Resistance/reactance level - summary of an article by Beutler, Harwood, Michelson, Song & Holman (2011)

Resistance/reactance level
Beutler, Harwood, Michelson, Song & Holman (2011)
Journal of clinical psychology: in session


Abstract

Patients exhibiting low levels of trait-like resistance respond better to directive types of treatment. Patients with high levels of resistance respond best to nondirective treatments.  

Introduction

Reactance is a patient’s failure to respond favourably with therapy procedures. This implies that the psychotherapy environment, including the psychotherapist, plays a role in including noncompliance. A therapist has some control over the failure of therapy resulting from a patient’s poor motivation or failure to change. It also reflects a failure of the therapist to fit treatment to the receptivity of the patient.

Definitions

Resistance and reactance

Psychoanalytic theory characterized resistance as the patient’s unconscious avoidance of unconscious threatening material that might be disclosed and threatened in analytic work. Resistance was an inherent striving to avoid, repress, or control conflicted thoughts and feelings. This implies both a state-like and trait-like quality associated with psychopathology. Once activated, this can escalate to become reactant-oppositional, noncompliant and rigid. This can include a failure to act.

Reactance is a state of mind aroused by a threat to one’s perceived legitimate freedom, motivated the individual to restore the thwarted freedom. This is more often confined to state-like behaviour that occurs in normal personality expression. This is expressed as directly oppositional behaviour.

Therapist directiveness

Therapist directiveness refers to the extent to which a therapist dictates the pace and direction of therapy and communicates as a direction of needed change, as well as the overall predominance of control established by the therapist to elicit change. It is the degree to which the therapist is the primary agent of therapeutic process or change through the selection of specific techniques and/or the adaption of a specific interpersonal demeanor.

Effective therapeutic change is greatest when the level of therapist directiveness corresponds inversely to patient level of resistance.

Summary of therapeutic practices

Low levels of trait-like resistance serve as indicators for patients who respond to directive interventions.

The following therapeutic practices are recommended: 1) psychotherapist can recognize the manifestations of resistance as both a state and trait. Cues for state-like manifestations of resistance include expressed anger at the treatment or therapist. 2) Therapeutic responses to expressions of resistant entail: acknowledgement and reflection of the patient’s concerns and anger, discussion of the therapeutic relationship and renegotiation of the therapeutic contact regarding goals and therapeutic roles. These responses are designed to defuse the immediate consequences of resistance and to infuse the patient with some sense of control. 3) Anticipate these reactions by initially assessing the level of patient reactance. 4) Match therapist directiveness to patient reactance. High reactance indicates a treatment that will de-emphasize therapist authority and guidance, employ task that are designed to bolster patient control and self-direction, and de-emphasize the use of rigid homework assignments. Homework assignments may be presented as experiments that require minimal over action on the part of the patient. The amount of listening versus talking should shift toward the patient. 5) Beware matching the level of therapist directiveness to the therapist’s reactance level. It is the patient’s level of reactance that provides the optimal fit. 6) Avoid stimulating the patient’s level of resistance 7) View some manifestations of client resistance as a signal that ineffective methods are being used.

Check more related content in this bundle:

Klinische gespreksvoering

Patiëntgericht communiceren - samenvatting van hoofdstuk 1 van Patiëntgericht communiceren in de GGZ

Patiëntgericht communiceren - samenvatting van hoofdstuk 1 van Patiëntgericht communiceren in de GGZ

Patiëntgericht communiceren in de GGZ
Hoofdstuk 1
Patiëntgericht communiceren


Wat is patiëntgericht communiceren?

Patiëntgericht communiceren is een manier van communiceren waarbij de hulpverlener zijn communicatiestijl zo veel mogelijk aanpast aan de patiënt en zijn situatie. Hij wilt weten wat de patiënt mankeert en wat er in hem of haar omgaat. Hierbij blijft de hulpverlener zichzelf.

De hulpverlener deelt als het kan de regie en de verantwoordelijkheid met de patiënt en bevorderd diens oplossingsvermogen en zelfredzaamheid.

De hulpverlener probeert het perspectief van de patiënt te achterhalen, zowel de kwetsbaarheid als weerbaarheid.

Als een patiënt binnenkomt, wilt de zorgverlener in de eerste instantie weten wat er aan de hand is. Er wordt een anamnese afgenomen om de symptomen te begrijpen en ene probleemdefinitie of diagnose te stellen. De hulpverlener wilt ook weten welke zorgen, ideeën, wensen en verwachtingen de patiënt heeft ten opzichte van de klachten.

Vier vragen helpen de hulpverlener een volledig beeld te krijgen: Wat is er met je gebeurt? Wat is je kwetsbaarheid en weerbaarheid? Waar wil je naartoe? Wat heb je nodig?

Dit is een herstelgerichte of psychosociale communicatiestijl genoemd. Hierin probeert de hulpverlener zowel de klacht als de patiënt te begrijpen.

De biopsychosociale communicatiestijl is zowel op ziekte als gezondheid gericht.

Tijdens een goed gesprek vullen biomedische en herstelgerichte communicatie elkaar aan.

Eigenschappen van patiëntgerichte communicatie

Interactief

Verbale uitingen hebben betrekking op wat iemand zegt, het inhoudsniveau. Non-verbale boodschappen hebben betrekking op hoe iemand iets zegt, het betrekkings- of relatieniveau.

Er is sprake van effectieve, interactieve communicatie als gesprekspartners op elkaar reageren en elkaar wederzijds beïnvloeden. De gesprekspartners zijn voortdurend zender en ontvanger. Ze geven elkaar op inhoudelijk en betrekkingsniveau feedback. De communicatie ontwikkeld zich geleidelijk tijdens de interactie. Er wordt een gezamenlijke betekenis geconstrueerd.

Er is een actieve participatie nodig van de cliënt. De mate waarin deze meedoet hangt samen met de mate waarin de hulpverlener cliëntgericht is.

Doelmatig en kosteneffectief

Het helpt als er bij aanvang samen gespreksdoelen worden geformuleerd. Het gesprek verloopt hierdoor efficiënter en effectiever.

Doelen maken het mogelijk het gesprek te evalueren.

Kost niet teveel tijd

Als de patiënt tijdens een eerste gesprek voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te uiten, leidt dit tot minder misverstanden en daardoor tot minder lange consulten.

Stelt gerust

Als patiënten naar een hulpverlener gaan hebben ze twee doelen:

.....read more
Access: 
Public
De patiëntgerichte hulpverlener - samenvatting van hoofdstuk 2 van Patiëntgericht communiceren in de GGZ

De patiëntgerichte hulpverlener - samenvatting van hoofdstuk 2 van Patiëntgericht communiceren in de GGZ

Patiëntgericht communiceren in de GGZ
Hoofdstuk 2
De patiëntgerichte hulpverlener


Kernwaarden

Het gaat vooral erom hoe je iets tegen een patiënt zegt. Iemands grondhouding of attitude is de persoonlijke, beroepsmatige instelling tegenover de patiënt.

De manier waarop iemand zich gedraagt tegenover een patiënt wordt bepaald door iemands gedachten en gevoelens. Je houding en je woorden moeten echt zijn.

Vier kernwaarden waar een patiëntgerichte hulpverlener aan moet voldoen zijn: echtheid, respect en acceptatie, empathie en compassie.

Echtheid

Echt zijn is jezelf zijn in the contact. Je bent authentiek, natuurlijk en spontaan. De non-verbale en verbale communicatie zijn in overeenstemming met wat je werkelijk denkt en voelt.

Om echt te kunnen zijn in het contact met de patiënt moet je weten wie je bent. Je moet in contact staan met je gevoelens en gedachten.

Het delen van de eigen belevingswereld met de patiënt moet functioneel zijn en in dienst staan van het welzijn van de patiënt.

Respect en acceptatie

Je accepteert de patiënt als je hem aanvaardt zoals hij is, zonder oordeel. Je respecteert de patiënt als je, binnen de grenzen van wat haalbaar en reëel is, gelooft in zijn zelfstandigheid, zelfredzaamheid, oplossingsvermogen, verantwoordelijkheid en gezond verstand.

De patiënt respecteren en hem accepteren houdt niet in dat je al zijn gedrag goedkeurt of dat je geen grenzen mag stellen. Het respect en acceptatie gaan in de eerste plaats over de lijdende, zoekende, falende mens, en niet zijn gedrag. Het is grenzen stellen aan lastig gedrag, zonder de mens zelf af te wijzen.

Empathie en professionele nabijheid

Empathie is inlevingsvermogen, het kunnen verplaatsen in de belevingswereld van e patiënt en hem als het ware van binnenuit kunnen begrijpen. Dit stelt in staat om professioneel nabij te zijn.

De zorg sluit nauw aan bij de behoeften en doelen van de patiënt. Wel hou je afstand en gun je elkaar wat meer ruimte, op die manier hou je beiden vrijheid in denken en handelen. Als dat niet wordt gedaan kun je een objectieve kijk op de zaken verliezen.

Het is belangrijk om de juiste balans te vinden tussen afstand en nabijheid.

Compassie

Compassie (of mededogen) is het vermogen om je betrokken te voelen bij pijn en lijden, zowel dat van jezelf als dat van anderen. Compassie voelen gaat samen met de wens pijn en lijden te verlichten en de bereidheid daarin verantwoordelijkheid te nemen.

Sympathie, empathie en compassie

Sympathie is een reactie als ‘wat erg voor je’. Het komt net te oppervlakkig over. Bij empathie voelen patiënten dat de hulpverlener het echt meent.

.....read more
Access: 
Public
Chief complaint and free speech - summary of chapter 2 of The first interview

Chief complaint and free speech - summary of chapter 2 of The first interview

The first interview
Chapter 2
Chief complaint and free speech


The chief complaint states the patient’s reasons for seeking care. The free speech encourages the patient to talk about all these reasons.

Directive versus nondirective questions

A directive interviewer explicitly provides the structure that tells the patient what sort of information is wanted. A nondirective interviewer absorbs whatever information the patient chooses to present. This usually yields strong rapport and reliable facts. An exclusively nondirective style produces less information.

A maximally effective initial interview will use both nondirective and directive questions.

Most of the early portion of your interview should be nondirective. This helps to establish a working relationship and to learn what sort of problems and feeling are uppermost in your patient’s mind.

Your opening request for information should clearly state what you expect of your patient.

The opening question

When you ask your first question, be specific. Let your patient know exactly what you want to hear about. The request can have two qualities that affect the type of information you will obtain: it tells the patient what sort of information you seek and it is open-ended. Broaden the scope of information that you might obtain, with more freedom to respond.

Open-ended questions and statements can serve two functions: 1) some request more information about a point 2) Move the story toward the present.

Close questions more narrowly direct the sort of answer desired in a few words. They are sometimes necessary to obtain the most information in the least time.

Early in the interview, open-ended questions are better to encourage patients to tell a story that touches on as many aspects of the case history as are relevant.

The chief complaint

The chief complaint is the patient’s stated reason for seeking help.

Importance

The chief complaint is important for either of two reasons: 1) It is usually the problem uppermost in the patient’s mind, it tells you what area you should explore first. 2) by contrast, sometimes the chief complaint is a flat denial that anything is wrong. If this is the case, it tips you off about your patient’s insight, intelligence, or cooperation.

Responding

Some chief complaints suggest that your patient doesn’t understand the purpose of the interview. If you

.....read more
Access: 
Public
Hardop denken, nuancerende empathie en confrontatie - samenvatting van een deel van hoofdstuk 6 en 7 uit Psychologische gespreksvoering

Hardop denken, nuancerende empathie en confrontatie - samenvatting van een deel van hoofdstuk 6 en 7 uit Psychologische gespreksvoering

Psychologische gespreksvoering
Lang en van der Molen


Hoofdstuk 6

Hardop denken

Hardop denken is de vaardigheid om gedachten (tot zover deze nuttig zijn voor een gesprek) op een voor de cliënt duidelijke wijze te verwoorden.

Nuttige gedachten maken de cliënt duidelijk: hoe de hulpverlener tot conclusies komt, waarom de hulpverlener iets vraagt of overstapt op een ander onderwerp en wat er in het hoofd van de hulpverlener omgaat.

Hardop denken heeft vier functies: 1) de samenwerking verloopt soepeler 2) het werkt angst reducerend 3) het heeft een voorbeeldwerking. De cliënt gaat ook hardop denken en de cliënt kan leren hoe de hulpverlener met problemen omgaat 4) het werkt pijnlijke situaties in een gesprek te voorkomen.

Bij hardop denken wordt er gebleven bij het onmiddellijke gesprek, geen metagesprek.

Hoofdstuk 7

Nuancerende empathie

Met nuancerende empathie toont de hulpverlener begrip en verdergaand inzicht in wat er in de cliënt omgaat. Het zijn interpretaties die verder van het referentiekader van de cliënt verwijderd zijn, maar tegelijkertijd ne scherpere of constructievere kijk op het probleem geven.

Hij he luisteren naar de cliënt kan de hulpverlener gebruik maken van de context van het verhaal van de cliënt en wat van hij weet uit de rest van het contact. De hulpverlener doet er goed aan interpretaties tentatief voor te leggen. Het leggen van verbanden is belangrijk. Hierbij moet er wel op gelet worden dat de verbanden wel echt bestaan.

De toon en de manier waarop de cliënt iets zegt levert vaak belangrijke informatie op. Door dit terug te geven krijgt de cliënt inzicht in wat dan tot nu toe niet onmiddellijk in zijn zicht lag.

Nuancerende empathie kan worden gebracht door samen te vatten. De hulpverlener weet hoofdzaken op een rij te zetten.

Door nuancerende empathie kan informatie zodanig voor de cliënt worden geordend dat deze een bredere, meer genuanceerde kijk op zijn problemen krijgt.

Confrontatie

Confrontatie is een versterkte vorm van nuancerende empathie. Bij confrontaties worden de interpretaties van de hulpverlener gebruikt die ver afliggen van het referentiekader van de cliënt, waardoor en schokkend effect kan ontstaan. Het hoofddoel is de cliënt tot nieuwe, constructieve inzichten te brengen.

In de hulpverlening betekend confronteren dat de hulpverlener een reactie geeft op een opvatting van de cliënt over zichzelf en zijn wereld die ingrijpend verschilt van die van de cliënt.

Ieder mens doet zich (soms) ‘beter’ voor dan hij is, ook tegenover zichzelf.

Confrontatie heeft als doel de cliënt een andere visie op zichzelf of zijn omgeving voor te

.....read more
Access: 
Public
Feedback geven ontvangen - samenvatting van hoofdstuk 20 uit Patiëntgericht communiceren in de GGZ

Feedback geven ontvangen - samenvatting van hoofdstuk 20 uit Patiëntgericht communiceren in de GGZ

Patiëntgericht communiceren in de GGZ
Van Staveren (2013)
Hoofdstuk 20 (feedback geven ontvangen)


De roos van Leary

De roos van Leary maakt de interactie tussen twee mensen inzichtelijk. Als de een zich onder gedraagt, gaat de ander bijna vanzelf boven zitten (complementaire reactie). Als de een zich samen gedraagt, dan doet de ander dat vaak ook, het hetzelfde geldt voor tegen (symmetrische reactie)

Probeer bewust te kiezen voor effectief gedrag, zoals de samen-meewerkende positie of een positieve formulering.

Constructief omgaan met kritiek

Kritiek voorkomen

Met patiënt gerichte vaardigheden kun je kritiek vorkomen. Ook kun je van tevoren expliciet laten weten dat je het op prijs stelt als de ander twijfels of onvrede in een vroeg stadium kenbaar maakt.

Werken met evaluerende meetinstrumenten helpt kritiek te voorkomen. Wees ook alert op non-verbale signalen.

Positief formuleren bij kritiek

Het is verstandig om op kritiek te reageren met een positieve formulering (zoals bedanken voor het advies). Ook kan het gezien worden als een teken dat de relatie kritiek toelaat.

Actief luisteren bij kritiek

Het is verstandig de gesprekspartner de gelegenheid te geven kritiek te ventileren. Probeer zodoende eventuele misverstanden in de eerste instantie te negeren. Indien iemand zich niet gehoord voelt, gaat deze zijn of haar kritiek harder verwoorden. Het is handig eerst onbevangen te luisteren zonder hem of haar in de reden te vallen en te doen wat je ook onder andere omstandigheden zou doen (samenvatten, doorvragen, nagaan of je het goed begrepen hebt). Met open vragen kun je de gevoelens en gedachten van je gesprekspartner achterhalen.

Laat je gesprekspartner weten dat je écht luistert. Herhaal letterlijk wat die persoon gezegd heeft.

Erkenning geven bij kritiek

Met kritiek laat de gesprekspartner zien wat hij niet wilt, dus vraag je af wat hij wel wil. Probeer na te gaan welke behoefte er achter kritiek schuilt.

Een manier om erkenning te geven is door reflectief te luisteren, let op wat de ander probeert te zeggen en geef dat in jouw eigen woorden terug.De onderliggende behoefte benoem je door een gevoelsreflectie. Indien je twijfelt kun je de reflectie vragenderwijs brengen. Erkenning kan ook worden gegeven door de ander om advies te vragen.

Erkenning is niet hetzelfde als goedkeuren of gelijk geven.

Inhoudelijk reageren op kritiek

Nadat je de gesprekspartner erkenning hebt gegeven, kun je reageren op de kritiek. Het beste is om hier eerst toestemming om te vragen. Met een ik-boodschap verklein je de

.....read more
Access: 
Public
Invoegen - samenvatting van hoofdstuk 3 uit Patiëntgericht comuniceren in de ggz

Invoegen - samenvatting van hoofdstuk 3 uit Patiëntgericht comuniceren in de ggz

Patiëntgericht comuniceren in de ggz
Hoofdstuk 3
Invoegen


Inleiding

In de kennismaking heeft de hulpverlener na een paar minuten al een hypothese gevormd over wat er mogelijk met de cliënt aan de hand is. De cliënt weet binnen een paar minuten of er een klik is.

Invoegen is subtiel aansluiten bij een ander, terwijl je jezelf blijft. Het is verbinding maken om daarna het initiatief in het contact over te nemen. Door je enigszins aan te passen, verklein je gevoelsmatig de onderlinge afstand.

Contact maken

Een gesprek begint met contact maken. De hulpverlener en cliënt trekken elkaars aandacht.

Noem bij het begroeten naast je eigen naam die van de cliënt. Hiermee blaat je blijken dat je weet wie hij is.

Bij succesvol contact maken gaat het vaak om kleine gebaren. Stel de cliënt op gemak door et beginnen met smaltalk. Dit zorgt voor een goede verstandshouding en zo het opbouwen van een goede werkrelatie.

Vertel de cliënt zo nodig iets over je rol of functie en over de aanleiding tot het gesprek.

Het is vaak verstandig om vooraf een eindtijd af te spreken.

Ruimte geven

Om inzicht te krijgen met wat er in de cliënt omgaat is het verstandig hem na de eerste kennismaking even de ruimte te laten om zich op zijn eigen wijze te gedragen. Dit geeft veel informatie.

Non-verbaal invoegen: lichaamstaal

Het belangrijkste deel van de communicatie is non-verbaal.

De vorm gaat boven de inhoud

Non-verbale communicatie kan verbale communicatie versterken of ontkrachten. Als de verbale boodschap strijdig is met de non-verbale, dan wint de non-verbale.

Non-verbale informatie gaat aan de verbale communicatie vooraf. Het vormt belangrijke diagnostische aanwijzingen. Interpreteer de signalen niet te snel, maar maak een mentale notitie of je erop in wilt gaan. Soms is het beter om af te wachten.

Oogcontact

Oog contact is de belangrijkste non-verbale uiting.

Over het algemeen begin je als spreker met het aankijken van de gesprekspartner, kijk je tijdens het spreken af en toe weg, en eindig je met oogcontact. Hiermee wordt aangegeven dat de ander aan de beurt is. Door tijdens het spreken de ander af en toe aan te kijken kun je accenten aanbrengen, de aandacht vasthouden

.....read more
Access: 
Public
Investeren in de relatie - samenvatting van hoofdstuk 5 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Investeren in de relatie - samenvatting van hoofdstuk 5 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 5
Investeren in de relatie


Inleiding

Een goede samenwerkingsrelatie tussen cliënt en hulpverlener is cruciaal voor de effectiviteit van iedere interventie.

Aspecifieke factoren zijn: een goede hulpverlenersrelatie, vertrouwen in de hulpverlener en de hulpinstelling, vertrouwen in eigen mogelijkheden, grip krijgen op de situatie, positieve verwachtingen en hoop.

Een goede relatie en optimisme zijn herstel ondersteunend.

Complimenteren

Complimenten zijn uitingen van waardering. Ze dragen bij aan een goede verstandshouding.

Als je de cliënt complimenteert doe je dat om zijn eigenwaarde te versterken of voor een prettige relatie. Je bekrachtigd het gedrag.

Het meest effectieve compliment is specifiek en op de persoon gericht, om maat gesneden en werkelijk gemeend. Vraag daarom altijd naar persoonlijke kwaliteiten, hobby’s en (vroegere) werkzaamheden van de cliënt.

Copingsstijl is een compliment waard.

Soms is het geven van een compliment minder gepast. Het ontvangen kan een cliënt in verlegenheid brengen. Dit omzeil je met een indirect compliment. Een indirect compliment (een vraag) nodigt de cliënt uit zichzelf te complimenteren.

Teveel complimenten is niet goed.

Erkenning geven

Erkenning geven is valideren of bevestigen. Het is gebaseerd op empathie. Het is een vorm van waardering en begrip geven die verder gaat dan een compliment. Je laat blijken dat je de cliënt echt begrijpt. Je kunt het lijden van de cliënt erkennen, maar vergeet niet ook de sterke kanten te benadrukken.

Je kunt een cliënt nooit te veel erkenning geven.

Erkenning is niet hetzelfde als instemming.

Hoe geef je effectief erkenning?

Laat blijken dat je weet wie de cliënt is

De meest elementaire en belangrijkste wijze van erkenning geven is om de cliënt zo nu en dan bij zijn naam te nomen en gepast oogcontact te maken.

Zo laat je weten dat je weet wie hij is en dat hij er mag zijn. Laat af en toe subtiel weten dat je zijn dossier hebt gelezen.

Laat de ingebrachte klacht even bestaan

Stel de cliënt niet direct gerust bij het horen van een klacht of probleem. Je geeft erkenning door de klacht of probleem even te laten bestaan. Anders kun de cliënt het gevoel geven dat hij zich aanstelt.

Wacht met erkenning geven op het juiste moment

De cliënt effectief erkenning geven lukt pas als je weet waar de cliënt mee zit. Het best kun je ze erkennen met

.....read more
Access: 
Public
Omgaan met heftige emoties - samenvatting van een gedeelte van hoofdstuk 11 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Omgaan met heftige emoties - samenvatting van een gedeelte van hoofdstuk 11 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 11
Omgaan met heftige emoties


Inleiding

Emoties werken aanstekelijk.

Het gedrag van iemand die hevig geëmotioneerd is valt niet te voorspellen. Zo iemand raakt vaak de controle over zichzelf kwijt.

Laat het niet uit de hand lopen. Als het risico van escalatie hoog is, is het de vraag of het niet verstandiger is het gesprek af te breken en op een later tijdstip weer te hervatten.

Herkennen van emoties, overdracht en tegenoverdracht

Herkennen van emoties van de patiënt

Emoties komen tot uiting in het affect. Dit is de zichtbare en hoorbare expressie van emotie.

Discrepantie tussen non-verbale en verbale communicatie is veelzeggend en bied informatie over onderliggende emoties en motieven. De non-verbale communicatie geeft het meeste informatie.

De vijf B’s zijn: boos, blij, bang, bedroeft en beschaamd.

De vijf B’s (basisemoties) komen in allerlei combinaties voor, waardoor nuances ontstaan. Ze kunnen elkaar afzwakken en aansterken. Ook komen ze in verschillende intensiteit voor.

Herkennen van eigen emoties

Emoties kun je het beste accepteren en respecteren.

Je kunt het beste ook van jezelf nagaan hoe je je voelt en hoe dat komt.

Als je je eigen gevoelens niet onder controle krijgt kan het beter zijn het gesprek te beëindigen.

Herkennen van overdracht en tegenoverdracht

Heftige emoties kunnen een aanwijzing zijn voor (tegen)overdracht, zeker als deze emoties niet in overeenkomst zijn met de waarheid.

Overdracht is het onbewust overdragen van vroegere niet-vervulde behoeften op personen in het hier-en-nu. Deze personen of situaties roepen associaties op met het vroegere, maar hebben er op zich niets mee te maken. Overdracht is het in het hier en nu herhalen van een interactiepatroon uit een belangrijke relatie uit het verleden, in een poging om iets te herstellen wat eerder in die oude relatie fout ging.

Tegenoverdracht is een onbewuste reactie op de overdracht van de cliënt.

Bij heftige emoties moet je je bewust zijn van de mogelijkheid van (tegen)overdracht.

Contact maken volgens de pre-therapie van Prouty

Soms is de patiënt zo hevig geëmotioneerd dat hij het contact met de realiteit kwijt is. Om in gesprek te komen moet je eerst

.....read more
Access: 
Public
Sensitive subjects - summary of chapter 9 of the first interview

Sensitive subjects - summary of chapter 9 of the first interview

The first interview
Chapter 9
Sensitive subjects


Introduction

If your patient doesn’t mention sensitive topics spontaneously, you should bring them up. Don’t wait until the very end of the interview to do this.

Suicidal behaviour

Delving into suicidal behaviour is a must. Nearly every mental health diagnosis confers some degree of suicide risk beyond what is found in the general population.

If the patient raises the topic, you can pursue it with a degree of comfort. Unless your patient seems unusually uncomfortable, you don’t need to apologise if you ask this question yourself.

If the patient says he hasn’t had any suicidal thoughts, and this seems to jibe with the patient’s mood and recent behaviour, you can accept this as a simple fact and move on. If the response is equivocal or delivered with telltale body language you must pursue the matter.

If your questioning seems to cause discomfort, you may need to comment on the distress.

If actual attempts occurred prior to this episode, memories may be dim. You should learn as much as you can about previous attempts. This can help you 1) predict what your patient might do next 2) assess what actions you should take.

Get answers to these questions about previous attempts 1) how many have there been 2) when did they occur 3) where was the patient at the time? 4) what was the patients mood at the time? 5) what methods were used? 6) was the attempt under influence of drugs or alcohol? 7) did the patient have other mental disorders at the time? 8) what were the stressors that preceded the suicidal behaviour? 9) how serious were the attempts?

Physical and psychological seriousness

The seriousness of a suicide attempt is judged in two ways 1) how physically harmful it was. An attempt is serious when it results in significant bodily harm 2) how strong the patient’s intent to die was.

Some attempts are highly unlikely to cause any serious harm. These gestures suggest that the patient had in mind some purpose other than dying. You must learn what intention lays behind it.    For some, your best course of obtaining information could be to infer intention from behaviour. Planning and preparation are usually associated with more serious attempts. Inaction after an attempt should ring an alarm. Feelings after being rescued are informative.

You must correlate whatever you learn about previous suicide ideas and attempts with your patient’s current thinking on the subject.

.....read more
Access: 
Public
Emotion regulation: taking stock and moving forward - summary of an article by Gross (2013)

Emotion regulation: taking stock and moving forward - summary of an article by Gross (2013)

Emotion regulation: taking stock and moving forward
James Gross (2013)
American psychological association


What is emotion regulation?

Emotion regulation require the activation of a goal to up- or down-regulate either the magnitude or duration of the emotional response. 1) Intrinsic emotion regulation is when the goal is activated in oneself 2) extrinsic emotion regulation is when someone else regulates the emotions.

Once a goal to regulate emotion has been activated, many different processes may be recruited.

How do people regulate their emotions?

People try to decrease and increase emotions.

The information-processing model treats each step in the emotion-generative process as a potential target for regulation. Each point represents a family of emotion regulation processes: 1) situation selection 2) situation modification 3) attentional deployment 4) cognitive change 5) response inhibition.

Emotion regulation often alters the context that gave rise to the emotion in the first place.

How cares how people regulate their emotions?

Different forms of emotion regulation have different consequences. They influence the emotion-generative process at different stages.

Suppression is a behaviourally oriented form of emotion regulation. A person decreases emotion-expressive behaviour while emotionally aroused. 1) It leads to decreased positive but not negative emotion experience 2) it leads to worse memory 3) it leads to less liking from partners

Reappraisal  is a cognitively oriented form of emotion regulation. A person tries to think about a situation in a way that alters the emotional response. 1) It leads to decreased levels of negative emotion experience and increase positive emotion experience 2) it has no impact on memory 3) it has no detectible adverse consequences for social affiliation.

How does emotion regulation vary over the life span?

In infancy, extrinsic emotion regulation is initially dominant. In early to middle childhood, advances in linguistic, cognitive, and motor abilities enable additional emotion regulation capabilities. In adolescence, the maturation of prefrontal regions enables important new cognitive forms of emotion regulation.

.....read more
Access: 
Public
Positief heretiketteren en eigen voorbeelden - samenvatting van een deel van hoofdstuk 7 uit Psychologische gespreksvoering

Positief heretiketteren en eigen voorbeelden - samenvatting van een deel van hoofdstuk 7 uit Psychologische gespreksvoering

Psychologische gespreksvoering
Hoofdstuk 7
Nuancerende vaardigheden


Positief heretiketteren

Positief heretiketteren is een nieuwe, positieve betekenis geven aan de oorspronkelijk als negatief beleefde onderdelen van een probleem. Er wordt geprobeerd de klachten zelf een positieve betekenis toe te kennen. Zo kun je ook ene positief motief voor gedrag aangeven.

Functies van positief heretiketteren

De functies van positief heretiketteren zijn: 1) het negatieve zelfbeeld van de patiënt wordt gewijzigd 2) door een genuanceerdere kijk op probleemgedrag kan beter worden bepaald welke stappen er moeten worden gezet om iets aan de problemen te doen 3) de hulpverlener krijgt een compenserende werking op de invloeden en normen ten aanzien van gewenst gedrag die een rol spelen in de omgeving van de cliënt.

Indicaties voor de toepassing van positief heretiketteren

Het aanbrengen van een positief etiket is wenselijk als 1) de cliënt zelf een verklaring voor gedrag, gedachten of gevoelens heeft die dysfunctioneel is en doe tot gevolg heeft dat er geen verandering komt in de problematische situatie 2) de cliënt geen verklaring heeft voor datgene wat problematisch is.

Of de cliënt instemt met de heretikettering hangt af van de geloofwaardigheid van de interpretatie.

Eigen voorbeelden

Met eigen voorbeelden wordt bedoelt dat de hulpverlener iets van zijn eigen betekenisvolle ervaringen deelt met de cliënt, en zo laat zien wat er in hem omgaat of vroeger is omgegaan.

Dit heeft verschillende functies: 1) de hulpverlener laat merken dat wat de cliënt zegt hem niet vreemd in de oren klinkt 2) het helpt de cliënt onder woorden te brengen wat hij zelf niet kan of durft te verwoorden 3) het feit dat de hulpverlener over zichzelf vertelt verhoogd de waarschijnlijkheid dat de cliënt zich persoonlijk uit. Hij leert dit van een voorbeeld

Het gebruik van eigen voorbeelden vraagt om het goed aanvoelen van de cliënt en diens situatie. Het moet nauw bij het referentiekader aansluiten.

De hulpverlener moet oppassen voor kunstmatig en te frequent gebruik van deze vaardigheid. Dit kan leiden tot ongeloofwaardigheid.

Een voorwaarde voor het geven van eigen voorbeelden is dat de hulpverlener deze ‘onproblematisch’ brengt, en niet actueel of klemmend.

Access: 
Public
Actief luisteren, vragen stellen en stil durven zijn - samenvatting van hoofdstuk 4 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Actief luisteren, vragen stellen en stil durven zijn - samenvatting van hoofdstuk 4 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 4
Actief luisteren, vragen stellen en stil durven zijn


Inleiding

Patiëntgericht communiceren gaat uit van kwetsbaarheid en weerbaarheid.

Om informatie te winnen moet je actief luisteren. Dit betekend structuur aanbrengen, vragen stellen, reflectief luisteren ne stil durven zijn. Het vereist dat je met niets anders bezig bent en dat je de cliënt je volle aandacht geeft. Je luistert ook naar hoe dingen gezegd worden.

Laat de cliënt weten dat je luistert zonder het verhaal te veel te onderbreken.

Structuur aanbrengen

Een duidelijke structuur is een voorwaarde voor een effectief en efficiënt gesprek. Het bevordert de relatie en daarmee de samenwerking. Je beid de cliënt en jezelf houvast.

Structuur breng je aan door gebruik te maken van vaardigheden als: 1) agenderen 2) parafraseren 3) metacommuniceren 4) hardop denken 5) terugleiden 6) samenvatten 7) markeren 8) de tijd bewaken.

Hoeveel structuur

Hoeveel structuur er nodig is, is afhankelijk van de cliënt zelf en het soort gesprek.

Reflectief luisteren

Reflectief luisteren is actief luisterend gevolgd door een reflectie. Met een goed getroffen reflectie toon je empathie en geef je erkenning. Ook toets je je interpretatie.

Een goede reflectie bevat net genoeg nieuwe elementen om de cliënt te prikkelen over iets nieuws na te denken, en net genoeg bekende elementen om ervoor te zorgen dat de reflectie herkenbaar blijkt en deze de cliënt niet bevreemdt of afschrikt.

Hoe luister je reflectief?

Let goed op wat de cliënt bedoelt uit te drukken. Luister naar de vraag achter de vraag.

Om goed te kunnen reflecteren, moet je je goed kunnen inleven en tegelijkertijd genoeg afstand bewaren. Vooral sleutelwoorden zijn belangrijk. Dit zijn woorden of zinnen die de cliënt (non)verbaal benadrukt. Dit zijn affectbeladen onderwerpen.

Basale reflecties

Met een basale reflectie druk je het vermeende onderliggende gevoel voorzichtig uit. Bijvoorbeeld: ‘Het klinkt alsof…’.

Met een basale reflectie geef je aan dat je het niet beter weet dan de cliënt. Je doet een poging de cliënt goed te begrijpen en rekent erop dat hij je eventueel zal corrigeren en aanvullen.

Een nadeel aan een reflectie in de vorm van een vraag is dat het en antwoord vereist, en het zo vaart uit het verhaal haalt.

Complexe reflecties

Een complexe reflectie is een reflectie in de vorm van een uitspraak. Dit is krachtiger dan

.....read more
Access: 
Public
Evalueren en afronden - samenvatting van hoofdstuk 9 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Evalueren en afronden - samenvatting van hoofdstuk 9 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 9
Evalueren en afronden


Het is tijd

Van tevoren afspraken maken over de duur van het gesprek voorkomt veel problemen. Met de woorden ‘tijd voor u’ geef je aan dat de tijd exclusief voor de cliënt is.

Door de cliënt te vragen hoeveel tijd hij nodig denkt te hebben geef je hem meer regie en verantwoordelijkheid over het verloop van het gesprek. Hiermee geef je vertrouwen aan.

Het ijs belangrijk om je zo veel mogelijk aan de afgesproken tijd te houden. Over de tijd heengaan is een vorm van milde grensoverschrijding.

Als de afgesproken tijd bijna om is, herinner je de cliënt aan jullie afspraak. Als de cliënt over iets nieuw begint leg je hem uit dat je daar nu niet op ingaat.

Samenvatten

Met een slotsamenvatting ga je kort na of je beiden niets vergeten bent, of je elkaar goed begrepen hebt, en of de cliënt zich gehoord voelt, tevreden is met de aanpak, het advies of het behandelplan. Met een samenvatting markeer je het einde van het gesprek.

De samenvatting eindigt met een uitnodiging om de cliënt de gelegenheid te geven iets te corrigeren of er iets aan toe te voegen.

Houvast bieden

Met een ‘vangnetadvies’ bied je de cliënt houvast. De cliënt moet weten waar hij op moet letten en wat hij moet doen als de klachten verergeren, als er complicaties optreden of als hij bijwerkingen krijgt van medicatie.

Non-verbaal benadruk je de boodschap door oogcontact te maken, iets voorover te zitten en je stem licht te verheffen.

Ga na of dit voor de cliënt duidelijk, haalbaar en uitvoerbaar is.

Geef zo nodig namen en telefoonnummers mee van hulpverleners en instanties die de cliënt en zijn naasten ook buiten kantoortijden kunnen bellen.

Als je het gesprek moet beëindigen terwijl de cliënt geëmotioneerd is, breng hem dan terug met vragen naar het hier en nu.

Evalueren

Idealiter rond je het gesprek af met een evaluatie. Je beoordeelt of het gesprek tot het beoogde resultaat heeft geleid.

Evalueren met evaluatievragen

Een goede evaluatievraag sluit specifiek aan bij het beoogde gespreskdoel of behandeldoel van de cliënt en eindigt met de vraag of de cliënt zich gehoord voelt, of de ingeslagen weg nog steeds de juiste lijkt en of hij voldoende weet.

.....read more
Access: 
Public
When I’m good, I’m very good, but when I’m bad I’m better: A new mantra for psychotherapists - summary of an article by Duncan and Miller (2008)

When I’m good, I’m very good, but when I’m bad I’m better: A new mantra for psychotherapists - summary of an article by Duncan and Miller (2008)

When I’m good, I’m very good, but when I’m bad I’m better: A new mantra for psychotherapists
Duncan and Miller (2008)
Psychotherapy.net


Introduction

The majority of clients experience change in the first six visits. Early change predicts engagement in therapy and ongoing benefit.  

The outcome rating scale (ORS)

The ORS assesses three dimensions: 1) personal or symptomatic distress 2) interpersonal well-being 3) social role.

Changes in these dimensions are considered widely to be valid indicators of successful outcome.

The ORS translates the three areas and an overall rating into a visual analog format of four 10-cm lines. The score is the summation of the marks made by the client to the nearest millimetre on each of the four lines

It can bring the risk of negative outcome front.

The session rating scale (SRS)

Client’s ratings of the alliance are far more predictive of improvement than the type of intervention or the therapist’s rating of the alliance.

The session rating scale (SRS) measures to encourage routine conversations with clients about the alliance. It contains four items: 1) A relationship scale rates the meeting. ‘I did not feel heard, understood and respected’ to ‘I felt heard, understood and respected’ 2) Goals and topics ‘We did not work or talk about what I wanted to work on or talk about’ to ‘We worked on or talked about what I wanted to work on or talk about’ 3) Apporach or method scale ‘The approach is not a good fit for me’ to ‘The approach is a good fit for me’ 4) How the client perceives the encounter in total ‘There was something missing in the session today’ to ‘Overall, today’s session was right for me’

The SIS translates what is known about the alliance into four visual analogue scales, with instructions to place a mark on a line with negative responses depicted to the left and positive responses indicated on the right.

The SRS allows alliance feedback in real time so that problems may be addressed.

An alliance problem that occurs frequently emerges when the client’s goals do not fit our own sensibilities about what

.....read more
Access: 
Public
Regulerende vaardigheden - samenvatting van hoofdstuk 6.5 van Psychologische gespreksvoering

Regulerende vaardigheden - samenvatting van hoofdstuk 6.5 van Psychologische gespreksvoering

Psychologische gespreksvoering
Hoofdstuk 6.5
Regulerende vaardigheden


Terugkoppelen naar (begin)doelen

Terugkoppelen naar begindoelen is de vaardigheid van de hulpverlener om te zorgen voor haalbare doelen en deze effectief te bewaken en na te streven.

Het doel van de hulpverlening is de oplossing van de problemen. Om dit te bereiken worden subdoelen gesteld. Deze moeten realistisch gesteld worden.

Als de cliënt in de fase van probleemverheldering meerdere thema’s aanvoert, dan wordt het subdoel het apart bespreken van de thema’s, tot ze allemaal voldoende verhelderd zijn.

De doelen en plannen die van te voren gesteld zijn hebben niet tot gevolg dat alles tot in details geregeld is. Het is belangrijk om doel-terugkoppelingsvragen te stellen. Hiermee worden resultaten geëvalueerd aan de hand van de gestelde doelen. De antwoorden hierop kunnen leiden tot bijstelling van de oorspronkelijke doelen.

Situatie verduidelijken

Situatie verduidelijken is de vaardigheid van de hulpverlener de in het gesprek of in de relatie opduikende onduidelijkheden tijdig te onderkennen, het belang ervan te beseffen en deze in het gesprek ter sprake te brengen.

Deze vaardigheid is altijd belangrijk, met name as de wederzijdse verwachtingen niet (meer) op elkaar afgestemd zijn. De samenwerking zou zo kunnen worden verstoord en de vaardigheid is om deze verstoring te herstellen. Hiervoor moet de hulpverlener goed doel en inhoud van het proces in de gaten houden.

Er moet hier sprake zijn van een metagesprek waarin men afstand neemt van het onmiddellijke gesprek (een gesprek over het gesprek).

Om situatie-verduidelijken te kunnen toepassen is het nodig dat de hulpverlener enige distantie bewaard ten opzichte van wat er in het gesprek onmiddellijk gebeurt.  

Een situatieverduidelijking als de cliënt iets wil wat niet spoort in het gesprek werkt in zeven stappen: 1) een parafrase en/of gevoelsreflectie om te laten merken dat de hulpverlener snapt wat de cliënt wilt 2) metacommunicatie over het ‘misverstand’ in het onmiddellijke gesprek 3)  mededeling over wat de hulpverlener niet wilt en waarom niet 4) mededeling over wat de hulpverlener wel wil en waarom 5) hulpverlener vangt de reactie van de cliënt op met parafrases en/of reflecties, en soms toelichting 6) afspraak maken over ‘herstelde’ aanpak volgens stap 4 7) terug naar het onmiddellijke gesprek en de vraag die daar het laatst aan de orde was.

Als de hulpverlener geen initiatief neemt om datgene wat er in het gesprek gebeurt aan de orde te stellen, dan blijven er impliciete verwachtingen een rol spelen.

Het gesprek stoppen en een bespreking arrangeren op metaniveau verhoogt de kans dat onduidelijkheden de wereld uit

.....read more
Access: 
Public
Directheid - samenvatting van hoofdstuk 7.3.5 van Psychologische gespreskvoering

Directheid - samenvatting van hoofdstuk 7.3.5 van Psychologische gespreskvoering

Psychologische gespreksvoering
Hoofdstuk 7.3.5
Directheid

Directheid

Directheid houdt in dat er openlijk besproken wordt wat er in het ‘hier-en-nu situatie’ van het contact tussen de cliënt en hulpverlener afspeelt.

Bij directheid onderbreekt de hulpverlener het onmiddellijke gesprek met de cliënt om hem te wijzen op iets kenmerkends over zijn manier van doen of praten, dat bredere betekenis heeft voor het zelfinzicht van de cliënt.

Het doel van directheid is na te gaan of dat patroon ook voorkomt in het gewone leven van de cliënt. De cliënt kan zo een beter inzicht krijgen in wat hij bij anderen (soms) teweegbrengt. Doordat de hulpverlener deze uitwerking expliciet aan de orde stelt in het gesprek wordt bij de cliënt een leerproces in gang gezet.

De hulpverlener moet oppassen voor al te brede generalisaties. De directheid dient qua toon peilend en vragend te zijn.

Directheid is in twee gevallen op zijn plaats 1) Als de hulpverlener zelf onprettige gevoelens heeft over de voortgang van het gesprek en hij daarnaast het idee heeft dat het verwoorden van die gevoelens de mogelijke oorzaak daarvan de voortgang van het gesprek kunnen bevorderen 2) als de hulpverlener het idee heeft dat de cliënt bepaalde gedachten en gevoelens heeft over zijn relatie met de hulpverlener moeilijk onder woorden kan brengen.

Access: 
Public
Resistance/reactance level - summary of an article by Beutler, Harwood, Michelson, Song & Holman (2011)

Resistance/reactance level - summary of an article by Beutler, Harwood, Michelson, Song & Holman (2011)

Resistance/reactance level
Beutler, Harwood, Michelson, Song & Holman (2011)
Journal of clinical psychology: in session


Abstract

Patients exhibiting low levels of trait-like resistance respond better to directive types of treatment. Patients with high levels of resistance respond best to nondirective treatments.  

Introduction

Reactance is a patient’s failure to respond favourably with therapy procedures. This implies that the psychotherapy environment, including the psychotherapist, plays a role in including noncompliance. A therapist has some control over the failure of therapy resulting from a patient’s poor motivation or failure to change. It also reflects a failure of the therapist to fit treatment to the receptivity of the patient.

Definitions

Resistance and reactance

Psychoanalytic theory characterized resistance as the patient’s unconscious avoidance of unconscious threatening material that might be disclosed and threatened in analytic work. Resistance was an inherent striving to avoid, repress, or control conflicted thoughts and feelings. This implies both a state-like and trait-like quality associated with psychopathology. Once activated, this can escalate to become reactant-oppositional, noncompliant and rigid. This can include a failure to act.

Reactance is a state of mind aroused by a threat to one’s perceived legitimate freedom, motivated the individual to restore the thwarted freedom. This is more often confined to state-like behaviour that occurs in normal personality expression. This is expressed as directly oppositional behaviour.

Therapist directiveness

Therapist directiveness refers to the extent to which a therapist dictates the pace and direction of therapy and communicates as a direction of needed change, as well as the overall predominance of control established by the therapist to elicit change. It is the degree to which the therapist is the primary agent of therapeutic process or change through the selection of specific techniques and/or the adaption of a specific interpersonal demeanor.

Effective therapeutic change is greatest when the level of therapist directiveness corresponds inversely to patient level of resistance.

Summary of therapeutic practices

Low levels of trait-like resistance serve as indicators for patients who respond to directive interventions.

The following therapeutic practices are recommended: 1) psychotherapist can recognize the manifestations of resistance as both a state and trait. Cues for state-like manifestations of resistance include expressed anger at the treatment or therapist. 2) Therapeutic responses to expressions of resistant entail: acknowledgement and reflection of the patient’s concerns and anger, discussion of the therapeutic relationship and renegotiation of the therapeutic contact regarding

.....read more
Access: 
Public
Omgaan met weerstand - samenvatting van hoofdstuk 10 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Omgaan met weerstand - samenvatting van hoofdstuk 10 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 10
Omgaan met weerstand


Inleiding

De bron van weerstand ontstaat in de interactie tussen hulpverlener en cliënt. Weerstand bij de een leidt, vaak onbewust, tot weerstand bij de ander. De cliënt laat met weerstand op indirecte wijze zien wat hij wel en niet wilt. Weerstand biedt zodoende waardevolle informatie.

Weerstand en afweer

Weerstand en afweer zijn copingsmechanismen die de cliënt moeten verdedigen tegen bedreigende gevoelens. Afweer houdt conflictueuze, beschamende of belastende zaken weg van bewustwording. Dit is voornamelijk een intrapsychisch en onbewust fenomeen. Het kan bewust worden gemaakt. Weerstand is interpersoonlijk en bewust, maar kan onbewust verlopen. Het kan zich op veel manieren manifesteren.

Invoegen bij weerstand

Niet alles wat op weerstand lijkt, is weerstand.

Na een schijnbaar vijandige openingszet van de cliënt is het zaak om een ogenblik plaats te maken. Let eerst op de nonverbale houding, en reageer dan pas.

Non-verbaal invoegen

Als het gesprek met weerstand lijkt te beginnen, is het zaak om zo in te voegen dat je in ieder geval aanwezig mag blijven en met de cliënt in gesprek raakt. Je moet kritiek en diskwalificaties naast je neer leggen ne je eigen irritatie en onmacht beheersen.

Neem bewust een open, uitnodigende lichaamshouding aan. Probeer te zoeken naar iets positiefs bij de cliënt en even stil te staan bij je compassie voor het lijden van de ander.

Invoegen met een parafrase

De meest eenvoudige en veilige reactie onverwachte weerstand van de cliënt is papegaaien of parafraseren. Dit geeft even bedenktijd.

Invoegen met een positieve formulering

Met een positieve formulering haal je de angel uit het gesprek. Het verast de cliënt en jij hebt de juiste toon te pakken, waarna het beter lukt een goed gesprek te voeren. Bijvoorbeeld ‘goed dat u het zegt’.

Ga er vanuit dat de cliënt een goede reden heeft te zeggen wat hij zegt, al weet jij nog niet welke. Vraag hier naar.

Invoegen door de weerstand te omzeilen.

Weerstand omzeil je door de cliënt af te leiden of op een zijspoor te zetten. Zo kun je bijvoorbeeld reageren met een wedervraag. De kunst is om écht nieuwsgierig te zijn naar de motivatie van de cliënt.

Patiëntgericht omgaan met weerstand

Reflectief luisteren naar de onderliggende behoefte

Om weerstand effectief weg te nemen moet je deze eerste

.....read more
Access: 
Public
Omgaan met heftige emoties - sammenvatting van hoofdstuk 11 (paragraaf 5, 6, 10) van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Omgaan met heftige emoties - sammenvatting van hoofdstuk 11 (paragraaf 5, 6, 10) van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 11
Omgaan met heftige emoties, Paragraaf 5, 6, 10


Invoegen bij woede

Non-verbaal invoegen bij woede

Bij een woedende cliënt bepalen jouw reacties voor een groot deel of het contact escaleert. Je moet bewust controle houden over wat je doet en zegt. Blijf rustig, respectvol en empathisch Kies een plek waar je kunt blijven staan of zitten en plaats jezelf niet frontaal tegenover de cliënt.

Sta bij voorkeur dicht bij de deur, maar niet recht ervoor.  

Hou fysiek zo veel mogelijk afstand.

Laat je handpalmen zien en laat je schouders ligt hangen. Draai nooit je rug toe. Je kunt het beste afwisselend wel en geen oogcontact maken. Vermijd plotse bewegingen. Als deze toch nodig zijn, kondig ze dan aan.

Hoe groter het publiek, des te groter het theater

De aanwezigheid van anderen kan de boze cliënt in wantrouwen en agressief gedrag versterken. Soms is het beter anderen te vragen de ruimte te verlaten, blijf wel binnen gehoorsafstand.

Als er sprake is van dreigende agressie dan voorkomt de aanwezigheid van zo veel mogelijk mensen escalatie.

Laat de patiënt even ventileren

Laat de boze woorden in de eerste instantie over je heenkomen. De patiënt is nu toch niet in staat tot een rationeel gesprek.

Pas op: laat het niet uit de hand lopen

Laat de situatie niet uit de hand lopen. Benoem en begrens direct de eerste tekenen van agressie. Wacht hierbij niet, agressie wordt enkel erger. Overweeg of je het gesprek stil wilt zetten en indien dat zo is, houd het bij jezelf. Jij bent nu niet in staat het gesprek voort te zetten. Zo vermijd je de patiënt te beschuldigen.

Verbaal invoegen bij woede

Praat met een rustige lage stem, gebruik korte zinnen en laat zo min mogelijk stiltes vallen. Noem de naam van de cliënt. Bied iets aan, als de patiënt dit opvolgt is de kans groter dat je er samen uit komt.

Ga ervan uit dat de cliënt een goede reden heeft om zich zo te voelen. Vraag hierna.

Invoegen bij manische euforie

Contact maken met iemand die aan een manische episode lijdt, is vanwege onrust en instabiliteit van het beeld moeilijk. Het affect is labiel en het kan omslaan in dysforie.

Bij manische patiënten is het belangrijk correct te blijven. Vraag hoe iemand aangesproken wilt worden.

Ingaan op de inhoud van een psychose heeft weinig zin. Blijf duidelijk,

.....read more
Access: 
Public
Omgaan met lastige interactiepatronen - samenvatting van hoofdstuk 12 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Omgaan met lastige interactiepatronen - samenvatting van hoofdstuk 12 van Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 12
Omgaan met lastige interactiepatronen


Inleiding

Om inzicht te krijgen in wat er in het contact is gebeurt, is het zinvol om de patiënt even de ruimte te geven om zich op zijn geheel eigen wijze te gedragen. Registreer wat je aan de patiënt, jezelf en de onderliggende interactie opvalt. Registreer ook je eigen gevoelens.

De rol van de hulpverlener in de interactie

Iedere hulpverlener heeft een eigen type moeilijke patiënten. Het is belangrijk te weten wie dat voor jou zijn.

De kernkwadranten van Ofman

Om je allergieën en uitdagingen in cliënten te leren kennen, ga je uit van kernkwaliteiten. Een kernkwadrant brengt in beeld hoe je kernkwaliteit met een valkuil, een allergie en een uitdaging is verbonden. Als je in een kernkwaliteit doorschiet, heb je er te veel van en wordt het een valkuil. Het tegenovergestelde van een kernkwaliteit is een allergie. Gedrag waar je meer van zou mogen hebben is een uitdaging.

Patiënten met een eigenschap die overeenkomt met jouw allergie, zijn degene met wie je waarschijnlijk het meeste moeite hebt.

Hulpvaardigheid kan een kernkwaliteit zijn.

De roos van Leary

In de Roos van Leary wordt de interactie tussen twee mensen in twee dimensies gevisualiseerd: 1) boven-onder, de behoefte aan invloed 2) samen-tegen, de behoefte naar acceptatie.

Aan de hand van de dimensies worden acht gedragsstijlen onderscheiden: 1) leidend 2) helpend 3) meewerkend 4) volgend 5) teruggetrokken 6) opstandig 7) aanvallend 8) concurrerend.

Gedrag is vaak voorspelbaar. 1) Als iemand zich ‘onder’ gedraagt, gaat de ander ‘boven’ zitten, dit is complementair 2) Als iemand zich ‘samen’ gedraagt, dan doet de ander dat ook. Dit is symmetrisch. 'Tegen’ provoceert ook ‘tegen’.

Als je doorhebt waar jij en de cliënt zich op de roos bevinden, dan kun je kiezen voor ander, effectiever gedrag

De reddingsdriehoek van Karpman

In de reddingsdriehoek spelen drie mensen mee: redder, slachtoffer en aanklager.

De patiënt zet zich vaak als hulpeloos slachtoffer neer. De hulpverlener zet zich ofwel in de rol van redder-expert (natuurlijk help ik) of in de rol van aanklager (zo gaan we niet met elkaar om).

Bij de reddingsdriehoek is er sprake van een verborgen paradoxaal appel. De hulpverlener behoudt de redder-positie, maar zodra dit faalt draaien de rollen om. Dan klaagt de patiënt de hulpverlener aan. De hulpverlener kan op twee manieren reageren: 1) hij

.....read more
Access: 
Public
Samen een behandeplan maken - samenvatting van hoofdstuk 7 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Samen een behandeplan maken - samenvatting van hoofdstuk 7 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 7
Samen een behandeplan maken


Inleiding

Een behandelplan bescrhijft het doel van de behandeling en hoe die behandeling gaat plaatsvinden. Het is het product van de samenwerking tussen cliënt en hulpverlener.

Idealiter is het opstellen van een behandelplan een onderhandelingsproces waarin cliënt en hulpverlener het eens worden over de behandeldoelen en de meest geschikte behandeling om die doelen te bereiken.

Er moet altijd een behandelplan komen.

Stappen om een behandelplan te maken zijn: 1) Het wederzijds uitwisselen van informatie 2) overeenstemming bereiken over een persoonlijke diagnose 3) vragen of de cliënt wil meedenken en meebeslissen 4) het samen formuleren van behandeldoelen 5) het afspreken van behandelinterventies 6) het schrijven van het behandelplan.

Behandeldoelen

Moet iemand te motiveren voor behandeling moet je weten wat op dat moment écht belangrijk voor hem is.

Het belang van behandeldoelen

Het formuleren van behandeldoelen is een noodzakelijke voorwaarde om de best passende behandeling voor de cliënt te vinden. Het is nodig om de behandeling effectief te laten verlopen. Duidelijke doelen maken het mogelijk om de behandeling te toetsen en te evalueren.

Behandeldoelen motiveren de cliënt en de hulpverlener voor de behandeling. Het maakt het mogelijk om te gaan denken over oplossingen.

Hoe preciezer de formulering, des te meer duidelijkheid en des te groter de kans op tevredenheid.

Behandeldoelen hebben de volgende functies: 1) ze maken behandeling efficiënt en effectief 2) ze motiveren hulpverlener en cliënt en helpen oplossingsgericht denken 3) ze vergroten de kans op succes en tevredenheid 4) ze helpen patiëntgericht te werken.

Behandeldoelen: fasegericht en herstelondersteunend

Afhankelijk van de aard en ernst van de klachten problemen is het zinvol het behandelplan verder uit te breiden.

Een behandelplan kan fasegericht zijn, met doelen voor verschillende fasen in herstel en daarmee de behandeling. Ook is het van belang rekening te houden met de wensen wat betreft het herstel van de cliënt.

Er zijn vier vormen van herstel: 1) Symptomatisch, de patiënt herstelt van zijn klachten en symptomen 2) Functioneel, herstel van het dagelijks functioneren 3) Maatschappelijk, de cliënt heeft een plek in de samenleving 4) Persoonlijk, verwerking, betekenisgeving en zingeving.

Behandeldoelen concretiseren met de MAP-methode

De MAP methode staat voor: 1) Meetbaar, hoe stellen de cliënt en behandelaar objectief en zonder discussie vast of het doel bereikt is? 2) Actief, maak duidelijk wat de cliënt en behandelaar gaan doen 3) Persoonlijk, maak duidelijk wie wat gaat doen.

Niet alle doelen moeten strak geformuleerd worden.

Concreet en

.....read more
Access: 
Public
Motiveren tot gedragsverandering - samenvatting van hoofdstuk 13 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Motiveren tot gedragsverandering - samenvatting van hoofdstuk 13 uit Patiëntgericht communiceren in de ggz

Patiëntgericht communiceren in de ggz
Hoofdstuk 13
Motiveren tot gedragsverandering


Inleiding

Motiverende gespreksvoering is een directieve behandelmethode waarbij de hulpverlener de cliënt beschouwd als gelijkwaardig, verantwoordelijk, zelfstandig en bekwaam. Het doel is de cliënt te beïnvloeden in de richting van positieve gedragsverandering.

De hulpverlener probeert de cliënt zijn intrinsieke motivatie voor verandering op te roepen.

In het gesprek ga je uit van de wensen, behoefte en motivatie van de cliënt. Je respecteert de keuze van de cliënt.

Hanteren van de veranderingscirkel van Prochaska en DiClemente

Het zal beter lukken de cliënt te motiveren voor gedragsverandering als je nauw aansluit bij wat hij op dat moment zelf wilt. Dit doe je door je in de eerste instantie af te vragen in welke fase van gedragsverandering de cliënt zich bevindt, en daarna welke gespreksvaardigheden en interventies hierop aansluiten.

De fasen van gedragsverandering zijn: 1) vooroverweging. Ik heb geen probleem, de ander heeft een probleem 2) overweging. Heb ík een probleem? 3) voorbereiding. Wat moet ik eraan doen? 4) actie. Ik weet wat met te doen staat. 5) volhouden van het nieuwe gedrag. Hou houd ik het vast? 6) terugval. Zie je nou wel, het zal me nooit lukken.

Dit proces is cirkelvormig, en de cliënt kan beide kanten op bewegen.

Valkuilen tijdens een motiverend gesprek

Een motiverend gesprek heeft de volgende valkuilen: 1) voorbarige thematisering, je hebt meer kans op een succesvol gesprek als de cliënt zelf met het gespreksvonderwerp komt. Laat de cliënt zelf de agenda bepalen. 2) Het ontstaan van een kruisverhoor.Stel liever open, belangstellende vragen en wissel deze af en toe af met een gesloten vraag. 3) Reparatiereflex, zodra de cliënt een probleem benoemd bedenkt de hulpverlener direct een oplossing. Luister liever naar wat de cliënt er zelf over te vertellen heeft en laat hem zelf met een oplossing komen. 4) Het innemen van een bepaald standpunt. Pleiten werkt averechts. Het is beter de cliënt erkenning te geven voor het probleem en de gelegenheid de oorzaak te benoemen.

Invoegen

Grondhouding bij een motiverend gesprek

Ga er altijd van uit dat de cliënt een goede

.....read more
Access: 
Public
How to do motivational interviewing - summary of an book by Matulich (2013)

How to do motivational interviewing - summary of an book by Matulich (2013)

How to do motivational interviewing
Matulich (2013)


Prologue: peparing for an Motivational interview session

Doing motivational interviewing starts before you see the client. You need to have an attitude of extreme respect for your client. You have to strive to work in partnership and see things from your client’s perspective. Your role si to explore your client’s own motivation and draw out his or her own solutions. The client alone is responsible for making decisions.

The spirit of motivational interviewing is: 1) partnership 2) acceptance 3) compassion 4) evocation.

Preparing your mind

In the motivational interviewing approach, you want to accomplish four things with your clients: 1) Resist; to resist the tendency to tell your clients what to do or try to ‘fix’ their problems 2) Understand: to uncover and understand your clients’ own motivations and solutions 3) Listen: be empathetic and listen carefully, striving to understand your clients’ perspectives 4) Empower: empower your clients and encourage their hope and optimism.

Preparing your space

De-clutter your mind of distractions, and do the same as the place where you see your client. Anything that could be a distraction should be dealt with, or at least planned for, before the session begins.

Act 1: openings and beginnings

Goals

The beginning of a session is important for setting the tone for working with your client. Goals of the first few minutes include establishing rapport and engaging your client.

The beginning of the session is a good time to express appreciation for the client coming in or keeping the appointment.

It is important to let the client know what to expect.

Engaging the client consists of four processes: 1) engaging 2) focusing 3) evoking 4) planning.

You should avoid: asking too many questions, as in doing some formal assessment, being the ‘expert’ in the relationship, labelling our client, assigning blame for the problem and chatting with the client rather than getting down to business.

Setting the agenda

Setting the tone during the opening session depends on your role and what needs to be accomplished during the session.

A good way to open a session is by introducing yourself, expressing appreciation, and explaining what your role is and what you hope to accomplish. The statement should include information about the amount of time you have to meet and any details or tasks that

.....read more
Access: 
Public
Klinische gespreksvoering - uva
Access: 
Public
Check how to use summaries on WorldSupporter.org


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
vacatures

JoHo kan jouw hulp goed gebruiken! Check hier de diverse studentenbanen die aansluiten bij je studie, je competenties verbeteren, je cv versterken en een bijdrage leveren aan een tolerantere wereld

Follow the author: SanneA
More contributions of WorldSupporter author: SanneA: