Intelligentie - samenvatting van hoofdstuk 6 van Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie van Hendriks, M. P. H. & van der Heijden, P. T (2016)

Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie
Hendriks, M. P. H. & van der Heijden, P. T (2016)
Hoofdstuk 6
Intelligentie


Wat is intelligentie?

Menselijke intelligentie wordt doorgaans het meest gerelateerd aan het cognitief functioneren.
Het hangt samen met de mate en snelheid waarmee we informatie verwerken.

Relatie persoonlijkheid en intelligentie

Persoonlijkheid en intelligentie zijn beide belangrijke kenmerken om individuele verschillen tussen mensen te beschrijven.
Er is relatief weinig onderzoek verricht naar het verband tussen intelligentie en persoonlijkheidskenmerken.
In beide definities van persoonlijkheid en intelligentie wordt er verwezen naar de wijze waarop individuen zich aanpassen aan hun omgeving.

De belangrijkste verschillen tussen persoonlijkheid en intelligentie

  • Onderscheid tussen cognitieve en non-cognitieve trekken
    Intelligentie wordt gezien als iets cognitiefs
    Persoonlijkheid wordt gezien als iets niet-cognitiefs.
  • De wijze waarop persoonlijkheid en intelligentie wordt gemeten
    Intelligentie wordt gemeten met prestatietests
    Persoonlijkheid wordt gemeten met tests voor gedragswijze
  • Intelligentie verwijst naar een maximale prestatie en persoonlijkheid naar kenmerkend of typisch gedrag

Verband tussen persoonlijkheid en intelligentie

  • Persoonlijkheidskenmerken zijn wel degelijk cognitieve processen
  • Als iets verschillend gemeten wordt zegt dat niet dat het anders is
  • Het verschil tussen maximale prestatie en kenmerkend gedrag lijkt niet houdbaar
    Iemands intelligentie of capaciteiten kunnen zijn kenmerkende gedrag voorspellen

Een assessment center: een combinatie van een aantal tests, oefeningen en rollenspellen waarbij zowel persoonlijkheidskenmerken als intelligentie gemeten worden.

Over het algemeen zijn gevonden verbanden tussen het Five-Factor model en intelligentie klein.
Er is een kleine correlatie tussen intelligentie en openheid voor ervaringen.

De definitie van intelligentie

Over intelligentie bestaat een groot aantal definities.
Sommigen leggen vooral een samenhang met de mate waarin mensen kunnen leren.

Er zijn twee belangrijke stromingen in de theorievorming over intelligentie

  • Een generieke capaciteit
  • Een verzameling specifieke vaardigheden

Dit boek gaat er vanuit dat intelligent gedrag van beide aspecten afhangt.
Om de complexiteit van het dagelijks leven te begrijpen en je daaraan aan te passen moeten de specifieke vaardigheden worden geïntegreerd.
Deze integratie hangt in sterke mate af van de generieke capaciteit.

Intelligentietests en IQ

Vooral vanuit een maatschappelijke behoefte zijn onderzoekers vanaf het begin van de twintigste eeuw begonnen met het ontwikkelen van tests om intelligentie te meten.

  • De Binet-Simon schaal was een belangrijke doorbraak voor de ontwikkeling van intelligentietests. – William Stern introduceerde in 1912 het intelligentiequotiënt of IQ (mentale leeftijd/chronische leeftijd)x100.
  • Wechsler bedacht het deviatie-IQ. (gemeten score/verwachte score op bepaalde leeftijd)x100.
    Hiervoor is het belangrijk dat intelligentietests genormeerd worden.

Het normeren van psychologische tests dient te gebeuren door een representatieve steekproef uit een welomschreven populatie te nemen.

Het gemiddelde IQ in de populatie is 100 en de standaarddeviatie is 15.

Door de samenhang van scores op twee of meer intelligentietests met elkaar te correleren, kun je onderzoeken of deze hetzelfde meten.
Intelligentietest correleren doorgaans hoog met elkaar.
Maar elke tests meet een belangrijke hoeveelheid specifieke vaardigheden, waardoor ze niet uitwisselbaar zijn.
Doordat intelligentietests uit verschillende onderdelen bestaan die allerlei cognitieve vaardigheden meten, is de betekenis van het IQ als totaalscore gering.

Doorgaans is met tevreden over de predictieve validiteit van intelligentietests.

Al zijn de voorspellende waarde en de betrouwbaarheid van intelligentietests redelijk goed, het is nog moeilijk om iemands exacte IQ te bepalen.
Het gemeten IQ is niet de intelligentie, maar een schatting op basis van een selectie van specifieke functies die niet volledig is.
Deze selectie is aan verandering onderhevig en er kunnen fouten worden gemaakt in afname van de test.

Flynn-effect

Het Flynn-effect impliceert dat gemiddeld de scores op een intelligentietest stijgen.

Testafname en interpretatie in de klinische praktijk

Een testleider dient gekwalificeerd te zijn om psychologisch onderzoek naar intelligentie te verrichten.
Ten aanzien van deze kwalificatie moet onderscheid worden gemaakt tussen de afname en het scoren van een psychologische test en de interpretatie van de resultaten.
Theoretische kennis over de problematiek en klachten van een cliënt kunnen leidend zijn en richting geven aan de keuzen van testmateriaal en gebruikte methoden.
De onderzoeker is verantwoordelijk voor de interpretatie van de verzamelde scores in het licht van de individuele vraagstelling en de rapportage aan de cliënt.

Enkele veelgebruikte intelligentietests in Nederland

De Wechsler-schalen voor het meten van intelligentie

De Wechsler-schalen zijn wereldwijd de meest gebruikte intelligentietests.
Er is er ook een voor kinderen.

De WAIS-IV-NL

De WAIS-IV-NL bestaat uit vijftien subtests.
Tien kernsubtests en vijf aanvullende subtests.
De subtests zijn georganiseerd in vier indexen

  • Verbaal begrip (VBI)
    Reflecteerd het verwerven van gekristaliseerde kennis en het vermogen om deze (op verbaal abstract niveau) te begrijpen
  • Perceptueel redeneren (PRI)
  • Werkgeheugen (WgI)
    Of de proefpersoon voor korte tijd onder bewuste aandacht een beperkte hoeveelheid verbale informatie kan houden en mentaal manipuleren
  • Verwerkingssnelheid (VsI)
    De snelheid waarmee mentale verwerkingen worden uitgevoerd op visuele stimuli door gebruik te maken van grafomotorische vaardigheden

Aan de hand van de scores op de tien kernsubtests is een betrouwbaar totaal IQ te bepalen.
De vijf aanvullende subtests kunnen optioneel of in plaats van de kernsubtests worden afgenomen.

De WAIS-IV-NL is een goed genormeerde en gevalideerde test om het intelligentieniveau te meten.
De afname is zeer gestandaardiseerd en tevens voldoende flexibel.

De Wechsler Nonverbal Scale of Ability (WNV-NL)

Om deze test te kunnen maken is het beheersen van de taal geen voorwaarde.
De intelligentiescore wordt niet bepaald door items die een bepaald begrip van de taal vereisen.
Deze test is voor mensen tussen de 4 en 22 jaar.

Zes subtests.
Bij afname moet gebruik gemaakt worden van standaardgebaren die in de afnamehandleiding worden toegelicht en vooraf moeten worden geoefend.
Bij de scoring wordt gebruikgemaakt van meerkeuzeantwoorden en bij sommige ook van een tijdscore.

Ravens progressive matrices (RPM)

Een niet-verbale test waarmee het cognitieve vermogen om deductief, abstract te redeneren onderzocht kan worden.
Drie vormen

  • Standard progressive matrices (SPM)
  • Coloured PM (CPM)
  • Advanced PM (APM)

De COTAN heeft de normen van de SPM met een onvoldoende beoordeeld.
De CPM scoort op alle criteria voldoende tot goed.
De APM is niet beoordeeld.

Bij alle versies van de PRM worden visuele patronen gepresenteerd, waarvan ene deel ontbreekt.
De items zijn toenemend abstract.

Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest (SON)

Voor deze test hoeft zowel de testleider als de proefpersoon geen taal te gebruiken bij de afname.
Twee varianten

  • SON-R 2,5-7
  • SON-R 6-40

Beide varianten bestrijken samen een leeftijdsbereik van 2.5 tot 40 jaar.

De SON 6-40 bestaat uit vier onderdelen die met name beroep doen op de fluïde en niet gekristalliseerde intelligentie.
De scores geven één totaal IQ.
Bij de afname geeft de testleider feedback op de antwoorden en de proefpersoon mag deze corrigeren.
Bij een bepaald aantal fouten wordt overgestapt op eenvoudigere items.

Groninger intelligentie test (GIT)

Een voorwaarde voor afname is dat de proefpersoon de Nederlandse taal goed beheerst.

De GIT-2 kan worden ingezet bij het routinematig bepalen van het intelligentie-niveau, naar de vraag of er sprake is van verstandelijke beperkingen of achteruitgang van het intelligentieniveau.
Ook voor adviseren over studie en beroepskeuze.

Nederlandse leestest voor volwassenen (NLV)

Bedoeld om in een korte tijd een schatting te kunnen maken van de premorbide intellectuele capaciteiten van mensen met een hersendisfunctie.
Er kan een schatting worden gemaakt van de intelligentie voordat de beschadiging optrad.

