Verslag hoorcollege 8 (O&O I)

Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.

College 8: Communicatieve en cognitieve ontwikkeling in sociale contexten

 

Hoe en waarom leren we taal? Vorige college werd deze vraag ook al behandeld. Dit college wordt er in gegaan op de grammaticale ontwikkeling. Deze ontwikkeling begint met woordjes. Eerst zijn dit combinaties van losse woordjes (papa-auto-weg). Daarna breidt dit zich verder uit. In het begin beginnen kinderen met twee woord zinnetjes. Dit zijn eigenlijk alleen maar herhalingen van wat het kind hoor. Dit is dus afhankelijk van de input uit de omgeving. Voor het kind hebben deze woorden nog niet zo veel betekenis, maar het kind gaat dit routine matig herhalen. Wanneer langzamerhand de betekenissen meer duidelijk worden, wordt de taal steeds meer gebruikt waardoor er steeds meer en ingewikkeldere grammaticale patronen kunnen ontstaan. Het idee is dus dat het pas ontstaat op het moment dat er routine-zinnetjes zijn die zich uit kunnen breiden.

 

Tomasello (constructivistische/functionalistische visie) beweert dat men begint met woordjes, deze woordjes worden gecombineerd in vaststaande zinnetjes. Daaruit wordt uiteindelijk afgeleid door het kind dat er onderscheid wordt gemaakt tussen woordgroepen zoals subject, werkwoord en object. De categorieën zijn ontstaan door het gebruik. Dit wordt ook wel probabilistisch leren genoemd. Dat wil zeggen dat er van categorieën naar regels wordt geleerd. De categorieën ontstaan vanuit de woorden en de routine . De nativistisch/formalistische visie daarentegen gaat er vanuit dat deze categorieën er al zijn en dat het kind alleen nog maar de woordjes in de juiste categorie moet hangen.

 

In dit college wordt de visie van Tomasello aangehaald. Een kind leert de woorden, leert het gebruik en zal uiteindelijk de regels van de taal gaan snappen. Mensen hebben taal nodig om ideeën uitdrukken, hypothetisch denken, iets wat gister of in het verleden heeft plaats gevonden te beschrijven.

 

Taalontwikkeling kan op meerdere gebieden misgaan. Het kan op het gebied van gehoor mis gaan, wanneer kinderen niet goed kunnen horen, kan een kind nooit de spraakklanken leren van de taal. Wanneer een kind de pragmatiek van een taal niet begrijpt, dan snapt een kind niet hoe het gaat in een taal. Het snapt niet dat er interactie is, dat er beurtwisselingen zijn, dat er figuurlijke taal. Binnen elke dimensie die genoemd wordt door MacWhinney (zie college 7) kan er iets mis gaan in de taalontwikkeling. Daardoor is het ook geen wonder dat er taalstoornissen zijn. De vraag hierbij is waar het mis gaat. Wanneer het in de eerste dimensie van MacWhinney, de auditieve verwerking, al mis gaat, kan dit verstrekkende gevolgen hebben voor de taalontwikkeling. Het kind kan dan minder de klanken waarnemen binnen een taal. Hierdoor zal het moeilijker zijn om de ritmen te herkennen, heeft het kind moeite om zichzelf verstaanbaar te maken, het zal minder klanken verwerven en grammatica minder eigen maken. Men kan op verschillende momenten in de taalontwikkeling kijken om te onderzoeken waar het mis gaat en hoe dit op elkaar in werkt. Er is momenteel een grote studie gaande in Nederland waarbij kleine kinderen worden blootgesteld aan reeksen van ‘bak’-stimulus en ‘dak’-stimulus. Er wordt gekeken hoe ze reageren op deze verschillen. Wanneer ze deze verschillen niet waarnemen, kunnen ze niet de fonemen van de taal goed uit elkaar houden. Het blijkt dat kinderen die dit op hele vroege leeftijd niet kunnen, later een verhoogde kans heeft op dyslexie op latere leeftijd.

 

De opvoeder-kind taal-interactie (Language Acquisition Support System) is een belangrijk aspect vanuit de omgeving die ervoor zorgt dat de taal gaat starten. Dit is een ondersteunend mechanisme om de taal te leren. Het gaat hierbij om de interactie tussen ouders en kind. Kenmerkend taalgebruik van de opvoeder wordt ‘motherese/parentese’ (Child Directed Speech) genoemd. Je herkent het direct wanneer een ouder met een jong kind communiceert. Dit is anders dan wanneer iemand met een ouder kind of een volwassene communiceert. De intonatie is hoger, er wordt langzaam en duidelijk gesproken, ook is het heel erg herhalend. Het gaat veelal over het hier en nu en over de dagelijkse routine die het kind meemaakt. Zo krijgt het kind spraakaanbod en weet het dat het nu over het contact tussen het kind en de ouder gaat. Er heerst een eenvoudige structuur. De betekenis is ook eenvoudig en afgestemd op het kind. Belangrijk is dat er oogcontact is. Hierdoor is het sterk gericht op de communicatie en wordt er een onderlinge relatie opgebouwd. Vaak komen er herhaalde taal spelletjes in voor. Dit zijn reeksen van ‘joint attentional scenes’ door middel van scaffolding. De ouder geeft de cues, het biedt de woorden aan die nodig zijn. Het kind leert hierdoor wat de woorden zijn om de wereld te labellen. De scaffols veranderen over tijd.

 

Motherese is de manier waarop een ouder praat met een klein kind. Dit is een onderdeel van Child Directed Speech. De communicatie staat centraal hierin. Het primaire doel is om samen te delen van betekenis. De child directed speech is een intersubjectieve afstemming op het kind. De moeder kijkt naar het kind, en het kind kijkt naar de moeder en samen kijken ze naar de wereld om zich heen. Het is belangrijk dat beiden hetzelfde zien. Op die manier worden de communicatieve intenties op elkaar afgestemd. Hierdoor is het mogelijk om taal te leren en om over de wereld om je heen te leren. Vygotsky noemt in zijn theorie de zone van naaste ontwikkeling (het verschil tussen wat een kind met hulp kan doen en wat het zonder hulp kan doen). In dit geval wil het zeggen dat ouders automatisch de taal iets hoger afstemmen op wat het kind nodig heeft. Hierdoor leert het kind wat het volgende fase moet zijn. Het kan dus weer meer leren uit het taalaanbod. Het child directed speech bestaat uit taalhandelingen die communicatie uitlokken, uitbreiden en belonen. Er ontstaat hierdoor een gesprek, waaruit ook weer nieuwe onderwerpen kunnen komen. Er vindt zich hierdoor een samenhangend en verbonden discourse. Het belangrijkste kenmerk bij child directed speech is de semantische samenhang (het gaat om het leren van woorden) en de actieve betrokkenheid van de ouders. Samen willen ze de wereld ontdekken, samen kijken hoe het in elkaar steekt. En tegelijkertijd wordt er een goede relatie met het kind opgebouwd. Een ouder zal er dan vaak ook alles aan doen om zo veel mogelijk joint attention te verkrijgen.

 

Het kind moet woorden gaan leren om de taal zich eigen te kunnen maken, om de wereld te begrijpen en om de taal en grammatica te gaan leren. Een studie uit 2009 ondervonden dat wanneer ouders vroege gebaren maakten naar kinderen om de taal te ondersteunen, dat die kinderen een beter vocabulaire hadden op het moment dat ze naar school gingen. Dit laat zien dat child directed speech niet alleen uit taal bestaat, maar ook uit ondersteunende gebaren. De gebaren zijn een belangrijke manier om samen naar de wereld te kijken en dingen te benoemen om dat later samen in taal te gaan vangen.

 

Bij oudere kinderen veranderen de kenmerken van child directed speech. De structuur van de taal wordt toegepast op het niveau van het kind. De toon is lager dan bij jongere kinderen, maar het tempo zal nog wel wat lager liggen dan bij volwassenen. Ook is er nog wel een duidelijke articulatie, een eenvoudige structuur en eenvoudige woordkeus. Hiernaast gebruiken ouders ook (vaak onbewust) de volgende strategieën:

  • Conversatie-uitlokkende vragen. De ‘W-vragen’. Dit zijn vragen die over het wie, wat waar, waarom gaan en die om verheldering vragen. Door dit soort vragen te stellen, moet het kind antwoord geven. En het gaat ook steeds uitgebreider antwoord geven. Hierdoor kan er steeds meer een conversatie plaats vinden tussen ouders en kind.

  • Expansies. Dit zijn herhalingen, al dan niet met impliciete correctie. Het kunnen samenvattingen zijn of dienen om te verdiepen. Het kind zal hierdoor meer moeten vertellen, waardoor er weer meer communicatie plaatsvind.

  • Extensies. Voortbouwen op een onderwerp, maar hier nieuwe informatie aan toevoegen. Er vindt een gesprek plaats, door de toevoeging van nieuwe informatie wordt het gesprek uitgebreid en gaat het kind hierin mee. Het kind leert hierdoor snappen dat het vanuit één onderwerp breder kan gaan, en hierdoor meer kunnen leren.

 

Hoewel ouders deze technieken onbewust gebruiken, zijn ze dus wel erg belangrijk voor de taalontwikkeling. Een ander aspect van child directed speech is de negatieve feedback. Wanneer ouders op een terloopse manier negatieve feedback (recasts) geven, zullen kinderen sneller aspecten zelf gaan verbeteren. In interactie zijn er verschillende reacties mogelijk van een opvoeder op correcte vs. Incorrecte uitingen. Bijvoorbeeld een herhaling maken met een impliciete correctie of een verhelderingsvraag om er achter te komen waar het kindje het over heeft. Een minder impliciete manier is door het gewoon te zeggen tegen een kind (‘pas op, want je communicatieve bedoeling komt niet over’). Dit heeft een minder groot effect. Kinderen imiteren impliciet verbeterde vormen 2 tot 3 keer vaker dan gewoon aangeboden vormen (dus de minder impliciete manier).

 

In de Westerse wereld wordt veel gebruik gemaakt van child directed speech. Maar uit cross-cultureel onderzoek blijkt dat dit niet universeel is. Er is een grote variatie in taalomgevingen voor jonge kinderen. Er zijn omgevingen waarin er geen kindgerichte interactie is tot een bepaalde leeftijd. In deze omgevingen s het kind wel aanwezig bij interacties van volwassenen. In sommige omgevingen wordt er alleen maar monotoon geneuried tegen jonge kinderen. Maar toch kunnen ook deze kinderen taal leren. Child directed speech is niet noodzakelijk, maar maakt het wel gemakkelijker.

 

Samenvattend taalverwerving:

De omgeving van kinderen is niet chaotisch. Ondanks dat er in de omgeving redelijk wat fouten worden gemaakt in de grammatica, inflectie, woordgebruik, zitten er genoeg cues in de taal voor de kinderen om de taal en de cognitieve vaardigheden te verwerven. Dit komt onder andere door de parent-child interaction (er is interactie), het ritme in de taal, de fonemen, de grammaticale patronen, welke woorden gebruikt worden en ook de manier waarop men om zich heen kijken zit al in de taal. Modulariteit is niet nodig als aanname voor leren. Chomsky zei dat er een speciaal stukje in de hersenen is voor taal waarmee men wordt geboren. Dit is momenteel achterhaald. In het begin is het brein nog niet gespecialiseerd. Maar doordat het leert uit het aanbod, daar informatie uit gaat halen en op basis daarvan gaat leren, specialiseert het brein zich om taal te kunnen verwerken en te kunnen gebruiken. Het brein ontwikkelt zich en gebruikt verschillende typen informatie.

De omgeving speelt een belangrijke rol van de ontwikkeling van het kind. Taal gaat om de wereld om je heen te begrijpen, dit vindt plaats door het aanbod wat je krijgt en de manier waarop je het krijgt. Veel aanbod en rijk aanbod gaat kinderen beter helpen dan beperkt aanbod. Taal en leerstoornissen kunnen dus ontstaan door een genetisch risico, maar ook door een zwakke omgeving.

 

De tweede vraag die in dit college gesteld wordt is waarom we taal gebruiken. Mensen gebruiken taal op meerdere manieren. Taal kan gebruikt worden voor informatieoverdracht, roddelen, vermaak, debatteren, evaringen te delen, verzoeken te plegen. Maar waarom doen mensapen dat niet? Mensapen lijken voor 99% op mensen qua DNA, maar mensapen gebruiken geen taal. Volgens Tomasello komt dit door het feit dat mensen de infrastructuur hebben voor communicatie. Mensen willen communiceren, maken de joint attention en zoeken naar gemeenschappelijke waarden.

 

Er zijn verschillende subvragen om deze hoofdvraag te beantwoorden. Een daarvan is de vraag of dieren taal kunnen leren. In het verleden zijn er voorbeelden van dieren waarvan men dacht dat ze taal konden leren. Maar dit bleek oplichterij te zijn. De dieren hadden geen begrip van taal. Er zijn wel mensapen die men iets konden leren. Kanzi is hiervan een goed voorbeeld, deze aap kon door middel van letters, getallen en symbolen aan te klikken duidelijk maken wat ze bijvoorbeeld wou eten. Maar de vraag is of dit echt het leren van een taal is. Het standpunt van Tomasellos is dat dit niet echt een taal leren is.

 

Mensen hebben behoefte om te communiceren. Ze willen met elkaar informatie en ervaringen delen, ze willen dingen gedaan krijgen (verzoeken) en ze willen informatieoverdracht geven. Dieren hebben dit niet.

 

Mensen leren spontaan een taal, en deze wordt steeds meer verfijnd en ingewikkelder.

Hoe komt het dat mensen zo spontaan een taal leren? Chomsky gaat er van uit van mensen een ingeboren language acquisition divice hebben. Taal is aangeboren en daarom moet men het wel gebruiken. Tomasello zegt dat mensen een inherente behoefte hebben om te communiceren met elkaar. Daardoor zoekt men een mechanisme om waardoor men complexe taal en complexe betekenissen kunnen uitdrukken.

 

Taal gaat over een zender en een ontvanger. De zender heeft een boodschap aan de ontvanger. De ontvanger reageert daarop. Maar de ontvanger kan alleen de zender begrijpen als die nadenkt waarom de zender bepaalde informatie geeft. De ontvanger moet nagaan wat de zender met de boodschap bedoeld en wat hij daar mee moet doen. Dit kan ook worden omschreven als de referentiële driehoek. De zender kijkt dan hoe de ontvanger op de boodschap reageert, zodat hij kan afstemmen hoe ze samen naar een bepaalde object kunnen kijken. Ze krijgen hierdoor een gemeenschappelijk doel. Ook ontstaat er een gesprek. Men wil met elkaar communiceren en men wil als gesprekspartners nagaan waarom de ene iets zegt en waarom de ander iets antwoord, waardoor de interactie op gang komt. Dit is waarom mensen wel spontaan taal leren en apen niet. Mensen willen bewust met elkaar delen. De infrastructuur bij apen is anders dan bij mensen. Apen willen niet bewust iets delen, bij hen zal het alleen gaan om verzoeken.

 

Tomasello zegt dat de menselijke coöperatieve communicatie (gericht op samenwerken) is ontstaan vanuit gebaren (wijzen en pantomine). Deze menselijke coöperatieve communicatie wordt gevormd door gedeelde intentionaliteit en gedeelde doelen, aandacht en prosociale motivaties (helpen en delen). De ontvanger wil weten waarom de zender bepaalde informatie overdraagt, zodat ze samen bijvoorbeeld naar een object kunnen kijken en daar betekenis aan toe kunnen kennen. Conventionele communicatie is de communicatie die bijna arbitrair en abstract is geworden. Deze communicatie is alleen mogelijk als er natuurlijke gebaren zijn en een gedeelde intentionele infrastructuur. Men begint met gebaren en deze worden steeds meer geritualiseerd en krijgen hierdoor steeds meer een vaste betekenis. Ditzelfde geldt voor taal. Het is een reeks klanken waar een betekenis aan gebonden word. Maar om de taal te gebruiken moet men wel deze betekenissen snappen en kennen. Hierdoor is het alleen mogelijk als er vaardigheden van cultureel leren en imitatie zijn voor het doorgeven van gezamenlijk begrepen communicatieve conventies en constructies. Om deel uit te maken van een cultuur moet er cultureel leren toe worden gepast. Taal is een product van cultureel leren , maar het is tegelijkertijd ook een katalysator. Er is dus een continu wisselwerking tussen cultureel leren en taal.

 

Een belangrijk aspect in het verschil tussen mensen en mensapen is dat mensen prosociale houding hebben. Mensen zijn al gericht op het ervoor zorgen dat mensen het goed hebben. Hierin zijn mensen niet competitief maar juist coöperatief. Apen zijn voornamelijk gericht op verzoeken en niet op elkaar helpen.

 

De apencommunicatie worden er vocale kreten gebruikt. Deze kreten hebben niks te maken met een concrete boodschap. De vocale kreten zijn niet flexibel en worden niet productief gebruikt. Ze zijn namelijk altijd gekoppeld aan een emotionele staat (bijvoorbeeld gevaar). Ook zijn ze niet gericht om gestuurd te worden naar een ontvanger. Alhoewel ze wel door anderen kunnen worden ontvangen en gebruikt worden. Maar dit is niet het oorspronkelijke doel van de kreet. Een aap zou bijvoorbeeld niet de kreet slaken om een andere aap waarschuwen voor gevaar wanneer deze zelf niet in gevaar is. De vocale capaciteiten worden dus niet gebruikt voor communicatie. Vandaar dat Tomasello zegt dat de menselijke communicatie niet voortkomt uit de vocale geluiden van apen, maar uit de gebaren die apen maken. Apen kunnen namelijk gebaren maken die als intentionele signalen bedoelt zijn. Ze kunnen hiermee verzoeken versturen (spelen, verzorgen, bedelen). Deze gebaren worden naar één ontvanger verstuurd. Daarnaast zijn er ook aandachtstrekkers die een sociale intentie hebben. De gebaren hebben dus meer met communicatie te maken dan de vocale kreten. Er zijn variaties in de gebaren, dus het repertoire van gebaren is flexibel (dit is niet het geval voor vocale kreten). Een kernkenmerk van taal is dat het ook flexibel is, dit wijst dus al meer naar de gebaren van de apen dan naar de vocale kreten. De gebaren van apen zijn intentioneel. De aap probeert iets duidelijk te maken en stuurt hetzelfde gebaar voor dezelfde handeling naar iemand toe, terwijl hij kijkt naar de ontvanger. De gebaren worden expres gebruikt om een boodschap duidelijk te maken. Er kunnen ook nieuw gebaren ontstaan. Ze zijn flexibel.

 

Maar apen wijzen niet naar soortgenoten, wel naar mensen. Dus apen gebruiken lang niet zo veel gebaren met soortgenoten als met mensen. Apen wijzen imperatief naar mensen en gebruiken aandachtstrekkers, zoals kijken naar de ogen. Mensapen hebben alleen een individueel doelbegrip, maar niet een gedeeld doelbegrip. Ze gebruiken bijna alleen maar gebaren voor zich zelf om zich te uiten, terwijl ze weinig moeite doen om anderen te begrijpen. Ze kunnen wel de kijkrichting volgen, maar hier begrijpen ze niet zo veel van. Wanneer een aap bijvoorbeeld moet kiezen onder welke emmer het eten zit, en een mens wijst naar de goede emmer, zal een aap niets met die informatie doen. Echter, wanneer een mens die emmer probeert te pakken, wil de aap ook die emmer omdat het doorheeft dat daar iets te halen valt. Het heeft dus geen begrip van coöperatie, maar wel van competitie. Ze hebben dus geen prosociale communicatie. Apen begrijpen wel dat anderen doelen en waarnemingen hebben, maar ze hebben geen gedeelde intentie. Maar ze handelen dus alleen maar vanuit individueel begrip.

 

De mensencommunicatie is ontstaan via de gebaren en de gedeelde aandacht. De joint attention wordt gebruikt voor het interpreteren van bedoelingen van gebaren (referntiële en sociale bedoelingen). Vervolgens ontstaat daar een categorisatie en een symbolische interpretatie van situaties. Men kan naar een object wijzen en afhankelijk van de persoon met wie diegene is, kan het wijzen een andere betekenis hebben. Hierdoor wordt het veel abstracter dan alleen maar de taal van hier en nu. Mensen zijn de enige die echt naar de abstracte delen van taal verwijzen. Maar gebaren en pantomime redden het niet zo ver als taal.

 

Communicatie dient als een sociaal-cultureel instrument. De gedeelde intenties (joint attention), zoals eerder beschreven, zijn ontzettend belangrijk. De gedeelde intenties krijgt men door een cognitief common conceptual ground te hebben. Hierin weten we wat we van elkaar bedoelen. Er is gedeelde aandacht, gedeelde ervaringen en culturele kennis. De common conceptual ground is te verkrijgen op twee manieren, namelijk Top-down en Bottom-up. Top-down wil zeggen dat er een gezamenlijk doel is. Bottom-up wil zeggen dat er een gezamenlijke ervaring is die gestuurd is door de omgeving. Common ground gaat dus over gedeelde kennis, deze gedeelde kennis is impliciet en gaat verder dan een egocentrisch perspectief. Mensen hebben drie doelen met communicatie, namelijk verzoeken, informeren en delen. Waar apen alleen ‘verzoeken’ als doel hebben, hebben mensen dus ook een sociale motivatie door te willen helpen en delen.

 

Dit past binnen het kenmerk van het modern-menselijke cognitieve functioneren. Mensen maken gebruik van (complexe) ‘werktuigen’ met een culturele geschiedenis. Deze werktuigen zijn gemaakt doordat mensen iets van elkaar kunnen leren, en mensen zullen steeds meer taal nodig hebben om complexere werktuigen te maken. Dit kan alleen als men een manier heeft om informatie over te dragen. Hiervoor is symbolische communicatie nodig (gebaren, taal, wiskunde notaties, theorieën). Men moet kunnen spreken over abstracte eenheden, dit kan heel moeilijk met gebaren, dus zal men er taal voor moeten gebruiken (geschreven of gesproken). In onze maatschappij is het zelfs zo dat er sociale instituten zijn voor kennisoverdracht en kennisproductie (scholen en onderzoekscentra). Dit kan alleen als er is afgesproken dat dit via taal gebeurt om het gemeenschappelijke doel (een maatschappij waarin alles werkt en waar vooruitgang is) te gaan bereiken. Iets nieuws vormen van complexe vaardigheden en kennis is sociogenese. Dat is de oorsprong van sociaal gedrag dat zijn oorsprong heeft in interpersoonlijk ervaringen. Door de interpersoonlijke ervaringen ontstaat er gedrag waardoor men complexere vaardigheden en meer kennis kunnen krijgen. Wanneer er meer kennis is, kan men ook vernieuwen. En hierdoor kan er weer meer ontwikkeld worden. De ontwikkeling vindt grotendeels plaats door taal.

 

Er zijn verschillende vormen van sociaal leren of cultureel leren. Als eerste is er de blootstelling aan sociaal georganiseerde stimuli. Hiermee wordt bijvoorbeeld de blootstelling aan een taal bedoeld. De input die het kindje krijgt, is contextafhankelijk. Ten tweede worden bepaalde stimuli door middel van sociale versterking benadrukt. Een derde mogelijke vorm van cultureel leren is door het direct kopiëren van gedrag. De vierde vorm lijkt hier erg op, namelijk het leren van de effecten van het gedrag van anderen. Wanneer kinderen gewenste effecten zien van het gedrag van anderen, zullen zij dit gedrag zelf ook sneller vertonen. Dit wordt ook wel emulation learning genoemd. De vijfde vorm van cultureel leren is door de intentie van gedrag te imiteren. Wanneer een ouder bijvoorbeeld bukt om iets op te rapen van de vloer, zal het kindje ook gaan bukken wanneer het merkt dat het iets moet oppakken. De laatste vorm van leren is het leren door gedeelde aandacht, communicatie en instructie. Hierbinnen is dus weer de joint attention van belang. Het kind kijkt samen met de ouder naar een object of een handeling en leert door middel van communicatie met en instructies van de ouder de wereld om zich heen beter kennen.

Cultureel leren is dus een sociaal leermechanisme met een cumulatieve verwerving van kennis. Het kindje heeft het vermogen om al vroeg andere personen te zien als zichzelf en als een subject met doelen, gedachten en gevoelens. De communicatie is een wederzijds coöperatief proces. Er wordt voortgebouwd op de kennis die het kindje al beschikt en die al aanwezig is in de omgeving door middel van instructie en vernieuwen door samenwerking.

 

Maar wat maakt mensen nou verschillend van mensapen? Er zijn namelijk redelijk wat overeenkomsten te vinden tussen mensen en mensapen. Beiden hebben een vroeg vermogen tot identificatie met soortgenoten. Ook is er al vroeg het vermogen tot wederkerige interacties. Tijdens het eerste levensjaar neemt het besef toe van het Zelf als psychisch wezen, maar ook het besef van de ander als psychisch wezen neemt toe. Want de ander is net als jijzelf. Apen snappen ook dat de ander een rationeel wezen is.

Het verschil is echter dat een mensenkind een ultra-sociaal wezen is. Meteen na de geboorte heeft het al een bijzondere aandacht voor menselijk stimuli en zal het al vrij snel een accurate gezichtsherkenning ontwikkelen. Een mensenkind heeft ook al vrij vroeg het vermogen tot kopiëren (‘mimicking’) van mond en gezichtsbewegingen. Het kindje zal de bewegingen die de ouders maken, snel nagaan doen. Ook is het al vroeg emotioneel beïnvloedbaar (‘Emotional contagion’).

 

Uit recent onderzoek blijkt dat mensapen wel het besef van doelen en percepties van de ander hebben. Ze proberen de aandacht van de ander te trekken door aandachtstrekkers (‘Zie Y!’), en door middel van intention-movement proberen ze duidelijk te maken wat ze willen van de ander (‘Doe X!’).

Waar mensen delen, verzoeken en informeren hebben als doelen tot communicatie, hebben apen alleen maar verzoeken als doel. Ze zijn dus een stuk competitiever ingesteld. Ze weten wanneer de ander ‘Y ziet’ en willen dan dat die ander ‘X doet’.

 

Het grote verschil tussen mensapen en mensen is dus dat apen alleen het communicatie doel verzoeken hebben, terwijl mensen ook sociale en coöperatieve motieven hebben tot communicatie. Wanneer een mens een gebaar ziet of een taaluiting hoort van een ander, zal hij zich afvragen wat de ander hiermee bedoelt en wat de ontvanger ten bate van de zender zou moeten of kunnen doen. De verzender beseft dit. Er is een besef van elkaar dat er de intentie is om te communiceren. Apen hebben dus individuele en egocentrische motieven die tegenover de sociaal-coöperatieve en altruïstische motieven van de mensen staan.

 

De fundamenten van taalverwerving zijn de joint-attentional-scenes en de koppeling tussen het object/handeling en de taaluiting. Joint-attentional-scenes houden in dat het kindje de oorzaak-gevolg en handeling-doel relaties gaat begrijpen. In deze ‘scenes ‘ heerst een door de ouders gecoördineerde aandacht die gedeeld wordt. Het kind leert de communicatieve bedoelingen begrijpen (bijvoorbeeld benoemen, beschrijven, opdragen, enzovoorts..). De taal wordt geleerd door middel van joint-attentional-scenes. Hierbinnen vindt een intersubjectiviteit plaats. Dit is het afstemmen op elkaar. Tijdens een joint-attentional-scene wordt er bijvoorbeeld over een object gesproken. Het kind en de ouder kijken naar elkaar waar de kijkrichting heen gaat, en kijken samen naar het object. Door naar elkaar te kijken, wordt er op elkaar afgestemd naar welk object er samen gekeken wordt. Door (gedeelde) intersubjectiviteit is het voor het kind mogelijk om het vermogen tot identificatie te ontwikkelen en krijgt het een zelfbesef. Dit zelfbesef is ook wederkerig, het kind snapt dat de ander is zoals jij zelf bent. De motieven voor (gedeelde)intersubjectiviteit zijn sociale motieven: Samenwerking en hulp bieden. Dit zorgt voor een wederzijds profijt.

 

De ontwikkeling van deze intersubjectiviteit gaat in het eerste levensjaar als volgt:

  • 0-2 maanden: er vindt een externe regulatie van de lichamelijke en emotionele toestand plaats.

  • 2-4 maanden: proto-conversaties ontwikkelen zich. De wederzijdse beïnvloeding wordt een doel op zich. Protoconversaties zijn interacties tussen een ouder en een baby die bestaan uit woordjes, geluiden en bewegingen om als pogingen te dienen om de betekenis van de taal over te brengen bij het kind die de taal nog niet beheerst.

  • 4-6 maanden: er ontstaat een spiegelbeeld herkenning.

  • 6-9 maanden: zelfbewust zelfstandig spel, ook wel ‘showing off’ gedrag genoemd.

  • 9-12 maanden: Er is een gedeelde aandacht en intersubjectiviteit ontwikkeld.

 

Ouders spelen een belangrijke rol in de (taal)ontwikkeling van hun kind. Zij zijn vaak de eerste die het kind de taal aanbieden en met hen interacteren. Uit experimenten is gebleken dat wanneer opvoeder a-typisch reageren in protoconversaties dat het kind dan emotioneel ontredderd is. Dit zelfde geldt wanneer een moeder alleen maar emotioneel vlakke responsen geeft. Deze experimenten laten duidelijk zien dat bijvoorbeeld depressiviteit bij de opvoeders een bedreiging voor de ontwikkeling van cultureel leren bij het kind is.

 

Kinderen kunnen ook a-typisch reageren. Uit he onderzoek van Rollins & Snow (1998) komen grote verschillen naar voren tussen autistische kinderen en normaal ontwikkelde kinderen. De mate waarin kinderen initiatieven namen om gezamenlijk over een object of behandeling te praten werd vergeleken. Evenals de mate waarin kinderen de initiatieven van de opvoeder volgden. Dit blijken sterke voorspellers te zijn van de taalontwikkeling.

 

Tegenwoordig proberen ouders ook kinderen veel taalaanbod via de televisie te laten opdoen. Maar uit onderzoek blijkt dat dit tot een leeftijd van 3 jaar niet gebeurt (‘video deficit effect’). Wanneer kinderen een zoekopdracht krijgen vanaf de televisie zullen zij hier anders op reageren dan wanneer de opdracht vanuit een live persoon komt. Wel is gebleken dat interactieve video’s tot betere zoekpresentaties leiden dan noninteractieve video’s.

 

Wanneer kinderen in de negende levensmaand zijn, verandert er veel in de ontwikkeling. Hierdoor wordt dit de negende maand revolutie genoemd. Tijdens deze negende maand revolutie vindt er een snelle ontwikkeling plaats van funderende sociaalcognitieve vaardigheden: Het vermogen de blikrichting van een ander te volgen, het vermogen de aandacht van de ander te trekken, het vermogen objecten te tonen en aan te wijzen en het vermogen tot imiterend leren. Hierbij hebben kinderen het besef dat er onderscheid is tussen het doel van de ander en diens gedrag.

 

Vanaf de negende maand revolutie is het mogelijk voor de ouders om aan joint-coördinated-attention te doen. Ze kunnen het kind helpen om de aandacht te richten op belangrijke informatie. Het kind leert hierdoor anderen als bron van hulp en informatie te zien. De ander heeft de kennis én de bedoeling om te helpen. De joint-coordinated-attention is de basis voor taal en communicatie om informatie en ervaringen te delen en samen nieuwe kennis te construeren.

 

Er zijn meerdere perspectieven op ontwikkeling:

  • De fylogenetische visie gaat ervan uit dat de ontwikkeling een biologisch erfgoed is, wat het resultaat is van miljarden jaren van evolutie.

  • De cultuur-historische visie gaat uit van cultureel erfgoed. Dus dat de cultuur een grote rol speelt in hoe de ontwikkeling zich vormt.

  • De ontogenetische visie zegt dat de ontwikkeling van de levensloop gevormd wordt door de interactie van biologisch potentieel van een individu en zijn/haar cultureel gestructureerde omgeving.

  • De microgenetische visie gaat er van uit dat cultuur geleert wordt door middel van het observeren van anderen. Er wordt geleerd in sociale interactie, communicatie en door instructie.

 

De taalontwikkeling wordt gezien als co-constructie leren. Dit betekent letterlijk dat er iets gezamenlijk gemaakt wordt (dus doelgericht handelen), en door hier aan deel te nemen verandert je vaardigheid. Participatie en intersubjectiviteit gelden hierbij als voorwaarden. Ook een common ground (dus gedeelde doelen, gedeeld globaal plan van aanpak, gedeelde achtergrondkennis, etcetera) geldt als basis. Kinderen leren van elkaar en helpen elkaar in hun ontwikkeling. Doordat ze interacteren met elkaar komen ze in confrontatie met meervoudige perspectieven en leren ze hierdoor beter om socio-cognitieve conflicten op te lossen. Ook leren ze samen te werken, want vaak geldt dat het geheel meer is dan de som van de delen. Er wordt samen ge-exploreert, gediscussieerd en er kan samen worden geconstrueerd. De rol van de volwassene hierin is om kinderen te ondersteunen en ze te helpen verdiepen. Ook moeten volwassenen grondregels stellen en helpen conflicten op te lossen.

 

Zoals in college 7 en in dit college al verteld, leren kinderen een taal en leren ze de grammatica. Dieren, en dan met name apen, kunnen ook bepaalde aspecten van een taal leren. Mensapen die intensief getraind zijn om gebaren of lexigrammen te gebruiken, kunnen sequenties van gebaren/lexigrammen begrijpen en produceren. Maar het overgrote deel van de ‘sequenties’ zijn simpel qua betekenis en dienen als een verzoek om iets wat in de onmiddellijke situatie aanwezig is. Er is geen vaste volgorde hierin aan te brengen en de productie is beperkt. Ze kunnen niet iets over gister vertellen, of iets abstract uitbeelden. Dit maakt duidelijk dat apen niet over grammatica beschikken. Mensen wel.

 

 

 

 

 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
1333
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector