest van de wereld. Onafhankelijke zelf-constructie is gerelateerd aan een voorkeur voor analytisch denken, terwijl interdependentie is gerelateerd aan holistisch denken. Westerse volwassenen besteden meer aandacht aan objecten dan aan de omgeving, verklaren gedrag vaker in gedecontextualiseerde termen, en vertrouwen meer op regels over gelijkheidsrelaties om objecten te classificeren.

Hoe ontwikkelt volgens Lawrence Kohlberg de morele redenering?

Volgens de Amerikaanse psycholoog Lawrence Kohlberg is de ontwikkeling van de morele redenering afhankelijk van de cognitieve capaciteiten die zich met het opgroeien ontwikkelen. Hij stelde dat mensen door drie fasen gaan. Kinderen beginnen op een pre-conventioneel niveau waarbij goed en fout gebaseerd is op interne standaarden met betrekking tot de fysieke en hedonistische gevolgen van acties. Vervolgens gaan zij naar een conventioneel niveau, waarbij moraliteit gebaseerd is op externe standaarden, die de sociale orde van de groep in stand houden. Tot slot gaan sommigen nog verder naar een post-conventioneel niveau, waarbij moraliteit gebaseerd is op etnische principes met betrekking tot gerechtigheid en individuele rechten.

Is Kohlberg´s theorie van morele ontwikkeling universeel?

De verschillende niveaus van morele ontwikkeling zijn herhaaldelijk teruggevonden in WEIRD-groepen, maar het niveau van post-conventiële moraliteit wordt niet altijd in andere populaties gevonden. Niet-Westerse mensen beroepen zich vaker op een groter aantal morele principes. Twee andere ethische normen die in niet-Westerse samenlevingen gevonden kunnen worden zijn de ethiek van de gemeenschap (waarbij moraliteit gebaseerd is op het vervullen van interpersoonlijke verplichtingen die verbonden zijn aan iemands rol in de sociale orde) en de ethiek van het goddelijke (waarbij mensen morele verplichtingen hebben om zich te onthouden van gedrag dat de goddelijkheid aantast).

Hoe vergelijken moderne Amerikanen met andere Westerse samenlevingen?

Aangezien het merendeel van de data gebaseerd is op studenten in de Verenigde Staten kan men zich afvragen of de data van Amerikanen te generaliseren is naar de rest van de Westerse wereld. De Verenigde Staten vertonen enorme verschillen met de rest van de Westerse wereld. Een aspect waarbij zij uitblinken is individualisme. Het extreem individualisme komt op veel demografische en politieke wijzen naar voren en beïnvloedt allerlei zelf-gerelateerde concepten. Met betrekking tot de representativiteit van de Amerikanen worden zij ook wel ‘outliers van de outliers’ genoemd.

Hoe vergelijken universitair opgeleide Amerikanen met niet-universitair opgeleide Amerikanen?

De meerderheid van de data voor gedragsonderzoek op niet-klinische populaties in Noord-Amerika wordt geleverd door studenten. De sociale psychologie en de gedragseconomie hebben veel verschillen gevonden tussen studenten en niet-studenten. Zo rationaliseren studenten hun keuzes vaker, scoren studenten hoger op bepaalde aspecten van individualisme, zijn studenten minder gemotiveerd om te conformeren, bevinden niet-studenten zich in nauwere sociale kringen en zijn studenten grotere voorstanders van raciale diversiteit. Ook zijn morele redeneringen van studenten vaker gebaseerd op de ethiek van de autonomie, terwijl die van niet-studenten vaker gebaseerd zijn op de ethiek van de gemeenschap en de goddelijkheid. Tevens lijken studenten minder prosociaal te zijn wanneer het gaat om vertrouwen, eerlijkheid, samenwerking en het bestraffen van freeriden.

Wat kan worden geconcludeerd met betrekking tot de generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten van de WEIRD-populatie?

Er kunnen zes algemene conclusies worden getrokken:

  • Populatievariatie is niet ongebruikelijk in de gedragswetenschappen.
  • WEIRD-leden kunnen vaak de minst geschikte doelgroep vormen om generalisaties vanuit te maken.
  • Onderzoeksonderwerpen worden gelimiteerd door de afhankelijkheid van WEIRD-data.
  • Het onderzoeken van kinderen en primaten is belangrijk, maar geen vervanging voor vergelijkend onderzoek.
  • Het begrijpen van menselijke diversiteit is belangrijk voor het ontwikkelen van evolutionaire theorieën over menselijk gedrag.
  • Het uitsluitend gebruiken van WEIRD-data is niet altijd verkeerd en kan alsnog vaak nuttig zijn. Bijvoorbeeld bij het onderzoeken of een fenomeen überhaupt bij mensen voorkomt, of wanneer generaliseerbaarheid geen rol speelt.

Welke aanbevelingen worden gedaan met betrekking tot generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten?

Ten eerste beveelt men aan dat bij het presenteren van onderzoeksresultaten de generaliseerbaarheid duidelijk besproken wordt. Een onderzoeker mag nooit universaliteit impliceren zonder een empirisch gegrond argument. De editors van tijdschriften zouden bij het publiceren van onderzoeken ook expliciet kunnen vragen om gedetailleerde informatie met betrekking tot de steekproef. Ten tweede zou er meer waardering moeten worden gegeven aan onderzoekers voor het verrichten van vergelijkend onderzoek, daar het vaak een ondergewaardeerd domein is. Tot slot zouden onderzoeksinstellingen en universiteiten onderzoeksverbanden moeten oprichten met verschillende onderzoekspopulaties, omdat er heel erg veel mensen zijn die nooit zijn gevraagd om mee te doen aan onderzoeken terwijl zij daar wanneer om gevraagd wel mee aan zouden doen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Multicultural recognition and ethnic minority rights: A social identity perspective van Verkuyten – 2006

Artikelsamenvatting bij Multicultural recognition and ethnic minority rights: A social identity perspective van Verkuyten – 2006

Wat is multiculturalisme?

Multiculturalisme is een maatschappelijk en politiek standpunt waarbij men gelijkwaardigheid veronderstelt van verschillende culturele, etnische en godsdienstige gemeenschappen binnen een bepaald afgebakend bestuurlijk gebied. Het betreft een breed scala van actoren, contexten en interpretaties, en het specificeert niet een duidelijke strategie. Velen beschouwen multiculturalisme als positief, waarbij kennis en begrip van culturele verschillen wordt gewonnen, waardering voor diversiteit groeit, en culturen en rechten van minderheidsgroepen worden erkent en gerespecteerd. Er bestaat echter ook veel kritiek op het multiculturalisme. Sommigen stellen dat het stereotypen van groepen benadrukt en leidt tot negatieve out-group gevoelens, en dat het segregatie en separatie rationaliseert en rechtvaardigt.

Wat is de Nederlandse ervaring met het multiculturalisme?

In de jaren 80 werd in Nederland een beleid van multiculturalisme geadopteerd. Er was een grote instroom van buitenlandse werkers en het werd duidelijk dat deze in Nederland zouden blijven. Dit leidde tot een beleid van integratie met daarbij het behouden van de eigen identiteit. Er is echter veel veranderd. Multiculturalisme werd steeds vaker beschouwd als een mislukking en het beleid van etnische minderheden is vervangen door een beleid van civiele integratie, waarbij assimilatie wordt beschouwd als de enige oplossing voor een probleemloze samenleving.

Wat is het sociale identiteitsperspectief?

Sociale identiteit is het deel van het zelfbeeld van een individu dat wordt bepaald door de groepen waarvan een individu deel uitmaakt. Het individu heeft niet alleen een persoonlijke zelf, maar meerdere identiteiten die zijn geassocieerd met hun aangesloten groepen. Een persoon kan zich verschillend gedragen in verschillende contexten, afhankelijk van de groep waartoe iemand behoort. Het sociale identiteitsperspectief biedt een framework aan voor het begrijpen van intergroep relaties tussen etnische groepen.

Wat zegt het sociale identiteitsperspectief over multiculturalisme?

Culturele diversiteit en rechten van minderheden hebben meer waarde voor etnische minderheidsgroepen dan voor etnische meerderheidsgroepen. Voor de etnische minderheidsgroepen biedt het multiculturalisme de mogelijkheid voor het behouden van hun eigen cultuur en identiteit en het creëren van meer sociale gelijkheid. Etnische meerderheidsgroepen zien culturele diversiteit en rechten van minderheden vaker als een bedreiging van hun dominante positie en hogere sociale status.

Wat zijn de belangrijkste argumenten van de voor- en tegenstanders van multiculturalisme (binnen de etnische meerderheid)?

Onderzoek naar de onderliggende redeneringen die worden gebruikt voor het rechtvaardigen of juist bekritiseren van het multiculturalisme heeft de argumenten van de voor- en tegenstanders blootgelegd. De meeste mensen die voor multiculturalisme zijn beschouwen het als een aspect van leren en een bron van culturele verrijking. De redenen van de meeste tegenstanders waren gebaseerd op gevoelens van onzekerheid, een gebrek aan veiligheid, en angst. Zij hebben een voorkeur voor assimilatie van etnische minderheden en geloven dat assimilatie een gevoel van veiligheid, vertrouwen en controle teweegbrengt. In de meeste Westerse landen geeft de etnische meerderheid weinig steun aan het multiculturalisme. In Nederland heeft de etnische meerderheid een meer neutrale houding, maar geeft over het algemeen de voorkeur aan assimilatie.

Welk onderscheid maakt Kymlicka met betrekking tot gelijke morele aanspraken van etnische minderheden?

Kymlicka maakt een onderscheid in vrijwilligheid van de etnische minderheden over hun bestaan in het desbetreffende land. Hij stelt dat niet alle etnische minderheden dezelfde morele aanspraken hebben. Multiculturele herkenning en rechten zouden gerechtvaardigd zijn voor etnische minderheden die vroeger de inheemse bevolking waren (zoals Indianen of Inuit), maar niet voor immigranten. Immigranten bevinden zich aan de andere kant van het morele spectrum. Zij zouden vrijwillig afstand hebben gedaan van hun rechten door het verlaten van hun land van herkomst. Deze beslissing impliceert een persoonlijke verantwoordelijkheid voor iemands situatie en positie. Het kiezen om te vertrekken gaat samen met de verantwoordelijkheid om te integreren in de nieuwe samenleving.

Welke kritiek kan worden gegeven op dit onderscheid?

Ten eerste is het feitelijk lastig om een onderscheid te maken tussen het hebben van een persoonlijke keuze en het niet hebben van deze keuze. De vrijwilligheid van iemands beslissing is niet altijd duidelijk. Ten tweede bestaan er veel categorieën binnen de groep asielzoekers (`echte´ asielzoekers, economische vluchtelingen, etnische profiteurs, etc.). Vele termen worden in verschillende manieren en contexten gebruikt. Ten derde moet er rekening gehouden worden met de verantwoordelijkheid van de etnische meerderheid wanneer deze zelf vrijwillig arbeidsmigranten werft.

Wat zijn de gevolgen van discursieve constructie van categorieën van immigranten voor de manier waarop mensen denken over multiculturalisme?

Onderzoek toont aan dat het benadrukken van de persoonlijke keuze geassocieerd is met het verwerpen van het multiculturalisme en een nadruk op assimilatie, terwijl een gebrek aan keuze geassocieerd is met een positieve evaluatie van multiculturalisme en een nadruk op rechten van minderheden. Evaluaties van multiculturalisme en de goedkeuring van rechten van minderheden worden beïnvloed door de manier waarop categorieën van immigranten worden gedefinieerd. De kwestie van keuze en vrijwilligheid staat daarbij centraal.

Wat is essentialisme?

Het essentialisme is een filosofische theorie die stelt dat iedere entiteit wordt gedefinieerd door een aantal noodzakelijke eigenschappen. Essentialisme kent twee dimensies. De eerste is de mate waarin categorieën worden opgevat als natuurlijke of inherent verschillende soorten. De tweede is de mate waarin categorieën worden beschouwd als homogene en verenigde entiteiten. 

Wat stelt het essentialisme over multiculturalisme?

Essentialistische opvattingen over etnische minderheidsgroepen rechtvaardigen multiculturalisme. Multiculturalisme is moreel en intellectueel meer aanvaardbaar als etnische minderheden worden beschouwd als werkelijke groepen met bepaalde inherente culturele kenmerken. Multiculturele benaderingen stellen etniciteit vaak gelijk met cultuur en benadrukken authentieke culturele verschillen die zouden moeten worden erkend en gerespecteerd. Leden van etnische minderheidsgroepen verzetten zich vaak tegen stigmatisering door trots te zijn op hun authentieke groepsidentiteit. Zij nemen daarbij vaak een manier van denken over die tegelijkertijd hun exclusie in stand houdt. Op deze manier weerspiegelt het multiculturalisme de vooroordelen waartegen het zich verzet.

Welke drie clusters van kernargumenten liggen ten grondslag aan de debatten over multiculturalisme?

Ten eerste het belang en de waarde van groepsidentiteit en culturele diversiteit op zich. Ten tweede sociale gelijkheid en gelijke kansen. De perceptie van structurele discriminatie in de samenleving beïnvloedt de goedkeuring van multiculturalisme. Mensen die meer discriminatie tegen etnische minderheden waarnemen zijn vaker pro-multiculturalisme. Ten derde sociale cohesie en stabiliteit. Multiculturaliteit wordt vaak betwist op basis van een bezorgdheid over de eenheid en stabiliteit van een land. Mensen zijn bang dat diversiteit leidt tot problemen en sociale cohesie en stabiliteit verzwakt. Des te meer mensen het belang van sociale samenhang en stabiliteit benadrukken, des te minder ze pro-multiculturalisme zijn.

Hoe beïnvloeden gevoelens van groepsidentificatie de goedkeuring van multiculturalisme?

Des te meer dat mensen uit een minderheidsgroep zich identificeren met hun etnische groep, des te belangrijker vinden ze het om hun cultuur te behouden en om als groepsleden deel te nemen aan het sociale en politieke leven. Groepsidentiteit is een belangrijke voorwaarde voor collectieve actie. De goedkeuring van multiculturalisme en de rechten van minderheden is een collectieve strategie voor het omgaan met een negatieve groepsidentiteit. Voor groepsleden van de etnische meerderheid werkt dit andersom: des te meer zij zich identificeren met hun groep, des te meer zij hun groep en de bijbehorende status zullen willen beschermen en de voorkeur geven aan assimilatie in plaats van multiculturalisme.

Wat zijn de gevolgen van multiculturele erkenning voor groepsidentificatie?

Multiculturalisme moedigt groepsidentiteiten aan en probeert te verzekeren dat iedereen zijn identiteit kan behouden en trost kan zijn op zijn afkomst en cultuur. Onderzoek toont aan dat multiculturalisme leidt tot sterkere groepsidentificatie binnen de etnische minderheid en zwakkere groepsidentificatie binnen de meerderheidsgroep. Assimilatie daarentegen leidt tot sterkere groepsidentificatie onder de meerderheidsgroep en zwakkere groepsidentificatie onder de minderheidsgroep. Er is tevens aangetoond dat groepsidentificatie wordt beïnvloed door de wijdere politieke en ideologische context over kwesties van culturele diversiteit. Onder identiteitsbedreigende omstandigheden zullen mensen proberen een positieve en collectieve identiteit te herstellen.

Wat is het 'self-esteem argument' van multiculturalisme?

Het self-esteem argument stelt dat de acceptatie en erkenning van culturele identiteiten leidt tot meer positieve zelfgevoelens. Onderzoek bevestigt dat etnische identificatie positief gerelateerd is aan zelfvertrouwen. Dit betekent echter niet dat mensen met een laag niveau van groepsidentificatie minder zelfvertrouwen hebben. Zij baseren hun zelfvertrouwen op andere persoonlijke kenmerken. 

Wat is het 'rejection-identification model'?

Dit model stelt dat vooroordelen en discriminatie kosten hebben voor het psychologisch welzijn, maar dat deze kosten worden onderdrukt door verhoogde groepsidentificatie. Onderzoek bevestigt dit model en geeft bewijs voor een positieve associatie tussen etnische identiteit en zelfvertrouwen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Acculturation and use of health care services by Turkish and Moroccan migrants: a cross-sectional population-based study van Fassaert e.a. - 2009

Artikelsamenvatting bij Acculturation and use of health care services by Turkish and Moroccan migrants: a cross-sectional population-based study van Fassaert e.a. - 2009

Wat is acculturatie?

Acculturatie wordt beschouwd als een belangrijke variabele in de gezondheidspsychologie en gedragsgeneeskunde. Het wordt gedefinieerd langs twee dimensies, waarbij wordt gekeken naar de mate van contact en deelname aan de grotere samenleving en het behoud van erfgoedcultuur en identiteit. Aangenomen wordt dat het acculturatieproces vier uitkomsten heeft:

  • Assimilatie waarbij de oude cultuur wordt afgewezen en de deelname aan de gastcultuur hoog is.
  • Scheiding / traditionalisme waarin de oude cultuur behouden blijft, en deelname aan de gastcultuur laag is.
  • Marginalisatie waarbij beide culturen worden afgewezen.
  • Integratie waarbij de oorspronkelijke cultuur behouden blijft en deelname aan de gastcultuur is hoog.

Wat stelt wetenschappelijk onderzoek over de mate van assimilatie en het gebruik van gezondheidsdiensten door allochtonen?

Verschillende onderzoeken (in de VS) naar de correlatie tussen acculturatie en het gebruik van gezondheidsdiensten suggereren dat een grotere deelname aan (of aanpassing aan) de gastcultuur (d.w.z. integratie en assimilatie) verband houdt met meer gebruik. Het empirische bewijs voor dit verband in West-Europa is zwak. Verschillen ten opzichte van bevindingen uit de VS zijn te verwachten als gevolg van:

  • Variaties tussen studies en landen met betrekking tot de historische achtergrond van migratie naar de VS en Nederland (bijv. slavernij, dekolonisatie of arbeidsmigratie).
  • De definitie van de status van etnische minderheid (bv. gebaseerd op zelfidentificatie, religie, geboorteland of ras).
  • Gezondheidszorgstelsels (bijvoorbeeld met of zonder huisartsen / huisartsen die als poortwachter dienen voor gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg, evenals verplichte ziektekostenverzekering in Nederland.

Wat zijn de belangrijkste conclusies in het onderzoek van Fassaert et al. (2009)?

  • Over het algemeen was er slechts een matig verband tussen acculturatie en zorggebruik, in die zin dat vooral de domeincommunicatie in het Nederlands gerelateerd was aan utilisatie en huisartsenzorg helemaal niet gerelateerd was aan acculturatie.
  • Het gebruik van de gezondheidszorg is sterk gerelateerd aan subjectieve en objectieve metingen van de zorgbehoefte, namelijk zelfgerapporteerde gezondheidstoestand en het aantal chronische aandoeningen. Indien factoren zoals etnische achtergrond of acculturatie belangrijke determinanten zijn van het gebruik van gezondheidszorg, is dit in wezen een positieve observatie, aangezien dit kan worden aangevoerd als een indicator van gelijkheid in toegang tot gezondheidszorg.
  • Onder de Turkse groep werd acculturatie over het algemeen in verband gebracht met het gebruik van geestelijke gezondheidszorg; meer communicatie in het Nederlands (binnen het eigen domein) werd geassocieerd met meer gebruik van geestelijke gezondheidszorg onder Turkse mannen, terwijl dit bij vrouwen het geval was voor sociale interactie.
  • Bij Marokkanen ging meer emancipatie gepaard met minder opname van ambulante zorg (mannen) en meer communicatie in het Nederlands met minder geestelijke gezondheidszorg (mannen en vrouwen).

Hoe kan worden verklaard dat voor Marokkanen meer communicatie in het Nederlands is gerelateerd aan minder opname van de GGZ?

Dit resultaat kan een gevolg zijn van de methodiek die is gebruikt in het onderzoek. Hoewel er rekening werd gehouden met de algemene gezondheidstoestand, ontbrak een specifieke maatstaf voor de geestelijke gezondheid. Het kan zijn dat Marokkanen die beter in staat waren om in het Nederlands te communiceren, minder psychische stress ervoeren en daardoor een lagere GGZ-behoefte.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Mental health in migrant children van Stevens & Vollebergh - 2008

Artikelsamenvatting bij Mental health in migrant children van Stevens & Vollebergh - 2008

Welke verklaringen werden door eerder onderzoek vaak gegeven voor het verhoogde risico op mentale gezondheidsproblemen bij migrantenkinderen?

Vele vroege onderzoeken gaven de volgende drie redenen:

  • Het migratieproces veroorzaakt stress door het verlies van familie en vrienden, gewoonten en omgeving. Migranten moeten zich ook aanpassen aan een nieuwe culturele omgeving, vaak met andere morele waarden en normen en een nieuwe taal.
  • De restrictieve processen in de ontvangende samenleving veroorzaken stress. Migrantenpopulaties nemen vaak de minderheidspositie in hun gastland in en hebben vaak een zwakke sociale positie aan de onderkant van de bestaande sociale hiërarchie. Discriminatie en restrictief beleid kunnen leiden tot gesegregeerde woon-, economische, sociale en psychologische omgevingen die nadelige gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid.
  • De specifieke culturele achtergrond van bepaalde migrantengroepen. Twee modellen die culturele kenmerken relateren aan de geestelijke gezondheid van kinderen zijn het probleem-onderdrukking model en het ´adult-distress threshold model´.

Wat is het probleem-onderdrukking model?

Dit model suggereert dat culturele factoren het gedrag van kinderen rechtstreeks beïnvloeden. Kinderen adopteren, internaliseren en gedragen zich in overeenstemming met de culturele normen van aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag.

Wat is het ´adult-distress threshold model´?

Dit model neemt aan dat cultuur indirect de kans op bepaalde problemen bij migrantenkinderen beïnvloedt, omdat ouders en volwassenen in het algemeen de ontwikkeling van ongewenst gedrag onderdrukken (bijvoorbeeld door middel van straf of sociale druk), en de ontwikkeling van passend gedrag aanmoedigen (bijvoorbeeld via onderwijs, modellering of beloning).

Wat is het gezonde migranten effect?

Dit veronderstelde effect houdt in dat het overwinnen van de migratiehindernissen voor de feitelijke migratie resulteert in een selectie van de geschikte mensen (mensen met een goede fysieke en mentale gezondheid). Het veronderstelt dat er binnen migrantengezinnen vaak een samenhangende en ondersteunende gezinscultuur bestaat die hen beschermt tegen de ontwikkeling van psychische gezondheidsproblemen. Hierdoor zouden migrantenjongeren een verminderd risico hebben op geestelijke gezondheidsproblemen.