Volgens de COTAN heeft het een onvoldoende op criteriumvaliditeit.

Intelligentieverschillen tussen groepen

Leeftijd

Met het ouder worden neemt neemt de intelligentie globaal af.
Verschillende soorten intelligentie hebben hun pieken op verschillende leeftijden.

Geslacht

Er is zijn geen verschillen tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de g-factor.
Gemiddeld scoren mannen beter op sommige aspecten en vrouwen beter op andere, waardoor er uiteindelijk geen verschillen bestaan.

Rassen

Er zijn geen directe aanwijzingen dat eventuele verschillen in intelligentie worden veroorzaakt door genetische verschillen tussen het gekleurde en het blanke ras.
Groepsverschillen in IQ tussen sociaal gedefinieerde rassen kunnen het best worden begrepen vanuit verschillen in omgevingsfactoren.

Psychiatrische patiënten

Er is een verband tussen intelligentie en psychische stoornissen.

  • Een verstandelijke beperking gaat samen met een verhoogde kwetsbaarheid voor het krijgen van psychische stoornissen.
  • Psychische stoornissen kunnen de intelligentie aantasten.
  • Intelligentie kan de uitingsvorm, het beloop en de prognose van een stoornis beïnvloeden.

Neurologische patiënten

Vele mentale functies kunnen beperkingen laten zien na een hersenbeschadiging of hersendisfunctie.
Omdat intelligentie geen specifieke cognitieve functie is maar een verzameling van cognitieve vaardigheden, en deze daarom ook niet op een specifieke plaats in de hersenen kan worden gelokaliseerd, zijn intelligentietests niet specifiek gevoelig voor hersenbeschadiging.

Check more related content in this bundle:

Psychodiagnostiek

Het diagnostisch proces - samenvatting van hoofdstuk 1 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg door Luteijn en Barelds

Het diagnostisch proces - samenvatting van hoofdstuk 1 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg door Luteijn en Barelds

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg (4e druk)
Luteijn en Barelds
Hoofdstuk 1
Het diagnostisch proces


Inleiding

De klinische diagnostiek is een exclusief specialisme van de klinisch psycholoog.

Klinische psychodiagnostiek steunt op drie elementen

  • Theorievorming over de problemen/ klachten en problematische gedragingen
  • Operationalisatie en meting
  • Toepassing van relevante diagnostische methoden

De kwaliteit van de drie elementen berust op conceptueel en empirisch onderzoek

Stappen van het diagnostisch proces

Het diagnostisch proces heeft de volgende stappen

  • Exploratie
    Aanvraag
    Hulpvraag
    Reflectie diagnosticus
  • Inductie
    Diagnostisch scenario
    •  Indeling in grondvragen
    • Formuleren theorie
    • Hypothesen
  • Deductie
    • Keuze instrumentarium
    • Toetsbare voorspellingen
  • Toetsing
    Afname en verwerking
  • Evaluatie
    Argumentatie

Een klinisch psychodiagnostisch proces begint meestal met een doorverwijzing van de cliënt naar de diagnosticus, maar een directe aanvraag kan ook.

  • De diagnosticus analyseert de hulpvraag van de cliënt en de aanvraag van de verwijzer
    • Deze twee hoeven niet hetzelfde te zijn
      De vragen van de verwijzer en de cliënt vormen het vertrekpunt. Hiernaast formuleert de diagnosticus zelf vragen die opduiken tijdens het kennismakingsgesprek.

De diagnosticus stelt op basis van deze vragen een diagnostisch scenario op dat een voorlopige theorie bevat over de cliënt.
Hierin staat beschreven wat de problemen zijn van de cliënt en hoe ze verklaard kunnen worden.
Het toetsen van deze theorie vereist vijf handelingen

  • De voorlopige theorie wordt omgezet in concrete hypothesen
  • Een specifiek onderzoeksinstrumentarium wordt gekozen dat de geformuleerde hypothesen kan ondersteunen of verwerpen
  • Er worden voorspellingen gedaan over de resultaten of uitkomsten van op dit instrumentarium
    Hierdoor is het van te voren duidelijk wat de hypothesen ondersteund of verwerpt
  • Instrumenten worden afgenomen en verwerkt
  • Op grond van de uitslag wordt de hypothese op beargumenteerde wijze aanvaard of verworpen
    Dit leidt tot de diagnostische conclusie

Vijf basisvragen in de klinische psychodiagnostiek

De meeste vragen van cliënten, verwijzers en psychodiagnostici kunnen herleid worden tot:

  • Onderkenning
    Wat zijn de problemen, wat lukt er nog en gaat er mis
  • Verklaring
    Waarom zijn er problemen en wat houd ze in stand
  • Predictie
    Hoe zullen problemen zich ontwikkelen
  • Indicatie
    Hoe kunnen problemen verholpen worden
  • Evaluatie
    Zijn problemen voldoende verholpen door de interventie

Onderkenning

Om zich te krijgen op het probleem brengt de diagnosticus de klachten en de adequate gedragingen van de cliënt (en/of zijn omgeving) in kaart.
Onderkenning bevat

  • Inventarisatie en beschrijving
  • Ordening en categorisering
.....read more
Access: 
Public
Introduction to part I: The hypothesis testing model - a summary of the introduction to Conducting psychological assessment by Wright, A. J.

Introduction to part I: The hypothesis testing model - a summary of the introduction to Conducting psychological assessment by Wright, A. J.

Image

Conducting psychological assessment
Wright, A. J. (2011)
Introduction to part I: The hypothesis testing model.

Introduction

At its most basic, psychological assessment provides a catalogue of an individual’s cognitive, emotional, and psychological strengths, weaknesses, deficits, and resources.
At its best, it provides dynamic insights into the inner workings of an individual, yielding invaluable information for diagnosis, potential intervention and prognosis.

Psychological assessment should be used to help answer whatever referal questions are present and to make clear and specific recommendations to help the individual being assessed function better in his or her life.
The central goal of making useful (and realistic) recommendations should never be forgotten.

Six major processes that make up any psychological assessment

  1. Conducting a clinical interview
  2. Choosing a battery of tests
  3. Administering, scoring, and interpreting tests
  4. Integrating and conceptualizing information gathered from test results, the clinical interview, behavioural observations, and other sources
  5. Writing a psychological assessment report
  6. Providing feedback to the individual assessed and/or the referral source

The hypothesis testing model

The importance of psychological assessment lies in the fundamental assumption that there are aspects of our functioning that we are not entirely aware of or cannot effectively articulate.

It is important to not that testing and assessment provide a picture of how the individual being assessed is currently functioning. It measures individuals at that particular moment in time.

There is no perfect measure.
The hypothesis testing model uses the strengths of each individual test, as well as clinical acumen, while assuming that each individual measure is flawed.
Each individual assessment can be treated as a research study by

  • Making hypotheses and testing them to rule out possibilities and incorporate others
  • Using multiple tests and multiple methods, which provide more solid data and allow he assessor to be much more confident in his or her findings

Step 1: Clinical assessment

The first step of the hypothesis testing model is to conduct a thorough clinical interview.
You will then use the results of this interview, together with background information collected from various sources, to create hypothesis.
Clinical assessment: a combination of the information gathered from the clinical interview and other sources of report.
Clinical assessment has two goals

  • Assessing impairment in functioning
    While some impairments may be overly evident, there are often more subtle impairments in functioning.
    Assessments are not entirely about weakness and impairment.
    • It is also a clear survey of what’s going right.
  • Generating hypothesis
    For this, a thorough understanding of psychodiagnosis is necessary.
    General theories of behaviour, regardless of theoretical orientation, are also extremely important.
    Based on ‘findings’ of the clinical assessment, you should list all possible causes of the functional impairment.

Step 2: Selecting tests

Based on the hypothesis generated in step 1, the assessor selects a testing battery.
Tests should be chosen based on an established set of criteria, which should include their own internal psychometric

.....read more
Access: 
Public
Origins of psychological testing - a summary of chapter 2 of Psychological testing: History, principles, and applications by Gregory (7th edition)

Origins of psychological testing - a summary of chapter 2 of Psychological testing: History, principles, and applications by Gregory (7th edition)

Image

Psychological testing: History, principles, and applications (7th edition)
Gregory, R. J. (2014).
Chapter 2
Origins of psychological testing.


The origins of psychological testing

Psychological testing in its modern form originated little more than 100 years ago in laboratory studies of sensory discrimination, motor skills, and reaction time.
Francis Galton invented the first battery of tests.

Rudimentary forms of testing in China in 2200 b.c

Rudimentary forms of testing date back to at least 2200 b.c when the Chinese emperor has his officials examined every third year to determine their fitness for office.
Such testing was modified and refined over the centuries until written exams were introduced in the Han dynasty.

The testing practices were unnecessarily gruelling, and the Chinese also failed to validate their selection procedures.
But the examination program incorporated relevant selection criteria.

Physiognomy, phrenology, and the psychograph

Physiognomy: based n the notion that we can judge the inner character of people from their outward appearance, especially the face.
It represents an early form of psychological testing.
Interest in physiognomy can be dated back to the fourth century.

Physiognomy remained popular for centuries and laid the foundation for the more specialized form of quackery, phrenology.
Phrenology: reading ‘bumps’ on the head.
The founding of phrenology is usually attributed to Franz Joseph Gall.
He argued that the brain is the organ of sentiments and faculties and that these capacities are localized. To the extent that a faculty was well developed, the corresponding component of the brain would be enlarged and in turn form a bump because the skill conforms the shape of the brain. (This is incorrect).
Johann Spurzheim popularized phrenology.

The psychograph was a machine that measured phrenoloy.
Made by Henry C. Lavery in 1931.

The brass instruments era of testing

Experimental psychology flourished in the late 1800s in continental Europe and Great Britain.
Human abilities were tested in laboratories with objective procedures that were capable of replication.
The problem with experimental psychology was that it mistook simple sensory processes for intelligence.
They used assorted brass instruments to measure sensory thresholds and reaction times, thinking that such abilities were at the heart of intelligence.

Wilhelm Wundt founded the first psychological laboratory in 1879 in Leipzig.
He believed that the speed of thought might differ from one person to the next.

Galton and the first battery of mental tests

Francis Galton (1822-1911) pioneered the new experimental psychology in Great Britain.
He was obsessed with measurements.
Galton demonstrates that individual differences not only exist but also are objectively measurable.

Galton continued the tradition of brass instruments,

.....read more
Access: 
Public
Personality assessment: An overview - summary of chapter 11 of Psychological testing and assessment by Cohen & Swerdlik (9th edition)

Personality assessment: An overview - summary of chapter 11 of Psychological testing and assessment by Cohen & Swerdlik (9th edition)

Image

Psychological testing and assessment (9th edition)
Cohen & Swerdlik (2018)
Chapter 11
Personality assessment: An overview


For laypeople: personality refers to components of an individual’s makeup that can elicit positive or negative reactions from others.

Personality and personality assessment

Personality

Dozens of different definitions of personality exist in the psychology literature.
Personality: an individual’s unique constellation of psychological traits that is relatively stable over time.

Personality assessment

Personality assessment: the measurement and evaluation of psychological traits, values, interests, attitudes, worldview, acculturation, sense of humour, cognitive and behavioural styles, and/or related individual characteristics.

Traits, types and states

Personality traits

There is no consensus regarding the definition of trait.
This book views psychological traits as attributions made in an effort to identify threads of consistency in behavioural patterns.
Personality trait: any distinguishable, relatively enduring way in which one individual varies from another.
The context is important in applying trait terms to behaviour.

  • A behaviour present in one context may be labelled with one trait term, but the same behaviour exhibited in another context with another trait term.

A measure of behaviour in a particular context may be obtained using varied tools of psychological assessment.
Exactly how a particular trait manifests itself is, at least to some extent, dependent on the situation.

Personality types

Personality type: a constellation of traits that is similar in pattern to one identified category of personality within a taxonomy of personalities.
Whereas traits are frequently discussed as if they were characteristics possessed by an individual, types are more clearly descriptions of people.
It is more far-reaching.

The personality typology that has attracted the most attention from researchers and practitioners is associated with scores on a test called the MMPI.
Data from the administration of these tests are frequently discussed in terms of the patterns of scores that emerge on the sub-tests.
This pattern is referred to as a profile.
Profile: a narrative description, graph, table or other representation of the extent to which a person has demonstrated certain targeted characteristics as a result of the administration or application of tools of assessement.
Personality profile: profile of which the typical the targeted characteristics are traits, states, or types.

Personality states

The word state has been used in at least two distinctly different ways in the personality assessment literature

  • An inferred psychodynamic disposition designed to convey the dynamic quality of id, ego and superego in perpetual conflict
  • The transitory exhibition of some personality trait.
    A relatively temporary predisposition.

Measuring personality states amounts, in essence, to a search for

.....read more
Access: 
Public
Personality assessment methods - summary of chapter 12 of Psychological testing and assessment by Cohen & Swerdlik (9th edition)

Personality assessment methods - summary of chapter 12 of Psychological testing and assessment by Cohen & Swerdlik (9th edition)

Image

Psychological testing and assessment (9th edition)
Cohen, R. J. & Swerdlik, M. E. (2018)
Chapter 12
Personality assessment methods


Objective methods

Objective methods of personality assessment: characteristically contain short-answer items for which the assessee’s taks is to select one response from the two or more provided. The scoring is done according to set procedures involving little, in any, judgment on the past of the scorer.
As with test of ability, objective methods of personality assessment may include items written in a multiple-choise true-false, or matching format.

Whereas a particular response on an objective ability test may be scored correct or incorrect, a response on an objective personality test is scored with reference to either the personality characteristic(s) being measured or the validity of the respondent’s pattern of responses.

Objective personality tests share many advantages with objective tests of ability.

  • The items can be answered quickly
  • It allows the administration of many items covering varied aspects of the trait or traits the test is designed to assess
  • If the items on an objective test are well written, then they require little explanation
    This makes them suited for both computerized and group administration.
  • Objective items can be scored quickly and reliably by varied means
  • Analysis and interpretation may be almost as fast as scoring

How objective are objective methods of personality assessment?

‘Objective’ is something of a misnomer when applied to personality testing and assessment.
Objective personality tests typically contain no correct answer.
The selection of a particular choice from multiple-choice items provides information relevant to something about the testtaker.
Another issue related to the use of the adjective ‘objective’ with personality tests concerns self-report and the distinct lack of objectivity that can be associated with self-report.
Some respondents may lack the insight to respond in what could reasonably be described as an objective manner.

Objective personality tests are objective in the sense that they employ a short-answer format, one that provides little, if any, room for discretion in terms of scoring.

Projective methods

The projective hypothesis: holds that an individual supplies structure to unstructured stimuli in a manner consistent with the individual’s own unique pattern of conscious and unconscious needs, fears, desires, impulses, conflicts, and ways of perceiving and responding.

The projective method: a technique of personality asssessment in which some judgment of the assessee’s personality is made on the basis of performance on a task that involves supplying some sort of structure to unstructured or incomplete stimuli.
Almost any relatively unstructured stimulus will do for this purpose.

Unlike self-report methods, projective tests are indirect methods of personality assessment.
Assessees

.....read more
Access: 
Public
Het meten van persoonlijkheid - samenvatting van hoofdstuk 4 van Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie door Barelds en Dijkstra

Het meten van persoonlijkheid - samenvatting van hoofdstuk 4 van Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie door Barelds en Dijkstra

Image

Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie
Barelds en Dijkstra
Hoofdstuk 4
Het meten van persoonlijkheid


Kwaliteit van persoonlijkheidsmetingen

Er zijn verschillende criteria aan de hand waarvan de kwaliteit van een instrument kunnen worden beoordeeld

  • Psychometrische criteria
    Criteria met betrekking tot de test-technische eigenschappen van een test, die statistisch kunnen worden onderzocht
    • Betrouwbaarheid
    • Validiteit
    • Normering

Betrouwbaarheid

Metingen zijn betrouwbaar als ze op verschillende metingen dezelfde uitkomt geven.
De uitkomst is een goede weergave van de werkelijkheid.

Persoonlijkheidseigenschappen zijn vrij stabiel.
Dit betekent dat je een test voor het meten van persoonlijkheidseigenschappen meerdere keren bij dezelfde persoon zou kunnen afnemen.
Dat zou (ongeveer) dezelfde scores op moeten leveren.
Test-hertestbetrouwbaarheid: betrouwbaarheid gebaseerd op herhaalde afnames
Correlaties tussen verschillende metingen.

Relaties tussen de items binnen de test.
De correlaties tussen deze items geven een indicatie van de betrouwbaarheid van de test.
Cronbach’s alfacoëfficiënt
Een ondergrens voor betrouwbaarheid. De test is minimaal gelijk aan alfa, maar het kan hoger.
De relaties tussen de items.

Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN)
Heeft richtlijnen opgesteld wat betreft de gewenste hoogte van de betrouwbaarheid van een test.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar het gebruiksdoel van de test.

Persoonlijkheidseigenschappen kunnen ook worden bepaald door bijvoorbeeld observatoren een beoordeling te laten maken.
Hier is interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid relevant.
Geven verschillende beoordelaars dezelfde scores.

Validiteit

Validiteit: doet de test wat het zou moeten doen.

Alle psychologische tests zijn bedoelt om een bepaald begrip te meten en/of bepaald gedrag te voorspellen.

  • Begripsvaliditeit
    Meet de test wat die zou moeten meten
  • Criteriumvaliditeit
    Voorspelt de test wat die zou moeten voorspellen

Begripsvaliditeit

De mate waarin de test in staat is om een bepaald begrip te meten.
Het antwoord wordt verkregen door middel van empirisch onderzoek.
Er zijn veel verschillende aspecten van een psychologische test die in het kader van begripsvaliditeit kunnen worden onderzocht.

  • Verschillen tussen groepen
    In hoeverre is een test in staat om groepen personen waarvan je mag verwachten dat ze verschillend zullen scoren op een test van elkaar te onderscheiden.
  • Verbanden met andere tests
    Convergente validiteit: twee testen meten hetzelfde en moeten dus overeenkomen
    Divergente validiteit: twee testen meten iets anders en moeten juist niet overeenkomen
  • Interne structuur van een test
    • Correlaties tussen verschillende onderdelen van de test
      Convergente en divergente validiteit binnen één test
    • Factoranalyse

Criteriumvaliditeit

Criterium validiteit is predictieve validiteit.
Wordt bepaald door de verbanden tussen een test en een ander criterium te bepalen.
Criterium: datgene wat men wilt voorspellen.
Als criterium wordt in principe iets gebruikt wat

.....read more
Access: 
Public
Clinical interviewing and hypothesis building - summary of chapter 1 of Conducting psychological assessment by Wright

Clinical interviewing and hypothesis building - summary of chapter 1 of Conducting psychological assessment by Wright

Image

Conducting psychological assessment
Chapter 1
Wright, A. J. (2011)
Clinical interviewing and hypothesis building


The first focus of the hypothesis testing model of psychological assessment is building hypotheses.
The primary source is the clinical interview.
The purpose of the psychological assessment is to identify what is likely causing impairment in the individual’s functioning.

The first step is to figure out in what way the individual’s functioning is impaired.
This issues reported by either

  • The individual himself or herself
  • Whoever referred him or her for the assessment are most often at least part of what is impaired in or impairing his or her functioning

Most often, what is reported at first is only part of what is actually disturbing the individual or is merely the result of something else that he or she is not even aware of.
Practitioners should be both open to the original presenting complaint and ready to consider the possibility of impediments the individual is not aware of.

The nature of the presenting problem most often becomes apparent through the process of the clinical interview, the collection of background information, and your own clinical observations.

The clinical interview

The clinical interview has three major components:

  • The presenting problem (and its history)
  • A symptomatic evaluation
  • A psychosocial evaluation

Presenting problem and its history

The presenting problem is related to the issues that constitute the reason for the assessment, as well as the history of these issues.
Many clients are unclear when discussing their presenting problem.

Presenting problem

The presenting problem includes whatever complaint the individual identifies as the reason for the assessment.
The presenting problem is at times realtively straightforward, but sometimes factors can get in the way of its being clear, including

  • Guardedness on the part of the client
  • A client’s lack of psychological mindedness and insight
  • A diffuse client presentations

At times, the presenting problem needs to be reassessed at the end of the interview, once a client becomes more comfortable and more disclosing with the assessor.

History of presenting problem

The assessor should always work to develop a detailed history of the problem, including

  • When it began
  • If there was a precipitating event
  • How continuous the problem has been
    When and how it got worse or better during the tie the struggle began
  • Any previous assessment conducted
    Gain a prior clinician’s perspective on the history of the problem in addition to that of the individual being assessed
    • Consulting with the prior clinician provides potentially rich data and cross-verification and provides the individual you are assessing with a sense of continuity and coherence to the his or her
.....read more
Access: 
Public
Assessment, careers, and business - summary of chapter 15 of Psychological testing and assessment by Cohen and Swerdlik

Assessment, careers, and business - summary of chapter 15 of Psychological testing and assessment by Cohen and Swerdlik

Image

Psychological testing and assessment
Cohen, R. J. & Swerdlik, M. E. (2018)
Chapter 15
Assessment, careers, and business


Career choice and career transition

A whole world of tests is available to help in various phases of career choice.
Historically, one variable considered closely related to occupational fulfilment and success is personal interest.

Measures of interest

Interest measure: an instrument designed to evaluate testtakers’ likes, dislikes, leisure activities, curiosities, and involvements in various pursuits for the purpose of comparison with groups of members of various occupations and professions.

The strong interest inventory

One of the first measures of interest.
Test items prove personal preferences in a variety of areas such as occupations, school subjects, and activities.
One a five-point continuum.

Measures of ability and aptitude

Achievement, ability, and aptitude tests all measure prior learning to some degree, although they differ in the uses to which the test data will be put.
Aptitude test may tap a greater amount of informal learning than achievement tests.
Achievement tests may be more limited and focused than aptitude tests.

Ability and aptitude measures vary widely in topics covered, specificity of coverage, and other variables.

  • The Woderlic Personnel tests
    Measures mental ability in a general sense
  • The Bennet mechanical comprehension test
    Measure of a testtaker’s ability to understand the relationship between physical forces and various tools as well as other common objects

The general aptitude test battery

General aptitiude test battery (GATB)
A tool used to identify aptitudes for occupations.
Just about anyone of working age can take this test.

Measures of personality

The use of personality measures in employment settings is a topic that has generated a fair amount of debate in the scholarly literature.

  • Concerns about attempts by employees or prospective employees to ‘fake good’
  • But personality measures are not necessarily fakable and the collected data is still viable even when attempts at faking occur

Although there are many personality tests, some will be more appropriate for the task at hand than others.
Today two of the most widely used personality test in the workplace are

  • NEO PI-R
  • Myers-Briggs Type Indicator (MBTI)

Measuring personality traits

Personality assessment in the context of employment-related research might begin with the administration of a test designed to measure Costa and McCrae’s Big Five or other number of traits or types to a particular conceptualization of personality.

Costa and McCrea
NEO PI-R, most used today.

Integrity test: a test specifically designed

.....read more
Access: 
Public
De rol van persoonlijkheid in het leven van alledag - samenvatting van hoofdstuk 5 van inleiding in de persoonlijkheidspsychologie van Barelds en Dijkstra

De rol van persoonlijkheid in het leven van alledag - samenvatting van hoofdstuk 5 van inleiding in de persoonlijkheidspsychologie van Barelds en Dijkstra

Image

Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie
Barelds, D, P, H., en Dijkstra, P (2016)
Hoofdstuk 5
De rol van persoonlijkheid in het leven van alledag


De rol van persoonlijkheid op werk en school

Mensen verschillen in de manier waarop ze gemotiveerd zijn en hoe ze motivatie inzetten om hun behoeften te bevredigen

Zelfdeterminatietheorie (ZDT)

Volgens de ZDT heeft ieder mens de behoefte om zichzelf goed te voelen en te ontwikkelen.
Hierbij zijn drie basisbehoeften belangrijk

  • De behoefte aan autonomie
    Zelf bepalen wat je doet
  • Behoefte aan competentie
    Doeltreffend omgaan met de omgeving
  • Behoefte aan verbondenheid met anderen

Naarmate activiteiten beter aansluiten bij deze behoeften zullen mensen deze activiteiten meer uit zichzelf uitvoeren.
Ze zijn dan intrinsiek gemotiveerd.

Vanuit ZDT valt motivatie het beste te beschouwen vanuit een continuüm.
Van intrinsiek naar extrensiek.

  • Intrinsiek
    De motivatie komt vanuit het persoon zelf
  • Extrinsiek
    De motivatie komt van buiten het persoon

Volgens ZDT zet motivatie gedrag in gang.
Vijf vormen van gedragsregulatie gekoppeld aan drie vormen vna motivatie

  • A-motivatie
    •  Geen regulatie
  • Extrinsieke motivatie
    • Externe regulatie
      Je doet iets omdat de omgeving dat wilt
    • Geïntrojecteerde regulatie
      Zelfwaardering is in het geding
    • Geïdentificeerde regulatie
      Je doet iets omdat je het belangrijk vind
    • Geïntegreerde regulatie
      Je doet iets omdat je het belangrijk vind en je er behoefte aan hebt
  • Intriensieke motivatie
    • Intrensieke regulatie
      Je doet iets omdat je het interessant of leuk vindt

Er zijn verschillen tussen mensen in de mate waarin ze de basisbehoeften nastreven

  • De mate waarin ze behoefte hebben aan verbondenheid
  • De mate waarin ze de behoefte hebben zich competent te voelen, te presteren en zichzelf te verbeteren
  • De mate waarin ze behoefte hebben aan autonomie

In het algemeen geldt dat hoe meer intrinsiek de gedragsregulatie, hoe beter mensen presteren.

Doeloriëntatie

Om zich competent te voelen zullen mensen zich vergelijken met een standaard die aangeeft hoe goed ze het doen.

  • Intrapersoonlijk
    De standaard ligt in de mensen zelf
  • Interpersoonlijk
    Kijken naar anderen

Uit de standaarden die mensen gebruiken om zichzelf te beoordelen vloeien doelen voort die ze nastreven.

  • Performance-doel
    Je wilt het beter (of niet slechter) doen dan anderen
    Uit een interpersoonlijke standaard
  • Mastery-doel
    Je wilt het beter doen dan eerder
    Je vergelijken met jezelf door de tijd

Doelen worden onderscheiden in de uitkomsten die worden nagestreefd

  • Avoidance
    Vermijden van fouten of problemen
  • Approach
    Het bereiken van positieve uitkomsten

Dus

  • Mastery-approach
    Een taak beter doen
.....read more
Access: 
Public
Testafname, meting en scoring - samenvatting van hoofdstuk 6 van Psychodiagnostiek en assessment van Verhoeven

Testafname, meting en scoring - samenvatting van hoofdstuk 6 van Psychodiagnostiek en assessment van Verhoeven

Image

Psychodiagnostiek en assessment
Verhoeven, H (2014)
Hoofdstuk 6
Testafname, meting en scoring


De testdag

Praktische aandachtspunten voor de psycholoog

  • Goede communicatie
  • Zorg dat alle testen en materialen aanwezig zijn
    Inclusief iemand die instructies kan geven en vragen beantwoorden
  • Zorg dat de apparatuur werkt en operationeel is
  • Denk na over de volgorde van testen.
  • Zorg dat degene die de test(en) afneemt een logboek kan bijhouden waarin speciale zaken die zich voordoen kunnen worden opgeschreven
  • Vertel duidelijk wat de kandidaat bij zich mag houden en wat niet
  • Controleer bij inname dat de test volledig is ingevuld
  • Zorg dat ingevulde testmaterialen veilig worden opgeborgen

Keuze normtabellen

Met welke normgroepen worden de ruwe testscores van de cliënt vergeleken?
Handleidingen van testen vermelden doorgaans normgroepen.
Normgroep: gegevens van een grote groep eerder onderzochte kandidaten die voldoen aan specifieke kenmerken.
Voor een goede normgroep zijn minimaal 200 mensen nodig.
Boven de 500 is ruim voldoende.
Boven de 1000 is goed, en boven 2000 uitstekend.

Normgegevens zijn belangrijke steunpilaren voor kwalitatief goede beslissingen.
Uit normgroepen kunnen cut-off scores worden bepaald.

Scoren

Scores krijgen betekenis als je ze met normscores vergelijkt.

Betrouwbaarheid van metingen

De precisie van uitspraken hangt af van onder andere de betrouwbaarheid van de gebruikte test.

Standaardscores

  • Z-scores
    Het gemiddelde is altijd 0 en de standaarddeviaties 1
    Populaties moeten hiervoor wel normaal verdeeld zijn
  • Percentielen en decielen
    Bij percentielen ligt het gemiddelde op 50 en is de normaalverdeling in stukken opgedeeld waarin steeds evenveel elementen uit de steekproef of populatie vallen
Access: 
Public
Intelligentie - samenvatting van hoofdstuk 6 van Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie van Hendriks, M. P. H. & van der Heijden, P. T (2016)

Intelligentie - samenvatting van hoofdstuk 6 van Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie van Hendriks, M. P. H. & van der Heijden, P. T (2016)

Image

Inleiding in de persoonlijkheidspsychologie
Hendriks, M. P. H. & van der Heijden, P. T (2016)
Hoofdstuk 6
Intelligentie


Wat is intelligentie?

Menselijke intelligentie wordt doorgaans het meest gerelateerd aan het cognitief functioneren.
Het hangt samen met de mate en snelheid waarmee we informatie verwerken.

Relatie persoonlijkheid en intelligentie

Persoonlijkheid en intelligentie zijn beide belangrijke kenmerken om individuele verschillen tussen mensen te beschrijven.
Er is relatief weinig onderzoek verricht naar het verband tussen intelligentie en persoonlijkheidskenmerken.
In beide definities van persoonlijkheid en intelligentie wordt er verwezen naar de wijze waarop individuen zich aanpassen aan hun omgeving.

De belangrijkste verschillen tussen persoonlijkheid en intelligentie

  • Onderscheid tussen cognitieve en non-cognitieve trekken
    Intelligentie wordt gezien als iets cognitiefs
    Persoonlijkheid wordt gezien als iets niet-cognitiefs.
  • De wijze waarop persoonlijkheid en intelligentie wordt gemeten
    Intelligentie wordt gemeten met prestatietests
    Persoonlijkheid wordt gemeten met tests voor gedragswijze
  • Intelligentie verwijst naar een maximale prestatie en persoonlijkheid naar kenmerkend of typisch gedrag

Verband tussen persoonlijkheid en intelligentie

  • Persoonlijkheidskenmerken zijn wel degelijk cognitieve processen
  • Als iets verschillend gemeten wordt zegt dat niet dat het anders is
  • Het verschil tussen maximale prestatie en kenmerkend gedrag lijkt niet houdbaar
    Iemands intelligentie of capaciteiten kunnen zijn kenmerkende gedrag voorspellen

Een assessment center: een combinatie van een aantal tests, oefeningen en rollenspellen waarbij zowel persoonlijkheidskenmerken als intelligentie gemeten worden.

Over het algemeen zijn gevonden verbanden tussen het Five-Factor model en intelligentie klein.
Er is een kleine correlatie tussen intelligentie en openheid voor ervaringen.

De definitie van intelligentie

Over intelligentie bestaat een groot aantal definities.
Sommigen leggen vooral een samenhang met de mate waarin mensen kunnen leren.

Er zijn twee belangrijke stromingen in de theorievorming over intelligentie

  • Een generieke capaciteit
  • Een verzameling specifieke vaardigheden

Dit boek gaat er vanuit dat intelligent gedrag van beide aspecten afhangt.
Om de complexiteit van het dagelijks leven te begrijpen en je daaraan aan te passen moeten de specifieke vaardigheden worden geïntegreerd.
Deze integratie hangt in sterke mate af van de generieke capaciteit.

Intelligentietests en IQ

Vooral vanuit een maatschappelijke behoefte zijn onderzoekers vanaf het begin van de twintigste eeuw begonnen met het ontwikkelen van tests om intelligentie te meten.

  • De Binet-Simon schaal was een belangrijke doorbraak voor de ontwikkeling van intelligentietests. – William Stern introduceerde in 1912
.....read more
Access: 
Public
Intelligentie en intelligentietests - samenvatting van een gedeelte van hoofdstuk 6 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Kessels en Luteijn

Intelligentie en intelligentietests - samenvatting van een gedeelte van hoofdstuk 6 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Kessels en Luteijn

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg
Kessels, R & Luteijn, F (2018)
Hoofdstuk 6 (gedeeltelijk)
Intelligentie en intelligentietests


Het IQ als absoluut getal

Het is beter om IQ’s globaal te omschrijven.
Hieraan gerelateerd is het feit dat intelligentietests met name in de uiteinden van de scoreverdeling onbetrouwbaar worden, meestal als gevolg van het feit dat de normgroep de prestatie van slechts weinig individuen binnen deze uiteinden valt.

En probleem bij het indelen van individuen in een classificatiesysteem is de manier waarop de testscore tot stand komt.
Een IQ-waarde moet altijd met het bijbehorende betrouwbaarheidsinterval vermeld worden.
Het gebruik van verschillende intelligentietests kan tot verschillende IQ-scores en verschillende benoemingen leiden.

Flynn-effect: scores op een intelligentietest nemen bij de doorsnee bevolking iedere tien jaar met ongeveer vijf punten toe.
Als gevolg hiervan is dat de normgegevens snel verouderen.

Er treden ook IQ veranderingen op gedurende iemands levensloop.
Het IQ neemt toe vanaf de adolescentie tot het veertigste levensjaar, waarna het afneemt.
Bij ouderen vertoond het een grote daling.
Dit geld niet voor gekristalliseerde intelligentie.
Dit is wel lastig te bepalen door het Flynn-effect.

Intelligentie en opleidingsniveau

Een aandachtspunt is wat het doel is bij het meten van iemands intellectueel functioneren.
IQ is een goede voorspeller van schoolsucces en leervaardigheid.
Meestal niet heel handig voor het voorspellen van succes in een bepaald beroep.

Neuropsychologische stoornissen

Intelligentietests kunnen gebruikt worden om het intellectueel niveau in kaart te brengen wanneer hier een specifieke achteruitgang in vermoed wordt.
Ook handig om specifieke cognitieve vaardigheden in kaart te brengen.

Bij het gebruik van intelligentietests in neuropsychologische vraagstellingen kunnen drie niveaus onderscheiden worden

  • De testprestatie zelf
    Het actuele niveau
    Dit wordt gekoppeld aan de achtergrond van de patiënt
  • De invertarisatie van stoornissen
    Hier worden intelligentietests ingezet als neuropsychologische testbatterij
  • Verklaringen voor afwijkende prestaties op IQ-tests in termen van lokalisatie van de hersenbeschadiging

Profielanalyses

Binnen de klinische praktijk wordt naast e bepaling van het algemene IQ vaak gebruik gemaakt van profielanalyses en discrepantiescores.

Access: 
Public
Het gesprek - samenvatting van hoofdstuk 3 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn en Barelds

Het gesprek - samenvatting van hoofdstuk 3 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn en Barelds

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg
Luteijn en Barelds (2018)
Hoofdstuk 3
Het gesprek


De plaats en functie van het gesprek in de diagnostische cyclus

De methoden die de psycholoog in de diagnostische fase gebruikt zijn:

  • Gesprek
  • Observatie
  • Gestandaardiseerde meetinstrumenten

Het belangrijkste doel van het intakegesprek is informatieverzameling.
Daarnaast het opbouwen van een goede professionele werkrelatie.

Soms in het gesprek voldoende om de hulpvraag van de cliënt te beantwoorden, is nadere diagnostiek niet nodig en kan de gespreksleider direct overgaan op het geven van een advies.
In andere gevallen wordt na het gesprek aanvullend onderzoek uitgevoerd.

De GGZ is verdeeld in

  • Gegeneraliseerde basis-GGZ (BGGZ)
    Bied kortdurende, sterk geprotocolleerde gezondheidszorg
    Aan
    • Cliënten met relatief eenvoudige psychische problematiek
    • Cliënten die lijden aan meer complexe en chronische psychische aandoeningen, bij wie de focus niet (primair) ligt op het verminderen van psychische problemen, maar op het vinden van een (nieuw) evenwicht in het leven met deze aandoening
  • Specialistische GGZ (SGGZ)
    Behandeling complexe problematiek

Functie intake: inventariseren en beslissen of de cliënt met zijn hulpvraag bij deze instelling juist zit.
Daarna teamoverleg over de behandeling en een behandeladvies.

Voorwaarden voor het gesprek

Om een diagnostisch gesprek goed te laten verlopen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
Deze hebben betrekking op:

  • De omgeving
  • De kennis van de gespreksleider
  • De vaardigheden van de gespreksleider

De omgeving

Het gesprek moet plaatsvinden in een rustige omgeving die niet afleidt van het doel van het gesprek.
De cliënt moet zich voldoende op zijn gemak voelen om persoonlijke en emotionele onderwerpen te bespreken.
De gespreksruimte moet neutraal, maar prettig overkomen.
Het gesprek moet ongestoord kunnen verlopen.

Het kan nuttig zijn om een gesprek op te nemen zodat de gespreksleider niet hoeft te schrijven en zijn of haar aandacht bij de cliënt kan houden.

Ook is voor de gespreksleider en net uiterlijk en vriendelijk gedrag nuttig.

Kennis van de gespreksleider

Een gespreksleider moet over relevante kennis van zaken beschikken.

  • Psychische processen, functies en stoornissen in brede zin.
  • Classificaties
  • Epidemiologie
  • Somatische aandoeningen die met psychische verschijnselen kunnen samenhangen, om zo nodig een arts te kunnen raadplegen

Vaardigheden van de gespreksleider

  • Algemene basishouding
    • Empathie
    • Onvoorwaardelijke positieve acceptatie
    • Echtheid
  • Specifieke gesprekstechnieken
    • Luisteren
    • Adequate vragen stellen
.....read more
Access: 
Public
Neuropsychologische vragen en methoden - samenvatting van hoofdstuk 7 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn & Barelds

Neuropsychologische vragen en methoden - samenvatting van hoofdstuk 7 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn & Barelds

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg
Luteijn & Barelds (2018)
Hoofdstuk 7
Neuropsychologische vragen en methoden


Inleiding

Lokalisatie: een specifiek gebied komt overeen met één functie

Holisme: kijken naar de hersenen als geheel

Belangrijke instrumenten zijn:

  • De anamnese en heteroanamnese
  • Observatie
  • Vragenlijst
  • Testonderzoek
  • Het experiment
  • Kennis van de verschillende gedifferentieerde cognitieve en emotionele domeinen waarbinnen de stoornissen zich kunnen openbaren

Het neuropsychologisch beeld is afhankelijk van

  • Etiologie
  • Type van beschadiging
  • De omvang van de lokalisatie van de beschadiging
  • Patiëntgebonden variabelen

Mogelijke misverstanden

Een hardnekkig misverstand is de gedachte dat het in de neuropsychologische diagnostiek uitsluitend zou gaan om het onderzoek van cognitieve functiestoornissen en intellectuele achteruitgang.
Het gaat ook over emotionele en persoonlijkheidsfactoren, de beleving en verwerking van de patiënt, de beperkingen in het dagelijks leven en de gevolgen voor sociale rollen en relaties.

Het onderscheid tussen emotie en cognitie vervaagt steeds meer.
Beide worden als ‘mentale functies’ gezien die verstoord kunnen raken als gevolg van een hersendisfunctie.
Een belangrijk onderscheid dat nu optreedt, is dat emotionele stoornissen en persoonlijkheidsveranderingen in sommige gevallen voorkomen als direct gevolg van een beschadiging, of een indirecte reactie kunnen zijn op functieverlies.

Het vaststellen van (relatief) intacte functies is minstens even belangrijk voor een inschatting van de zelfstandigheid en de compensatiemogelijkheden van de patiënt.

Een tweede misverstand is het idee dat de verklaringsvraag een antwoord in termen van een medische diagnose en/of lokalisatie van de laesie zou vereisen.
Conclusies moeten worden getrokken op basis van cognitieve functiedomeinen en de invloed daarvan op het gedrag. Hierbij wordt rekening gehouden met het emotioneel functioneren, de persoonlijkheid en de situatie van de onderzochte.
Dit heeft toegevoegde waarde

  • Gedragsgegevens kunnen doorslaggevend zijn voor een medische diagnose
  • Gedragsgegevens kunnen soms een suggestie voor de lokalisatie van hersenlaesies geven.
  • Sommige medisch-diagnostische termen zijn gedragsmatig van aard

Een derde misverstand is de mening dat de psycholoog zich in de diagnostiek zou moeten beperken tot de vraagstelling zoals die oorspronkelijk geformuleerd is door de opdrachtgever.
De oorspronkelijke vraag is meestal vaag en zelden gebaseerd op kennis van de mogelijkheden én beperkingen van de klinische neuropsychologie.
Het behoord tot de verantwoordelijkheid van de psycholoog om de vraagstelling te verhelderen, zo veel mogelijk in overleg met aanvrager(s).
Ook kunnen nieuwe vragen opkomen.

Soorten vraagstellingen

Neuropsychologische vraagstellingen kunnen in drie soorten worden onderscheiden

  • Wat is het cognitieve profiel van de patiënt?
    Brengt het gedrag, cognitie en emotie in kaart
    Stoornissen, mogelijkheden, en intacte of sterke functies worden meegenomen
    • . Verklaring
      In
.....read more
Access: 
Public
Ethische aspecten en rapportage van diagnostiek - samenvatting van hoofdstuk 11 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn & Barelds

Ethische aspecten en rapportage van diagnostiek - samenvatting van hoofdstuk 11 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg van Luteijn & Barelds

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg
Luteijn & Barelds (2018)
Hoofdstuk 11
Ethische aspecten en rapportage van diagnostiek


Ethische regels bij diagnostiek

De NIP richtlijnen over beroepsethiek zijn gebaseerd op vier basisprincipes

  • Verantwoordelijkheid
  • Integriteit
  • Respect
  • Deskundigheid

De opdrachtrelatie

Voordat met een psychodiagnostisch onderzoek (PO) begonnen wordt, is het van belang dat de psycholoog vaststelt wie de opdracht ervoor gegeven heeft.
De opdrachtgever is de eerst belanghebbende en de psycholoog doet het onderzoek primair ten dienste van de opdrachtgever.
Meestal is de cliënt zelf de opdrachtgever.

Nadat de opdracht voor een PO de psycholoog heeft bereikt, neemt deze kennis van de vraag/vragen die de opdrachtgever gesteld heeft en wordt beoordeeld of die in de gestelde vorm te onderzoeken zijn.
Als dit niet het geval is is het verstandig om nader met de opdrachtgever te overleggen om tot een onderzoekbare specificatie van de vraag/vragen te komen.

De deskundigheid van de psycholoog

Een cliënt heeft volgens de AST recht op de deskundigheid van de psycholoog.

  • De theoretische kennis en vaardigheden van de psycholoog
    Om bepaalde mate van deskundigheid te garanderen bestaan allerlei registraties
  • Een psycholoog kent zijn eigen grenzen en beperkingen
  • De concrete gang van zaken bij een PO
    • De keuze van de te gebruiken diagnostische methoden dient op een verantwoorde wijze te gebeuren
    • De afname, scoring en interpretatie moeten plaatsvinden op de wijzen zoals die in de handleiding beschreven zijn
    • Mondelinge en schriftelijke rapportage van een PO moet op een effectieve en begrijpelijke wijze plaatsvinden

Vertrouwelijkheid

Een cliënt heeft recht op verantwoordelijkheid en vertrouwelijke behandeling van alle informatie die bij de psycholoog bekend is.
Vaak worden hierover tussen cliënt en psycholoog afspraken gemaakt.
Voor het geven van informatie van de PO aan derden moet de cliënt altijd schriftelijke toestemming verlenen.

Een cliënt-dossier wordt na afloop van het PO in een goed beveiligd archief op naam en/of geboortedatum en/of onderzoeksnummer bewaard.
De identiteit van de patiënt mag (indien het gebruikt wordt voor onderzoek) niet naar het dossier te herleiden zijn.

Vrijwillige deelname en het verstrekken van informatie

Deelname aan een PO is altijd vrijwillig.
Zelfs met een externe opdrachtgever kan een cliënt weigeren.
Ook als de cliënt al aan een PO begonnen is kan hij stoppen als hij dat wil.

In alle stadia van een PO heeft een cliënt recht op informatie.
Voordat een onderzoek begint, het doel, de inhoud en de wijze van onderzoeken, de manier van rapporteren aan de cliënt zelf en eventuele anderen (en soms ook de kosten) van een PO bij de cliënt bekent zijn.
Deze informatie wordt vaak van tevoren schriftelijk meegedeeld in combinatie met de uitnodiging voor een

.....read more
Access: 
Public
The characteristics of persistent sexual offenders: a meta-analysis of recidivism studies - summary of an articly by Hanson, R. K., & Morton-Bourgon, K. E

The characteristics of persistent sexual offenders: a meta-analysis of recidivism studies - summary of an articly by Hanson, R. K., & Morton-Bourgon, K. E

Image

Journal of Consulting and Clinical psychology, 73, 1145
Hanson, R. K., & Morton-Bourgon, K. E (2005)
The characteristics of persistent sexual offenders: a meta-analysis of recidivism studies

The major predictors of sexual recidivism for both adult and adolescent sexual offenders are:

  • Deviant sexual preferences
    Deviant sexual interests: enduring attractions to sexual acts that are illegal or highly unusual
    Men who commit such acts do not necessarily have enduring preferences for such behaviour
  • Antisocial orientation
    Antisocial personality, antisocial traits, and a history of rule violation
    There is a strong association between rule violation and impulsive, reckless behaviour.
    The major predictor of violent recidivism and general (any) recidivism

Antisocial orientation facilitates sexual offending because individuals will not commit sexual crimes unless they are

  • Willing to hurt others, or
  • Can convince themselves that they are not harming their victims, or
  • Feel unable to stop themselves

Sexual offenders are likely to have many problems, not all of which are related to sexual offending.

Dynamic risk factors that have the potential of being useful treatment targets

  • Sexual preoccupations
  • General self-regulation problems

Variables commonly addressed in sex offender treatment programs had little or no relationship with sexual or violent recidivism

  • Psychological distress
  • Denial of sex crime
  • Victim empathy
  • Stated motivation for treatment

Sexual offenders are more likely to reoffend with a non-sexual offence than with a sexual offense.

Sexual deviancy was unrelated to non-sexual recidivism.

Access: 
Public
Individual differences science for treatment planning: personality traits - summary of an article by Harkness, & Lilienfeld in Psychological assessment

Individual differences science for treatment planning: personality traits - summary of an article by Harkness, & Lilienfeld in Psychological assessment

Image

Psychological assessment 9, 349-360
Harkness, A. R., & Lilienfeld, S. O. (1997)
Individual differences science for treatment planning: personality traits


The authors of this article argue that individual differences research requires the inclusion of personality trait assessment for the construction and implementation of any treatment plant that would claim to scientific status.
Four important gains for treatment planning that can be realized from the science of individual differences in personality

  • Knowing where to focus change efforts
  • Realistic expectations
  • Matching treatment to personality
  • Development of the self

Science should guide treatment planning

The fundamental rule of treatment planning

Our fundamental rule of treatment planning states that the plan should be based on the best science available.
These guides constitute standards of the profession and are legally essential in determining when practice is adequate and when it falls short.
The therapist should be well informed regarding recent scientific findings, even if those findings were not emphasized in the psychologist’s school or practice settings.

Treatment planning then and now: a picture completion problem

Any planning was vulnerable to clinical hermeneutics error.

  • In adopting the patient’s perspective, the therapist can lose track of the actual degree of pathology and begin to underestimate it

Since the 1980s, with the adoption of the Neo-Kraepelinian diagnostic rubrics, we have experienced a restructuring of much of clinical activity.
The Neo-Kraepelinian prescription entails

  • Ascertainment of facts to determine the presence or absence of relatively explicit diagnostic criteria
  • The making of differential and multiaxial diagnoses using the categories and language of the current DSM
  • Differential selection of treatment guided by the differential diagnosis

Criticism of current practice is that diagnosis, in the absence of a personality individual differences formulation, misses the point that signs and symptoms that appear under the heading of ‘presenting complaints’ or ‘targets of treatment plan’ may often be manifestations or sequellae of personality treats.
The features the diagnostician focuses on may be consequences of

  • Extreme levels of personality traits
  • Especially problematic configurations of trait levels
  • Extreme adaptations to personality traits or their configural properties

Features of disorders that have considered causal may instead turn out to be simply correlated properties when examined from an individual differences perspective.

A personality individual differences primer for treatment planners

One theoretical viewpoint on traits: constructive realism

Constructive realism: the falsifiable assumption that traits are real, they exists separately from the observer,

.....read more
Access: 
Public
The psychotherapeutic utility of the five-factor model of personality: A clinician’s experience - summary of an article by Miller inJournal of personality assessment

The psychotherapeutic utility of the five-factor model of personality: A clinician’s experience - summary of an article by Miller inJournal of personality assessment

Image

Journal of personality assessment 57, 415-433
Miller, T. R (1991)
The psychotherapeutic utility of the five-factor model of personality: A clinician’s experience


In this article is suggested that

  • Neuroticism influences the intensity and duration of the patient’s distress
  • Extraversion influences the patient’s enthusiasm for treatement
  • Openness influences the patient’s reactions to the therapist’s interventions
  • Agreeableness influences the patient’s reaction to the person of the therapists
  • Conscientiousness influences the patient’s willingness to do the work of psychotherapy

The clinical value of a taxonomy of personality

The five-factor model is a descriptive, taxonomic trait theory.

Trait theory is immediately helpful to the clinician in three particular ways

  • It helps the therapist anticipate and understand the client’s private experience, because trait measures give a useful portrait of the client’s feelings and needs
  • It helps the therapist understand and anticipate the problems presented in treatment
  • It helps the therapist formulate a practical treatment plan and anticipate the opportunities and pitfalls for treatment

In real life, patients express all five factors simultaneously.

The five factors in clinical context

Neuroticism (N)

Clinical presentation

N influences the intensity and persistence of the patient’s distress.

Treatment implications

A therapist needs to know where his or her patient stands on the N domain in order to interpret a presenting problem, intake diagnosis or social history.

  • Low on N
    The problem is more likely to be a reaction to a severe stressor of recent oneset
    A good treatment focus might be a relatively isolated self-defeating behaviour pattern or a strong emotional reaction to a recent stressor
  • High on N
    The presenting problem is likely to mesh with a pattern of tension, worry and dysphoria woven throughout the patient’s life.
    It makes sense for treatment to focus on generic difficulties.
    Setting clear and realistic treatment goals may be particularly important for high N patients, who may be further demoralized by the frustration of unrealistic expectations of treatment.

Outcome expectations

Treatment can be conceptualized without the premise that N must be or can be substantially reduced.
N scores probably change slightly at best, due mostly to moderate changes on one or two of the facet scales.
N scores at the beginning of treatment give some useful predictive information about the client’s adjustment at the end of therapy.

Extraverstion (E)

Clinical presentation

E influences the client’s enthusiasm for the process of psychotherapy and his or her expressiveness in treatment.

  • High E patients
    More likely to be cheerful, to
.....read more
Access: 
Public
Gedragsobservatie - samenvatting van Hoofdstuk 4 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg door Luteijn & Barelds

Gedragsobservatie - samenvatting van Hoofdstuk 4 van Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg door Luteijn & Barelds

Image

Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg
Luteijn, F., & Barelds, D. P. H (2018)
Hoofdstuk 4
Gedragsobservatie


Inleiding

Observatie wordt vooral gebruikt als andere methoden niet goed of niet bruikbaar worden geacht.
Beoordelingsschaal: schriftelijke gedragsbeoordeling met behulp van psychologische kennis (taxatie)
Observatieschaal: schriftelijke gedragsbeoordeling met behulp van observatie (constatering).

Ongestandaardiseerde observatie

Observatie is, doorgaans impliciet, verweven met vrijwel alle diagnostische procedures die in de klinische praktijk worden gebruikt.
Observatie bij afname van een test is vaak min of meer gestandaardiseerd.
Observatie tijdens een interview kan bruikbaar zijn om hypothesen over de problemen van een cliënt te genereren, met name als daarbij systematisch verschillende aspecten van diens gedrag worden beoordeeld.

De observatie zelf is gewoonlijk noch bij het interview noch bij het testen gestandaardiseerd en kan daardoor makkelijk worden beïnvloed door allerlei processen die de waarneming en informatieverwerking verstoren.

  • Leniecy effect
    De neiging om vrienden en bekenden hoger in te schatten op bepaalde eigenschappen
  • Halo-effect
    De neiging om alle eigenschappen te beoordelen in de richting van een algemene indruk, in plaats van op zichzelf staand
  • De logicafout
    De neiging om gelijksoortige oordelen te geven op eigenschappen die logisch met elkaar verbonden lijken te zijn, hoewel ze eigenlijk los van elkaar staan
  • De contrastfout
    De neiging om anderen tegengesteld aan zichzelf op een bepaalde eigenschap te beoordelen
  • Primacy- en recency-effecten
    De neiging om de eerste of juist laatste observatie veel gewicht te geven
  • De neiging om vooral gemiddelde scores te geven en extreme oordelen te vermijden

De theoretische achtergrond van de psycholoog is van invloed op het actor-observator fenomeen.
Het verschijnsel dat personen geneigd zijn de oorzaak van hun eigen gedrag bij externe factoren te leggen en het gedrag van anderen toe te schrijven aan eigenschappen.

Ongestandaardiseerde observatie is riskant.

Gestandaardiseerde observatie

De inhoud van de observaties

  • Selectiviteit
    Observeren vind plaats in het kader van een bepaalde vraagstelling en deze vraagstelling bepaalt welke gedragingen interessant zijn.
    Gestructureerde observatie kan helpen om datgene te observeren wat relevant is.
  • Molair versus moleculair
    • Molair niveau: grote, betekenisvolle eenheden worden beoordeeld
      Gedrag wordt globaal beoordeeld
      Validiteit is doorgaans hoog
    • Moleculair niveau: kleinere gedragseenheden worden beoordeeld
      Kunnen heel precies worden uitgevoerd en hebben een hoge betrouwbaarheid
      Validiteit is echter lager. Veel gedrag kan namelijk alleen op betekenis worden beoordeeld in een context

De context waarin de observaties plaatsvinden

De observatie kan in de natuurlijke situatie plaatsvinden, in een gestandaardiseerde laboratoriumsituatie of een situatie er tussenin.
Reactiviteit: weten dat je wordt geobserveerd beïnvloed gedrag.
Deze reactiviteit is alleen te voorkomen door

.....read more
Access: 
Public
Psychological assessment in child mental health settings - a summary of an article by Barry, Frick, & Kamphaus in APA handbook of testing and assessment in psychology

Psychological assessment in child mental health settings - a summary of an article by Barry, Frick, & Kamphaus in APA handbook of testing and assessment in psychology

Image

APA handbook of testing and assessment in psychology: testing and assessment in clinical and counseling psychology 2, 253-270
Barry, C. T., Frick, P. J., & Kamphaus, R. W. (2013)
Psychological assessment in child mental health settings


Overview of evidence-based assessment with children and adolescents

The main goal of assessment is to answer the referral question.
This kind of assessment typically involves a clear description of the types of problems a child or adolescent is experiencing and their potential causes.
It typically leads to recommendations for intervention based on this case conceptualization.

From the knowledge of the psychologists should come an assessment that

  • Report accurately
  • Comprehensively describes a child’s strengths and difficulties
  • Provides a road map for efforts to reduce these difficulties
  • Is readily understandable to a variety of audiences

Models of evidence-based assessment must consider the diversity of settings and purposes for which psychological assessment is conducted.
Regardless of the practice setting, evidence-based assessment can provide a clear framework to guide how professionals conduct psychological assessments, communicate their findings to others, and evaluate assessment results form other professionals.

A distinction must be made between

  • Methods that are evidence-based
  • Processes that are evidence-based

The model of evidence-based assessment is guided by three principles

  • Every decision made during an assessment with a child or adolescent should be guided by the most current and best available research
  • Results from tests should be used only for making interpretations for which they have been validated
  • The assessment process should be guided by a hypothesis-testing approach

Evidence-based approaches compared with traditional approaches to psychological assessment

One important implication of an evidence-bases approach to assessment is the need to include an assessment of the child or adolescent’s psychological context.
There is an important influence of context on child development.
Meta-systems approach: an understanding of the various systems involved with the child or available to children and families are considered in a case conceptualization and ultimate intervention plans.

The child’s context is also important for understanding the assessment information obtained on the child’s emotional and behavioural functioning.

Testing should be ‘construct-centred’ as opposed to diagnostic-centred or test-centrred.
Knowledge of current scientific findings regarding specific assessment issues, as well as about child development and psychopathology, should inform the

.....read more
Access: 
Public
Treatment selection: What do we know? - summary of an article by Vervaeke & Emmelkamp in the European Journal of psychological assessment

Treatment selection: What do we know? - summary of an article by Vervaeke & Emmelkamp in the European Journal of psychological assessment

Image

European Journal of psychological assessment 14, 50-59
Vervaeke, G. A., & Emmelkamp, P. M. (1998)
Treatment selection: What do we know?

Treatment selection is seldom the topic of study and guidelines for the practitioner concerning treatment selection have rarely been formulated.


Treatment selection as an enhancement of the first phase of psychotherapy

When is psychotherapy indicated?

Psychotherapy leads to statistically significant and clinically meaningful effects in a variety of patients compared to untreated patients.
There are little research data to help the practitioner decide which patient should not be treated.

  • Authors suggest that psychotherapy may not be necessary for individuals with a history of good adjustment and who are currently under stress because of common difficulties in life
  • There is some consensus among therapist that patients who refuse to become involved in the basic process of psychotherapy are poor candidates for psychotherapy
  • Patients for whom specific problem-effective psychotherapy has not yet been developed may not benefit from psychotherapy

Deterioration in psychotherapy was particularly frequently found in borderline patients and schizophrenics.
The problem with studies in this area is that it is not clear whether the negative effects are due to the specific type of patients or to the specific type of psychotherapy.

Factors related to discontinuation of treatment

  • Most clients remain in therapy for relatively few sessions
    The number of sessions expected by the patients before the start of psychotherapy is the best predictor of the subsequent actual number of sessions
  • Client motivation, desire for therapy, and expectations of change may have more to do with prompting the patient to become initially involved in therapy than directly influencing the therapeutic process or its outcome
  • The use of psychological test variables to predict continuation in psychotherapy has not been very successful
  • No clear relationship between length of time in therapy, age, sex, and psychiatric diagnosis and psychotherapy continuation is found
    There is some evidence for and inverse relationship between social class and educational level, and length of time in therapy
  • Mutuality of patient and therapist perspective may be related to staying in therapy
    • A direct enquiry into the importance of client and therapist preferences concerning psychotherapy-relevant variables at the start of psychological treatment
    • Congruency concerning locus of blame enhances continuation
    • A cognitive match between client and therapist enhances self-exploration and openness to learn and results in less premature termination

Therapeutic alliance

A number of patient characteristics have been identified that can be assessed before the start of therapy, and that affect establishment of a good working alliance later on.

  • The quality of
.....read more
Access: 
Public
De controverse ‘klinische versus statistische predictie’ opnieuw bekeken: The state of the art - samenvatting van het artikel van Ter Laak, J. J. F., & De Goede, M. P. M uit Diagnostiek-wijzer: Tijdschrift voor de geestelijke gezondheidszorg

De controverse ‘klinische versus statistische predictie’ opnieuw bekeken: The state of the art - samenvatting van het artikel van Ter Laak, J. J. F., & De Goede, M. P. M uit Diagnostiek-wijzer: Tijdschrift voor de geestelijke gezondheidszorg

Image

Diagnostiek-wijzer: Tijdschrift voor de geestelijke gezondheidszorg, 7, 18-34
Ter Laak, J. J. F., & De Goede, M. P. M (2004)
De controverse ‘klinische versus statistische predictie’ opnieuw bekeken: The state of the art


Inleiding

Componenten van de diagnostiek waaruit het diagnostische proces is opgebouwd

  • Theorievorming en constructen
  • Afbeelding in Testtheoretisch een statistische modellen
  • Psychologische meetinstrumenten

Het diagnostisch proces: het formuleren van hypothesen over oorzaken van probleemgedragingen en de toetsing daarvan.

De wijze waarop gegevens worden geïntegreerd door de diagnosticus is een strijdpunt tussen de klinische intuïtieve en de statistisch mechanische benadering.

Achtergrond, inhoud en het verloop van de controverse tussen klinische en statistische predictie

Waarin verschillen klinisch en statistisch georiënteerde diagnostici?

  • Een klinisch georiënteerd diagnosticus beschouwd zijn cliënt als een uniek persoon.
    Een voorspelling beschrijft en verklaart zij vanuit de individuele dynamiek van die persoon.
  • De statistisch georiënteerde diagnosticus geeft de voorkeur aan om het bij voorspellingen van gedragingen formules te gebruiken die berusten op empirisch onderzoek.

Beide diagnostici streven hetzelfde doel na.
Het aantal foutieve predicties zo veel mogelijk beperken.

De tegenstelling valt terug te voeren op twee benaderingen van de persoon

  • Idiografisch
    Probeert een theorie te ontwikkeling voor elke cliënt en op grond daarvan zijn gedragingen te beschrijven, begrijpen en voorspellen
  • Nomothetisch
    Een persoon wordt beschouwd al een element in een steekproef en daarbij wordt gebruik gemaakt van statische grootheden die zijn bepaald in representatieve samples.
    Deze worden gebruikt om gedragingen van die persoon te voorspellen.
    Wetenschap gaat niet over individuen maar over een representatieve steekproef van subjecten.

Wat is de (historische) achtergrond van de controverse?

Persoon: uniciteit versus inwisselbaarheid

De basis van de controverse is een verschil in opvatting over de aard van een persoon

  • Statische benadering
    Een persoon is een willekeurig element uit een populatie, gekenmerkt door scores op een aantal tests en door andere data op basis van een waarneming
    Op grond hiervan wordt een kansuitspraak gedaan
    De statisch georiënteerde diagnosticus geeft de voorkeur aan ‘objectieve’ tests en vragenlijsten
    Hij maakt op basis van de scores een profiel van de cliënt en interpreteert de gegevens met behulp van normen of een criterium
    Integratie van de informatie vind plaats via een formule
  • Klinische benadering
    De persoon is drager van unieke eigenschappen
    Er wordt gekeken naar de combinatie van unieke eigenschappen, ervaringen en omgevingen.
    De
.....read more
Access: 
Public
Access: 
Public
Check how to use summaries on WorldSupporter.org


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Check all content related to:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering

Follow the author: SanneA
More contributions of WorldSupporter author: SanneA: