Week 3a
In dit hoorcollege wordt opschorting, redleijkheid en billijkheid en verval behandeld. Hierbij gaat het om de opties die een schuldeiser heeft, waarbij 3 mogelijke obstakels een rol spelen.
Hier is geen sprake van onderwerpen die niet worden behandeld in de literatuur. Let echter wel op de verschillende belangrijke arresten die niet altijd even uitgbereid in de literatuur omschreven zijn.
Er zijn geen recente ontwikkelingen besproken.
Geen sprake van uitdrukkelijke opmerkingen t.a.v. het tentamen.
Welke drie mogelijke obstakels kunnen zich voordoen voor een schuldeisers?
Allereerst het schuldeisersverzuim, art. 6:58 BW hier wordt verder in dit hoorcollege niet op in gegaan.
Met name wordt ingegaan op de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW jo. 6:248 BW als obstakel. Multi Vastgoed/Nethou arrest blijkt dat de crediteur niet geheel vrij is in de keuze tussen nakoming en schadevergoeding. De crediteur is gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid waarbij mede de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij een rol spelen.
Ook tijdsverloop waarbij verval ex art. 6:89 jo. 7:23 BW en verjaring 3:306 e.v. een rol spelen.
Wanneer is er sprake van een bijzondere zorgplicht?
In sommige gevallen sprake van een bijzondere zorgplicht, zoals volgt uit het Rabobank/Everaars arrest. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat het gelet op de mogelijk zeer grote risico's die de cliëntbelegger bij de handel in opties kan lopen is de bank jenges de particuliere, niet professionele cliënten tot een bijzondere zorgplicht gehouden. Het doel hiervan is de cliënt te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht.
Uit het Kouwenberg-van Zuylen-arrest volgt verder dat indien een bank nalaat om opdrachten van cliënten die niet aan margeverplichtingen voldoen, te weigeren kan zij niet aan aansprakelijkheid ontkomen door te waarschuwen. Zelfs niet als de cliënt eigengereid en moeilijk te overtuigen is.
Week 3b
Dit hoorcollege betreft de bevrijdende verjaring. Dit is een van de mogelijke obstakels van een schuldeiser ex art. 3:306 e.v. BW.
Er is geen sprake van onderwerpen die niet worden behandeld in de literatuur.
Er is geen sprake van onderwerpen die niet worden behandeld in de literatuur.
Geen sprake van uitdrukkelijke opmerkingen t.a.v. het tentamen.
Wat zijn de verschillen tussen verjaring en verval?
Bij verjaringstermijnen:
- De rechtsvordering gaat teniet, echter het vorderingsrecht blijft bestaan. Er is sprake van een "zwakke werking".
- Er is geen sprake van dwingend recht en dus ook niet van openbare orde
- Geen ambtshalve toepassing door de rechter ex art. 3:322 lid 1 BW.
- Stuiting (3:316-319) en verlenging (3:320-321) is mogelijk.
Bij vervaltermijnen
- Het vorderingsrecht en de bevoegdheid gaat teniet. Er is dus sprake van een ‘sterke werking’
- Het is van dwingend recht van openbare orde
- Ambtshalve toepassing door de rechter (echter: 6:89/7:23)
- Stuiting en verlenging niet mogelijk (echter: 3:86 lid 4)
Wat is het wettelijk systeem bij verjaring?
De wettelijke termjn is 20 jaar, tenzij de wet anders bepaalt ex art. 3:306 BW. Er zijn bijzondere regels te vinden in art. 3:307 t/m 3:324 BW. Tevens zijn er bepalingen te vinden buiten titel 3.11. Zoals koop ex art. 7:23 lid 2 BW en productaansprakelijkheid ex. art 6:191 lid 1: 3 jaar.