Wat is het belang van het type informant bij het bepalen van de prevalentie van probleemgedrag bij migrantenkinderen?

Het niveau van probleemgedrag bij kinderen hangt sterk af van de informant die wordt gebruikt om dit probleemgedrag te beoordelen (leraren, ouders, zelfrapportage). Deze verschillen in gerapporteerd probleemgedrag kunnen weerspiegelingen zijn van:

  • Feitelijke verschillen in gedrag van kinderen. Het kind wordt in verschillende contexten gezien en hebben verschillende interacties met leraren en ouders.
  • Verschillen in drempels om probleemgedrag te melden. Culturele normen over gepast gedrag van kinderen kunnen verschillend zijn.
  • Vooroordelen in probleemgedragrapporten. Zowel leraren als ouders, en zelfrapportages, worden beïnvloed door biases.

Wat is de ´gouden standaard´ met betrekking tot het onderzoeken van de prevalentie van probleemgedrag bij kinderen?

De gouden standaard is gebaseerd op een semi-gestructureerd klinisch interview voor kinderen en adolescenten en een diagnostiek interviewschema voor kinderen en ouders, in combinatie met schoolinformatie, die in consensus is opgesteld door een commissie bestaande uit een gediplomeerde psychiater, twee kinderpsychiaters en een psycholoog/cultureel antropoloog.

Wat is het belang van kenmerken van migrantengroepen bij het bepalen van de prevalentie van probleemgedrag bij migrantenkinderen?

Het effect van migratie hangt af van de specifieke kenmerken van de migrantengroep. Het vergelijken van autochtone jongeren met een mix van migrantenjongeren (wat in veel onderzoeken gebeurt) op basis van de aanname dat alleen het algemene migratieproces van belang is (en niet zozeer de specifieke kenmerken van de migrantengroep) is problematisch omdat het grote differentiële effecten tussen bepaalde migrantengroepen negeert. Kenmerken van de migrantengroepen, zoals sociaal-economische status, gezinsstress en originele culturele achtergrond moeten in beschouwing worden genomen:

  • Het controleren voor sociaal-economische status leek de relatie tussen migratie en probleemgedrag niet wezenlijk te veranderen.
  • Allochtone adolescenten ervaren niet meer stress met hun ouders dan andere adolescenten en deze factor verklaart niet waarom allochtone jongeren een verhoogd risico lopen op probleemgedrag.
  • Het dynamische karakter van cultuur lijkt geen verklaring te geven voor verhoogde niveaus van probleemgedrag bij allochtone jongeren.

Wat is het belang van de kenmerken van de gastlanden bij het bepalen van de prevalentie van probleemgedrag bij migrantenkinderen?

Specifieke kenmerken van de ontvangende landen kunnen bijdragen aan de manifestatie van verschillen in probleemgedrag tussen migrantenkinderen en autochtone kinderen:

  • Het niveau van probleemgedrag bij een migrantenjongerenpopulatie kan afhangen van de specifieke selectie van bepaalde soorten migranten door de ontvangende landen (sommige landen halen veel ongeschoolde migranten binnen, andere landen vooral hoog opgeleide migranten). Dit beïnvloedt het potentieel van de migrantengroepen om (sociaal-economisch) succes te behalen na de migratie.
  • De mate van pluralisme en houding ten opzichte van integratie in het ontvangende land kan invloed hebben op het gemiddelde niveau van probleemgedrag bij immigrantenjongeren (denk aan verschillen in immigrantenbeleid en waargenomen discriminatie).
  • Onderzoeken gebruiken van autochtone kinderen uit het ontvangende land als referentiepunt. Cross-culturele of internationale verschillen in geestelijke gezondheidsproblemen bij autochtone kinderen bemoeilijken de vergelijkingen met onderzoeken uitgevoerd in verschillende landen.

Wat is het belang van geslacht en leeftijd van migrantenkinderen bij het bepalen van de prevalentie van hun probleemgedrag?

Verschillende socialisatie-eisen aan dochters in vergelijking met zonen in migrantengezinnen, met name in gezinnen die uit meer traditionele culturen komen, kunnen leiden tot verschillende effecten van migratie op probleemgedrag bij jongens en meisjes. Eerder onderzoek toont aan dat het belangrijk is om rekening te houden met zowel sekse- als leeftijdsverschillen bij het vergelijken van probleemgedrag bij allochtone en autochtone jongeren.

Op welke manier heeft de migrantenstatus een modererend effect op de voorspellers van probleemgedrag bij migrantenkinderen?

De impact van bepaalde risicofactoren kan afhangen van de culturele achtergrond van de migranten. Veel immigranten zijn afkomstig uit zogenaamde collectivistische culturen waarin het zelf wordt gezien als ingebed in relaties, doelen worden geformuleerd in termen van gemeenschappelijke verantwoordelijkheden, en relaties de nadruk leggen op de samenhang van de groepsleden. De ontvangende landen worden vaak beschouwd als individualistische culturen waarin het zelf wordt gezien als een autonome entiteit, waarin doelen worden geformuleerd in termen van zelfontplooiing en competentie, en relaties worden gezien als evoluerend tussen afzonderlijke individuen.

Welke rol speelt het individualistische/collectivistische kenmerk van de culturen bij het bepalen van probleemgedrag bij migrantenkinderen?

Mensen uit collectivistische culturen zijn mogelijk kwetsbaarder voor relationele stress (zoals problemen met ouders, vrienden en school) en het gebrek aan steun van deze belangrijke anderen. Aangezien collectivistische culturen worden gekenmerkt door hiërarchische relaties tussen ouders en kinderen, kan strikt ouderlijk toezicht worden gezien als een legitieme uitdrukking van ouderlijk gezag en dus niet noodzakelijkerwijs leiden tot hoge niveaus van probleemgedrag bij kinderen. In individualistische culturen lijkt strikt ouderlijk toezicht discipline te worden gezien als een ouderlijke behoefte aan controle en dominantie over het kind en kan dus verband houden met een hoog niveau van probleemgedrag van kinderen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Lay Beliefs About Emotional Problems and Attitudes Toward Mental Health Care Among Parents and Adolescents: Exploring the Impact of Immigration van Verhulp e.a. - 2017

Artikelsamenvatting bij Lay Beliefs About Emotional Problems and Attitudes Toward Mental Health Care Among Parents and Adolescents: Exploring the Impact of Immigration van Verhulp e.a. - 2017

Wat zijn ´lay health beliefs´?

Lay health beliefs kan letterlijk worden vertaald naar lekenovertuigingen over gezondheid (opvattingen over gezondheid en ziekte van niet-professionals). Een betere term is kernovertuigingen. Opvattingen over geestelijke gezondheidsproblemen weerspiegelen de eigen ideeën en opvattingen van mensen over de oorzaken van en oplossingen voor geestelijke gezondheidsproblemen en de behandelingen van die problemen. Ze beïnvloeden de beslissing van mensen om hulp te zoeken wanneer ze psychische problemen ervaren.

Hoe kan het opgroeien in een individualistische samenleving de beslissing van mensen om hulp te zoeken bij psychische problemen beïnvloeden?

Individuen die afkomstig zijn uit een zogenaamde individualistische of onafhankelijke cultuur beschouwen de zelf als een autonome entiteiten, formuleren doelen in termen van zelfontplooiing en competentie, en beschouwen relaties als evoluerend tussen individuen. Als gevolg hiervan is het relatief waarschijnlijk dat leden van individualistische culturen problemen zoals geestelijke gezondheidsproblemen aan interne oorzaken toeschrijven. Deze leden zullen hun problemen relatief waarschijnlijk als beheersbaar beschouwen.

Hoe kan het opgroeien in een collectivistische samenleving de beslissing van mensen om hulp te zoeken bij psychische problemen beïnvloeden?

Individuen die uit collectivistische of onderling afhankelijke culturen komen, kunnen het zelf zien als ingebed in relaties, kunnen doelen formuleren in termen van gemeenschappelijke verantwoordelijkheden en benadrukken de eenheid van groepsleden in relaties. Het kan worden verondersteld dat deze mensen externe attributies formuleren voor hun problemen, zoals oorzaken in de omgeving (bijvoorbeeld familie, leeftijdsgenoten, school, cultuur).

Hoe beïnvloedt de mate van acculturatie de beslissing van mensen om hulp te zoeken bij psychische problemen in Nederland?

De grootste immigrantengroepen in Nederland kunnen grofweg worden beschouwd als afkomstig uit collectivistische culturen, terwijl de Nederlandse cultuur als individualistisch kan worden beschouwd. Als gevolg hiervan zullen immigranten in Nederland meer geneigd zijn om externe dan interne toeschrijvingen te maken aan oorzaken van psychische problemen in vergelijking met hun autochtone Nederlandse tegenhangers. In vergelijking met autochtone Nederlanders zullen immigrantengroepen in Nederland eerder geneigd zijn om externe en oncontroleerbare oplossingen voor hun problemen aan te dragen en minder snel oplossingen voorstellen die verband houden met individuele veranderingen.

Wat is het ´acculturation gap-distress model´?

Volgens dit model passen adolescenten zich sneller aan aan hun nieuwe cultuur dan hun ouders, omdat zij vaker deelnemen aan en interactie hebben met leden van de ontvangende samenleving dan hun ouders. De ontwikkeling van kinderen van immigranten is ingebed in zowel de etnisch-culturele achtergrond van hun ouders als de ontvangende samenleving, terwijl hun ouders vooral zijn gesocialiseerd in de cultuur van herkomst. Op basis van dit model kunnen we intergenerationele verschillen in de kernopvattingen verwachten tussen allochtone ouders en hun adolescente kinderen.

Hoe kan de cultuur van de etnische minderheid hun beslissing om hulp te zoeken bij psychische problemen beïnvloeden?

In sommige culturen kunnen mensen zich meer schamen voor hun geestelijke gezondheidsproblemen of hun behoefte aan professionele geestelijke gezondheidszorg, wat de kans op het zoeken naar professionele hulp kan verkleinen. Daarnaast kan het zijn dat etnische minderheden een gebrek aan vertrouwen hebben in de formele GGZ-instellingen in de ontvangende cultuur. Dit gebrek aan vertrouwen kan ook de kans op het zoeken naar professionele hulp verkleinen.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek van Verhulp et al. (2016)?

  • Nederlandse allochtone en autochtone ouders verschillen in hun kernovertuigingen over emotionele problemen en attitudes ten opzichte van de geestelijke gezondheidszorg.
  • De verschillen waren het grootst voor die allochtone Nederlandse populaties die als cultureel gezien het meest verschillend waren van hun autochtone Nederlandse tegenhangers (in dit geval Turks-Nederlands en Marokkaans-Nederlands).
  • De acculturatieoriëntaties van ouders bleken verband te houden met hun kernovertuigingen over emotionele problemen en attitudes over de geestelijke gezondheidszorg.
  • De hypothese dat ouders eerder externe causale attributies zouden maken en minder waarschijnlijk interne causale attributies zouden maken aan emotionele problemen in vergelijking met autochtone Nederlandse ouders, werd niet ondersteund.
  • Veel theorieën veronderstellen dat immigranten mogelijk afzien van geestelijke gezondheidszorg omdat ze de voorkeur geven aan hulp vanuit hun eigen informele netwerk. De resultaten laten echter het tegenovergestelde zien. Vanwege de angst voor schaamte en roddels binnen hun etnische groep, geven etnische minderheidsgroepen soms de voorkeur aan anonieme GGZ-aanbieders.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Prevalence of Psychiatric Disorders Among Children of Different Ethnic Origin van Zwirs e.a. - 2007

Artikelsamenvatting bij Prevalence of Psychiatric Disorders Among Children of Different Ethnic Origin van Zwirs e.a. - 2007

Inleiding

Etnische diversiteit neemt wereldwijd toe, waardoor het van belang is om onderzoek naar psychiatrische stoornissen in verschillende etnische groepen te doen. Uit Amerikaanse studies blijkt dat er verschillen in prevalentie zijn tussen diverse groepen, maar wat hieraan ten grondslag ligt is nog onduidelijk. Bovendien is er nauwelijks onderzoek buiten de Verenigde Staten gedaan. Het onderzoek dat in dit artikel gepresenteerd wordt, heeft als doel om de prevalentie in de grootste etnische groepen in Nederland in kaart te brengen. Dit zijn de Nederlandse, Marokkaanse, Turkse en Surinaamse groepen. Immigrantengroepen hebben vaak te maken met specifieke stressoren rondom migratie en psychologische aanpassing. De verwachting is dat immigrantengroepen die cultureel meer verschillen van de Nederlandse cultuur meer problemen laten zien. Het tweede doel van de studie is om onderliggende mechanismen die gerelateerd zijn aan psychiatrische stoornissen te onderzoeken. Hier zijn diverse demografische factoren voor geselecteerd: geslacht, leeftijd en SES. Daarnaast is gekeken naar psychosociale factoren: psychopathologie bij de ouders, schoolproblemen, problemen met leeftijdgenoten en geboorteland.

Methoden

In deze epidemiologische studie werden kinderen uit de vier etnische groepen in de leeftijd van 6-10 jaar gescreend op DSM-IV-stoornissen door middel van een vragenlijst (de SDQ). Alle kinderen kwamen uit een laag sociaal-economisch milieu. In de tweede fase van de studie werd een uitgebreid psychiatrisch onderzoek uitgevoerd bij 253 kinderen. Hun ouders werden eveneens geïnterviewd en hun leraren werd gevraagd een korte vragenlijst in te vullen.

Resultaten & conclusie

Er werd een prevalentie van 11% gevonden voor kinderen met één of meerdere DSM-IV-stoornissen. Hieronder vielen zowel externaliserende (9%) en internaliserende (2-3%) stoornissen. Deze percentages verschilden niet significant tussen de vier etnische groepen. Voor de gehele groep waren er significante correlaties tussen de prevalentie van psychiatrische stoornissen en geslacht, psychopathologie bij de ouder, problemen met leeftijdgenoten en problemen op school. Deze correlaties golden echter niet voor iedere etnische groep apart. De belangrijkste conclusie is dat de prevalentie van psychiatrische stoornissen op zichzelf niet beïnvloed wordt door etniciteit, maar de onderliggende mechanismen mogelijk wel verschillen per etnische groep.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The contested professionalism of teachers meeting radicalising youth in their classrooms van Leeman & Wardekker - 2013

Artikelsamenvatting bij The contested professionalism of teachers meeting radicalising youth in their classrooms van Leeman & Wardekker - 2013

Wat is de integratieparadox?

Onderzoek naar polarisatie en radicalisering laat zien dat juist jongeren die goed geïnformeerd zijn over de dominante waarden en normen in de Nederlandse samenleving vatbaar zijn voor radicalisering. Velen van hen zijn goed opgeleid.

Waarom is de kwaliteit van het onderwijs afhankelijk van de kwaliteit van de onderwijzers?

Typisch voor Nederland is de hoge professionele autonomie van schoolleiders en docenten. In het openbare schoolsysteem is er vrijheid om scholen op te richten en scholen te kiezen, en zijn vrij om het curriculum en het lesmateriaal te kiezen. Leraren hebben verschillende meningen ontwikkeld over de noodzakelijke aanpassingen in hun onderwijs als reactie op veranderingen in de etnisch-culturele samenstelling van de gemeenschap en hun leerlingengroep. Ze gebruiken hun keuzevrijheid om hun persoonlijke en professionele benadering te ontwikkelen in overeenstemming met hun perspectieven op de doelstellingen van onderwijs en de beste pedagogische benadering van lesgeven.

Wat is het huidige pedagogische beleid in West-Europese landen?

Het is gebaseerd op het idee van sociale en culturele samenhang in een nationale gemeenschap. In dit idee houdt de ontwikkeling van gedeelde normen, waarden en loyaliteiten geen rekening met de mogelijkheid van diversiteit. De educatieve implicatie is dat leerlingen worden gezien als toekomstige burgers van een natiestaat met een lange (hoewel deels ingebeelde) geschiedenis en een culturele identiteit die in wezen gescheiden is van die van andere naties. De taak van het onderwijs is dan om leerlingen te helpen bij het ontwikkelen van een individuele identiteit die in overeenstemming is met deze politieke visie.

Waarom moet er meer aandacht worden gegeven aan het individuatie doel?

Het huidige beleid creëert een verschil tussen leerlingen van de meerderheidsbevolking met dezelfde nationale afkomst (die deze identiteit min of meer automatisch zouden moeten verwerven) en allochtone leerlingen, die in feite ten minste een deel van hun cultureel erfgoed moeten afstaan. Leren samenleven in een pluralistische samenleving kan niet alleen gebaseerd zijn op assimilatie. Aandacht moet worden besteed aan individuatie en inclusieve integratie. Individuatie verwijst naar een innerlijk transformatieproces waarbij de mens zich ontwikkelt tot een individu met een zelfstandige persoonlijkheid en met een eigen identiteit.

Wat is inclusieve integratie?

Inclusieve integratie veronderstelt:

  • De vorming van een nieuwe inclusieve, transcendente identiteit.
  • Acceptatie van etnische en culturele verschillen in de samenleving.
  • De intentie om mensen met verschillende etnische achtergronden te integreren in gemeenschappelijke sociale en politieke instellingen.
  • De aanvaarding dat etnisch-culturele identiteiten van belang zijn voor individuen en in de loop van de tijd zullen blijven bestaan en erkend en ondergebracht moeten worden binnen gemeenschappelijke instellingen.
  • De noodzaak om te leren communiceren over verschillen.
  • Denken en handelen in termen van ontmoeten, proberen elkaar te begrijpen en samen te werken, zonder daarbij verschillen te ontkennen.

Wat is pedagogische kwaliteit?

Pedagogische kwaliteit verwijst naar de leeromgeving waarin leerlingen zich fysiek en emotioneel veilig, vertrouwd en gewaardeerd voelen. Een omgeving waarin kennis en denkvaardigheden persoonlijk waardevol kunnen worden voor de leerling. Een vertrouwensrelatie tussen leerkrachten en leerlingen in een belangrijk element in een pedagogische opvatting over onderwijs. Als mensen publieke erkenning en steun voelen voor hun idealen en etnische identiteit, kunnen ze het vertrouwen hebben om openlijk met anderen om te gaan. Ideale leraren zijn in staat om op persoonlijk niveau met hun leerlingen te communiceren.

Op welke manieren kunnen leraren bijdragen aan het vormen van een inclusieve identiteit en het creëren van wederzijds vertrouwen in het klaslokaal?

Er worden drie manieren geïdentificeerd:

  • Het ontwikkelen van een democratische houding en de motivatie en vaardigheden voor democratisch handelen.
  • Explicietheid over diverse standpunten en conflicten. Leraren vermijden vaak het behandelen van gevoelige onderwerpen om de goede relaties in de klas te behouden en zij zeggen een gebrek aan professionele training te hebben op dit gebied. Zij missen hierdoor de kans om belangrijke democratische en interculturele lessen te onderwijzen en jongeren aan te leren om conflicten te herkennen, te analyseren en ermee om te gaan.
  • Het verbinden van het vakonderwijs aan de burgerschapseducatie. Het leren ontwikkelen van een inclusieve identiteit staat niet los van het leren van de leerstof op school. Scholen bieden kennis en vaardigheden aan als kwalificaties voor succesvolle deelname aan de samenleving, maar ook voor autonoom en kritisch denken als voorwaarden voor maatschappelijke verandering. Radicaliserende leerlingen in het proces van uitsluiting van de samenleving kunnen alleen in deze zin worden opgeleid als ze in staat zijn om deze mogelijkheden voor zichzelf te zien en erop vertrouwen dat de school hen helpt bij het ontwikkelen van hun identiteit in een inclusieve richting.

Hoe kunnen een democratische houding en motivatie en vaardigheden voor democratisch handelen worden ontwikkeld?

Het kan worden geconcretiseerd door het oefenen en construeren van democratische besluitvormingsprocedures binnen scholen, waarin diversiteit als een waarde wordt geaccepteerd. Etnisch diverse scholen worden aangeraden, waarin samengewerkt wordt naar gedeelde doelen en elkaars menselijkheid wordt benadrukt. De klassen en de scholen moeten een inclusief klimaat hebben waarbij alle leerlingen op gelijke wijze participeren en diversiteit accepteren als normaal. 

Wat is een grensbeleving?

Een grensbeleving is wanneer iemand wordt geconfronteerd met hun eigen situatie en de grenzen van hun professionele vaardigheden. Een voorbeeld hiervan is wanneer in Nederland de overheid van de leerkrachten eiste dat ze alert waren op leerlingen die tekenen vertoonden van vroege stadia van polarisatie en radicalisering.

Welke problemen ondervinden leraren bij het moeten waarnemen van en ingrijpen bij polarisatie en radicalisering?

Leraren hebben moeite met het combineren van diversiteit en gemeenschappelijkheid. Ze klagen over het ontbreken van een duidelijk en gemeenschappelijk beleidskader op hun scholen en hebben behoefte aan kennis over radicaliseringprocessen en de dagelijkse wereld van hun leerlingen om problemen op tijd te kunnen herkennen. Ze zijn terughoudend om een rol te spelen bij een repressieve aanpak van radicalisering, omdat ze geen politieagenten willen spelen. Ze richten zich daarom vooral op duidelijk ongepast gedrag van leerlingen, terugtrekking uit communicatie en een gebrek aan respect voor diversiteit van meningen en standpunten. Ze kiezen voor het vermijden van onnodige conflicten om zo de communicatielijnen open te houden.

Waarom is alleen het open houden van communicatielijnen niet voldoende voor het waarnemen en tegengaan van radicalisering van jongeren?

Leraren geven aan dat ze te weinig communicatievaardigheden en achtergrondkennis hebben om over potentieel conflicterende onderwerpen te praten. Ze geven de voorkeur aan het vermijden van zulke gesprekken om de communicatielijnen open te houden. Dit betekent echter dat er niet gepraat wordt over de problemen die gepaard gaan met radicalisering en dat ze dus ook niet worden opgelost.

Wat zijn de problemen met radicalisering vanuit een pedagogisch perspectief?

  • Radicalisering wordt gezien als een eenzijdig lineair proces waarbij geconflicteerde jongeren door fasen gaan en steeds verder radicaliseren. Leraren identificeren zich automatisch met de school en een globale visie is afwezig. De realiteit is dat leerlingen vaak heen en weer schommelen tussen hun identiteiten en welke uiteindelijk de overhand krijgt is afhankelijk van de manier waarop ze de houding van beide omgevingen tegenover zichzelf als mensen en leerlingen zien.
  • Leraren lijken alleen aandacht te hebben voor ´problematisch´ gedrag en de cultuur van leerlingen met een andere achtergrond en voor de interactie tussen deze leerlingen en autochtone leerlingen. Ze doen dit in termen van individuele leerlingen met bepaalde attitudes en eigenschappen. Hierbij wordt de dynamiek van relaties in de groep en in de schoolcontext niet kritisch geanalyseerd.
  • Loyaliteitsconflicten zijn niet exclusief voor leerlingen met een buitenlandse achtergrond. Van alle leerlingen en leraren mag worden verwacht dat ze op een of andere manier op een bepaald moment loyaliteitsconflicten ervaren. Het leren omgaan met loyaliteitsconflicten en leren leven met verschillen is veel belangrijker dan leren voldoen aan de eisen van een bepaalde manier van denken en handelen.
  • De aanname van de overheid en de leraren is dat leerlingen verschijnen zonder sociale positie en geschiedenis en zonder emoties en gehechtheid aan hun cultuur en de mensen met wie ze buiten de school leven. De school moet hen de kennis en ervaring geven die hen toegang geeft tot het goede van de Nederlandse cultuur en gemeenschap. Deze opvatting houdt geen rekening met het collectieve niveau waarop leerlingen hun loyaliteiten al hebben gevestigd.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Parental Influence on Radicalization and De-radicalization according to the Lived Experiences of Former Extremists and their Families van Sikkens e.a. - 2017

Artikelsamenvatting bij Parental Influence on Radicalization and De-radicalization according to the Lived Experiences of Former Extremists and their Families van Sikkens e.a. - 2017

Wat is radicalisering (in een pedagogisch opzicht)?

Radicalisering vindt plaats wanneer een kind of adolescent politieke of religieuze ideeën begint te ontwikkelen die zo fundamenteel in strijd zijn met de opvoedingsomgeving of de algemene verwachtingen dat de relatie met de opvoeders op het spel staat. Jongeren met verschillende extreme idealen hebben vaak dezelfde push- en pull-factoren geïdentificeerd die tot hun radicalisering hebben geleid. Ze lijken verstrikt te zijn geraakt in een zoektocht naar verbondenheid, identiteit en antwoorden op ingewikkelde existentiële vragen, waarbij ze tijdens hun zoektocht verschillende ideologieën tegenkwamen.

Wat is het verschil tussen gederadicaliseerd en ontkoppeld?

Deradicalisering betreft het afstand nemen van extremistisch denken of gedrag door een bepaalde groep te verlaten of door geweld af te zweren dat men ooit heeft gebruikt of gedoogd. Het gaat daarbij om substantiële veranderingen in de ideologie. Ontkoppeling vereist geen verandering van de radicale ideeën als zodanig, maar wel een verandering in de bereidheid om geweld te gebruiken bij het streven naar verandering.

Welke directe en indirecte invloed hebben de ouders op radicalisering van hun kinderen?

Ouders beïnvloeden hun kinderen direct door middel van hun genetische aanleg, persoonlijke overtuigingen en gedragingen. Ouders fungeren als rolmodel en radicale jongeren delen vaak de extreme opvattingen van hun ouders. Geradicaliseerde jongeren sluiten zich vaak aan bij extremistische groepen omdat ze familieleden of vrienden hebben die al lid zijn van deze groepen. Ouders hebben ook indirect invloed door hun invloeden op elkaar en de meervoudige contexten waarin ze leven. Onstabiele gezinssituaties kunnen het radicaliseringproces versterken (denk aan gebroken gezinnen, middelenmisbruik, gezinsgeweld).

Hoe kunnen ouders bijdragen aan de-radicalisering van hun kinderen?

Het kan voor extreemrechtse leden moeilijk zijn om hun scene te verlaten, omdat ze geen contact meer hebben met hun familie en niemand buiten de scene hebben om op terug te vallen. Positieve banden met familieleden die geen extreme idealen hebben, kunnen ertoe leiden dat radicalen hun overtuigingen heroverwegen. Steun van hun familie kan hen helpen zich los te maken van extreemrechtse bewegingen en te de-radicaliseren.

Wat is ´counter violent extremism´ (CVE)?

CVE verwijst naar een domein van beleid, programma´s en interventies die zijn ontworpen om te voorkomen dat individuen zich bezighouden met geweld dat verband houdt met radicale politieke, sociale, culturele en religieuze ideologieën en groepen. Er zijn gezinsbegeleidingsprogramma´s ontwikkeld met als doel het radicaliseringproces van hun gezinslid te beïnvloeden door strategische versterking van positieve, pro-sociale relaties. Gespecialiseerde counselors helpen de familie van een geradicaliseerde persoon om alternatieven te bieden voor betrokkenheid bij radicale groepen en om de affectieve betrokkenheid van de persoon bij de radicale omgeving te veranderen, met als doel hun betrokkenheid bij de extremistische groeperingen te beëindigen.

Wat is het verschil tussen beëindiging (´termination´) en opheffing (´desistance´)?

Beëindiging verwijst naar het moment waarop een dader stopt met criminaliteit. Opheffing verwijst naar het causale proces dat voorafgaat aan beëindiging en nog steeds voortduurt na de beëindiging. Opheffing is het proces van stoppen waarvan beëindiging een deel uitmaakt. Mensen stoppen uiteindelijk vaak zelf met extremisme onder invloed van verschillende levensgebeurtenissen, zoals huwelijk, militaire dienst, of het uitzitten van tijd in de gevangenis. Deze levensgebeurtenissen zijn mogelijke katalysatoren die tot opheffing leiden.

Wat concludeert het onderzoek van Sikkens et al. (2017) over de directe invloed die ouders hadden op de radicalisering van hun kinderen?

Zowel de kinderen als de ouders gaven aan dat de ouders vrijwel geen invloed hadden op de radicalisering van hun kinderen. De meeste ouders waren niet op de hoogte van de activiteiten van hun kinderen, of niet in staat om er iets aan te doen (vanwege problemen of omdat ze er gewoon niet waren). Of ouders inderdaad geen rol speelden bij de radicalisering blijft onzeker. Het is mogelijk dat ouders hun invloed op het radicaliseringproces hebben afgezwakt om niet verwijtbaar over te komen, terwijl de kinderen hun ouders geen schuld wilden geven om de positieve relatie met hun ouders niet in gevaar te brengen.

Wat concludeert het onderzoek van Sikkens et al. (2017) over de indirecte invloed die ouders hadden op de radicalisering van hun kinderen?

Sommige gezinsklimaten kunnen indirect een vruchtbare voedingsbodem bieden voor radicalisering. Ouders hadden verschillende problemen (echtscheidingen, afwezige vader, gebrek aan emotionele steun, psychiatrische problemen), wat mogelijk leidde tot het niet herkennen van het radicaliseringproces en minder toezicht op hun kinderen. Zulke gezinsfactoren kunnen ook andere soorten afwijkend gedrag doen ontwikkelen en niet alle kinderen die zulke problemen ervaren radicaliseren. Radicale groepen hebben de neiging te jagen op onzekere jongeren die geen alternatief vangnet hebben.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Assembling the Irreconcilable: Youth Workers, Development Policies and ´High Risk´ Boys in the Netherlands van Chalhi e.a. -2018

Artikelsamenvatting bij Assembling the Irreconcilable: Youth Workers, Development Policies and ´High Risk´ Boys in the Netherlands van Chalhi e.a. -2018

Hoe is jeugdwerk ontstaan?

Het huidige jeugdwerk in Nederland is ontstaan vanuit een benadering van buurtontwikkeling (ook wel opbouwwerk genoemd) in de jaren zestig. Opbouwwerkers hielden sociale relaties met bewoners van kansarme wijken. Ze werden geacht een genezend en preventief effect te hebben op de kansarme sociale positie van de mensen uit de achterbuurten. Wat dit gemeenschapwerk destijds innovatief maakte was de actieve samenwerking en deelname van de doelgroep zelf. De jeugdwerkers zijn afhankelijk van de vrijwillige deelname van de jongeren.

Wat is het Nederlandse beleid met betrekking tot risicojongeren?

Het beleid is gericht op het socialiseren van risicojongeren en ze wegleiden van het pad naar delinquentie. Recentelijk is het beleid veranderd en is er een verschuiving gemaakt naar een neoliberaal beleid waarbij professionals de burgers moeten leren om meer verantwoordelijkheden te nemen voor zichzelf en voor elkaar en minder afhankelijk te zijn van staatssteun. Dit past binnen het paradigma van de participatiesamenleving waarin de staat burgers aanmoedigt om actiever te worden en verantwoordelijkheden te nemen die voorheen onder de staat vielen, zoals veiligheid, het onderhoud van de openbare ruimte en welzijn.

Wat is de rol van de jeugdwerker in het nieuwe beleid?

Jeugdwerkers worden in het beleid gezien als frontlijnwerkers. Hun activiteiten zijn gericht op buurtniveau en bestaat uit het zichtbaar aanwezig zijn in de buurt, het identificeren van de behoeften van de bevolking, en het vertalen van beleidswaarden zoals zelfafhankelijkheid en integriteit (in de zin van niet-crimineel gedrag). De jeugdwerkers worden verondersteld nauwe relaties te onderhouden met de mensen in de buurt om zo goed geïnformeerd te blijven over hun behoeften en zorgen. Het contact met kwetsbare jongeren om sociale onrust te voorkomen is van algemeen belang, ook al bevordert het niet noodzakelijk de empowerment van deze jongeren.

Waarom kunnen jeugdwerkers worden beschouwd als tussenpersonen?

Jeugdwerkers opereren als tussenpersonen, bemiddelend tussen de sociale beleidsmaatregelen en organisaties aan de ene kant, en de praktijken, behoeften en ambities van de jongeren aan de andere kant. Ze brengen op een actieve manier de verschillende actoren, instellingen en hulpmiddelen samen en vormen daarmee een jeugdwerkvereniging. Ze zijn niet direct vertegenwoordigers van de staat en haar organisaties, noch uitvoerders van jeugdontwikkelingsbeleid, maar personen die gepositioneerd zijn tussen verschillende groepen in de samenleving.

Waarom moeten jeugdwerkers niet als frontlijnwerkers worden beschouwd?

Het beschouwen van jeugdwerkers als frontlijnwerkers wekt de illusie dat zij spelers zijn in een eenrichtingsproces die de belangen en waarden van hun organisaties en de staat moeten opleggen aan de jongeren. Het betreft echter een tweerichtingsproces waarbij de jeugdwerkers en de jongeren tegelijkertijd reageren op elkaars interpretaties en acties. Ze wonen in hetzelfde gebied en beleven dezelfde gebeurtenissen. Hun wederzijdse manier van handelen is een vorm van correspondentie.

Wat is een krachtwijk?

Krachtwijk is een status die door de landelijke en lokale overheid op bepaalde gebieden met relatieve sociaal-economische onderontwikkeling wordt toegepast. Het betreft een probleemwijk die in aanmerking komt voor herstructurering waarin de gemeente meer mogelijkheden heeft om te investeren in de buurt en specifiek beleid kan ontwikkelen dat gericht is op het verbeteren van werkloosheid, opleidingsniveau, gevoelens van onzekerheid en jeugdoverlast. Het is een positievere benaming voor een achterstandswijk of aandachtswijk met de bedoeling om de focus te verleggen van sociaal-economische problemen en tekortkomingen naar de kracht en beschikbare hulpmiddelen van de mensen in die buurt.

Wat is positieve jeugdontwikkeling?

Jongeren worden beschouwd als menselijk kapitaal dat hun vaardigheden en hulpmiddelen moet ontwikkelen. Positieve jeugdontwikkeling beschrijft jongeren als veerkrachtige, productieve burgers. Deze benadering moet jongeren ontmoedigen om op de staat te leunen.

Welke rol speelt gatekeeping in het werk van de jeugdwerkers?

Een gatekeeper is iemand die de informatiestroom controleert en opinies beïnvloedt. Om hun positie als gatekeepers te verzekeren moeten jeugdwerkers de jongeren er van overtuigen dat ze afhankelijk van hun zijn om toegang te krijgen tot bepaalde hulpbronnen. Deze positie wordt uitgedaagd zowel door de jongeren als door andere jeugdwerkers. Het is voor de jeugdwerkers lastig om de informatiestromen te monopoliseren, wat bijdraagt aan hun kwetsbaarheid. Als een jeugdwerker niet in staat is om aan de behoeften van de jongeren te voldoen, kunnen zij op zoek gaan naar andere jeugdwerkers. Als gevolg hiervan moeten jeugdwerkers continu over de verschillende grenzen onderhandelen, met de jongeren en met concurrerende jeugdwerkers.

Welke rol speelt translation in het werk van de jeugdwerkers?

Het verbinden van verschillende groepen impliceert een vertaling tussen verschillende werelden, handelingen en realiteiten. Translation is het leggen van een verbinding tegen de achtergrond van concurrerende belangen of waarden die potentieel onverenigbaar zijn. De jeugdwerkers transformeren, vertalen, vervormen en wijzigen de betekenis van de elementen. Zij richten zich niet op het uitwissen van verschillen, maar benadrukken juist de verschillen.

Wat zijn de kenmerken van de pedagogische relatie tussen de jeugdwerkers en de jongeren?

Jeugdwerkers zien de pedagogische relatie als een middel om positieve jeugdontwikkeling te bewerkstelligen. De relatie is afhankelijk van de vrijwillige deelname van de jongeren. Jeugdwerkers moeten investeren om vertrouwen op te bouwen, en activiteiten aanbieden die passen bij de interesses en behoeftes van de jongeren. Zij zijn daarbij voortdurend in onderhandeling met de jongeren, die ervan overtuigd moeten blijven dat het waardevol voor hen is om contact te houden met de jeugdwerkers. De jongeren zijn vrij om hun invloed uit te oefenen en behouden hun vrijheid. Dit zorgt vaak voor spanningen, aangezien volwassenen de wensen en ambities van jongeren vaak beschouwen als problematisch of aanpassing behoevend.

Wat wordt bedoeld met ´shopping´ en ´hunting´ in jeugdwerk?

Shopping verwijst naar de manieren waarop jongeren zich richten op het vinden van een jeugdwerker die de beste deals kan regelen of de leukste activiteiten kan organiseren. Hunting verwijst naar de praktijken van jongeren wanneer die proberen iets van de organisatie te stelen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Hoe de straat de school binnendringt van El Hadioui - 2008

Artikelsamenvatting bij Hoe de straat de school binnendringt van El Hadioui - 2008

Wat is de pedagogische driehoek?

De pedagogische driehoek bestaat uit de domeinen van de masculiene straatcultuur, de feminiene schoolcultuur en de traditionele thuiscultuur. Het tegelijkertijd gesocialiseerd worden in deze drie culturen kan zowel een trampoline als een gevangenis zijn voor jongeren. Jongeren worden voortdurend geconfronteerd met uiteenlopende en onderling tegenstrijdige rollen.  

Hoe verhouden de masculiene straatcultuur en de feminiene schoolcultuur zich tot elkaar?

Er bestaat een fundamentele mismatch tussen de meer feminiene pedagogiek van de schoolcultuur en de macho-masculiene pedagogiek van de straatcultuur. De twee culturen leren af wat de ander heeft aangeleerd en straffen af wat de ander beloont. De twee domeinen hebben veel dezelfde materialistische doelstellingen (zoals respect, geld), maar er bestaan verschillen in de manieren van het behalen van deze doelstellingen. De schoolcultuur is verbonden met het idee van de individuele emancipatie van de jongere door zelfreflectie, zelfexpressie, zelfstandigheid en zelfontplooiing. Juist in de straatcultuur worden deze uitgangspunten niet gewaardeerd.

Op welke manier bestaat er een mismatch met betrekking tot het dagelijkse besef van tijd tussen de straatcultuur en de schoolcultuur?

Op straat bestaat er een flexibele tijdsdynamiek waar iedereen zijn eigen rooster maakt, terwijl in de schoolcultuur een extern bepaald strikte dagplanning bestaat.

Op welke manier bestaat er een mismatch met betrekking tot mobiliteit tussen de straatcultuur en de schoolcultuur?

De straatcultuur bestaat uit vluchtige handelingen die gecombineerd zijn met een enorme mobiliteit in de eigen wijk. In de schoolcultuur wordt immobiliteit van de studenten gezien als en deugd om het onderwijs beter te kunnen organiseren.

Op welke manier bestaat er een mismatch met betrekking tot algemeen handelen tussen de straatcultuur en de schoolcultuur?

Op straat is gedrag vaak direct en impulsief. Er bestaat een meer hedonistische inslag met het toegeven aan behoeften. In de schoolcultuur wordt directe actie juist afgeleerd. De nadruk ligt daar op het denken, het formuleren van een plan, het rationeel kanaliseren van de eigen emoties, zelfbeheersing en controle. Niet alle behoeften worden daar goedgekeurd en het bevredigen van die behoeften is gebonden aan tijd, ruimte en sociale normen.

Op welke manier bestaat er een mismatch met betrekking tot de definitie van mannelijkheid en vrouwelijkheid tussen de straatcultuur en de schoolcultuur?

Op straat is de echte man een macho die het zich kan veroorloven vrouwen te behandelen als lustobjecten en gebruiksvoorwerpen. Vrouwen dienen deze verticale verhouding waarin ze de masculiene dominantie faciliteren te accepteren. In de schoolcultuur wordt een horizontale verhoudingen aangemoedigd. Het idee van de vrouw als lustobject wordt afgewezen, omdat dit in strijd is met haar zelfbeschikking en waardigheid. Jongens moeten in de schoolcultuur leren argumenteren, presenteren, vergaderen, en in teams werken. Het simpelweg zijn van een man levert in de schoolcultuur geen dominante macht op.

Op welke manier bestaat er een mismatch met betrekking tot intermenselijke verhoudingen tussen de straatcultuur en de schoolcultuur?

In de straatcultuur kan agressie en geweld een normale methode zijn om anderen te disciplineren. Het gaat vaak om het beschermen van de eigen eer en mannelijkheid die gevoelsmatig heel belangrijk zijn in de straatcultuur. In de schoolcultuur wordt men aangemoedigd te communiceren en argumenteren. Respect in de schoolcultuur betekent de ander in zijn waarde laten. Taal speelt hierbij een belangrijke rol. Straattaal is disfunctioneel binnen de schoolcultuur.

Welke drie richtingen worden geïdentificeerd voor de jongeren die deze mismatch ervaren?

  • Jongeren breken met het straatleven en het sociale netwerk dat daaraan verbonden is om beter te presteren in de schoolcultuur. Dit lukt vaak goed, zolang er maar steun en sturing is vanuit de thuiscultuur. Zonder deze huiselijke sturing is het vaak lastig om de sociale, mentale en emotionele integratie in de straatcultuur los te laten.
  • Jongeren weten zich geen houding te geven in de schoolcultuur. Ze raken verveeld, vinden veel activiteiten overbodig, en vertonen overlastgevend gedrag op school.
  • Jongeren verlaten voortijdig de school. Dit doet zich vaak voor bij de overgang van het voortgezet onderwijs naar het middelbaar beroepsonderwijs. De jongeren hebben moeite met deze overgang, zijn verveeld en hebben behoefte aan geld. Ze kiezen dan vaak voor de straatcultuur.

Hoe verhouden de masculiene straatcultuur en de traditionele thuiscultuur zich tot elkaar?

Tussen de straatcultuur en de thuiscultuur bestaan zowel overeenkomsten als tegenstrijdigheden. Vanuit de thuiscultuur krijgen jongeren de waarden van eer, respect, trots, mannelijkheid en vrouwelijkheid mee: de verantwoordelijkheid van mannen en broers om te familie te beschermen en financieel te onderhouden, de verantwoordelijkheid van vrouwen om verzorgend te zijn, en de waarde van het huwelijk en seksuele onthouding, Deze waarden worden in de straatcultuur van een nieuwe inhoud voorzien die is aangepast aan de codes van de straat. Thuis ligt de nadruk vaak op plichten, terwijl op straat de nadruk vaker ligt op rechten.

Op welke manier zorgt de mismatch tussen de straatcultuur en de thuiscultuur voor problemen?

Ouders worden vaak geconfronteerd met de ervaring dat hun kinderen buiten de deur afgeleerd krijgen wat zij hen hebben aangeleerd, en tevens aangeleerd krijgen wat zij hen hebben afgeleerd. Sommige jongeren geven toe aan de verleidingen van de straatcultuur en refereren niet langer naar de sociale normen van de thuiscultuur. Andere jongeren leven parallelle levens waarbij ze zich thuis conformeren aan de traditionele normen terwijl ze zich op straat conformeren aan het hedonistische klimaat van de straatcultuur. Dit leidt tot persoonlijke verwarring en loyaliteitsconflicten.

Hoe verhouden de feminiene schoolcultuur en de traditionele thuiscultuur zich tot elkaar?

De schoolcultuur en de thuiscultuur hebben veel overeenkomsten. In beide domeinen wordt de functionele ontwikkeling van het kind onderschreven, evenals het verwerven van een goede maatschappelijke positie en financiële onafhankelijkheid. De mismatch doet zich voor op het niveau van communicatief handelen. In de schoolcultuur ligt de nadruk op assertiviteit en zelfexpressie, terwijl in de thuiscultuur vaker de nadruk ligt om prudentie en zelfbeheersing waarbij communicatie vaak impliciet is en niet alles hoeft (en hoort) te worden besproken.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Inclusion and Language Learning: Pedagogical Principles for Integrating Students from Marginalized Groups in the Mainstream Classroom van Cummins - 2019

Artikelsamenvatting bij Inclusion and Language Learning: Pedagogical Principles for Integrating Students from Marginalized Groups in the Mainstream Classroom van Cummins - 2019

Wat is inclusie?

Inclusie is het proces van het aanpakken van en reageren op de diversiteit van behoeften van alle kinderen, jongeren en volwassenen door de deelname aan leren, culturen en gemeenschappen te vergroten en uitsluiting binnen en van het onderwijs te verminderen en te elimineren. Het omvat veranderingen en aanpassingen in inhoud, benaderingen, structuren en strategieën, met een gemeenschappelijke visie die alle kinderen van de juiste leeftijdscategorie dekt en de overtuiging dat het de verantwoordelijkheid van het reguliere systeem is om alle kinderen op te voeden.

Wat is sociale marginalisatie?

Sociale marginalisatie is een vorm van acute en aanhoudende achterstand die is geworteld in onderliggende sociale ongelijkheden. Het betreft vaak meisjes en vrouwen, groepen die moeilijk te bereiken zijn (zoals inheemse groepen en etnische minderheden), arme huishoudens, mensen in informele nederzettingen, mensen met een handicap, plattelandsbevolking, nomadische bevolkingsgroepen die zijn getroffen door gewapende conflicten en HIV en aids, en straat- en werkende kinderen.

Hoe kan een inclusieve onderwijsaanpak bijdragen aan een oplossing voor leerlingen die het slachtoffer zijn van sociale marginalisatie?

Leerlingen die slachtoffer zijn van sociale marginalisatie krijgen vaak ook nog eens het slechte onderwijs: de krijgen les van slecht opgeleide leraren, soms in een taal die ze niet begrijpen, en leerboeken zijn vaak niet beschikbaar of bevatten materiaal dat negatieve stereotypen uitbeeldt. Overheden kunnen deze problemen aanpakken door een stimulerende leeromgeving te creëren, te beginnen met het aanmoedigen van bekwame leraren om in gemarginaliseerde gebieden te werken. Ondersteuning van intercultureel en tweetalig onderwijs kan de prestaties van kansarme etnische minderheden versterken.

Hoe ziet de ongelijkheid van onderwijsresultaten onder studenten met een migratieachtergrond er uit?

Drie mogelijke bronnen van onderwijsachterstand kenmerken de sociale situatie van veel gemeenschappen met een migratieachtergrond:

  • Het gebruik van verschillende taal thuis en op school, waardoor studenten de academische inhoud via een tweede taal moeten leren.
  • Lage sociaal-economische status geassocieerd met een laag gezinsinkomen en/of een laag niveau van ouderlijk onderwijs.
  • Gemarginaliseerde groepsstatus als gevolg van sociale discriminatie en racisme in de samenleving als geheel.

Er kunnen één of meerdere risicofactoren tegelijkertijd actief zijn. Hoewel deze drie sociale omstandigheden risicofactoren vormen voor het academische succes van leerlingen, worden ze pas gerealiseerd als onderwijsachterstand wanneer de school niet adequaat reageert of de negatieve impact van de bredere sociale factoren versterkt.

Hoe beïnvloedt residentiële segregatie de patronen van schoolprestaties?

Onderzoek heeft aangetoond dat het effect van de economische, sociale en culturele status van de school op de prestaties van leerlingen veel sterker is dan de effecten van de sociaal-economische achtergrond van de individuele leerling. Wanneer leerlingen met een lage sociaal-economische achtergrond naar scholen gaan met een sociaal-economische bevoordeelde instroom, presteren ze vaak significant beter dan wanneer ze naar scholen gaan met een sociaal-economische achtergestelde instroom. Dit verschil tussen de sociaal-economische status van individuele studenten en de collectieve sociaal-economische status van studenten binnen bepaalde scholen benadrukt het effect van residentiële segregatie op patronen van schoolprestaties.

Hoe kan het verhogen van de leesbetrokkenheid de schoolprestaties van sociaal gemarginaliseerde leerlingen verhogen?

Onderzoek toont aan dat het niveau van de leesbetrokkenheid van een leerling een betere voorspeller is leerprestaties dan de sociaal-economische status van de leerling. Ongeveer een derde van het verband tussen leesprestaties en de sociaal-economische status van leerlingen werd gemedieerd door leesbetrokkenheid. Scholen kunnen een groot deel van de negatieve effecten van sociaal-economische achterstand terugdringen door ervoor te zorgen dat leerlingen toegang hebben tot een rijke printomgeving en actief betrokken raken bij alfabetisering. Dit wordt ondersteund door wetenschappelijke gegevens die aantonen dat veel leerlingen met een lage sociaal-economische status beperkte toegang hebben tot afdrukken in hun huizen, wijken en scholen.

Wat is de invloed van het spreken van een andere taal thuis dan op school op de schoolprestaties?

Het argument dat het gebruik van een andere taal thuis een direct negatief effect heeft op de schoolprestaties wordt weerlegd door het academische succes van grote aantallen tweetalige en meertalige studenten in landen over de hele wereld. De taal die thuis wordt gesproken heeft geen onafhankelijk effect op de schoolprestaties, maar is eerder een indicatie voor variabelen zoals sociaal-economische status en verblijfsduur in het gastland. Wel duurt het vaak langer voor immigrantenstudenten om hun moedertaalsprekende leeftijdsgenoten in de academische taal in te halen, omdat academische taal heel anders is dan de taal die we gebruiken in alledaagse conversatiecontexten. Academische taal wordt gekenmerkt door woorden en grammaticale uitdrukkingen die zelden worden gebruikt in face-to-face conversaties.

Wat kunnen scholen doen om leerlingen die thuis een andere taal spreken tegemoet te komen?

Ten eerste, in contexten waar tweetalig onderwijs haalbaar is, is het een legitieme en in veel gevallen haalbare optie voor het onderwijzen van immigranten- en minderheidstaalstudenten. Ten tweede, in gevallen waar tweetalig onderwijs niet haalbaar is, kan instructie waarbij het meertalige repertoire van studenten wordt betrokken een effectief hulpmiddel zijn voor docenten om betekenis te geven aan het materiaal, verbinding te maken met het leven van de studenten, hun identiteit te bevestigen, en het bewustzijn te vergroten van hoe academische taal werkt.

Wat is ´scaffolding´?

Scaffolding verwijst naar tijdelijke, adaptieve hulp door de docent, aangepast aan het niveau van de leerlingen. Met betrekking tot taal verwijst het naar het aanmoedigen van de leerlingen om hun moedertaal als cognitief hulpmiddel te gebruiken. Het omvat strategieën zoals het gebruik van visuals en concrete ervaringen en demonstraties om het begrip te vergroten. Leerlingen kunnen ook worden aangemoedigd om eerst in hun moedertaal te antwoorden en daarna worden geholpen met het vertalen van het antwoord naar de schooltaal. Deze ondersteuning kan geleidelijk worden afgebouwd naarmate de leerling meer ervaring opdoet.  

Hoe beïnvloedt een lage sociaal-economische status de schoolprestaties?

De twee belangrijkste bronnen van potentiële achterstand zijn de beperkte toegang tot print die veel leerlingen met een lage sociaal-economische status thuis, in hun buurt en op school ervaren, en het beperktere aanbod van taalinteractie die kinderen in sommige gezinnen met een lage sociaal-economische status kunnen ervaren.

Hoe kunnen scholen reageren op leerlingen met een lage sociaal-economisch achtergrond?

Ondanks de sterke algemene relatie tussen sociaal-economische status en academische prestaties, slagen sommige landen er in zowel gelijkheid (lage sociaal-economische status studenten presteren relatief goed) als excellentie (algemene prestaties zijn sterk) te bevorderen. Scholen moeten kwalitatief hoog onderwijs aanbieden aan alle studenten, ongeacht hun eigen achtergrond of de school die ze bezoeken. Scholen moeten de leerlingen een printrijke omgeving aanbieden om de betrokkenheid van geletterdheid in het hele curriculum te bevorderen. Ook moeten ze zich op een duurzame manier concentreren op hoe academisch taalgebruik werkt en leerlingen in staat stellen om deze correct te gebruiken door het te gebruiken voor krachtige, identiteitsbevestigende doeleinden.

Wat is stereotype dreiging?

Stereotype dreiging verwijst naar de verslechtering van de individuele taakuitvoering in contexten waarin negatieve stereotypen over hun sociale groep aan hen worden gecommuniceerd. Ondanks toenemend bewijs van de voordelen van tweetaligheid voor de cognitieve en academische groei van studenten en hun toekomstig economisch succes, blijven veel scholen hun studenten verbieden hun moedertaal binnen de school te gebruiken. Hierbij wordt de inferieure status van hun thuistaal aan hun meegedeeld en de identiteit van de sprekers gedevalueerd.

Hoe kunnen scholen de negatieve effecten van maatschappelijke machtsverhoudingen die de identiteit van minderheidsgroepen aantasten, tegengaan?

Scholen moeten instructiestrategieën implementeren die leerlingen in staat stellen ´identiteiten van competentie´ te ontwikkelen binnen de schoolcontext. Studenten moeten worden aangemoedigd om academisch bezig te zijn en hun taal te gebruiken om hun identiteit te bevestigen. Scholen kunnen dit doen door:

  • Studenten met een migratieachtergrond en sociaal gemarginaliseerde studenten aan te moedigen om hun moedertaal te gebruiken als een cognitief instrument voor het uitvoeren van academische taken.
  • Het bevorderen van kansen voor studenten om geletterdheid in hun moedertaal te ontwikkelen.
  • Studenten in staat te stellen literair en multimodaal creatief werk in meerdere talen te schrijven en te publiceren, afhankelijk van de context en taalvaardigheid van de studenten.
  • Het implementeren van projecten gericht op het genereren van onderzoek en kennis die studenten aanmoedigen om zowel hun moedertaal als de schooltaak te gebruiken (bijvoorbeeld in samenwerking met een samenwerkende klas op een andere locatie).

Welke instructiestrategieën die zijn ontworpen om inclusie en gelijkheid van onderwijsresultaten te bevorderen worden aangeraden?

  • Scaffolding.
  • Het meertalige repertoire van leerlingen aanmoedigen.
  • Academische taal in het curriculum versterken.
  • Printtoegang en geletterdheid maximaliseren.
  • Schoolinstructies verbinden met de levens van de leerlingen.
  • Identiteiten van leerlingen bevestigen in verband met geletterdheid.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The Myth of Individualism-Collectivism: A Critical Review van Voronov & Singer - 2002

Artikelsamenvatting bij The Myth of Individualism-Collectivism: A Critical Review van Voronov & Singer - 2002

Volgens de psycholoog Geert Hofstede, wat is individualisme en collectivisme?

Individualisme staat voor een samenleving waarin de banden tussen individuen los zijn, en iedereen wordt geacht voor zichzelf en zijn of haar naaste familie te zorgen. Collectivisme staat voor een samenleving waarin mensen vanaf de geboorte worden geïntegreerd in sterke, samenhangende groepen, die gedurende het hele leven mensen blijven beschermen in ruil voor onvoorwaardelijke loyaliteit.

Welke aanvulling maakte de psycholoog Triandis op de dimensies van individualisme-collectivisme (I-C)?

De eerste wijziging die hij maakte aan deze indeling was het vervangen van individualisme en collectivisme voor idiocentrisme en allocentrisme respectievelijk. Daarna maakte hij een nieuwe onderdeling van verticaal en horizontaal individualisme en verticaal en horizontaal collectivisme. Horizontaal individualisme-collectivisme benadrukt gelijkheid, terwijl verticaal individualisme-collectivisme hiërarchie benadrukt. Hierdoor maakte hij het mogelijk niet alleen te kijken naar het onderscheid tussen de landen op de dimensie van I-C, maar ook om verschillende individualistische/collectivistische samenlevingen ten opzichte van elkaar te vergelijken.

Waarom handelen collectivisten individualistisch?

Individuen kunnen hun eigenbelang tijdelijk opofferen voor een groep, zolang ze op de lange termijn beloningen van de groep kunnen verwachten. De verwachting van straf kan een persoon motiveren om persoonlijke doelen voor die van de groep te laten gaan. Collectivisme tussen individuen gaat gepaard met de neiging om positieve of negatieve resultaten te verwachten uit de interacties met anderen. Een andere reden waarom mensen uit collectivistische maatschappijen individualistisch handelen is dat collectivisme niet verklaard kan worden in termen van een fundamenteel andere cognitieve organisatie van de zelf, maar omdat het voordelig is voor de zelf op de lange termijn.

Welke tekortkomingen heeft de individualisme-collectivisme indeling?

Onderzoek laat verschillende resultaten zien met betrekking tot de mate waarin een land individualistisch of collectivistisch is. Daarnaast bestaan er ook verschillen binnen het land, bijvoorbeeld zeer individualistische personen in een collectivistische maatschappij. Veel maatschappijen zijn niet duidelijk individualistisch of collectivistisch, maar meer een synthese van waarden uit beide categorieën.

Welke methodologische tekortkomingen heeft het Hofstede Project?

Hofstede´s indeling blijft een belangrijke bron om te bepalen waar op het continuüm een land zich bevindt, maar nader onderzoek naar zijn project legt grote methodologische tekortkomingen bloot:

  • Het eerste probleem betreft de differentiële representativiteit van de steekproeven van de landen (de steekproef bestond uit werknemers van een multinationale hightech-onderneming).
  • Het tweede probleem betreft de operationalisering van de constructen van individualisme-collectivisme (maar zes items in totaal die niet veel te doen hebben met de algemene definities van individualisme en collectivisme).
  • Ten derde zijn de resultaten afhankelijk van factor analyse, maar factor analyse kan een vertekend beeld geven. Factor analyse laat zien welke items bij elkaar horen, maar tonen geen constructvaliditeit aan.
  • Tot slot verklaarde de nationale rijkdom van het land een groot deel (67%) van de variatie in individualisme-collectivisme.

Op welke manier wordt de individualisme-collectivisme indeling soms incorrect gebruikt?

De I-C indeling is vaak in verband gebracht met een groot aantal gedragingen en persoonlijkheidskenmerken. In veel gevallen werden de relaties veronderstelt en niet wetenschappelijk gemeten. Ook zijn alternatieve verklaringen soms niet onderzocht en uitgesloten. Veel interpretaties van verschillen in I-C kunnen worden verklaard door demografische variabelen, zoals opleiding, type baan, en stedelijke versus landelijke omgeving. Al zouden de assumpties en resultaten toendertijd correct zijn, de snelle veranderingen die de meeste samenlevingen in de laatste decennia hebben doorgemaakt (zoals industrialisatie, interacties met andere samenlevingen, technologie vooruitgang) hebben er voor gezorgd dat die resultaten nu verouderd zijn.

Waarom moet collectivisme niet verward worden met altruïsme?

Mensen uit zogenaamde collectivistische samenlevingen lijken weinig zorg of aandacht te besteden aan mensen die niet tot de in-group behoren. Maar hoe mensen omgaan met out-groupleden is geen expressie van collectivisme. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen relationele oriëntatie en collectieve oriëntatie. De nadruk in collectivistische maatschappijen ligt op relaties, in plaats van op collectieve belangen. Loyaliteit gebaseerd op persoonlijke relaties binnen het collectief zijn vaak in tegenspraak met de grotere belangen van het collectief. De collectivisme-index van een samenleving heeft niets te maken met de mate waarin loyaliteiten verder reiken dan de directe in-group.

Wat is de ´self-construal´ theorie?

Self-construal  kan gedefinieerd worden als de manier waarop men zichzelf identificeert, de onderlinge relaties die iemand heeft en de manier waarop men zichzelf in relatie tot anderen ziet. In individualistische culturen identificeert men zich aan de hand van zijn of haar eigen karakteristieken en vinden deze personen het moeilijker om zichzelf met anderen te identificeren. Dit wordt ´independent self-construal´ genoemd. Mensen die zich aan de hand van de sociale relaties in hun omgeving identificeren worden voornamelijk gevonden in collectivistische culturen. Dit wordt ´interdependence self-construal´ genoemd.

Waarom is de self-construal theorie een effectieve illustratie van de verkeerde conclusies die kunnen voortvloeien uit het aannemen van de I-C indeling?

De theorie van self-construal bouwt voort op de individualisme-collectivisme onderscheiding. Er wordt aangenomen dat mensen uit individualistische samenlevingen hogere independent self-construal vertonen en dat mensen uit collectivistische samenlevingen hogere interdependent self-construal. Echter, de self-construal theorie is gebaseerd op de aanname van transnationale verschillen in individualisme-collectivisme, terwijl er geen empirische basis bestaat voor deze assumptie. Vervolgens is de self-construal theorie gebruikt als basis voor vele andere onderzoeken.

Waarom kan de individualisme-collectivisme indeling beschouwd worden als een afhankelijke variabele?

Het bestaan van een echt psychologisch individualisme of collectivisme op zich is twijfelachtig. Het is waarschijnlijker dat in bepaalde samenlevingen collectivistisch gedrag consequenter adaptief is, wat resulteert in collectivistische gedragspatronen die soms verkeerd worden geïnterpreteerd als psychologische eigenschappen. Hetzelfde is van toepassing op individualistisch gedrag. Dit individualistische/collectivistische gedrag wordt beïnvloed door allerlei verschillende factoren.

Wat is de ´theory of trust´?

De basis van deze theorie is de institutionele kijk op cultuur. Mensen dragen bij aan de in-group omdat het hun eigen langetermijndoelen bevordert. Het vermeende collectivistische gedrag is gerelateerd aan de maatschappelijke structuur en aan het niveau van algemeen vertrouwen (het geloof in de goedheid van mensen) dat een dergelijke structuur bevordert. De theorie maakt onderscheid tussen collectivistische en universalistische maatschappijen.

  • In collectivistische maatschappijen zijn relaties meestal stabiel en permanent. Alternatieve relaties zijn vrijwel niet beschikbaar. Mensen zijn wantrouwend tegenover vreemden en leren dat ze alleen de in-group mogen vertrouwen. Ze verwachten een voorkeursbehandeling van de in-group, maar niet van buitenstaanders.
  • In universalistische maatschappijen verspreid vertrouwen zich wel buiten de in-group. Relaties worden niet als stabiel of permanent beschouwd en met kan alternatieve relaties opzoeken. 

Hoe houden collectivistische en universalistische maatschappijen hun eigen karakter in stand?

Het gesloten karakter van collectivistische maatschappijen bevordert een laag niveau van algemeen vertrouwen. Het lage algemene vertrouwen versterkt de gesloten relaties die deze samenlevingen kenmerken. Wanneer de meeste relaties gesloten zijn voor buitenstaanders, is het in het eigen belang van de leden om andere leden van de in-group niet uit te buiten voor winst op de korte termijn, omdat het moeilijk is om alternatieve relaties te vinden als de relaties in de in-group verloren gaan. Ook universalistische maatschappijen houden zichzelf in stand. In universalistische samenlevingen is het adaptief voor individuen om een hoog niveau van algemeen vertrouwen te hebben. Deze individuen hebben grotere gevoeligheid voor de mate van betrouwbaarheid van anderen en komen minder snel in toegewijde relaties met onbetrouwbare partners terecht.

Hoe kunnen ecologische variabelen het ontstaan van collectivistische en universalistische maatschappijen verklaren?

Een theorie is dat de mensen die in de berger leefden op zichzelf aangewezen waren. Zij kwamen weinig in contact met buitenstaanders en hadden een hoge mate van wantrouwen met betrekking tot buitenstaanders. Zij ontwikkelden gedragspatronen die nu als kenmerkend worden beschouwd voor collectivistische maatschappijen. Kooplui daarentegen bevonden zich in een omgeving waarin het beoordelen van de betrouwbaarheid van de interactiepartner noodzakelijk was om te overleven. Zij ontwikkelden gedragspatronen die nu als kenmerkend worden beschouwd voor universalistische maatschappijen. Het algemene idee is dat, afhankelijk van het niveau van vertrouwen, een maatschappij relatief open of gesloten wordt.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Using a Group-Centered Approach to Observe Interactions in Early Childhood Education van Schaik e.a. - 2018

Artikelsamenvatting bij Using a Group-Centered Approach to Observe Interactions in Early Childhood Education van Schaik e.a. - 2018

Waar gaat het artikel van Schaik et al. over?

Onderzoek heeft aangetoond dat hoge kwaliteit educatie en zorg in de vroege kindertijd (early childhood education and care; ECEC) de sociale en cognitieve vaardigheden van kinderen stimuleert. Kwaliteit wordt in deze onderzoeken vaak gedefinieerd op basis van de factoren van ECEC die positief gerelateerd zijn aan ontwikkelingsuitkomsten. Dit kunnen structurele factoren zijn, zoals de kinder-leraar ratio, groepsgrootte, fysieke omgeving en de lerarenopleidingen. Ook kunnen het proces-gerelateerde factoren zijn, zoals leraar-kind interacties en de dagelijkse ervaringen van de kinderen. Proces-gerelateerde factoren zijn van hoge kwaliteit wanneer de leraren zich warm, ondersteunend en sensitief gedragen tegenover de kinderen. Echter is er een gat in onderzoek. Veel onderzoek houdt er geen rekening mee dat leraren vaak meer dan één kind lesgeven. Ook wordt er vaak geen rekening mee gehouden dat kinderen onderdeel zijn van een groep met leeftijdsgenoten. Dit heeft ook veel invloed op de kinderen: doordat zij onderdeel zijn van een groep leren zij om sociale en cognitieve vaardigheden te ontwikkelen. Uit onderzoek blijkt dan ook dat spelen en samenwerken met leeftijdsgenoten positief gerelateerd is aan de cognitieve en sociale competentie van kinderen.

In deze studie wordt onderzocht of het toevoegen van een groepsperspectief aan de bestaande kwalitatieve instrumenten een toegevoegde waarde zou hebben. Er wordt onderzocht in welke mate leraren groepsprocessen steunen en hoe deze steun, vergeleken met standaard kwalitatieve metingen, gerelateerd is aan het pro sociale en collaboratieve gedrag van kinderen. Om dit te onderzoeken zijn er nieuwe instrumenten ontwikkeld die gebaseerd zijn op observatie van leraren en hoe zij groepsprocessen steunen. De psychometrische kwaliteiten van deze nieuwe instrumenten worden ook besproken.

Veel vorig onderzoek heeft dus geen rekening gehouden met het feit dat kinderen vaak onderdeel zijn van een groep. Onderzoek heeft echter wel aangetoond dat grote groepen en hoge kinderen-tot-volwassenen ratio gerelateerd zijn aan stress en een verminderd welzijn. Ook voorspelt het sociale en gedragsproblemen op latere leeftijd. Er zijn echter ook studies die hebben aangetoond dat onderdeel zijn van een groep met leeftijdsgenoten positief gerelateerd is aan kinderen hun cognitieve en sociale vaardigheden. Ook is er bewijs voor dat leeftijdsgenoten invloed kunnen hebben op kinderen hun academische ontwikkeling; zo blijkt het dat wanneer kinderen in een klas zitten met andere, meer vaardige leeftijdsgenoten, dat zij hier ook van profiteren. Ook de kwaliteit van interacties is belangrijk: wanneer kinderen positieve interacties met hun leeftijdsgenoten hebben, is dit gerelateerd aan sociale en cognitieve ontwikkeling. Negatieve interacties daarentegen zijn geassocieerd met lagere welzijn in kinderen. Het blijkt ook zo te zijn dat jongere kinderen anders reageren op een groep dan oudere kinderen. Zo is het voor jongere kinderen belangrijk om tot hun 2,5 levensjaar op te groeien in kleine groepen en zijn grote groepen voor hen vooral stressvol. Oudere kinderen blijken er juist meer baat bij te hebben om in grotere groepen te interacteren met anderen.

Weinig studies hebben dus de rol van de leraren onderzocht: wat is hun invloed op de interacties van kinderen binnen een groep? Uit onderzoek blijkt dat leraren verschillende strategieën kunnen toepassen om positieve interacties met groepsgenoten te stimuleren, zoals sociale scaffolding, het bespreken van gevoelens, en kleuters stimuleren om bij de groep te horen. Andere studies die dit hebben onderzocht tonen aan dat het stimuleren van contact tussen kinderen positief gerelateerd is aan interacties die zij met leeftijdsgenoten hebben in ECEC-klassen.

Wat wordt er bedoeld met kwaliteit van ECEC?

Veel bestaande instrumenten richten zich dus op leraar-kind interacties en niet op leraar-groep interacties. Vaak worden observationele instrumenten gebruikt, waarvan de Early Childhood Environment Rating System-Revisited edition (ECERS-R) de meest gebruikte is. Deze richt zich op de globale kwaliteit van de omgeving in de vroege kindertijd en niet zozeer op de kwaliteit van leraar-kind relaties, interacties, of leraar-groep interacties. Een ander instrument om proces kwaliteit te meten is de Classroom Assessment Scoring System (CLASS). De CLASS voor kleuters richt zich op de kwaliteit van processen in ECEC-klaslokalen bij kinderen tot en met 5 jaar. Het richt zich op emotionele steun en steun bij het leren. Volgens de CLASS voor kleuters is hoge emotionele kwaliteit gebaseerd op een positief klimaat binnen de klas. Hierbij is er weinig sprake van negatieve interacties. Ook is het belangrijk dat de leraar aandacht toont voor verschillende kinderen en hun perspectieven. Een hoge mate van steun wordt gezien als het bieden van steun voor individueel leren in kinderen, het bieden van feedback, en het modelleren van gedrag (zoals spreken). Ook bij de CLASS is er geen sprake van een focus op leraar-groep interacties, met uitzondering van één item dat ‘positief klimaat’ meet. Echter hoeft er volgens de CLASS geen sprake te zijn van positieve interacties tussen de kinderen om een positief klimaat te hebben.

Twee andere instrumenten die zich meer richten op hoe leraren kinderen steunen bij het aangaan van relaties met leeftijdsgenoten en bij het behalen van positieve interacties zijn de Modified Observational Ratings of the Caregiving Environment (M-ORCE) en de Caregiver Interactions Profile (CIP). Echter is er in geen van beide schalen sprake van observatie van de gedragingen van leraren die invloed kunnen hebben op groepsprocessen. De meest gebruikte en standaard schalen die er nu bestaan missen dus een groepsperspectief!

Wat wordt er bedoeld met een groepsgerichte benadering?

Onderzoek in niet-westerse landen, zoals in Afrikaanse culturen, waarin groepen vaak relatief belangrijk zijn, toont aan dat kinderen vroeg wordt geleerd hoe zij voor anderen moeten zorgen en wat sociaal verantwoord gedrag is. Andere studies die zich hebben gericht op de gehechtheid van kinderen met hun leraren en hun leeftijdsgenoten gebaseerd is op hoe de leraar omgaat met de groep. Daarnaast suggereert onderzoek dat, om kinderen hun sociale ontwikkeling te stimuleren, leraren het beste kinderen kunnen opdelen in groepen waarin prosociaal gedrag en onderlinge afhankelijkheid tussen kinderen wordt gestimuleerd. Daarnaast is het ook belangrijk om kinderen hun groepsgevoel te stimuleren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat het gevoel van onderdeel zijn van een groep gerelateerd is aan motivatie en leren in kinderen van 4 jaar oud.

Wat is er bekend over collaboratief spelen in kinderen?

Onderzoek toont aan dat hele jongen kinderen zoals kleuters al elkaar observeren en met elkaar spelen. De complexiteit van dit gedrag wordt wel steeds hoger naarmate de kinderen ouder worden. Ook leren kinderen om elkaar te helpen en te delen met elkaar naarmate zij ouder worden. Kleuters construeren bijvoorbeeld hun kennis door met elkaar te discussiëren over ideeën, regels, speelgedrag en door het oplossen van socio-cognitieve conflicten. Deze aspecten van collaboratief spelen zijn positief gerelateerd tot latere sociale, cognitieve en academische ontwikkeling. Kenmerken die gerelateerd zijn aan de mate waarin kinderen collaboratief spelen zijn kinderen hun leeftijd en hun ontwikkelingsfase. Zo hebben oudere kinderen meer ervaring met samen spelen en hebben zij een hogere sociale competentie vergeleken met jongere kinderen. Ook gebruiken zij meer ontwikkelde taal. De relaties tussen sociale competentie, cognitief vermogen, en collaboratief spelen worden steeds vaker erkend. Het blijkt namelijk dat specifiek voor jonge kinderen, vroege vocabulaire en aandachts-gerelateerde vaardigheden van invloed zijn op hun cognitief en sociaal functioneren in de klas. Het is echter niet geheel duidelijk in welke mate collaboratief spelen invloed heeft op sociale competentie en cognitief vermogen of andersom. Wanneer onderzoekers deze relatie onderzoeken, is het belangrijk dat zij de voorspellers van collaboratief spelen in kinderen meenemen.

Instrumenten die zijn ontwikkeld om interacties met leeftijdsgenoten te meten zijn bijvoorbeeld de Penn Interactive Peer Play Scale (PIPPS), de Howes Peer Play Scale, en de Social Pretend Play Scale. De PIPPS richt zich vooral op interacties tijdens spelen en niet echt op collaboratief spelen. De twee andere schalen richten zich op de complexiteit van speelgedrag. In de huidige studie was het doel om de mate van collaboratief spelen bij kinderen van 2-4 jaar te meten tijdens ‘doen alsof’ spellen en constructieve spellen. Het instrument richtte zich op kinderen hun verbale en non-verbale acties en op kinderen hun sociale bewustzijn.

Dit onderzoek richtte zich op twee vragen:

  1. Is de mate van steun vanuit de leraar een aspect die invloed heeft op de kwaliteit van klassen en is dit anders, maar wel gerelateerd aan bestaande instrumenten?
  2. In welke mate zijn verschillende aspecten van kwaliteit, zoals de mate van steun van leraren voor groepsprocessen gerelateerd aan collaboratief spelen, wanneer men controleert voor kinderen hun leeftijd, hun cognitief vermogen, sociale competentie en klaslokaal karakteristieken zoals groepsgrootte en culturele compositie binnen de groep?

Er werd verwacht dat wanneer leraren groepsprocessen steunen, dit positief gerelateerd zou zijn aan een algehele klaslokaal kwaliteit en dat dit anders zou zijn dan hoe bestaande instrumenten dit meten. Daarnaast werd er verwacht dat, controlerend voor de effecten van leeftijd, sociale competentie, cognitief vermogen en algehele klaslokaal kwaliteit, steun vanuit leraren een gedeelte van variantie binnen collaboratief spelen bij kinderen zou verklaren.

Hoe zag deze studie eruit?

Methoden

De leraren en kinderen die meededen aan deze studie deden mee aan een satellietproject van de Nederlandse cohortstudie genaamd pre-COOL. De pre-COOL ging over de effecten van ECEC op de ontwikkeling van kinderen in Nederland. Dit is een observationele studie van leraren en kinderen binnen pre-COOL. In totaal deden 289 ECEC klaslokalen mee. Hierin waren 1819 kinderen. 87 centra waren geselecteerd om zo een gebalanceerde mix van landelijke en stedelijke gebieden te hebben. Van de 87 centra reageerden 44 centra met 65 klaslokalen. In twee van deze klaslokalen wilden de ouders niet dat er video opnames zouden worden gemaakt. In de andere 63 klaslokalen gaven de ouders wel toestemming. Voor de analyses werd gebruikt gemaakt van de klaslokalen waarin ten minste drie kinderen mee hadden gedaan met de eerste wave van de pre-COOL. De data werden verzameld van Juni 2011 tot Februari 2012. Uiteindelijk waren er 120 focus kinderen in 37 klaslokalen. Van deze klaslokalen waren er 18 die een halve-dag opvang boden en de andere 29 klaslokalen boden volledige dagopvang. Van de 37 leraren waren er 11 die een niet-Nederlandse achtergrond hadden. Zo waren er vijf Turkse of Marokkaanse leraren, vier Surinaamse en Antilliaanse leraren, en twee leraren die een Oost-Europese achtergrond hadden. De klaslokalen verschilden in de mate van culturele diversiteit: 17 van de klaslokalen bestonden voor 45% uit Nederlandse kinderen. Twaalf klaslokalen bestonden voor 32% uit kinderen met een niet-Nederlandse achtergrond. De andere 8 klaslokalen bestonden voor 40-70% uit kinderen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond.

De uiteindelijke steekproef bestond uit 65 jongens en 55 meisjes met een leeftijd tussen de 28 en 45 maanden. 47 van deze kinderen had een niet-Westerse migratieachtergrond.

Procedure

De klaslokalen werden twee keer in de ochtend bezocht binnen 2 weken. Tijdens deze bezoeken maakten de onderzoeksassistenten videopnames in vier verschillende situaties, zoals tijdens lunchtijd, vrije speeltijd en twee geleide speelsituaties waarin er sprake was van constructie en ‘doen alsof’. De onderzoekers hadden ook speelgoed bij zich en gaven de leraren instructies. Hen werd gevraagd om ten minste alle pre-COOL kinderen in de klas te includeren en om met hen te spelen zoals zij altijd al deden. Verder waren er geen instructies. Leraren speelden uiteindelijk met kinderen in groepen van twee tot neen kinderen. Het doen alsof spel bestond uit een set van keukenmaterialen en het constructie spel bestond uit een set van houten treinrekken en accessoires.

Metingen

De video opnames werden gebruikt om het gedrag van de leraren en de kinderen te observeren en te beoordelen. De beelden waren 12 tot 15 minuten lang. De gedragingen van de kinderen en de leraren werden beoordeeld door verschillende onderzoeksassistenten. Ook werd ervoor gezorgd dat geen enkele onderzoeksassistent hetzelfde kind of leraar meerdere keren zou beoordelen.

De CLASS voor kleuters werd gebruikt om het algehele proces in het klaslokaal te beoordelen. Een nieuw ontwikkeld instrument werd gebruikt om de strategieën van leraren om groepsprocessen te steunen te meten. De CLASS voor kleuters wordt gebruikt om de kwaliteit in twee domeinen te beoordelen: emotionele en gedragsmatige steun en steun bij leren. Deze domeinen werden op een 7 puntsschaal beoordeeld, van laag (1 of 2), gemiddeld (4) naar hoog (6 of 7). Het domein van emotionele en gedragsmatige steun werd beoordeeld op vijf dimensies: positief klimaat, negatief klimaat, begrip voor het perspectief van het kind, het leiden van gedrag en leraar gevoeligheid. Steun bij leren werd beoordeeld op drie dimensies: facilitering van leren en ontwikkelen, de kwaliteit van feedback en taalmodellering. Om de mate van steun van leraren bij groepsprocessen te meten werd er gebruik gemaakt van een 5-punts Likertschaal. Deze schaal bestond uit vijf indiciatoren: steun vanuit de organisatie voor groepsprocessen, de mate waarin de leraar groepsprocessen faciliteert, de gevoeligheid van de leraar, steun voor collaboratie en steun voor prosociaal gedrag. Een hoge score op deze schaal geeft aan dat de leraar groepsactiviteiten organiseert en een gemeenschappelijk doel creëert voor de groep. Ook is de leraar gevoelig voor de groep als geheel, benadrukt hij of zij het groepsgevoel en probeert hij of zij zoveel mogelijk leerlingen te betrekken. Ook zorgt de leraar ervoor dat kinderen zich bewust worden van de acties van andere kinderen, steunt hij of zij positieve interacties en modelleert en beloont hij of zij prosociaal gedrag en gemeenschappelijk spel tussen de kinderen. Een lage score op deze schaal toont aan dat de leraar geen groepsactiviteiten organiseert. Daarnaast reageert de leraar niet op kinderen die zich terugtrekken uit de groep. Het kan wel zo zijn dat de leraar gevoelig is voor de individuen, maar niet voor de groep als een geheel. Daarnaast is er vrijwel geen steun voor interacties, prosociaal gedrag en gemeenschappelijk spelen.

Kind-gerelateerde metingen

Er was een 5-punts Likertschaal om collaboratief spelen in kinderen te meten. Deze schaal heet het Child collaborative play. Het bestond uit drie indicatoren met scores van laag (1) tot hoog (5). Deze indicatoren waren collaboratie, prosociaal gedrag en gemeenschappelijk spelen. Het cognitief vermogen van kinderen bestond uit een composiet score van receptieve vocabulaire en aandachts-gerelateerde vaardigheden. Receptieve vocabulaire werd gemeten door middel van de Peabody Picture Vocabulary Test. Kinderen moesten wijzen naar één van vier verschillende foto’s die pasten bij de woorden die zij hoorden. Aandachts-gerelateerde vaardigheden werden gemeten met een nieuwontwikkelde visuele zoektaak. Hierin kregen kinderen 48 plaatjes te zien van olifanten, beren en ezels in dezelfde grootte en dezelfde kleur. Zij moesten zoveel mogelijk targets (de olifanten) binnen een groep afleiders (de ezels) zien te vinden. Sociale competentie werd gemeten door middel van beoordelingen van leraren op zeven items in de Brief Infant-Toddler Social and Emotional Assessment Competence scale. Voorbeelden van items zijn: “Het kind kan goed regels opvolgen”, en “Het kind zoekt jouw steun wanneer hij of zij verdrietig is”.

Wat kan er worden geconcludeerd over het toevoegen van een groepsperspectief aan de ECEC?

In deze studie werd er dus onderzocht of er het toevoegen van een groepsperspectief een toegevoegde waarde zou hebben bij de definitie en meting van proces kwaliteit van ECEC. Er werden twee instrumenten ontwikkeld die de mate van steun van leraren voor groepsprocessen en collaboratief spelen in kinderen maten. Deze instrumenten moeten nog wel gevalideerd worden, maar dit onderzoek toont aan dat er voldoende inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, interne consistentie, en convergente en discriminerende validiteit is. De resultaten tonen aan dat, als toevoeging op bestaande instrumenten van klaslokaal kwaliteit, de mate van steun van leraren een belangrijk aspect is bij het beoordelen van de ECEC-kwaliteit. Steun vanuit leraren voor groepsprocessen is positief gerelateerd aan emotionele en gedragsmatige steun. Het nieuwe instrument verschilt van bestaande instrumenten doordat het zich specifiek richt op de vaardigheden van de leraar met betrekking tot organisatie en het sturen van groepsgedrag kinderen. De leraren in deze studie vertoonden over het algemeen lage-tot-matige steun voor groepsprocessen.

Wat kan er worden geconcludeerd over de relatie tussen emotionele en gedragsmatige steun en collaboratief speelgedrag?

In deze studie werd er echter geen relatie gevonden tussen de mate van emotionele en gedragsmatige steun van kinderen en hun collaboratief speelgedrag. Dit komt mogelijk doordat de CLASS niet gebruikt wordt om de steun van leraren voor interacties tussen kinderen of hun collaboratie te meten. Dit betekent dat men klaslokalen waarin kinderen alleen spelen maar wel heel blij zijn, als emotioneel ondersteunend kunnen beoordelen. Een andere bevinding is dat er een negatieve relatie werd gemeten tussen het CLASS domein voor steun bij leren en collaboratief spelen in kinderen. Dit komt waarschijnlijk doordat steun van leraren bij leren ook gaat over leren waarbij er geen sprake is van interactie tussen kinderen.

Daarnaast bleek dat er maar 10% van de variantie in collaboratief spelen bij kinderen verklaard kon worden op het niveau van het klaslokaal. Dit heeft een aantal verklaringen.

  • Ten eerste is het zo dat er een beperkte variantie was binnen kinderen hun collaboratief spelen. In vergelijking met andere studies was er bij deze studie weinig sprake van collaboratief spelen bij kinderen. Er waren maar een paar kinderen die een hoog niveau van collaboratief spelen vertoonden.
  • Verder was de schaal die werd gebruikt om collaboratief spelen te meten, gebaseerd op kinderen van 2-4 jaar oud. De kinderen in deze studie waren misschien dus te jong hiervoor. Er was ook weinig variantie in de mate van steun die leraren boden voor groepsprocessen. De meeste leraren scoorden vrij laag hierop en er is dus ruimte voor verbetering en het potentiële effect van het steunen van groepsprocessen kan worden vergroot wanneer leraren beter leren om groepsprocessen te steunen. Kinderen hun sociale competentie was ook niet gerelateerd aan de mate van collaboratief spelen. Dit komt waarschijnlijk doordat beide meetinstrumenten verschillende aspecten van kinderen hun sociale gedrag meten.
  • Daarnaast werd het niet duidelijk wat de invloed van de groepsgrootte op de kwaliteit van ECEC is. Er werd in deze studie namelijk geen relatie gevonden tussen de groepsgrootte of culturele compositie van kinderen binnen collaboratief spelen.
  • Ook werd deze studie uitgevoerd in ECEC-klaslokalen in Nederland, waar de kwaliteit van ECEC matig tot hoog is op het emotionele domein en laag tot matig is in het onderwijsdomein. Dit is vergelijkbaar met andere Europese landen. Een verschil met andere Europese landen is dat de kwantiteit van ECEC-aanwezigheid vrij laag is: kinderen gaan gemiddeld 2-3 dagen per week naar ECEC.

Onderzoek toonde aan dat de effecten van ECEC op de ontwikkeling van kinderen sterker is wanneer kinderen meer tijd doorbrengen op vroegschoolse educatie. Doordat er dus een beperkte aanwezigheid is van kinderen op ECEC in Nederland, zou het kunnen dat de relaties die werden gevonden in deze studie sterker zijn bij kinderen die fulltime aanwezig zijn bij ECEC. Toekomstige studies kunnen onderzoeken in welke mate steun van leraren bij groepsprocessen in één situatie collaboratief spelen in een andere situatie voorspelt. Daarnaast kunnen toekomstige onderzoeken de kwaliteit binnen een groepsgerichte benadering verder definiëren en de effecten van steun bij groesprocessen op andere aspecten van klaslokaal kwaliteit en gedrag van kinderen kunnen meten. Daarnaast zou het interessant zijn om ook de mate van steun van leraren bij groepsprocessen mee te nemen bij grotere studies die de kwaliteit van ECEC meten door middel van een longitudinaal design. Ook kan men proberen te onderzoeken of steun bij groepsprocessen een positief effect heeft op de ontwikkeling van kinderen binnen ECEC in zo wel het sociale als het cognitieve domein. Deze studie concludeert dat wanneer leraren steun bieden bij groepsprocessen in ECEC-klaslokalen, dat er een hogere mate van collaboratief spelen is, wat past bij vorige studies die aantoonden dat groepsprocessen belangrijk zijn voor kinderen hun sociale en cognitieve ontwikkeling.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Parenting and globalization in western countries: explaining differences in parent-child interactions van Prevoo & Tamis-LeMonda - 2017

Artikelsamenvatting bij Parenting and globalization in western countries: explaining differences in parent-child interactions van Prevoo & Tamis-LeMonda - 2017

Wat zijn ouderschapswaarden?

Ouderschapswaarden zijn de eigenschappen die ouders belangrijk vinden bij de opvoeding. Deze zijn geworteld in algemene culturele opvattingen over wat belangrijk is in het leven en helpen bij het definiëren van de opvoedingsdoelen die ouders nastreven. Ouders uit verschillende gemeenschappen verschillen in hun culturele waarden en opvoedingsdoelen. Culturen die worden gekenmerkt door individualisme hechten meer waarde aan eigenbelang, autonomie en zelfredzaamheid bij kinderen. Culturen die worden gekenmerkt door collectivisme hechten meer waarde aan interdependentie en aandacht voor de behoeften van anderen.

Op welke manier kan sociaal-economische status ouderschap beïnvloeden?

Families uit etnische minderheden hebben vaker een lage sociaal-economische status. Dit heeft een directe invloed op ouderschap, bijvoorbeeld door beperkte toegang tot leermateriaal en activiteiten. Ouders uit etnische minderheden ervaren meer stress dan ouders uit de etnische meerderheid door hun structurele nadelen. Op deze manier heeft het hebben van een lage sociaal-economische status ook indirect invloed op het ouderschap. De sociaal-economische status van de familie verklaard geheel of gedeeltelijk de verschillen in ouderschap van etnische minderheden en de etnische meerderheid.

Op welke manier kan taal ouderschap beïnvloeden?

Voor de meeste families in etnische minderheden is de moedertaal van de ouders niet de taal van de ontvangende samenleving. Ze worden daardoor geconfronteerd met beslissingen over welke taal ze moeten gebruiken met hun kinderen en wanneer. Onderzoek toont aan dat moeders uit etnische minderheden met een lage sociaal-economische status vaker hun etnische taal spreken met hun kinderen, deels vanwege hun beperkte vaardigheid in de gasttaal. Dit ondersteunt de taalontwikkeling van kinderen in de etnische taal en deze groeiende taalvaardigheden helpen het kind ook bij de taalontwikkeling van de gasttaal.

Wat is ouderlijke sensitiviteit?

Ouderlijke sensitiviteit verwijst naar het vermogen van een ouder om kindersignalen te interpreteren en snel en gepast te kunnen reageren. Ouders uit verschillende culturele gemeenschappen verschillen in de mate van hun sensitiviteit en hoe die sensitiviteit wordt weergegeven. Ouderlijke sensitiviteit is positief geassocieerd aan kindertaal en cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden in verschillende culturen.

Wat zijn de effecten van een autoritaire opvoeding versus een autoritatieve opvoeding?

Ouders verschillen in hun controle over en discipline van kinderen. Een onderscheid kan worden gemaakt tussen een autoritaire en een autoritatieve opvoeding. Ouders die hoog autoritair zijn verwachten dat kinderen zonder twijfel de gedragsnormen volgen. Ouders die hoog autoritatief zijn leggen vaker de redeneringen achter de regels uit en moedigen de input van hun kinderen aan. In meer collectivistische culturele gemeenschappen vertonen ouders vaker een autoritaire opvoeding, en in individualistische gemeenschappen ouders vaker een autoritatieve opvoeding. Stress, socio-economische achterstand, traditionele opvattingen over ouderschap, en een gebrek aan acculturatie zijn geassocieerd met het gebruik van een autoritaire opvoeding.  Een autoritaire opvoeding leidt vaker tot gedragsproblemen, hyperactiviteit, en emotionele ontregeling.

Wat is communicatie accommodatie (in de context van communiceren met kinderen)?

Communicatie accommodatie verwijst naar de mate waarin communicatie is kindgericht versus situatiegericht. Het betreft gedragsveranderingen die mensen doorvoeren om hun communicatie af te stemmen op de ander. Ouders uit verschillende culturele gemeenschappen variëren langs het continuüm van communicatieve accommodatie. Ze verschillen in de mate waarin ze taal gebruiken om kennis aan kinderen over te dragen, versus het beïnvloeden van de acties van kinderen. De heersende westerse strategie is het gebruik van kindgerichte taal. Ook al bevordert deze aanpak de vocabulaire groei, het is niet noodzakelijk voor de uiteindelijke taalverwerving omdat kinderen de taal ook leren door simpelweg te luisteren naar communicatie van volwassen.

Hoe beïnvloeden de verschillende culturele ouderschapswaarden de betrokkenheid van ouders bij leeractiviteiten?

Ouders van etnische minderheden verschillen van meerderheidsouders in de frequentie, kwaliteit en soort leeractiviteiten die zij thuis aan hun kinderen aanbieden, als gevolg van verschillen in hulpbronnen en opvattingen over ouderschap en de ontwikkeling van kinderen. Culturen kunnen meer of minder waarde hechten aan verschillende aspecten van de opvoeding, zoals fysieke stimulatie in de motorontwikkeling, academisch succes, of constructief spelen. De kwaliteit van thuisstimulatie (dat wil zeggen alfabetiseringsactiviteiten, moeder betrokkenheid, leermaterialen) is lager in gezinnen uit etnische minderheden dan in etnische meerderheidgezinnen.

Waarom moeten onderzoeksresultaten over verschillen in opvoedingsstijlen van etnische minderheden en etnische meerderheden met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd?

Onderzoek laat gemiddelde verschillen zien in de opvoeding van etnische minderheid ouders en etnische meerderheid ouders. Echter, er bestaat een hoge mate van variatie in de ouderschapsovertuigingen en opvoedingsstijlen binnen bepaalde etnische minderheden. Ook zijn er grote verschillen te zien binnen de subschalen van bepaalde factoren. Deze hoge mate van variatie benadrukken de noodzaak om voorzichtig te zijn met brede uitspraken over de ervaringen van kinderen uit etnische minderheden en etnische meerderheden.

Hoe kunnen immigratiegerelateerde factoren de within-group variatie in etnische minderheden helpen verklaren?

Acculturatie en discriminatie kunnen bronnen van stress zijn die leiden tot minder positief ouderschap. De acculturatie van ouders is over het algemeen geassocieerd met opvoedingspraktijken die meer in overeenstemming zijn met die van de gastcultuur, terwijl ouders met een sterke oriëntatie op hun herkomstcultuur een verhoogd risico lopen om gediscrimineerd te worden. Ook post-traumatische stressstoornis kan een immigratiegerelateerde factor zijn die de interacties tussen ouders en kinderen beïnvloedt. Tevens kunnen verschillende culturele oriëntaties ook naast elkaar bestaan en kunnen binnen een persoon of een familie verschillende culturele waarden tegelijkertijd benadrukt worden.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Parenting in an individualistic culture with a collectivistic cultural background: The case of Turkish immigrant families with toddlers in the Netherlands bij Yaman e.a. - 2010

Artikelsamenvatting bij Parenting in an individualistic culture with a collectivistic cultural background: The case of Turkish immigrant families with toddlers in the Netherlands bij Yaman e.a. - 2010

Turkse ouders met een collectivistische achtergrond in de individualistische Nederlandse cultuur

In dit artikel onderzoekt men verschillen in opvoedingsstijl tussen tweede generatie Turkse immigranten en Nederlandse autochtone gezinnen met jonge kinderen. Autoritaire controle, gezaghebbende (authoritative) controle en sensitiviteit werden zowel thuis geobserveerd als in het laboratorium. Turkse geëmigreerde moeders zijn minder ondersteunend, geven minder duidelijke instructies aan hun kinderen, zijn meer opdringerig en hebben een minder gezaghebbende controlestrategie dan Nederlandse moeders. Emotionele gehechtheid aan de Turkse cultuur wordt geassocieerd met minder gezaghebbende controle en meer gebruik van de Turkse taal is gerelateerd aan meer sensitiviteit. Ondanks deze verschillen tussen Turkse moeders en Nederlandse moeders kan gezegd worden dat hun opvoedingsstijlen vergelijkbaar zijn, dit suggereert dat interventies voor autochtone gezinnen ook toepasbaar zijn op Turkse gezinnen.

Introductie

De aspecten van de opvoedingsstijl die gerelateerd zijn aan externaliserende problemen van kinderen zijn sensitiviteit en controle. Sensitiviteit is het vermogen om de signalen van het kind accuraat waar te nemen, te interpreteren en te reageren. Volgens de hechtingstheorie zorgen sensitiviteit en ouderlijke warmte voor een veilige hechtingsstijl en een positieve ontwikkeling van het kind. Controle omvat de manier waarop regels en beperkingen worden opgelegd aan het kind. Zowel autoritaire als gezaghebbende ouders verwachten dat hun kinderen zich op de juiste wijze gedragen en gehoorzamen aan de regels, maar autoritaire ouders proberen dit te bereiken door eisen te stellen zonder uitleg en gezaghebbende ouders benadrukken discussie, uitleg en duidelijke communicatie. Collectivistische culturen (zoals de Turkse cultuur) worden veelal gekenmerkt door een autoritaire opvoedingsstijl en individualistische culturen (zoals de Nederlandse cultuur) worden gekenmerkt door een gezaghebbende opvoedingsstijl. De opvoedingsstijl van tweede generatie immigranten is afhankelijk van de mate van acculturatie. De twee dimensies sensitiviteit en controle werden onderzocht bij Turkse en Nederlandse ouders met kinderen die veel externaliserende problemen vertonen, omdat uit voorgaande studies blijkt dat de afwezigheid van sensitiviteit en de aanwezigheid van autoritaire controle gerelateerd zijn externaliserende gedragingen. De onderzoekers hebben de volgende hypothesen opgesteld:

  • Turkse moeders zijn meer opdringerig, minder sensitief, meer autoritair en minder gezaghebbend dan Nederlandse moeders.

  • In Turkse gezinnen wordt het verband tussen autoritaire controle en sensitiviteit positief waargenomen, in tegenstelling tot Nederlandse gezinnen.

  • Er is geen verschil tussen de opvoedingsstijl van Turkse moeders met betrekking tot het geslacht van hun kinderen.

  • De opvoedingsstijl van Turkse moeders met een hoge mate van acculturatie is gelijk aan de opvoedingsstijl van Nederlandse moeders.

Methode

Aan dit onderzoek hebben in totaal 140 kinderen en hun moeders meegedaan. De 70 Turkse moeders moesten behoren bij de tweede generatie Turken (zelf geboren in Nederland maar met minimaal één ouder geboren in Turkije) en moesten (net als de 70 Nederlandse moeders) een tweejarig kind hebben dat veel externaliserende problemen vertoont. Voor het meten van externaliserende problemen is de Turkse en Nederlandse Child Behavior CheckList gebruikt die geschikt is voor de leeftijd van 1,5 tot 5 jaar. Voor het meten van sensitiviteit werden de moeders en hun kinderen geobserveerd gedurende drie probleemoplossende taken waarbij gelet werd op drie aspecten: steunende aanwezigheid, opdringerigheid en duidelijkheid van instructies. Voor het meten van discipline werden de moeders en hun kinderen geobserveerd tijdens het opruimen van het speelgoed. Hierbij werd gelet op gezaghebbende controle (positieve feedback, positieve sfeer, inductie en begrip) en autoritaire controle (bevelen en fysiek ingrijpen). Om het acculturatie niveau van de moeders te meten werd er gelet op het gebruik van de Turkse en de Nederlandse taal en psychologische acculturatie. Voor het bepalen van het laatste aspect is de Psychological Acculturation Scale gebruikt.

Resultaten

Uit dit onderzoek is gebleken dat Turkse moeders jonger zijn dan Nederlandse moeders en dat ze een lager opleidingsniveau hebben. Ook is gebleken dat Turkse moeders minder sensitief, minder ondersteunend en meer opdringerig zijn en geven minder duidelijke instructies aan hun kinderen. Turkse moeders zijn minder gezaghebbend dan Nederlandse moeders, maar er is geen verschil gevonden in autoritaire controle. In Turkse gezinnen is meer gezaghebbende controle gerelateerd aan meer ondersteuning en minder opdringerigheid. In Nederlandse gezinnen is meer gezaghebbende controle gerelateerd aan minder autoritaire controle en minder opdringerigheid. In beide etnische groepen wordt meer autoritaire controle geassocieerd met meer opdringerigheid en in de Turkse groep werd deze controle ook geassocieerd met minder sensitiviteit. Er is geen verschil tussen de opvoedingsstijl van Turkse moeders en Nederlandse moeder met betrekking tot het geslacht van hun kinderen, hun zonen en dochters genieten dezelfde opvoeding. Verder is gebleken dat een hoge mate van emotionele verbondenheid aan de Turkse cultuur gerelateerd is aan minder gezaghebbende controle en Turkse moeders die meer emotioneel verbonden zijn met de Nederlandse cultuur meer gezaghebbende controle hebben. Ten slotte is gevonden dat meer gebruik van de Turkse taal geassocieerd is met meer sensitiviteit en steun.

Discussie

Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat Turkse moeders opdringeriger zijn, meer eisen stellen zonder uitleg, meer (fysiek) ingrijpen in activiteiten van kinderen, minder respect tonen voor de autonomie van kinderen en minder gezaghebbende controle gebruiken dan Nederlandse moeders. In dit onderzoek is er geen verschil gevonden met betrekking tot autoritaire controle tussen groepen, dit kan worden verklaard doordat de onderzoekspopulatie tweede generatie Turkse moeders bevat. De manier van opvoeden die Turkse moeders hanteren is voor een groot deel afhankelijk van hun leeftijd en opleidingsniveau.

De gemiddelde opvoedingsgedragingen van Turkse moeders verschillen van de dominante cultuur, maar de structuur van opvoedingsstijlen is vergelijkbaar tussen de twee etnische groepen. Dit betekent dat wanneer Nederlandse en Turkse moeders meer ondersteunend zijn, ze ook minder opdringerig zijn, meer duidelijke instructies geven en hun kinderen disciplineren op een gezaghebbende manier.

Dit onderzoek heeft ook beperkingen: de gevonden verschillen kunnen te maken hebben met de verschillende geobserveerde situaties, de taken die de participanten moesten uitvoeren waren mogelijk onbekend in de Turkse cultuur en er is sprake van veel variantie binnen sensitiviteit en discipline scores waardoor de gemiddelden niet gegeneraliseerd kunnen worden naar individuen.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Quality in Early Childhood Education and Care: A cultural context van Rosenthal - 2003

Artikelsamenvatting bij Quality in Early Childhood Education and Care: A cultural context van Rosenthal - 2003

Inleiding

Het artikel gaat erover dat verschillende culturele gemeenschappen verschillende definities van kwaliteit van onderwijs en zorg hebben. In het paper wordt gekeken naar doelen en praktijken in het onderwijs in de context van individualistische en collectivistische culturen. Het artikel stelt voor dat de kwaliteit in een bepaalde samenleving de educatieve doelen en praktijken van een culturele gemeenschap in een samenleving reflecteert.

Is het mogelijk om culturele scripts te identificeren waarmee gewaardeerde doelen en praktijken van verschillende culturele gemeenschappen vergeleken kunnen worden? Culturele scripts reflecteren gedeelde geloven, houdingen, normen en waarden van een sociaal-culturele gemeenschap. Veel van deze houdingen en normen reflecteren de door de cultuur gewaardeerde balans tussen individu en samenleving. Hierin worden sociaal-culturele gemeenschappen vaak gezien als “individualistisch” of “collectivistisch”, ook wel gezien als onafhankelijk of verbonden. De praktijken en doelen die gewaardeerd worden reflecteren de culturele scripts van een gemeenschap.

Educatieve doelen en praktijken moeten op een continuüm gezet worden tussen de collectivisme en individualisme. Dit verheldert ons denken over kwaliteit in verschillende culturele contexten.   Individualisme is net als onafhankelijkheid gebaseerd op rationaliteit en rede. Individualistische culturen benadrukken waarden als persoonlijke vrijheid, autonomie, privacy, nieuwsgierigheid, creativiteit en kritisch denken. Maar ook zelfbepaling, zelfvervulling en uniekheid. Collectivisme refereert naar culturen met een duidelijke groepsidentiteit en een duidelijke grens tussen de groep en anderen. Er wordt nadruk gelegd op harmonie, solidariteit, conformiteit, verbondenheid, delen en het welzijn van de groep en minder op zelfvervulling. De meeste culturen vallen tussen deze twee extremen in.

Gewaarde educatieve doelen

In individualistische gemeenschappen wordt de zelf gezien als afzonderlijk en onafhankelijk. Men is gemotiveerd om zichzelf gelukkig en tevreden te maken en is gericht op persoonlijke prestaties. Ieder is verantwoordelijk voor zichzelf, je bent sociaal goed aangepast en populair. Men is competitief in het bereiken van je persoonlijke doelen. In sociale settingen weet wordt de privacy behouden. Je behoud autonomie bij het accepteren en afwijzen van groepsnormen. Je hebt respect voor kinderen en ouderen en verwacht hier respect voor terug. Nieuwsgierigheid en exploratie zorgen voor het verkrijgen van nieuwe kennis, je maakt gebruik van onafhankelijke denken en probleem oplossen. En je weet alternatieve opties en antwoorden te vergelijken en evalueren.

In collectivistische samenlevingen is de zelf een verantwoordelijk lid van een groep met een sociale rol. Je accepteert beslissingen die gemaakt worden door volwassenen of door de sociale groep. Je bent solidair en harmonieus. Men is gemotiveerd voor het succes van de sociale groep. Je voelt je verantwoordelijk voor anderen. Je zorgt dat je, je niet buitensluit van de groep en vermijd conflicten. Je past je aan, aan de normen van de groep. Je hebt respect voor leraren, ouderen en autoritaire figuren. Autoriteit en traditie worden als bronnen voor kennis gebruik. Deze kenmerken gelden vooral voor samenlevingen die dichtbij één van de twee uiteinden van het continuüm zitten. Het is lastiger om de educatieve doelen te bepalen voor multiculturele samenlevingen of samenlevingen die sociale, economische en/of politieke verandering ondergaan. Zo is het waarschijnlijk dat je een significant verschil tussen de educatieve doelen de geuit worden door het beleid van het educatieve systeem en de doelen die ouders hebben voor hun kinderen. Vaak is het in dit geval zo dat samenleving veranderen van traditioneel en collectivistisch naar modern en individualistisch. Het onderwijssysteem is hier dan al wel op aangepast terwijl ouders nog aan het traditionele vast willen houden.

Het andere problemen ligt in de verschillende betekenissen of interpretaties van dezelfde doelen door verschillende culturele groepen in dezelfde samenleving. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat verschillende groepen allemaal willen dat hun kind intelligent is, maar intelligent kan overal een andere betekenis hebben.

Gewaardeerde educatieve praktijken

In individualistische culturen vindt leren meestal plaats in op leeftijd gescheiden settingen. Leermaterialen, meubels en faciliteiten zijn ontworpen en zo georganiseerd dat ze onafhankelijk gebruik aanmoedigen. De speelplaats en leermaterialen zijn aangepast om vrij spelen, exploratie en autonome keuze van activiteit bij het kind aan te moedigen. Er worden privé plekken ingericht om de behoefte van het kind om alleen te zijn tegemoet te komen. Er worden activiteitenschema’s opgesteld maar deze zijn flexibel. Activiteiten moedigen kinderen aan kennis uit boeken, radio en tv te halen. Sociale activiteiten worden geplant om de sociale competentie van het kind te vergroten.

In collectivistische culturen gebeurt leren door het deelnemen aan activiteiten van volwassenen. Materialen, meubels en faciliteiten zijn zo ontworpen en georganiseerd om de aandacht van het kind te richten op de leertaak. Ruimte, spel en leermaterialen zijn zo georganiseerd om gestructureerd leren dat gepland is door de leraar te faciliteren. Activiteitenschema’s zijn niet flexibel. Vrij spelen wordt gezien als plezier en niet als leren. Activiteiten moedigen kinderen aan te leren van mondelinge traditie en autoritaire figuren. Praktijken en doelen zijn aan elkaar gekoppeld.

Doelen, praktijken en structurele aspecten

Verschillen in educatieve doelen en praktijken kunnen implicaties hebben voor de structurele aspecten van kwaliteit. Kleine groepen worden bijvoorbeeld gewaardeerd in individualistische samenlevingen terwijl grotere groepen meer gewaardeerd worden in collectivistische samenlevingen.

Conclusie

Alle samenlevingen streven ernaar hun jeugd te onderwijzen naar een aangepaste en succesvolle deelname in hun culturele gemeenschap. Alle samenlevingen moeten hun doelen voor succesvolle lidmaatschap definiëren. Het is nu de uitdaging voor elke discussie over kwaliteit in onderwijs en zorg in de vroege kindertijd om te kijken wat universeel dus gewoon in alle culturen en wat cultuurspecifiek is.

Er zijn verschillende culturele scripts die op een continuüm tussen individualistisch en collectivistisch geplaatst kunnen worden. Veel samenlevingen bestaan uit verschillende culturele gemeenschappen die allemaal op een andere plaats op het continuüm zitten. Beleidsmakers moeten rekening houden met deze variaties in doelen en praktijken.

Samenlevingen en culturen zijn niet statisch, maar ondergaan continu verandering. Dit leidt ook tot verandering die de gewaardeerde educatieve doelen en praktijken en dit leidt weer dat andere zaken gezien worden als goede kwaliteit.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Individualism and the ‘Western mind’ reconsidered: American and Dutch parents’ ethnotheories of the child van Harkness e.a. - 2000

Artikelsamenvatting bij Individualism and the ‘Western mind’ reconsidered: American and Dutch parents’ ethnotheories of the child van Harkness e.a. - 2000

Inleiding

Het idee van een ‘westerse geest’ in tegenstelling met de niet-westerse tegenhanger lijkt op de contrasterende constructen van individualisme of onafhankelijkheid versus collectivisme of interdependentie. De mediërende link tussen deze culturele modellen en gedrag is ouderlijke etnotheorieën, culturele geloofsystemen van ouders m.b.t. de aard van kinderen, ontwikkeling, opvoeding en de familie. Door middel van een analyse van ouderlijke culturele modellen van het kind in de Verenigde Staten (Cambridge ouders) en Nederland (Bloemenheim ouders) worden het idee van een uniforme ‘westerse geest’ ondervraagd en constructen van individualisme en collectivisme onderzocht.

Ouderlijke omschrijvingen van culturele modellen van het kind

De verhalen en beschrijvingen van de Bloemenheim ouders van hun kinderen waren anders in oriëntatie en nadruk dan de verhalen en beschrijvingen van de Cambridge ouders. Cambridge ouders beschreven hun kinderen vaak in termen van hun intelligentie. De Bloemenheim ouders benadrukten daarentegen vooral de sociale kwaliteiten van het kind. De Cambridge ouders benadrukken dus vooral individualistische kwaliteiten, terwijl de Bloemenheim ouders zich richten op het kind als sociaal wezen. Als er echter beter naar de beschrijvingen wordt gekeken, blijkt ook uit de Bloemenheim beschrijvingen aandacht voor cognitie (zij het in een sociaal domein) en voor het vermogen zichzelf te vermaken en alleen te spelen (een teken van onafhankelijkheid).

Culturele concepten van afhankelijkheid

Zowel de Cambridge als de Bloemenheim ouders praatten over afhankelijkheid in termen van twee soorten gedrag: (1) aandacht zoeken; (2) fysiek contact of affectie zoeken. Terwijl ze het eens waren over wat afhankelijk gedrag inhield, verschilden ze in hun interpretaties van en reacties op zulk gedrag. Bloemenheim ouders zagen afhankelijk gedrag als normaal en positief bij jonge kinderen. Volgens de Bloemenheim ouders vragen kinderen aandacht als ze het nodig hebben en moet deze behoefte bevredigd worden, binnen de beperkingen van de interesse en beschikbaarheid van de ouders. Behoefte aan veel affectie werd geaccepteerd als deel van het aangeboren karakter van een kind. Zelfs kinderen die het voor ouders onmogelijk maakten om zich op iets anders te richten in de aanwezigheid van het kind werden niet als problematisch ervaren. Volgens de Bloemenheim ouders was dit gedrag natuurlijk, redelijk en geen reden voor bezorgdheid.

De Cambridge ouders vonden afhankelijk gedrag daarentegen niet normaal of wenselijk. Zij beschouwden het juist als problematisch voor de ouders, vooral als het kind problemen had met het delen van de aandacht van de ouders.

De betekenis van de onafhankelijkheid

Zowel de Cambridge als Bloemenheim ouders zagen de volgende soorten gedrag als uitdrukkingen van onafhankelijkheid: dingen zelf willen doen, het vermogen zichzelf te vermaken, zelf beslissingen maken en een eigen wil hebben. Opnieuw verschilden de ouders echter in de betekenis die verbonden werd aan onafhankelijkheid. Cambridge ouders zagen onafhankelijk gedrag vaak als een interne strijd van het kind, verscheurd door de wens om vast te klampen aan de ouders en de wens om onafhankelijk te zijn. De Bloemenheim ouders zagen oppositioneel gedrag daarentegen als een natuurlijk proces van het ontdekken van de eigen eigenheid. Zij moedigden deze ontwikkeling aan, omdat het de basis is voor het vermogen later eigen beslissingen te nemen.

(Onderlinge) afhankelijkheid: culturele contrast

Zowel de Cambridge als Bloemenheim ouders erkenden hetzelfde gedrag als relevant voor elk construct. De twee groepen verschilden echter in hun interpretaties van afhankelijk en onafhankelijk gedrag en in hun houdingen en reacties. De Cambridge ouders zagen zowel afhankelijk als onafhankelijk gedrag problematisch, terwijl de Bloemenheim ouders beide soorten gedrag als normaal beschouwden.

Individualisme, sociocentrisme, en de 'autonome-relationele zelf'

Kagitcibasi ziet ‘agency’ en ‘separateness’ als de twee dimensies van autonomie. Zij stelt dat er in sommige samenlevingen sprake is van zowel hechte emotionele relaties als individuele ‘agency’. Volgens deze interpretatie is het ‘autonome relationele zelf’ een betere oplossing voor de basale menselijke behoefte aan zowel verbondenheid als ‘agency’. Kagitcibasi’s conceptualisatie komt erg overeen met de verschillen in de manieren waarop de Cambridge en Bloemenheim ouders over afhankelijkheid en onafhankelijkheid praatten. Voor de Cambridge ouders heeft het probleem met zowel afhankelijkheid als onafhankelijkheid te maken met separatie. Hoewel het conflict wordt toegeschreven aan het kind, ervaren deze ouders ook problemen met de vóóronderstelde noodzakelijkheid van separatie. Door de Bloemenheim ouders werd interdependentie daarentegen gewaardeerd en werd onafhankelijk gezien als gerelateerd aan de ontwikkeling van ‘agency’, het vermogen eigen keuzes te maken.

Noch de VS noch Nederland is een traditionele samenleving waarin gehoorzaamheid en respect worden benadrukt. De nadruk op ‘agency’ door Nederlandse ouders kan verklaard worden doordat mensen dicht op elkaar wonen en elkaar niet kunnen vermijden. Hierdoor vinden ouders het belangrijk voor kinderen dat ze weten wat ze willen, zodat ze niet gemanipuleerd worden. Echter, om de vrede te behouden is een te sterke eigen mening niet mogelijk. Er moet dus ook rekening worden gehouden met anderen.

Kagitcibasi’s conceptualisatie van het autonome relationele zelf komt dus overeen met het culturele model van de Bloemenheim ouders van het kind. Echter, Kagitcibasi neemt aan dat een dergelijk model alleen buiten westerse samenlevingen gevonden kan worden. Waarschijnlijk zal toekomstig onderzoek aantonen dat er niet één ‘westerse geest’ is, maar dat er veel verschillende cultureel gestructureerde manieren zijn om het zelf te conceptualiseren.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Acculturation and school success: A study among minority youth in the Netherlands van Andriessen & Phalet - 2002

Artikelsamenvatting bij Acculturation and school success: A study among minority youth in the Netherlands van Andriessen & Phalet - 2002

Waarom is het wetenschappelijk interessant om de schoolresultaten van Marokkaanse en Turkse studenten te vergelijken met de schoolresultaten van autochtone Nederlandse studenten?

Ten eerste blijven de schoolprestaties van Turkse en Marokkaanse jongeren het meest dramatisch achter, suggererend een blijvende onderwijsachterstand in vergelijking met autochtone Nederlandse studenten. Ten tweede zijn Turks en Marokkaanse groepen in veel opzichten vergelijkbaar. Etnische verschillen in het scholingsproces van Turkse en Marokkaanse jongeren zijn waarschijnlijk gebaseerd op differentiële acculturatie. Zij delen ook een vergelijkbare geschiedenis van arbeidsmigratie en worden geconfronteerd met vergelijkbare problemen van sociale achterstand en etnische discriminatie in Nederland.

Waarom is het wetenschappelijk interessant om de schoolresultaten van tweede generatie vluchtelingenjongeren te vergelijken met de schoolresultaten van Turkse en Marokkaanse studenten en autochtone Nederlandse studenten?

Ten eerste is er zeer weinig bekend over de onderwijsaanpassing van vluchtelingenjongeren in Nederland. Ten tweede kan door het toevoegen van tweede generatie vluchtelingenjongeren aan het onderzoek ook worden gekeken naar overeenkomsten en verschillen in acculturatie en aanpassing op school tussen arbeidsmigratie en vluchtelingenmigratie.

Welke verschillen bestaan er met betrekking tot schoolprestaties van jongeren uit etnische minderheden en autochtone Nederlandse studenten?

Onderzoek laat een stabiel beeld zien van de onderwijsachterstand van allochtone jongeren op Nederlandse scholen. Er bestaat blijvende ongelijkheid in onderwijs die is verbonden aan de status van etnische minderheden. Vooral Marokkaanse en Turkse jongeren stoppen in grotere aantallen voortijdig met school. Ze zijn sterk oververtegenwoordigd in minder gunstige beroepsopleidingen en ondervertegenwoordigd in hogere niet-beroepsopleidingen en in het hoger onderwijs.

Wat is schoolaanpassing en hoe kan het de schoolprestaties van etnische minderheden beïnvloeden?

Schoolaanpassing verwijst naar het gevoel erbij te horen of de affectieve gehechtheid van leerlingen aan de schoolomgeving. Het gebrek aan linguïstische of cultureel gewaarde sociale vaardigheden en het falen van wederzijdse sociale steun in interpersoonlijke relaties met leeftijdsgenoten en leraren kunnen het persoonlijk gevoel van thuishoren op school van etnische minderheid studenten belemmeren. Multi-etnische scholen kunnen variëren in de mate van (reële en gepercipieerde) etnische segregatie en/of discriminatie in de relatie tussen etnische minderheden en dominante culturele groepen.

Wat is acculturatie?

Acculturatie kan worden gedefinieerd als de psychologische aanpassingen aan contact met de cultuur in migratiesituaties. In elke multiculturele samenleving maken mensen beoordelingen over de wenselijkheid voor migranten of etnische minderheden om hun etnisch-culturele kenmerken te behouden en het gepercipieerde belang van aanpassing aan de dominante cultuur in de ontvangende samenleving.

Welke vier acculturatie-attitudes kunnen worden geïdentificeerd?

  • Integratie: migranten willen zowel hun etnisch-culturele karakteristieken behouden als zich aanpassen aan de dominante cultuur in de ontvangende samenleving.
  • Separatie: migranten willen hun etnisch-culturele karakteristieken behouden en beschouwen intercultureel contact als ongewenst.
  • Assimilatie: migranten vinden het niet belangrijk hun etnisch-culturele karakteristieken te behouden en geven de voorkeur aan intercultureel contact.
  • Marginalisatie: migranten vinden het niet belangrijk hun etnisch-culturele karakteristieken te behouden en vinden ook intercultureel contact niet belangrijk.

Hebben de verschillende acculturatie-attitudes invloed op de schoolprestaties?

De impact van acculturatie-attitudes op onderwijsresultaten lijkt beperkt te zijn. Er is geen direct bewijs gevonden voor een direct effect van acculturatietypen op de schoolprestaties. De verwachting dat een positieve houding ten opzichte van intercultureel contact zou bijdragen aan betere schoolprestaties is niet ondersteund. Met betrekking tot schoolaanpassing blijken er zeer selectieve acculturatie-effecten voor specifieke etnische groepen in specifieke contexten te bestaan.

Op welke manier zijn acculturatie-effecten afhankelijk van de context?

Acculturatie-effecten zijn sterk contextafhankelijk en er zijn verschillende patronen gevonden voor Marokkaanse, Turkse en vluchtelingenstudenten:

  • Voor Marokkaanse studenten is een positieve houding ten opzichte van intercultureel contact (dat wil zeggen integratie thuis en assimilatie op school) een sterke voorspeller van een positief gevoel van persoonlijke en etnische verbondenheid op school.
  • Voor Turkse studenten is een negatieve houding ten opzichte van cultuurbehoud (dat wil zeggen assimilatie op school) de enige significante voorspeller van aanpassingsproblemen op school.
  • Voor vluchtelingenstudenten is de combinatie van cultuurcontact en onderhoud (dat wil zeggen integratie op school) de enige significante voorspeller van aanpassingsproblemen op school.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Teacher interpersonal competence for Dutch secondary multicultural classroomss van Wubbels - 2006

Artikelsamenvatting bij Teacher interpersonal competence for Dutch secondary multicultural classroomss van Wubbels - 2006

Inleiding

In het paper wordt er antwoord gegeven op de vraag in welke mate een leraar interpersoonlijke competenties heeft die specifiek zijn voor het lesgeven in multiculturele klassen. Deze case studie wordt gebruikt om de overtuigingen, kennis en houdingen van een leraar in een multiculturele klas en zijn leerstrategieën en acties te beschrijven

Verkennende studie

Het verkennende werk leidt tot de conclusie dat er een consensus lijkt te zijn over interpersoonlijke leertechnieken die nodig zijn in multiculturele klassen. De bewijzen laten ons echter nog wel met het dilemma van algemene versus specifieke bekwaamheid zitten. Er is daarom door de onderzoeker voor gekozen om een in-depth studie over lesgeven te doen met een expert leraar.

Resultaten

De gemiddelde Nederlandse leraar hanteert een stijl die kan omgeschreven worden als zeer dominant en coöperatief. Het is een tolerante maar autoritatieve leraar. Zulke leraren krijgen zowel hoog gemotiveerde studenten als hoge leerprestaties van hun studenten. Hieruit kan geconcludeerd worden dat deze leraar een goede leraar is.

Monitoren en beheersen van gedrag

Volgens de leraar die geobserveerd is, is het moeilijk om het gedrag van studenten te beheersen in een multiculturele klas dan in een meer homogene klas. Ten eerste omdat studenten met een niet-westerse achtergrond op een meer emotionele manier reageren dan autochtonen studenten. Hierdoor zijn van oorsprong Nederlandse leraren eerder geneigd om deze signalen als persoonlijke beledigend of bedreigend te beschouwen waardoor de kans op conflicten groter is dan in autochtone of in cultuur minder diverse klassen. Ten tweede denkt de leraar dat relaties met peers prominenter zijn dan met autochtonen studenten en dat statusverschillen een rol kunnen spelen. Tevens heeft de leraar het gevoel dat in multiculturele klassen voor veel studenten het halen van hoge cijfers erg belangrijk is.

Rekening houdend met deze kenmerken zijn er verschillende strategieën door de leraar gebruikt om het gedrag van studenten te monitoren en te beheersen. Wanneer een leraar de hele klas wil bereiken zorgt hij ervoor dat hij op een centrale positie staat. Het is belangrijk om emotionele responses van een studenten op een beetje afstandelijke manier te benaderen, hiermee wordt bedoeld om in ieder geval niet emotioneel betrokken te worden. Verder is de relatie tussen de leraar en de leiders van de peer groep van specifiek belang voor de relatie met de hele klas.

Frequent en opdringerig onderhandelen kan de vaart en het proces in de klas verstoren waardoor een belangrijke tijd van leren verloren gaat. Het wordt daarom als belangrijk gezien dat leraren competente onderhandelaars zijn. Het geven van gefundeerde redenen voor meningen, cijfers, acties, regel etc. is belangrijk in het onderhandelingsproces.

Het creëren van een positieve relatie

Volgens de leraar is een warme, begrijpende en ondersteunende relatie met studenten in een multiculturele klas van groter belang dan in een minder diverse klas. Dit door de druk van de thuisomgeving en de angst voor gezichtsverlies. Maar ook vanwege de harde omgeving waarin veel studenten zich bevinden bijvoorbeeld in de peer groepen waarin zij zitten. School is voor veel studenten hun veilige plek die hen de rust en structuur geven die buiten de schoolomgeving mist. Om deze rede vindt de leraar het belangrijk om een coöperatieve omgeving te creëren, waarin studenten vertrouwen en interesse in hen ervaren. Het bieden van een ondersteunend klimaat en het hebben van contact met studenten helpt om meer te weten te komen over hun achtergrond.

Er zijn ook een aantal strategieën die helpen bij het creëren van een positieve relatie tussen de leraar en de student. Een goede relatie kan gestimuleerd worden door kleine verbale en nonverbale beloningen, zoals lof een bevestigende knik, een lach of een schouderklopje. Correctie of bestraffing van een student kan de positieve relatie tussen een leraar en een student verstoren. Studenten van niet-westerse afkomst zijn correcties als een persoonlijke aanval en vernederend. Na ‘straf’ is het daarom belangrijk dat de leraar de relatie met de student weer hersteld door een kort gesprekje. Het geven van constructieve en adequate feedback op het juiste moment kan zorgen voor vertrouwen in de relatie. Maar aan de andere kant kan kritische feedback niet vermeden worden, echter kan dit de relatie verstoren. Het is daarom belangrijk dat een leraar negatieve feedback verpakt tussen positieve opmerkingen.

Toewijding en betrokkenheid

Sommige van de strategieën die gebruikt worden voor het monitoren en beheersen van het gedrag van studenten kunnen ook helpen om de toewijding en betrokkenheid van een studenten te vergroten. Maar er zijn ook andere strategieën zoals het geven van gestructureerde variatie. Om aandachtproblemen te voorkomen is het belangrijk de studenten te voorzien van een heldere lesstructuur en om daarom de lessen heel goed voor te bereiden. Ook is een variëteit aan taken en klassenactiviteiten belangrijk inclusief frequent en herhaaldelijke centrale momenten. Korte deadlines kunnen studenten ook helpen om beter te focussen. De strekking en het doel van activiteiten met van te voren duidelijk gemaakt worden aan studenten. Verder is het voor toewijding en betrokkenheid van studenten belangrijk dat de leraar een band opbouwt met de studenten. Leraren moeten waar mogelijk luisteren naar de verhalen en problemen van studenten zowel met respect naar hun schoolwerk maar ook naar de dingen die niet gerelateerd zijn aan school.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Ethnic composition of school classes, majority-minority friendships, and adolescents´ intergroup attitudes in the Netherlands van Vervoort e.a. - 2011

Artikelsamenvatting bij Ethnic composition of school classes, majority-minority friendships, and adolescents´ intergroup attitudes in the Netherlands van Vervoort e.a. - 2011

Wat is de contacttheorie?

Volgens de contacttheorie vermindert contact met outgroup-leden negatieve outgroup-attitudes. Aangezien een schoolklas een sociale context is waarin contact met klasgenoten vrijwel onvermijdelijk is, wordt verwacht dat de verhoogde mogelijkheden voor intergroepscontact gerelateerd zijn met minder negatieve intergroepsattitudes. Onderzoek heeft echter aangewezen dat de mogelijkheden voor contact vaak de kans op contact vergroten, maar niet altijd een direct effect hebben op de outgroup-attitudes. Contact moet aan de optimale voorwaarden voldoen: gelijke status, samenwerking, gemeenschappelijke doelen en institutionele ondersteuning. De kwaliteit van intergroepsvriendschappen speelt een belangrijke rol bij het verminderen van negatieve outgroup-attitudes.

Wat is de etnische competitietheorie?

Deze theorie stelt dat etnische meerderheidsleden zich eerder bedreigd voelen door etnische minderheden als deze in aantal toenemen. Als gevolg hiervan zal de meerderheidsgroep waarschijnlijk negatiever staan tegenover etnische minderheden. Een hoog percentage etnische minderheden in de kleine context van een schoolklas wordt verwacht te leiden tot meer negatieve outgroup-attitudes in de etnische meerderheidsgroep.

Op welke manier lijken de contacttheorie en de etnische competitietheorie elkaar tegen te spreken?

De etnische competitietheorie veronderstelt dat een hoger percentage outgroup-leden is gerelateerd aan meer negatieve outgroup-attitudes. De contacttheorie daarentegen verwacht dat een hoger percentage outgroup-leden is gerelateerd aan minder negatieve outgroup-attitudes. Deze theorieën worden verenigd door het toevoegen van de assumptie aan de contacttheorie dat alleen een groter aantal en hogere kwaliteit van intergroepsvriendschappen leiden tot minder negatieve outgroup-attitudes.

Wat is de sociale identiteitstheorie?

De sociale identiteitstheorie stelt dat individuen een fundamentele behoefte hebben om hun eigen etnische groep als superieur aan andere etnische groepen te beschouwen. Als gevolg hiervan passen ze de positieve eigenschappen die ze waarnemen bij de leden van de eigen etnische groep op zichzelf toe (sociale identificatie), en waarderen ze andere etnische groepen negatief (sociale contra-identificatie). Volgens de etnische competitietheorie intensiveren deze processen wanneer dreiging wordt ervaren. Ervaring met etnische dreiging als gevolg van een hoog aandeel etnische minderheden in schoolklassen zal naar verwachting niet alleen verband houden met een negatievere houding van de outgroup, maar ook met positievere ingroup-attitudes. 

Wat zijn de belangrijkste resultaten van het onderzoek van Vervoort et al.?

  • De etnische competitietheorie wordt bevestigd wanneer wordt gekeken naar adolescenten met een etnische meerderheid.
  • Hoge percentages allochtone leden zijn gerelateerd aan een meer negatieve houding van de leerlingen van de etnische meerderheid richting de leerlingen van de etnische minderheid.
  • Een hoog percentage outgroup-leden is gerelateerd aan meer negatieve outgroup-attitudes en aan positievere ingroup-attitudes voor adolescenten met een etnische meerderheid.
  • Voor adolescenten met een etnische meerderheid zijn de mogelijkheden voor intergroepscontact in de klas onvoldoende om negatieve outgroup-attitudes te verminderen.
  • Vriendschappen tussen adolescenten met een etnische meerderheid en adolescenten met een etnische minderheid, waarvan wordt aangenomen dat ze voldoen aan de optimale voorwaarden die worden voorgesteld door de contacttheorie, waren gerelateerd aan minder negatieve outgroup-attitudes.
  • Voor adolescenten uit etnische minderheden heeft het aandeel vriendschappen tussen de meerderheid en de minderheid geen betrekking op hun outgroup-attitudes en is gerelateerd aan minder positieve ingroup-attitudes.
  • De kwaliteit van vriendschappen tussen meerderheidsgroepen en minderheden was gerelateerd aan minder negatieve outgroup-attitudes voor adolescenten met een etnische meerderheid.
  • De kwaliteit van vriendschappen tussen de meerderheid en de minderheid was gerelateerd aan positievere ingroup-attitudes voor adolescenten uit de etnische meerderheid en adolescenten uit de etnische minderheid.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Hoe is opvoeding gevormd door familie en maatschappij? van Rogoff

Artikelsamenvatting bij Hoe is opvoeding gevormd door familie en maatschappij? van Rogoff

Over de hele wereld zijn er verschillen in de manieren van opvoeden. Maar bij al deze manieren spelen wel de familie, de buurt waar de kinderen in opgroeien en de gemeenschap een rol. Maar de rol die ze spelen verschilt per cultuur. In het boek wordt een voorbeeld gegeven waarin de gemeenschap de verantwoordelijkheid heeft voor het opvoeden van een kind. Als het kind iets uitspookt dat niet mag en iemand van de gemeenschap ziet dit en doet hier niets aan, dan is hij medeplichtig.

Zoals gezegd in het vorige hoofdstuk worden culturele praktijken rondom het opvoeden van een kind geërfd van eerdere generaties maar worden ook herzien door de nieuwe generatie met nieuwe omstandigheden en nieuwe ideeën.

De samenstelling van het gezin en de overheid

Veranderingen en continuïteiten in de familiale omstandigheden tijdens de afgelopen generaties kunnen worden onderzocht door te kijken naar het politieke beleid over de groei van de populatie. Grote families zijn afhankelijk van tijd en plaats de afgelopen jaren aangemoedigd en ontmoedigd. Vooral in China en Mexico is de samenstelling van het gezin enorm veranderd. De veranderingen in de samenstellingen van gezinnen (grote of kleine gezinnen) heeft veel invloed op het dagelijks leven, het opvoeden van de kinderen en de omstandigheden waarin de ouders verkeren.

Culturele strategieën voor de overleving en de verzorging van een kind

De overlevingskans van een kind staat centraal in de praktijken van het opvoeden van kinderen. Ook al valt het nauwelijks op bij families die het beter hebben of in een betere omgeving wonen. Op plekken waar een hoge kindersterfte heerst zijn de prioriteiten van de ouders heel anders. In bepaalde gemeenschappen is het nodig als ouder om een groter aantal kinderen te krijgen om er zeker van te zijn dat je genoeg hulp hebt in het huishouden of later onderhouden kan worden door je kinderen.

Robert LeVine (1980) ontwikkelde een driedelige hiërarchie van doelen die ouders stellen bij het opvoeden van de kinderen in verschillende gemeenschappen. Hij zegt dat de leden van de gemeenschappen zich aanpassen om zo situaties te voorkomen waarin mensen prioriteiten moeten stellen om hun kinderen niet te verliezen.

  1. In gemeenschappen met een hoge kindersterfte moeten ouders de lichamelijke overleving en de gezondheid vooropstellen.

  2. Als tweede noemt LeVine het leren van de kinderen om zichzelf economisch te onderhouden tijdens hun volwassenheid.

  3. Als aan de eerste twee prioriteiten is voldaan, dan kunnen de ouders meer energie steken in de mogelijkheden van de culturele waarden van het kind. Bijvoorbeeld: prestige, religie, intellectuele prestaties, persoonlijke tevredenheid en zelfrealisatie.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij How Moroccan-Dutch parents learn in communities of practice: Evaluating a bottom-up parenting programme van Van Beurden e.a. - 2019

Artikelsamenvatting bij How Moroccan-Dutch parents learn in communities of practice: Evaluating a bottom-up parenting programme van Van Beurden e.a. - 2019

Wat zijn ‘bottom-up´ ouderschapsprogramma´s?

´Bottom-up´ benaderingen kunnen worden gedefinieerd als het aanmoedigen van participatieve besluitvorming op microniveau door middel van betrokkenheid van lokale belanghebbenden. Bottom-up ouderschapsprogramma´s zijn programma´s waarin de perspectieven, ervaringen, en participatie worden gezien als kernprincipes voor ondersteuning en leren. 

Wat is een praktijkgemeenschap (´community of practice´)?

Een praktijkgemeenschap is een praktijkgerichte gemeenschap van personen die aanverwante vraagstukken en opgaven met elkaar uitwisselen teneinde hiervan te leren. Leren wordt hierbij niet gezien als een geïnstitutionaliseerde curriculumgerichte activiteit die losstaat van dagelijkse sociale activiteiten, maar als inherent aanwezig in sociale interacties tussen mensen. In een praktijkgemeenschap definiëren en onderhandelen de deelnemers continu de betekenis van de desbetreffende praktijk, tot welke referentiekader het behoort, en wie zij zijn als deelnemers van de praktijkgemeenschap. De leden delen specifieke competenties waardoor ze zich onderscheiden van niet-leden en ze ontwikkelen een betekenisvolle (collectieve) identiteit.

Wat is lerend burgerschap (´learning citizenship´)?

Lerend burgerschap verwijst naar de mate waarin mensen open en geneigd zijn om van elkaar te leren en de mate waarin ze zich verantwoordelijk voelen om hun deelname aan leerpartnerschappen te beheren. Lerend burgerschap kan niet worden opgelegd, maar het kan wel worden gemotiveerd. Een belangrijke hulpbron is de kwaliteit van de leerinteracties, evenals de rol van leden die het concept van lerend burgerschap volledig belichamen door hun eigen ervaringen te gebruiken om anderen te inspireren. Zowel de individuen als het collectief dienen als leermiddelen voor elkaar. Lerend burgerschap kan worden gezien als een aspect van gemeenschapsvorming en tevens als het leerresultaat van de betrokkenheid van mensen in een praktijkgemeenschap.

Wat hebben van Beurden, de Haan & Jongmans (2018) onderzocht en wat zijn de belangrijkste conclusies van hun onderzoek?

Ze hebben vanuit een sociaal leerperspectief onderzocht hoe Marokkaans-Nederlandse ouders onder elkaar leren door middel van deelname aan een intercultureel bottom-up ouderschapsprogramma. De belangrijkste conclusies uit hun onderzoek zijn:

  • Het individuele leren van ouders is verweven met het leren als een groep.
  • Het programma formaliseert bestaande groepen als sociale leerruimtes door gestructureerde sessies van peer-to-peer leerinteracties met mensen die al regelmatig samenkomen voor sociaal-culturele evenementen. Deze specifieke rekruteringsmethode maakt gebruik van wat Wenger ´potentieel´ noemt om een leergemeenschap te activeren.
  • Ouders beheren hun peer-to-peer leerinteracties binnen en tussen de sociale leerruimtes tot aan hun sociale netwerken. Dit geeft aan dat het programma ouders uitnodigt om een gevoel van lerend burgerschap te ontwikkelen.
  • De ontvankelijkheid van de ouders is verhoogd door het plaatsen van de eigen ervaringen en culturele kennis van de ouders in een veelvoud van perspectieven. Door deel te nemen aan het programma wordt het verantwoordelijkheidsgevoel van de ouders beïnvloed, aangezien ze ontdekken dat er leermiddelen te vinden zijn in hun dagelijkse sociale relaties.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Parents' beliefs about the cause of parenting problems and relevance of parenting support van Van Mourik e.a. - 2016

Artikelsamenvatting bij Parents' beliefs about the cause of parenting problems and relevance of parenting support van Van Mourik e.a. - 2016

Samenvatting bij Parents' beliefs about the cause of parenting problems and relevance of parenting support: Understanding low participation of ethnic minority and low socioeconomic status families in the Netherlands van Van Mourik e.a. - 2016

Wat is opvoedingsondersteuning (´parenting support´)?

Opvoedingsondersteuning wordt gedefinieerd als individuele of groepsgebaseerde programma´s om ouders te ondersteunen bij het opvoeden van hun kinderen, verleend door formele diensten voor gezinsondersteuning of door niet- of semi-formele ondersteuningsdiensten. Door beter te begrijpen waarom ouders wel of niet gemotiveerd zijn om deel te nemen aan professionele ondersteuning zullen instanties beter in staat zijn om de geleverde diensten af te stemmen op de behoeften en percepties van de potentiële gebruikers. Met name ouders met een laag inkomen en de status van etnische minderheid hebben aan de ene kant vaker problemen, maar aan de andere kant nemen in mindere mate deel aan preventieve opvoedingsondersteuning. Daarbij zijn de oververtegenwoordigd in de verplichte vormen van zorg, zoals kinderbeschermingsdiensten. 

Welke factoren beïnvloeden de participatie van ouders in opvoedingsondersteuning?

Hoewel ouderlijke zorgen over een verscheidenheid aan problemen vaak voorkomen, leidt dit niet noodzakelijk tot deelname aan opvoedingsondersteuning. Deelname wordt beïnvloed door de perceptie van de ouders over het behandeltraject, de uitkomsten, de aanbieders, en de omgeving. Tevens zijn belangrijk het vermogen van de ouders om te veranderen en in behandeling te gaan, en de motivatie die zij hebben om met de behandeling te beginnen.

Hoe beïnvloeden de zorgen en overtuigingen van ouders de participatie in opvoedingsondersteuning?

De zorgen van ouders zijn cruciaal bij het zoeken naar zorg en het contacteren van professionals, aangezien zij de actoren zijn die bepalen of het gedrag van hun kind of de opvoedingssituatie professionele ondersteuning vereist. De opvattingen van de ouders zijn van invloed op het al dan niet relevant vinden van professionele ondersteuning. Deze opvattingen moeten worden beschouwd in de sociale en culturele context waarin mensen leven, evenals hun etnische- en migratieachtergrond. De invloeden van bepaalde culturen en sociaaleconomische omgevingen bieden een referentiekader voor het interpreteren van en reageren op het gedrag van kinderen en het functioneren van het gezin.

Hoe ontstaan de opvattingen van ouders over opvoedingsproblemen en de relevantie van opvoedingsondersteuning?

Twee kerncomponenten kwamen naar voren die de opvattingen van ouders over opvoedingsproblemen structureerden en die kunnen worden omschreven als oorzaak en controleerbaarheid. De reactie van ouders op opvoedingsproblemen is gebaseerd op hoe zij de problemen waarnemen en interpreteren in termen van wat ze heeft veroorzaakt (oorzaak), en op de mogelijkheden die bestaan om verandering teweeg te brengen (controleerbaarheid). Ouders hadden ook overtuigingen over of en wanneer het probleem kon worden opgelost en in hoeverre opvoedingsondersteuning daarbij een rol zou kunnen spelen.

Op welke manier verschillen de zorgen van ouders uit verschillende etnische minderheden?

Er werden verschillen gevonden tussen etnische groepen in de waargenomen oorzaak van de ongewenste opvoedingssituatie, waarbij ouders het belang benadrukten van de gevoeligheid van het kind, de persoonlijkheid, en het leven in twee culturen.

  • Antilliaans-Nederlandse ouders benadrukten het sociale leed dat zij ervaren met als gevolg sterke emoties, vooral tijdens de overgang naar het ouderschap. In deze groep waren veel zorgen over jong moederschap, financiële moeilijkheden en alleenstaand ouderschap.
  • Uit de studie kwam een Islamitische opvatting over de ontwikkeling van kinderen naar voren. Zij onderscheidden drie stadia in de ontwikkeling van hun kinderen die ze associeerden met specifiek opvoedgedrag: 0-6 jaar (spelen met de kinderen), 7-13 (disciplineren en regels aanleren), 14-20 (vriendschap met de kinderen sluiten).
  • Migranten van de tweede generatie beschouwden opvoedingsondersteuning als relevant omdat het hen in staat stelt nieuwe strategieën te leren en het Nederlandse opvoedingsgedrag te integreren.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Translating conceptualizations into practical suggestions: What the literature on radicalization can offer to practitioners van Young - 2014

Artikelsamenvatting bij Translating conceptualizations into practical suggestions: What the literature on radicalization can offer to practitioners van Young - 2014

Waar gaat het artikel van Young over?

In dit artikel wordt literatuur met betrekking tot extremisme, radicalisering en terrorisme besproken. Er wordt gekeken naar de indicatoren die kunnen helpen bij het voorkomen van deze gedragingen door professionals.

Wat was de gebruikte methode?

Dit artikel is gebaseerd op de activiteiten vanuit het TERRA: Terrorisme en Radicalisering, een Europees Netwerk-gebaseerde Preventie en Leerprogramma. Dit is een tweejarig onderzoeksprogramma. Dit onderzoek is begonnen met literatuuronderzoek en een review van literatuur. De gebruikte literatuur was gebaseerd op Europa, op modellen die het proces van radicalisering beschrijven, op signalen die aangeven of iemand wellicht in het proces van radicalisering zit en waar professionelen invloed op kunnen uitoefenen. Niet alle literatuur met betrekking tot radicalisering is dus gebruikt bij dit onderzoek. Ook is er geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten radicalisering, omdat onderzoek aantoont dat de oorzaken en de progressie van het radicaliseringsproces hetzelfde zijn. Daarnaast zijn er specifieke instrumenten ontwikkeld op basis van de literatuur die professionals kunnen gebruiken. Deze instrumenten kunnen door de professionals worden gebruikt om te begrijpen hoe en waarom hun betrokkenheid belangrijk is bij het radicaliseringsproces en op welke factoren zij moeten letten om vast te stellen of iemand in een radicaliseringsproces zit, of niet. Ook bevatten deze aanbevelingen voor professionals over wat zij wel en niet kunnen doen in deze situatie. Deze instrumenten zijn ontwikkeld door TERRA’s onderzoekers en een internationale groep van experts waaronder academici, professionals uit verschillende relevante velden, slachtoffers van terrorisme, voormalige radicalen en voormalige terroristen.

Wat is de definitie van de gebruikte termen?

Het is niet zo dat alle radicaliseringsprocessen leiden tot terrorisme. Radicalisering is dus niet hetzelfde als terrorisme. In dit artikel is de definitie die wordt gebruikt voor radicalisering:

“Een individueel of collectief (groeps)proces waarbij, meestal in een situatie van politieke polarisatie, normale praktijken van dialoog, compromis en tolerantie tussen politieke actoren en groepen met uiteenlopende belangen door een of beide partijen in een conflict worden laten varen doordat er een groeiend verlangen ontstaat om deel te nemen aan confronterende tactieken van conflictvoering. Deze kunnen bestaan uit (i) het gebruik van (geweldloze) druk en dwang, (ii) verschillende vormen van politiek geweld anders dan terrorisme, of (iii) daden van gewelddadig extremisme in de vorm van terrorisme en oorlogsmisdaden. Het proces gaat, aan de kant van rebellenfracties, over het algemeen gepaard met een ideologische socialisatie weg van de mainstream of status quo: georiënteerde posities die radicaler of extremistischer posities innemen met een dichotome wereldvisie en de acceptatie van een alternatief brandpunt van politieke mobilisatie buiten de dominante politieke orde, omdat het bestaande systeem niet langer als passend of legitiem wordt erkend.”

Deze bovenstaande definitie bevat zo wel individuele als groepsprocessen en een context. Zo kunnen groepsprocessen zijn dat er conflicten ontstaat tussen groepen. Hierdoor kan een individu een groeiend verlangen ervaren om gewelddadig gedrag te vertonen. Een belangrijk kenmerk van het radicaliseringproces is dat het perspectief van de persoon in het proces steeds meer afwijkt van algehele, geaccepteerde normen binnen de maatschappij. Er is geen duidelijke definitie van terrorisme en het is ook niet waarschijnlijk dat onderzoekers het eens worden over deze definitie. In deze studie is de gebruikte definitie van terrorisme: “elke actie… die is bedoeld om iemand te doden of serieus pijn aan te doen met het doel om een populatie te intimideren, of om een overheid of internationale organisatie te weerhouden van het uitvoeren van bepaalde acties”. Extremisme en radicalisering worden dus gezien als een afwijking van mainstream media met betrekking tot politieke, religieuze, en sociale ideeën. In dit artikel worden er verschillende modellen van het proces van radicalisering besproken. In het tweede gedeelte van dit artikel wordt er besproken hoe men deze modellen kan gebruiken om praktische aanbevelingen te maken om zo radicalisering te voorkomen.

Wat zijn psychologische modellen van het radicaliseringsproces?

Het is moeilijk om onderzoek te doen naar terrorisme, omdat terroristen vaak zelf ook doodgaan tijdens hun terroristische aanvallen. Degenen die wel overleven willen vaak niet meedoen aan onderzoek. Dit heeft academici er echter niet van weerhouden om modellen te ontwerpen die het psychologische proces van een persoon die radicaliseert weergeven.

Drie modellen die worden beschreven zijn de Moghadam’s Staircase to Terrorism Mosdel (2005), de McCauley and Moskalenko’s 12 mechanisms model (2008), en de Doosje and de Wolf’s matrix (2010). Deze modellen beschrijven het proces van radicalisering, plaatsen het binnen een bredere sociale en politieke context, beschrijven de tijdsvolgorde en benoemen specifieke sleutelfiguren die een rol kunnen spelen tijdens dit proces.

Moghadam's model

Moghadam’s model (2005) richt zich op het individuele en psychologische niveau en volgt het proces van gewone burger tot aan volledig operationele terrorist. Dit wordt gedaan aan de hand van vijf conceptuele trappen of verdiepingen. De begane grond bestaat uit de percepties van het individu over de algehele populatie. ‘Waargenomen ontbering’ is hierbij een belangrijk begrip, wat gaat over dat een individu het gevoel heeft dat zijn/haar religieuze, sociale, etnische, politieke of zelfs professionele groep niet dezelfde kansen heeft als de algehele populatie. Wanneer het individu het gevoel heeft dat hij of zij dit niet kan beïnvloeden door middel van legitieme middelen, kan dit ertoe leiden dat het individu een verdieping omhooggaat. Wanneer een individu zich op deze eerste verdieping bevindt, kan het worden voorkomen dat hij of zij verder omhooggaat door het bieden van legitieme middelen om de waargenomen ontbering te verminderen. Als deze legitieme middelen er niet zijn, dan kan het individu naar de volgende verdieping genaamd ‘verplaatsing van agressie’ voortgaan. Volgens Moghadam is dus de perceptie van het individu over de context heel erg belangrijk in het radicaliseringsproces. Sommige subculturen kunnen ertoe leiden dat een individu de maatschappij als gesloten en oneerlijk ziet. De grootste focus in Moghadam’s model ligt bij preventie. Wanneer individuen de tweede verdieping bereiken hebben zij het gevoel dat zij het onrecht niet kunnen veranderen door middel van legitieme doelen. Zij creëren een nieuwe moraliteit, zoals de schuld geven aan anderen voor de oneerlijke situatie. Ook beginnen zij terrorisme te accepteren. Op de derde verdieping genaamd ‘morele betrokkenheid’ begint het individu te geloven dat een ideale maatschappij haalbaar is en dat alle middelen hierbij gebruikt mogen worden. Op de vierde vierdieping genaamd ‘versteviging van categorisch denken en waargenomen legitimiteit van de terroristische organisatie’ is het individu lid van een terroristische organisatie en is dit een centraal deel van hun leven geworden. Op de vijfde en laatste verdieping genaamd ‘de terroristische act en het omzeilen van remmende mechanismen’ is het individu een terrorist. Hij of zij categoriseert de gewone burger als ‘zij’ en niet als ‘wij’. De terroristische act wordt uitgevoerd door middel van het omzeilen van remmende mechanismen, zoals het voorkomen van een schuldgevoel. Dit wordt gedaan door het heel snel uit voeren van de terroristische act, zodat er geen tijd en ruimte is voor het ontwikkelen van deze remmende mechanismen.Onderzoek heeft het idee van Moghadam’s model over de verschillende verdiepingen ondersteund. Het is echter niet geheel duidelijk hoe men van de ene naar de andere verdieping verplaatst.

Het 12 mechanismen model van McCauley en Moskalenko

In het 12 mechanismen model van McCauley en Moskalenko (2008) past bij Moghadam’s model. Het plaatst het beschreven gedrag binnen het model binnen een bredere context. Er worden drie domeinen geïdentificeerd waarin radicalisering plaats kan vinden: de individu, de groep, en de massa. Op het individuele niveau zijn er 5 mechanismen:

  1. Persoonlijk slachtofferschap.
  2. Politieke klachten.
  3. Lid worden van een radicale groep – het hellende vlak. Dit beschrijft het proces waarin het individu zich steeds meer aangetrokken voelt tot een groep en steeds meer betrokkenheid voelt.
  4. Aansluiten bij een radicale groep – de kracht van liefde. Dit beschrijft hoe familie en vrienden een individu kunnen betrekken bij een radicale groep.
  5. Extremiteitsverschuiving bij gelijkgestemde groepen. Dit beschrijft hoe contact met gelijkgestemden leidt tot polarisatie.

Op groepsniveau zijn er vier mechanismen:

  1. Extreme cohesie tijdens isolatie en bedreiging.
  2. Competitie voor dezelfde steun.
  3. Competitie met de staatsmacht – condensatie.
  4. Competitie binnen de groep – splijting.

Op massaniveau zijn er drie mechanismen:

  1. Jiujitsu politiek. Dit houdt in dat een populatie zich gaat keren tegen een leider of een beweging omdat zij zich bedreigd voelen.
  2. Haat. Dit houdt in dat een ‘out-groep’ als oorzaak wordt bestempeld voor waarom er oneerlijkheid in de wereld is.
  3. Martelaarschap.

De meeste factoren binnen dit 12 mechanismen model passen dus bij de derde tot vijfde verdieping in Moghadam’s model. De eerste stappen in het proces van radicalisering zijn gebaseerd op de perceptie van een individu over de omgeving en de nadruk ligt dus op psychologische factoren. In latere fasen zijn er specifieke actoren, ideologieën en groepsprocessen die van belang zijn.

Het matrix model van Doosje en de Wolf

Het matrix model van Doosje en de Wolf (2010) is gebaseerd op Moghadam’s model. In dit matrix model worden sociale en psychologische factoren die worden genoemd binnen Moghadam’s model vertaald naar indicaties van radicalisering en implicaties voor preventie of de-radicalisering. Ook worden er sleutelfiguren genoemd die een rol kunnen spelen bij interventies binnen elk niveau van het radicaliseringsproces. De database is gebaseerd op Islamitische radicalisering, maar de conclusies zijn ook belangrijk voor andere vormen van radicalisering.

Volgens onderzoek zijn terroristen vooral jonge mannen tussen de 15 en 25 jaar. Op basis van Moghadam’s model kan er ook gesteld worden dat vooral leden van etnische, religieuze, sociale of professionele minderheidsgroepen verhoogd risico op radicalisering lopen. Het matrix model stelt dat specifieke professionele groepen zoals beleidsmakers en de overheid een belangrijke rol spelen. Zij moeten ervoor zorgen dat middelen eerlijk worden verdeeld over gemeenschappen en dat geen enkele groep zich geïsoleerd voelt. Omdat de groep die het meeste risico loopt vooral bestaat uit jonge mannen is er ook een rol voor leraren en onderwijzers. Ook religieuze leiders spelen een belangrijke rol. Ook de politie speelt een belangrijke rol. Daarnaast stelt het werk van Moghadam dat etnische minderheden zich aangevallen kunnen voelen door de media. Daarom is er dus ook een rol voor journalisten bij het voorkomen van radicalisering. Er is weinig bekend over de rol van familie, alhoewel zij waarschijnlijk een grote rol spelen: zij kunnen veranderingen in gedrag opmerken. Daarnaast moeten zij ook worden gesteund door professionele groepen. Er moet hier meer onderzoek naar gedaan worden. Op basis van deze bevindingen kan er dus worden geconcludeerd dat leraren en andere werkers, religieuze leiders, journalisten en beleidsmakers belangrijke doelgroepen zijn van preventie en de-radicaliseringsprogramma’s.

Wat is er bekend over doelgroepen?

Moghadam’s model stelt dus dat leden van minderheidsgroepen een hoger risico lopen op radicalisering vergeleken met andere groepen. Het is echter moeilijk om te bepalen welke leden binnen een minderheidsgroep het hoogste risico lopen. Zo kunnen hoogopgeleiden als wel als mensen met een laag inkomen uiteindelijk radicaliseren. Het is ook niet het geval dat individuen die terroristische acties uitvoeren per se een mentale stoornis hebben.

Wat zijn de aanbevelingen?

De aanbevelingen vanuit dit onderzoek zijn:

  • Aanbevelingen moeten breed zijn en er moet rekening worden gehouden met het feit dat sommige etnische, politieke, en religieuze groepen kwetsbaarder zijn dan anderen, maar deze groepen moeten niet expliciet genoemd worden
  • Een preventieve aanpak moet zich richten op de jeugd; onderwijzers en scholen spelen dus een belangrijke rol
  • Gender bias bij degenen die radicaliseren moet in acht worden genomen, maar moet niet expliciet worden benoemd bij het opstellen van aanbevelingen.

Wat kunnen leraren en jeugdwerkers doen?

Naast ouders zijn leraren belangrijke figuren in het leven van een jong persoon. Jongere mensen zijn vaak op zoek naar een identiteit en dit kan ertoe leiden dat zij zich aansluiten bij radicale groepen. Zo kunnen er identiteitsconflicten ontstaan bij islamitische jongeren die opgroeien in een westerse wereld. Aanbevelingen voor leraren zijn:

  • Leraren die vakken zoals geschiedenis, religie en taal bieden zijn extra belangrijk voor preventie.
  • Wanneer er geschiedenis wordt geboden moet dit gericht zijn op het bouwen van een fundament voor de toekomst waarin alle etnische en religieuze groepen zich fijn bij voelen
  • Wanneer er religie wordt geboden moet er een focus zijn op bewustzijn van comparatieve religies en het promoten van een positieve religieuze identiteit
  • Alle leraren kunnen geholpen worden met instrumenten die hen kunnen helpen bij het herkennen van signalen die aantonen dat iemand in het proces van radicalisering zit
  • Het gebruik van verhalen is belangrijk en impactvol in het wervingsproces. Leraren kunnen studenten leren om verhalen kritisch en analytisch te bekijken. Zo worden studenten in staat om extreme verhalen in twijfel te trekken.

Wat kunnen religieuze leiders, journalisten en beleidsmakers doen?

Onderzoek toont aan dat radicalen, vooral radicale wervers, herkend kunnen worden door religieuze leiders. Zo zijn religieuze leiders in staat om:

  • Het klimaat binnen aanbidding en activiteiten die zouden kunnen worden ondernomen door radicalen te observeren 
  • Het stimuleren van een positieve identiteit door dingen zoals liefde, broederschap en compassie te stimuleren

Aanbevelingen voor journalisten zijn:

  • Het vermijden van een retoriek waarin een ‘zij en wij’ wordt beschreven en wordt benadrukt
  • Een positieve identiteit voor etnische en religieuze minderheidsgroepen te promoten, bijvoorbeeld door middel van het beneomen van positieve voorbeelden van coöperatie tussen minderheids- en meerderheidsgroepen
  • Het vermijden van nieuws waarin specifieke etnische en religieuze groepen in een negatief daglicht worden gezet
  • Het vermijden van avontuurlijke en spannende karakteristieken van terrorisme, omdat dit jonge mannen kan aantrekken
  • Bewustzijn van het belang van rapporteren over discriminatie

Beleidsmakers op lokaal en nationaal niveau moeten preventie- of de-radicaliseringsmaatregelen van de andere sleutelfiguren bevorderen en ondersteunen. Zonder hun steun ontbreekt het aan gemeenschapsbenaderingen en samenwerking aan een solide basis om op te werken. Aanbevelingen voor beleidsmakers zijn:

  • Beleidsmakers moeten zich verzetten tegen het gebruik van foltering en uitlevering in de gerechtelijke processen van de staat, aangezien deze praktijken een morele code schenden door burgers schade toe te brengen, en daarmee het radicale verhaal ondersteunen 
  • Het aanbieden van persoonlijke, maar geen politieke, concessies aan radicalen, waardoor ze zich kunnen losmaken van de groep zonder angst voor hun persoonlijke veiligheid
  • Erkennen dat ex-radicalen een sleutelrol kunnen spelen in gemeenschapsopbouwprogramma's in de nasleep van geweld

Wat is de conclusie?

In dit artikel is beschreven wie er risico lopen en welke doelgroepen dit kunnen voorkomen. Het is belangrijk om bewust te zijn van degenen die risico lopen, maar het is niet de bedoeling dat men zich alleen op deze groepen richt. Daarnaast is er beschreven wat elke doelgroep kan doen om dit te voorkomen.

Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Check more: click and go to more related summaries or chapters

Studiegids voor artikelsamenvattingen bij Cultural Diversity aan de Universiteit Utrecht

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2687 2
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector