Samenvatting van Opgroeien in het hedendaagse gezin: Inleiding in de gezinspedagogiek van Van der Horst e.a. - 2e druk

Samenvatting bij Opgroeien in het hedendaagse gezin: Inleiding in de gezinspedagogiek

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is gezinspedagogiek? - Chapter 1

    Wat is gezinspedagogiek? - Chapter 1

    Sinds 100 jaar geleden bestaat de pedagogiek als aparte discipline. Dit is het gevolg van 'de ontdekking van het kind' van de Franse filosoof Jean-Jacques Rosseau. Hij benadrukte als eerste de eigenheid van het kind. Pedagogiek is ontstaan om de ontwikkeling van een kind te kunnen begrijpen en hen te begeleiden tot goed functionerende volwassenen. Pedagogiek heeft zowel een praktische als een wetenschappelijke kant. In het praktische werkveld zijn pedagogen bezig met het geven van advies en begeleiding. In wetenschappelijke context bestuderen pedagogen de opvoeding, het onderwijs en de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, veelal met het oog op verbetering van de praktijk. De kennis in de wetenschap wordt toegepast in de praktijk. 

    Ouders zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de opvoeding van hun kind. Tegenwoordig is er niet altijd meer sprake van een traditioneel gezin die bestaat uit vader, moeder en kind. Nu spreken we van het moderne gezin, die gekenmerkt wordt door minder stabiliteit en meer individualiteit. De vraag die gesteld wordt bij opvoeding is: wat is de invloed van nature (aanleg) en nurture (omgeving of opvoeding)? Deze discussie heeft nog steeds niet geleid tot een duidelijk antwoord, maar er is wel overeenstemming over het feit dat zowel nature als nurture invloed heeft op de ontwikkeling van een kind.  

    Hoe is pedagogiek ontstaan als aparte discipline?

    Sinds 100 jaar geleden bestaat de pedagogiek als aparte discipline. Dit is het gevolg van 'de ontdekking van het kind' van de Franse filosoof Jean-Jacques Rosseau. Hij benadrukte als eerste de eigenheid van het kind. Pedagogiek is ontstaan om de ontwikkeling van een kind te kunnen begrijpen en hen te begeleiden tot goed functionerende volwassenen. Pedagogiek heeft zowel een praktische als een wetenschappelijke kant. In het praktische werkveld zijn pedagogen bezig met het geven van advies en begeleiding. In wetenschappelijke context bestuderen pedagogen de opvoeding, het onderwijs en de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, veelal met het oog op verbetering van de praktijk. De kennis in de wetenschap wordt toegepast in de praktijk. 

    Pedagogiek is te vergelijken met de aanverwante vakgebieden, zoals de psychiatrie en de psychologie. Voorheen dacht men dat psychische problemen een oorsprong hadden in de aanleg, maar aan het begin van de twintigste eeuw werd ook de omgeving als belangrijke invloed beschouwd op de ontwikkeling van deze problemen. Deze omslag van denken en het belang voor mentale gezondheid leidde tot twee stromingen: de dynamische psychologie en de mental hygiene movement. In de dynamische psychologie zijn Sigmund Freud en Alfred Adlers belangrijke bijdragers. De mental hygiene movement werd gevormd in de Verenigde Staten, maar had ook in Nederland een grote invloed op het behandelen van psychische problemen bij kinderen. Tegelijk met deze twee stromingen ontstond er in Duitsland de Heilpädagogik, die zich richtte op genezing van psychische problemen via opvoedingsmaatregelen. Dit was het begin van de pedagogiek in Nederland. 

    De pedagogiek was eerst nog een onderdeel van de geesteswetenschappen, waarin voornamelijk de aandacht lag bij de historische context waarin kinderen zich ontwikkelen. Philip Kohnstamm stelde dat de basis van de pedagogiek gevormd werd door levensbeschouwelijke waarden en afstand deed van het empirisch perspectief. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde pedagogiek zich als zelfstandige discipline en werd ook empirisch onderzoek beter gewaardeerd als gevolg van de experimenten van Wilhelm Wundt. Langeveld stelde dat empirische kennis pas betekenis krijgt door vanuit die kennis normatieve uitspraken te doen. Na Langeveld ontwikkelde pedagogiek zich in verschillende specialisaties, zoals orthopedagogiek. De nadruk verschoof van filosofisch en historisch naar empirisch-analytische wetenschap. Omdat waarden een belangrijker rol spelen boven de feiten en tijden veranderen, kan de pedagogiek geen uitsluitende empirische benadering aanhouden, maar blijft het ook een normatieve wetenschap. De combinatie van empirisch-analytisch en normatieve pedagogiek vormen een unieke bijdrage van de pedagogiek aan de sociale wetenschappen.

    Welke deelgebieden zijn er binnen de hedendaagse pedagogiek?

    Pedagogiek bestudeert de opvoeding en ontwikkeling van alle kinderen en jongeren, en van volwassenen in een afhankelijkheidsrelatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen orthopedagogiek en de algemene of gezinspedagogiek. In de gezinspedagogiek gaat het over de normale ontwikkeling van kinderen in verschillende opvoedingscontexten binnen en buiten het gezin. De orthopedagogiek richt zich op opvoeding in problematische situaties met als doel de opvoeding te optimaliseren. Daarnaast is ook de neuropedagogiek ontstaan binnen de orthopedagogiek. Deze richt zich op de neurologische basis in het verklaren van opvoedingsproblemen, leerstoornissen en gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Dit is te vergelijken met klinische kinderneuropsychologie. De twee deelgebieden, gezinspedagogiek en orthopedagogiek, representeren het continuüm van de normale tot problematische ontwikkeling. 

    Welke theoretische modellen vormen het pedagogisch omgevingsperspectief?

    Er zijn drie theoretische modellen die gezamenlijk het pedagogisch omgevingsperspectief vormen. Dit zijn de modellen van Bronfenbrenner (1979), Belsky (1984) en Sameroff (1975).

    Wat is het model van Bronfenbrenner?

    Bronfenbrenner stelt dat de ontwikkeling van kinderen plaatsvindt als gevolg van een toenemend complexe interactie tussen het zich ontwikkelende individu en personen, objecten en symbolen in zijn onmiddellijke omgeving. Deze interacties, ook wel proximale processen genoemd, vormen de basis voor de ontwikkeling van het kind. Voorbeelden van deze proximale processen zijn het spelen met vriendjes of vriendinnetjes, het lezen van een boek of een activiteit met de vader of moeder. Bronfenbrenner legt sterk de nadruk op de omgeving en heeft deze ook ingedeeld in verschillende ecologische systemen: microsysteem, mesosysteem, exosysteem, macrosysteem en chronosysteem. 

    1. Microsysteem: de opvoedingssituatie waarin het kind zich begeeft en waar het in directe interactie is met de omgeving, zoals in het gezin, op de kinderopvang, op school. 
    2. Mesosysteem: de interactie tussen verschillende opvoedingssituaties, zoals de afstemming tussen ouders en leerkrachten. Een goede interactie tussen microsystemen komt de ontwikkeling van het kind ten goede.
    3. Exosysteem: invloed op de ontwikkeling van structuren waarin het kind niet direct participeert, maar die wel de directe omgeving beïnvloeden, zoals het werk van ouders of de schoolklas van broer of zus.
    4. Macrosysteem: omvat de grote structuren op afstand van het kind, zoals de cultuur of religie. 
    5. Chronosysteem: de historische ontwikkelingen kunnen de omgeving van het kind veranderen, zoals verandering in gezinsstructuur. Dit niveau wordt vaak weggelaten. 

    Dit model neemt de ontwikkeling van het individu als uitgangspunt. Vanuit de pedagogiek is de focus op de bredere context waarin alle niveaus met elkaar interacteren. Hiermee lijkt het op de sociologie. De pedagogiek integreert verschillende invalshoeken en de invloed van verschillende ecologische systemen op opvoeding en ontwikkeling.

    Wat is het model van Belsky?

    Belsky gaat in zijn sociaal-contextueel procesmodel uit van opvoeding als tweerichtingsverkeer: er is sprake van wederzijdse beïnvloeding tussen opvoeder en kind. De opvoeding van de ouders wordt bepaald door de eigenschappen en het gedrag van het kind en van hun eigen ervaringen uit het verleden en hun eigen persoonlijkheid. Daarnaast zijn ook de mate van sociale steun, kwaliteit van partnerrelatie en het werk van invloed op het opvoedingshandelen van ouders.

    Wat is het model van Sameroff?

    Sameroff benadrukt dat het kind geen slachtoffer is van de opvoeding waarin ouders de uitkomsten bepalen, maar dat de eigenschappen en het gedrag van het kind bepaald opvoedgedrag uit kunnen lokken. Hij neemt afstand van een hoofdeffect van genen of omgeving en een interactie-effect tussen aanleg en omgeving, omdat deze de relatie niet juist weerspiegelen. Hij stelt dat de verandering onderling afhankelijk zijn van elkaar en elkaar beïnvloeden, wat leidt tot een complexe transactie van aanleg, omgeving en tijd die is vastgelegd in het transactioneel model.  

    De pedagogiek maakt gebruik van zowel psychologische kennis als sociologische kennis. Middels deze theoretische modellen kunnen normatieve uitspraken gedaan worden en ze vormen een basis voor empirisch onderzoek.

    Access: 
    Public
    Wat is de geschiedenis van het gezin? - Chapter 2

    Wat is de geschiedenis van het gezin? - Chapter 2

    Het gezinsleven in Europa is drastisch veranderd over de eeuwen heen. Om te kunnen begrijpen hoe het moderne gezin is ontstaan, moeten we de geschiedenis van het gezin begrijpen en inzicht krijgen in de pedagogische stromingen. 

    Welke bronnen zijn beschikbaar voor onderzoek naar de geschiedenis van het gezin?

    Het onderzoek naar de geschiedenis van het gezin kent drie benaderingen, met verschillende uitgangspunten en verschillend gebruik van bronnenmateriaal.

    1. Demografische benadering: verzamelen en interpreteren van kwantitatieve, demografische gegevens waarmee een beeld gevormd wordt van de leef- en opvoedingsomstandigheden van ouders en kinderen. 
    2. Affectieve benadering: nadruk op menselijk gedrag en persoonlijke beleving en motieven, door gebruik te maken van kwalitatieve bronnen zoals dagboeken, brieven, autobiografieën, schilderijen, kleding en speelgoed. 
    3. Historische maatschappijwetenschappen: focus op de invloed van sociaaleconomische, cultureel-maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op veranderingen in het gezin door het bestuderen van wetgeving, erfrecht en gezags- en eigendomsverhoudingen. 

    Bij het gebruik en interpretatie van bronnen moet men rekening houden met de mate van representativiteit, zowel kwantitatief als kwalitatief. Het kan zijn dat de bron slechts een deel van de werkelijkheid weergeven. Ook is van belang dat er rekening wordt gehouden met de regionale verschillen en moet er bedacht worden wie de bron heeft opgesteld, voor wie deze is bedoeld en met welk doel bepaalde informatie is opgeschreven. Het is vaak niet duidelijk of bij een bron sprake is prescriptie (hoe men geacht werd te handelen) of descriptie (hoe er feitelijk gehandeld werd). 

    Welke pedagogische stromingen zijn er?

    Er zijn drie stromingen die het meeste invloed hebben gehad op de pedagogiek: het humanisme, de verlichting en de romantiek en hun kenmerkende vertegenwoordigers Erasmus, Locke en Rousseau. 

    1. Humanisme: ontstaan door Christelijke denkers die de klassieke cultuur wilen revitaliseren. Het humanisme had als doel de vorming van een klassieke homo universalis (of universele mens). Ze gingen uit van de vrijheid van de menselijke wil. Het humanisme kenmerkt zich door een individualistische benadering en de nadruk op leren. Desiderius Erasmus speelde een belangrijke rol binnen het humanisme. Hij hechtte veel waarde aan een goed onderwijs en geloofde in het natuurlijk verlangen naar kennis en de maakbaarheid bij kinderen. Hij legde de taak van opvoeding bij de vader in plaats van bij de moeder. Kinderen zouden volgens hem vooral leren door imitatie, dus een goede opvoedomgeving was van belang.
    2. Verlichting: een intellectuele stroming die uitgaat van de menselijke rede als criterium bij het zoeken naar de waarheid. God werd alleen gezien als schepper, dus moest de mens vertrouwen op denken en handelen uit eigen kennis. De mens werd nu ook gezien als van nature goed. Bij de opvoeding kon er niet alleen vertrouwd worden op deze geestelijke zelfstandigheid, maar er moest ook een opvoedingsdoel zijn. John Locke kan worden beschouwd als exponent van de verlichting. Hij bracht een bijdrage aan de opvoeding met zijn werk 'Some thoughts concerning education', hierin staat lichamelijke ontwikkeling en hygiënische verzorging centraal. Zijn belangrijkste pedagogische uitgangspunt was dat het kind ter wereld komt als een tabula rasa, een onbeschreven blad. Er is geen aanleg, maar de kennis kan alleen verkregen worden door ervaring. Het doel van de opvoeding was het verwerven van vrijheid en zelfbestuur.
    3. Romantiek: dit is een tegenbeweging op de verlichting. De romantiek lag de nadruk op gevoel en intuïtie in plaats van rede en ratio. Er was aandacht voor het irrationele en het onbewuste. De maakbaarheid van de mens was naast rede, ook afhankelijk van gevoelens en motieven. De mens werd gezien als een eenheid, die afhankelijk is van de gemeenschap. De mens heeft wel een verleden. Jean-Jacques Rousseau benadrukte ook het kind op zich en niet alleen het kind die zich als volwassene moet ontwikkelen. De opvoeding kwam volgens hem van binnenuit, waardoor er weinig invloed op was. Zijn bekendste werk is 'Émile, ou de l'éducation'. De mens is van nature goed, maar het maatschappijbeeld is negatief. Rousseau houdt zich bezig hoe een mens kan leren omgaan met de kloof tussen natuur en maatschappij. Het antwoord hierop is deugdzaamheid en zelfbeperking. Zijn opvoedingsdoel is het kind zich optimaal te laten ontwikkelen en dicht bij de onbedorven mens van de schepping te blijven. Rousseau wordt gezien als een van de bepalende figuren in de geschiedenis van de opvoeding van het kind, met grote invloed op latere ontwikkelingen. 

    Locke en Rousseau zijn tegenstrijdig in hun ideeën. Locke wenst een opvoeding tot welgemanierdheid en Rousseau beperkt de ouderlijke interventie en benadrukt de natuurlijke ontwikkeling van het kind. De stromingen zijn gebaseerd op of tegenreactie op eerdere stromingen. Het beeld veranderde van een kind dat van nature kwaad was, via een kind als onbeschreven blad, naar een kind dat van nature goed is. Deze verandering heeft ook gezorgd voor een verandering in de rol van ouders in de opvoeding.

    Wat is de invloed van Locke en Rousseau op de opvoeding en het gezinsleven?

    De nieuwe opvoedingsideeën uit de Verlichting en Romantiek werden niet direct opgenomen in de maatschappij, omdat de traditionele ideeën werden doorgegeven van generatie op generatie. In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde de ouder-kindrelaties vanuit de stedelijke middenklasse. Vanuit de verlichting werd er meer de nadruk gegeven op een intellectuele ontwikkeling. Vanuit de romantiek werd er meer aandacht gegeven aan de emotionele ontwikkeling en kregen moeders een grotere rol in de opvoeding. De ouders moesten leiding geven aan het kind naast het disciplineren. Er was nog wel een verschil in opvoeding tussen de middenklassen en de lagere klassen. Het huiselijkheidsideaal, waarbij de man zorgde voor de inkomsten en de vrouw voor het gezin, ontstond ook halverwege de negentiende eeuw. Er was sprake van individualisering en gelijkere machtsverhoudingen tussen man en vrouw. Het kind kreeg een centrale positie in het gezin, het ging niet meer alleen over werken. Snel zorgde ook het reguleren van kinderarbeid en de invoering van de leerplicht voor een verspreiding van deze ideeën van de midden klassen naar de lagere klassen. De overheid kreeg meer controle over de zorg en opvoeding van kinderen. 

    Wat was de invloed van het gezinshistorisch debat?

    Dit debat gaat over de vraag of er voor de verlichting en de industrialisatie wel sprake is geweest van een kindertijd en een gezinsgevoel. Dit debat werd begonnen door de Franse historicus Philippe Ariès. Hij stelde dat de kindertijd niet bestond voor de zeventiende eeuw. Hij deed onderzoek naar het wegvallen van grotere familieverbanden, waardoor hechtere sociale relaties ontstonden. Het onderzoek werd opgepakt door aanhangers en zo ontstond een stroming genaamd de zwarte legende. Zij stellen dat het kerngezin pas ontstaan is na de vroegmoderne tijd en dat er een duidelijke omslag heeft plaatsgevonden in het persoonlijk leven van mensen op het gebied van partnerkeuze, moeder-kindrelatie en gezinsleven. Zij baseren dit op egodocumenten waaruit blijkt dat er weinig rouw of verdriet was om de dood van kinderen. Ook het laten verzorgen van een pasgeborene door een min of voedster is een argument dat bijdraagt aan hun stelling. Er werd veel gebruik gemaakt van uitbesteding van kinderen waarbij de kinderen nauwelijks bezocht konden worden. Het ontbreken van affectie kan een oorzaak zijn van de hoge aantallen kindersterfte. Het uitbesteden was een gevolg van de armoede die er heerste. Ook religieuze invloeden kunnen invloed hebben gehad op het minimaliseren van emotioneel geladen gezinsrelaties. De aanhangers van de zwarte legende geloven er dus in dat er pas liefdevolle relaties binnen het gezin zijn ontstaan nadat sociaaleconomische omstandigheden en pedagogische en maatschappelijke denkbeelden veranderden. 

    Welke reactie kwam er op de zwarte legende?

    Aanhangers van de witte legende veronderstelden dat het kerngezin al vanaf de middeleeuwen zichtbaar was, dat er toen ook al affectieve banden waren tussen gezinsleden en er sprake was van emotionele betrokkenheid bij kinderen. De jongeren zouden zelf kiezen voor hun huwelijkspartner, dus was er wel sprake van autonomie. Ook werden er aanwijzingen gevonden in dagboeken en autobiografieën dat er wel zeker een intensivering van het gevoelsleven bestond en er een geleidelijke ontwikkeling naar het moderne gezinsleven bezig was. De dood van een kind werd gezien als de wil van God en de weinige persoonlijke verhalen kunnen verklaard worden doordat men vroeger alleen zakelijke verhalen opschreef. Ook het gebruik van de min is te betwisten, maar te gecompliceerd om ongenuanceerde uitspraken over te doen. 

    Wat is de conclusie in het debat tussen zwart en wit?

    Beide stromingen hebben een gebrek aan nuance. De zwarte legende heeft te veel geloof gesteld in vooruitdenken en de veranderlijkheid van menselijk gedrag overschat. De witte legende onderschatten juist de mogelijkheden tot verandering. Er is wel overeenstemming over de economische expansie en de reformatie die hebben geleid tot individualisering en de ontwikkeling van het kerngezin. De zwarte legende legt te veel nadruk op de normen gebruiken en stelt die gelijk aan attitudes en gevoelens, terwijl de witte legende het feitelijke gedrag wordt gezien als een weerspiegeling van innerlijke gevoelens. Kortom, beide uitgangspunten zijn te kort door de bocht.

    Wat is de mythe van het Europese gezin?

    Er werd lange tijd aangenomen dat de industrialisatie het begin was van de ontwikkeling van een moderne gezinssamenstelling. Hiervoor werd gedacht dat mensen in Europa samenleefden in grote familieverbanden waar veel kinderen werden geboren en waar ouders de ouders bepaalden wie gingen trouwen. Dit is een mythe. De gezinssamenstelling wordt met grote mate bepaald door culturele tradities en erfrecht. Deze samenlevingsverbanden kwamen niet voor in West-Europa, omdat men na het trouwen zelfstandig ging wonen en er was een erfrecht waardoor alle zoons zich zelfstandig konden vestigen. In Oost-Europa erfde alleen de oudste zoon, waardoor de anderen afhankelijk waren en bleven inwonen. Op basis van deze patronen werd geprobeerd Europa in te delen in oost en west. In Oost-Europa was de huwelijksleeftijd lager dan in West-Europa, maar gingen inwonen bij de familie van de bruidegom. Terwijl in West-Europa de huwelijkspartners in staat zijn zichzelf te onderhouden. De geboortecijfers waren lager in West-Europa, omdat de vrouwen hier eerder sterven en omdat een deel ongehuwd bleef. Het geven van flesvoeding en het uitbesteden aan een min van baby's zorgden voor een grote zuigelingensterfte. 

    Wat is de invloed van geboorte en sterfte op gezinsvorming?

    In demografische transitie kunnen de geboorte- en sterftecijfers weergegeven worden. De transitie is in de meeste landen gegaan van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een samenleving met een geboortebeperking en verminderde sterfte. De demografische transitie kent vier fasen:

    1. Een hoog geboortecijfer gecombineerd met een hoog sterftecijfer.
    2. Een hoog geboortecijfer en een dalend sterftecijfer.
    3. Een dalend geboortecijfer en een laag sterftecijfer.
    4. Een laag geboortecijfer en een laag sterftecijfer.

    Het dalende sterftecijfer was een gevolg van modernisering en economische groei door industrialisatie, betere voeding, verbeterde levensomstandigheden en toenemende private en publieke hygiëne. Voornamelijk de laatste twee ontwikkelingen hebben een grote bijdrage gebracht, denk aan riolering, afvalafvoer en waterleidingen. Door deze positieve ontwikkelingen vond het huwelijk sneller plaats en was er een snelle bevolkingsgroei. Dit werd teruggedrongen door geboortebeperking.

    Het gezinsleven in Europa is drastisch veranderd over de eeuwen heen. Om te kunnen begrijpen hoe het moderne gezin is ontstaan, moeten we de geschiedenis van het gezin begrijpen en inzicht krijgen in de pedagogische stromingen. 

    Access: 
    Public
    Hoe vormt en ontwikkelt het gezin zich? - Chapter 3

    Hoe vormt en ontwikkelt het gezin zich? - Chapter 3

    In Nederland wordt veel waarde gehecht aan het traditionele kerngezin: een gezin dat bestaat uit een vader en een moeder. Tegenwoordig zijn er veel gezinnen die niet aan dit beeld voldoen. De vraag is of en hoe deze verschillende gezinsvormen van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen. 

    Hoe ontwikkelt het traditionele kerngezin zich door de eeuwen heen?

    Vanaf 1900 werd het traditionele kerngezin gezien als ideale gezinsvorm. Driekwart van de gezinnen leefden met beide ouders. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw vonden er ontwikkelingen plaats in de bevolkingsopbouw: de eerste demografische transitie. Hierin groeide zo'n 90% op in een traditioneel gezin. In de tweede demografische transitie ging gepaard met individualisering en modernisering waardoor meer kinderen buiten het huwelijk geboren werden. Hierdoor daalde het aantal traditionele gezinnen, maar het aantal bleef nog steeds erg groot (80%). De eenoudergezinnen waren voornamelijk met de moeder in plaats van de vader. Vanaf 2000 werd het steeds normaler om kinderen te krijgen zonder gehuwd te zijn en vond er ook een driedubbeling plaats van het aantal ongehuwde samenwonende ouderparen. Ook kwam er het geregistreerd partnerschap, wat wettelijk gezien nauw verband heeft met de rechten en plichten van het huwelijk. De traditionele gezinsvorm is en blijft de norm in Nederland, maar er is al ruim 150 jaar sprake van verschillende gezinsvormen en de diversiteit neemt alleen maar toe.

    Wanneer is het tijd voor het ouderschap?

    De leeftijd waarop vrouwen in Nederland moeder worden is heel uitlopend, van tienermoeder tot lastminutemoeder. Het aantal tienermoeders is afgenomen wegens preventiemiddelen en strengere regels met betrekking tot huwelijksmigratie. Het aantal moeder dat na hun 45e zwanger worden, neemt toe. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen zwanger worden is ook gestegen van 26,5 naar 29,9. Dit is te verklaren doordat met name hoogopgeleiden het moederschap uitstellen. Deze stijging is ook te zien bij vaders.

    Heeft de leeftijd van de moeder consequenties voor de ontwikkeling van het kind?

    Er wordt in de wetenschap onderscheid gemaakt tussen de leeftijd van de moeder en de omgevingsfactoren van de moeder, zoals opleidingsniveau en de buurt waarin het kind opgroeid. Ongunstige omgevingsfactoren die voornamelijk voorkomen bij tienermoeders brengen negatieve gevolgen mee voor de ontwikkeling van een kind. Kinderen van tienermoeders hebben zelf ook meer kans om op jonge leeftijd moeder te worden, hier is sprake van intergenerationele overdracht. De omstandigheden hebben een grotere invloed dan de leeftijd van de moeder op de ontwikkeling van een kind. Er is weinig verschil te vinden in de ontwikkeling van een kind waarbij de moeder tussen de 21 en 50 jaar is. 

    Wat zijn de nadelen van tienermoeders en van lastminute-ouderschap?

    Bij lastminute-ouderschap kunnen er tijdens de bevruchting, zwangerschap en bevalling meer complicaties optreden. Ook is de vraag of de 'oudere' ouders wel even goed voor hun kind kunnen zorgen als jongere ouders. Kinderen van tienermoeders hebben vaker te maken met hardhandige disciplinering, negatievere moeder-kindinteracties en lagere mate van sensitiviteit. Dit is te verklaren door de sociale-invloed-hypothese, die stelt dat het tienermoederschap een onderbreking is van hun eigen ontwikkeling als jongere en daardoor sociale en emotionele stress met zich meebrengt. En door de sociale-selectiehypothese, die stelt dat de negatieve uitwerking voortkomt uit bepaalde psychosociale factoren die de kans op tienermoederschap vergroten en een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de opvoeding. De sensitiviteit van moeders en hun vermogen om structuur te bieden aan hun kind neemt toe tot het dertigste levensjaar, dit heeft te maken met een stabiele omgeving. Dit kan ook worden verklaard door de niet-vanzelfsprekende-zwangerschapshypothese, die stelt dat oudere moeders meer warmte en betrokkenheid laten zien, omdat ze een weloverwogen keuze hebben gemaakt om moeder te worden en daardoor beter zijn voorbereid. Ook neemt bij oudere moeders de ouderschapskennis en -competentie toe. De maturiteitshypothese verklaart dit doordat oudere moeders meer kennis, levenservaring en financiële en sociale steun hebben. Het is dus niet zozeer de leeftijd van de moeders die van invloed is op de ontwikkeling, maar de kenmerken van de opvoeding en de omgeving. 

    Hoe heeft adoptie zich ontwikkeld?

    Ouders kiezen voor adoptie om hun kinderwens te vervullen of als blijkt dat zij zelf geen kinderen kunnen krijgen. De meeste kinderen worden geadopteerd uit het buitenland, omdat hier de kans groter is dan kinderen niet kunnen opgroeien in het eigen gezin. Het aantal adopties is sterk gedaald in Nederland vanwege verschillende redenen. Er is minder belangstelling voor adoptie door financiële redenen. De kinderen worden beter opgevangen in hun eigen land, waardoor ze niet ter adoptie gesteld worden. Er is wel een toename in kinderen die speciale zorg nodig hebben door een handicap of medische aandoening.

    Wat zijn de gevolgen van adoptie voor de ontwikkeling een kind?

    Voor dat kinderen uit het buitenland worden geadopteerd, leven ze hier in een kindertehuis. Deze omstandigheden zijn niet goed voor de ontwikkeling van het kind, zoals weinig stimulatie, weinig aandacht voor fysieke verzorging en emotionele verwaarlozing. Dit is in de loop van de jaren wel verbeterd, maar de stabiele relaties blijven ontbreken. Daarnaast kunnen er negatieve ervaringen ontstaan tijdens het proces van adoptie, zoals verlieservaringen in het land van herkomst en etniciteitsverschillen en discriminatie. Toch heeft adoptie als voordeel dat de kinderen in een beter land opgroeien en zich beter kunnen ontwikkelen. De kinderen maken een inhaalslag in hun adoptieland vergeleken met de kinderen in het land van herkomst. Ook hebben adoptiekinderen even vaak een veilige gehechtheidsrelatie met de ouders als niet-geadopteerde kinderen, hierbij speelt de timing een belangrijke rol (het best is voordat de kinderen één jaar worden). Geadopteerde kinderen lopen niet achter in intelligentie (IQ) in vergelijking met hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Het probleemgedrag is wel iets hoger bij de adoptiekinderen, maar hun zelfvertrouwen is van gelijk niveau. Toch ervaren de adoptiekinderen wel meer betrokkenheid bij hun geboorteland en cultuur en discriminatie wanneer de etniciteit niet overeenkomt met hun adoptieouders. 

    Wat is de invloed van de opvoeding van adoptieouders?

    Er is weinig onderzoek naar gedaan. Een hoge mate van sensitiviteit in de baby- en kindertijd verkleint de kans op internaliserende gedragsproblemen in de adolescentie. Er was geen verschil tussen adoptieouders en biologische ouders in hun opvoedstijl, opvoedingspraktijken en disciplinering bij probleemgedrag. Het verschil ligt wel bij het feit dat adoptieouders rekening moeten houden met de nieuwsgierigheid van het kind naar zijn herkomst en naar zijn biologische ouders. 

    Wat is de invloed van pleegzorg op de ontwikkeling van het kind?

    Wanneer er een onveilige situatie voor het kind is of het gezin of als er problemen met de opvoeding zijn, kan het kind niet langer bij de biologische ouders wonen en wordt er gezocht naar een passende gezinssituatie, bij voorkeur in een pleeggezin. Er is een kleine toename van het aantal kinderen dat in een pleeggezin wordt geplaatst, dit komt door wervingscampagnes voor pleeggezinnen en een hogere vraag naar pleeggezinnen. De kinderen die in een pleeggezin geplaatst worden, hebben vaak last van negatieve ervaringen zoals verlieservaringen, psychische problemen van de ouders, drugs- en alcoholverslaving van de ouders, mishandeling en huiselijk geweld. Er zijn twee typen pleeggezinnen: netwerkgezinnen en bestandsgezinnen. Een netwerkgezin kan bestaan uit bloedverwanten, vrienden of kennissen. Dit is de eerste keuze, omdat hierin de omgeving vertrouwd is. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt een kind geplaatst in een bestandsgezin. Dit zijn gezinnen die geselecteerd zijn door de Regionale Zorgaanbieders van Pleegzorg. Naast de typen gezinnen zijn er ook verschillende varianten van pleegzorg: de opvoedingsvariant, gericht op het bieden van een continue en stabiele verblijfplaats aan het kind, en de hulpverleningsvariant, die gericht is op terugkeer naar het ouderlijk huis. Daarnaast kunnen kinderen ook voor een weekend, vakantie of dag worden opgevangen in een pleeggezin om de ouders te ontlasten, dit is deeltijdopvang. Pleegzorg is succesvol wanneer de kinderen weer herenigd worden met hun ouders of als ze een stabiele omgeving hebben om in op te groeien. Toch wordt de plaatsing vaak voortijdig beëindigd, door opvoedproblemen bij de pleegouders, conflicten tussen pleegouders en biologische ouders of probleemgedrag van het kind. Het is nog niet volledig duidelijk aan welke voorwaarden de pleegouders, pleeggezin en de zorgaanbieder moeten voldoen om het tot een succesvolle plaatsing te leiden.

    Is een pleeggezin een goed thuis?

    Pleegouders zijn vaak hoger opgeleid, wat ouder en autochtoon. Ze gebruiken meer structuur en regels dan ouders in een reguliere opvoedingssituatie. Pleegouders ervaren vaak meer opvoedingsbelasting en -problemen dan ouders in een reguliere opvoedingssituatie, dus is het kunnen omgaan met stress en spanning en een goed sociaal netwerk van belang. Pleeggezinnen worden helaas onvoldoende ondersteund door hulporganisaties. De context van pleegzorg is te complex om algemene uitspraken te kunnen doen over ontwikkelingsuitkomsten van kinderen.

    Welke invloed heeft homo-ouderschap op de ontwikkeling van een kind?

    Vanaf 1980 nam het aantal homohuwelijken steeds meer toe en was het door nieuwe medisch-technologische ontwikkelingen mogelijk om zwanger te worden. Ook door de nieuwe wetgeving werd het steeds toegankelijker om als alleenstaande of als homoseksuelen een kind te adopteren. Door kunstmatige inseminatie met donorsperma is het ook voor lesbische moeders mogelijk om zwanger te worden. Daarnaast zijn er voor homostellen draagmoeders beschikbaar. De meeste kinderen uit een homohuwelijk zijn van vrouwenparen. Rondom het opgroeien bij ouders van hetzelfde geslacht bestaan nogal wat vooroordelen dat het voor een kind nodig is om een ouder van hun eigen geslacht te hebben om zich mee te kunnen identificeren. Er is veel onderzoek gedaan naar de genderontwikkeling van kinderen van homoseksuele ouders. Het blijkt dat deze kinderen minder waarde hechten aan de traditionele man-vrouw rollen. De kinderen zijn niet anders dan andere kinderen en hebben ook geen grotere kans om zelf homo of lesbie te worden. Wel worden kinderen van homostellen meer gepest dan kinderen van heterostellen vanwege de geaardheid van hun ouders. Op andere ontwikkelingsdomeinen, zoals intelligentie of probleemgedrag, is geen verschil te vinden tussen de kinderen.

    Wat is kenmerkend voor de opvoeding door homoseksuele ouders?

    Homoseksuele ouders zijn vaak ouder dan andere ouders. Ze verschillen niet van elkaar in de aanpassing van het ouderschap, de hoeveelheid zorgen over hun kind, opvoedingskennis en ouderschapsvaardigheden. Homoseksuele ouders ervaren wel meer stress bij het opvoeden en homoseksuele vader zijn meer betrokken bij hun kinderen dan heteroseksuele vaders. In een gezin met homoseksuele ouders komen de genderrollen minder sterk naar voren dan bij traditionele gezinnen, er lijkt sprake te zijn van degendered parenting. De vooroordelen over het missen van een genderrol klopt hierin niet. 

    Wat is de invloed van echtscheiding of overlijden voor de ontwikkeling van een kind?

    Het scheiden van de ouders of het overlijden van een ouder hebben veel impact op het leven van een kind. Scheidingen komen tegenwoordig vaker voor, omdat het minder ongebruikelijk is om een relatie te verbreken dan voorheen. Kinderen van gescheiden ouders halen mindere schoolresultaten en hebben vaker emotionele en gedragsproblemen. De kans dat een kind van gescheiden ouders zelf gaat scheiden, is groter dan voor kinderen uit een intact gezin. De problemen op lange termijn zijn bij de meeste kinderen niet heel groot. Sommige kinderen kunnen juist beter functioneren na een scheiding van hun ouders. De conflicten tussen ouders hebben een grote negatieve impact op de ontwikkeling van de kinderen, dit kan voorkomen nog voordat de ouders uit elkaar gaan of wanneer de scheiding in gang wordt gezet. Wanneer de kinderen na de scheiding terechtkomen in harmonieuze gezinnen is er vaak weinig sprake van negatieve invloed op de ontwikkeling. Er wordt ook gesproken van het selectie-effect, dit houdt in dat de moeilijkheden die kinderen ervaren na een scheiding ook een gevolg kunnen zijn van de psychische problemen van de ouders die zij al voor hun scheiding hadden. De kenmerken van een kind zijn ook bepalend voor de hoeveelheid problemen die het kind ervaart na de echtscheiding. Beschermende factoren hierin zijn een warme opvoedstijl met structuur en grenzen en steun van familie, vrienden of professionals. 

    Hoe is de opvoeding door gescheiden ouders?

    De opvoeding is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van een kind, maar kan door een scheiding minder goed uitgevoerd worden. Ouders ervaren stress, financiële druk en emotionele problemen waardoor de opvoeding niet optimaal is. Gescheiden ouders geven minder emotionele steun, hebben een hardere aanpak en meer conflicten met hun kinderen vergeleken met ouders die bij elkaar zijn. Dit leidt tot negatieve uitkomsten voor de kinderen, zoals emotionele problemen, lagere schoolprestaties en een laag zelfvertrouwen. De ouders zijn meer op zichzelf gericht en hanteren een minder consistente opvoedstijl. Steun van hun naasten kan hierbij een beschermende factor spelen. Alleenstaande vaders zijn in opvoedgedrag gelijk aan alleenstaande moeders. De betrokkenheid van de uitwonende ouder is van belang voor een goede ontwikkeling van het kind. Het is een grote uitdaging voor ouders om nieuwe grenzen rondom gezag en intimiteit te stellen wanneer stiefkinderen en co-ouderschap in het spel komen. 

    Hoe is de situatie na de echtscheiding?

    Ouders kunnen na een echtscheiding alleen blijven of een nieuwe partner vinden. Voor kinderen brengt dit veel verandering met zich mee waar ze aan moeten wennen, zoals het vaker alleen zijn of de invloed van een stiefouder, stiefbroers of -zussen. Maar ook de ouders moeten zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Kinderen in eenoudergezinnen zijn vergelijkbaar met kinderen in stiefgezinnen wat betreft sociaal functioneren en schoolprestaties. Kinderen in stiefgezinnen vertonen meer problemen dan kinderen in intacte gezinnen, zoals emotionele problemen of vijandigheid met hun (stief)broers of zussen. Samengestelde gezinnen hebben meer problemen en een grotere kans om uit elkaar te vallen.

    In Nederland wordt veel waarde gehecht aan het traditionele kerngezin: een gezin dat bestaat uit een vader en een moeder. Tegenwoordig zijn er veel gezinnen die niet aan dit beeld voldoen. De vraag is of en hoe deze verschillende gezinsvormen van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen. 

    Access: 
    Public
    Welke verschillende gezinssamenstellingen zijn er? - Chapter 4

    Welke verschillende gezinssamenstellingen zijn er? - Chapter 4

    Alfred Adler werd bekend door zijn denkbeelden over de invloed van gezinssamenstellingen. Hij stelde dat de plaats in de kinderrij van groot belang is voor de ontwikkeling van het kind. Deze aanname werd verder onderzocht door psycholoog Frank Sulloway die stelde dat kinderen binnen een gezin strijden om de schaarse middelen en de zorg van hun ouders. Hierbij heeft elk kind verschillende strategieën afhankelijk van positie in het gezin en persoonlijkheid. Als we kijken naar meerlingen, de zorg voor de ouders van meerlingen is snel overbelast en ook blijft de ontwikkeling van meerlingen achter omdat ze geboren worden met medische complicaties. Dit hoofdstuk onderzoekt deze uitspraken over gezinssamenstelling.

    Welke cijfers zijn er over Nederlandse gezinnen?

    In 2019 waren er ruim een miljoen huishoudens met één kind en bijna anderhalf miljoen huishoudens met twee of meer kinderen. Ongeveer driekwart van de Nederlandse kinderen groeit op met een broer of zus. De grootte van een huishouden in Nederland is sterk gedaald vanwege de ontkerkelijking en de afname van gezinsgrootte in migrantengezinnen. Een groot gezin bestaat uit 6 of meer kinderen, dit zijn in Nederland 7.603 huishoudens van de anderhalf miljoen. Het aantal meerlingen is stabiel gebleven. Het voorkomen van meerlingzwangerschappen is afhankelijk van etniciteit (Afrikanen krijgen meer meerlingen), erfelijkheid (als het vaker voorkomt in de familie), het aantal zwangerschappen die de moeder heeft gehad (de kans op een tweeling stijgt met het aantal zwangerschappen) en de leeftijd van de moeder (op hogere leeftijd meer kans). De laatste jaren nam het aantal meerlingen toe door de hogere leeftijd waarop vrouwen zwanger raken en door vruchtbaarheidsbehandelingen waarbij meerdere bevruchte eicellen in de baarmoeder worden geplaatst. 

    Wat is de invloed van gezinssamenstelling op de ontwikkeling van kinderen?

    Grote gezinnen verschillen van kleine gezinnen in gezinscultuur en stijl van ouderschap. In een klein gezin krijgen de kinderen meer aandacht dan in een groot gezin. Toch kan niet worden gesteld dat opgroeien in een groot gezin beter of slechter is dan opgroeien in een klein gezin, maar kunnen kinderen in een groter gezin wel sneller iets tekortkomen. Men veronderstelt dat met een toename van het aantal kinderen de intellectuele stimulering van de opvoedingsomgeving afneemt en dat de beperkte middelen van ouders in het geval van grote gezinnen gedeeld moeten worden, waardoor kinderen die later in de kinderrij geboren worden, minder intelligent zouden zijn. Anderzijds wordt gesteld dat het hebben van meer kinderen juist een positief effect heeft op de leerprestaties. Er is nog geen causaal effect gevonden tussen gezinsgrootte en intellectuele ontwikkeling. De ontwikkeling wordt door veel meer kenmerken binnen het gezin bepaald, zoals het opleidingsniveau van de ouders. Er is geen consensus of het aantal kinderen of de volgorde in de kinderrij effect heeft op de intellectuele capaciteiten van kinderen. 

    De invloed van gezinssamenstelling op de ontwikkeling van persoonlijkheid is onderzocht door Adler. Het oudste kind identificeert zich met de ouders en is traditioneler, conformistisch en heeft leiderschapskwaliteiten. Het jongste kind is flexibel, minder dogmatisch en rigide en neemt meer risico's. Het middelste kind identificeert zich met zijn broers en zussen, heeft veel sociale vaardigheden en is actief in grote groepen. Dit zijn slechts tendensen. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de plaats in de kinderrij geen invloed heeft op de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

    Wat is de invloed van de relatie met broers of zussen?

    De relatie tussen broers en zussen, ook wel brussen genoemd, wordt gekenmerkt door onbevangenheid en ambivalentie. Intensief contact tussen brussen leidt tot lotsverbondenheid, maar het is ook van belang los te kunnen komen van de brussen. Het grootste effect is te zien wanneer er een tweede kindje wordt geboren, waarbij een deel van de aandacht van de ouders verschuift van het eerste kind naar het pasgeboren kind. Het eerste kind kan hierdoor meer probleemgedrag vertonen en een terugval in de ontwikkeling of het het kan juist versneld ontwikkelen en eerder volwassen gedrag vertonen. Brussen zijn van groot belang voor socialisatie: ze leren zo om te gaan met anderen, oefenen sociale vaardigheden, ontwikkelen een zelfbeeld door te spiegelen en leren perspectief te nemen. Warme brussenrelaties hebben een versnelde ontwikkeling op het gebied van prosociaal gedrag en executief functioneren. De interactie van broers en zussen is afhankelijk van de leeftijd. Wanneer het jongste kind begint te kruipen, kan het zich met de oudste bemoeien waardoor er conflicten kunnen ontstaan. De rolverdeling wordt vaak bepaald door de oudste. Vanaf de basisschoolleeftijd is er meer verbale strijd over machtsverhoudingen en territorium. In de adolescentie wordt de band tussen broers en zussen meer positief. 

    De relatie tussen brussen is ook van invloed op de opvoeding door de ouders, dit is een wederzijdse interactie. Een goed gezinsklimaat en een goede hechting met de ouders zorgt voor een positieve relatie tussen de broers en zussen. 

    Hoe ontwikkelen meerlingkinderen zich?

    Voor de ouders van meerlingkinderen is het naast de grote verrassing ook een bron van extra zorg en stress. Voor de meerlingen zelf betekent het de mogelijkheid tot het onvoorwaardelijk opgroeien met een leeftijdgenoot. Toch hechten meerlingen veel waarde aan het herkend worden als individu, terwijl de omgeving eerder de gelijkheid benadrukt. Bij een meerlingzwangerschap zijn vaak complicaties, zoals een vroeggeboorte, een grotere kans op overlijden bij de geboorte en een achterstand in prenatale ontwikkelingen. Bij ernstige prematuriteit kunnen er ook gevolgen zijn voor de cognitieve en psychosociale ontwikkeling, echter speelt hierbij de sociale omgeving ook een invloedrijke rol. Meerlingen vertonen meer gehechtheidsgedrag dan eenlingen, mogelijk omdat de ouders hun aandacht moeten verdelen over de twee kinderen. Meerlingen zijn vaker gehecht aan de vader dan eenlingen, vanwege de mindere beschikbaarheid van de moeder. Het hebben van een voorkeur voor een van de kinderen leidt tot een veilige gehechtheid. Wanneer de kinderen worden opgevoed naar hun individuele behoeften, spreken we van een differentiële opvoeding.

    De identiteitsontwikkeling is voor meerlingen lastiger, omdat ze zich zowel los moeten maken van hun ouders als hun tweelingbroer of -zus. Het behandelen van de kinderen als twee-eenheid heeft negatieve gevolgen voor de identiteitsontwikkeling. Het ontbreken van eigen identiteit kan op vier verschillende manieren tot uiting komen:

    1. Tweelingsymbiose: waarbij de tweeling zichzelf als eenheid ziet.
    2. Tweelingparasitisme: waarbij een van de twee alleen gescheiden van de ouder kan zijn wanneer de ander aanwezig is.
    3. Angst voor verlies van een stuk van zichzelf wanneer een derde zich in de relatie mengt.
    4. Complementariteit: waarbij elke onderlinge rivaliteit wordt vermeden. 

    Een te hechte relatie kan ook een negatieve invloed hebben op de persoonlijkheidsontwikkeling. De interactie tussen tweelingen wordt gekenmerkt door competitie versus coöperatie en dominantie versus onderdanigheid. Competitie over de aandacht van de ouders en dominantie hangt samen met verbale capaciteiten. Tweelingen hebben minder interactie met andere leeftijdsgenoten, omdat ze sterk gericht zijn op elkaar. Dit kan zorgen voor moeilijkheden in het contact leggen met anderen. Dit effect verdwijnt tijdens de periode op de basisschool. 

    In onderzoek naar cognitieve ontwikkeling is gevonden dat monozygote tweelingen een achterstand hebben in taal. Dit kan verklaard worden doordat de hoge druk voor ouders de opvoeding armoediger is met minder verbale interactie. Een tweede verklaring is het zijn van een hecht duo, waarbij pas op latere leeftijd het woord 'ik' wordt gebruikt. Een derde verklaring is de pre- en perinatale omstandigheden die zorgen voor een achterstand in ontwikkeling. En als laatste kan het model van Zajonc verklaren dat de intellectuele ontwikkeling negatief beïnvloed wordt door een toenemende gezinsgrootte en kleinere leeftijdsverschillen tussen kinderen. Er wordt geen verschil gevonden in de ontwikkeling van gedragsproblemen, emotionele problemen of psychopathologie tussen meerlingen en eenlingen. 

    De geboorte van een meerling wordt door de oudere kinderen ervaren als negatief. De kinderen die na de meerling geboren worden, ervaren geen problemen. 

    Hoe ontwikkelen enig kinderen zich?

    Enig kinderen verschillen niet van kinderen die samen opgroeien. Er zijn zelfs voordelen gevonden voor ontwikkeling van enig kinderen, namelijk dat ze intelligenter zijn, hogere prestaties behalen en meer jaren onderwijs volgen. Op sociaal vlak zijn er weinig verschillen met kinderen met broers of zussen. Echter hebben enig kinderen wel de zorgen over het alleen verzorgen van de ouders op latere leeftijd, ze kunnen hun sociale vaardigheden niet oefenen met broers of zussen en ze kunnen last hebben van een grotere verantwoordelijkheid voor prestaties. 

    Wat zijn de gevolgen van gezinssamenstelling voor het ouderschap?

    De geboorte van elk volgend kind in een gezin verandert het opvoeden door de ouders. Het oudste kind krijgt meer aandacht en betere zorg vergeleken met latergeborenen, waarbij de ouders minder sensitief zijn. Het opvoedgedrag van de ouders wordt bepaald door de ouders zelf, het gedrag van het kind en de relatie tussen brusssen. Dit is een bidirectioneel proces: een proces dat twee kanten op gaat. Differentiële opvoeding is het verschillende opvoedgedrag van ouders bij verschillende kinderen. Deze verschillen in opvoeding kunnen ook opgemerkt worden door de kinderen. Er kan sprake zijn van een voorkeurspositie van een van de kinderen, wat negatieve gevolgen met zich meebrengt zoals schuld, angst of medelijden. De gevolgen van oneerlijke differentiële opvoeding en voorkeursbehandeling spelen door tot in de volwassenheid. De verschillen in opvoeding kunnen veroorzaakt worden door verschillen in karaktereigenschappen van kinderen, maar ook door de veranderingen die ouders gedurende het ouderschap doormaken. 

    Wat is de invloed van meerlinggeboorte op het ouderschap?

    De geboorte van een meerling vraagt veel van ouders op medisch, pedagogisch en praktisch vlak, zoals een grotere druk, financiële belasting, lager psychosociaal welzijn, grotere vermoeidheid, stress en mogelijk depressieve gevoelens. Moeders ervaren vaak de meeste druk, waardoor zij minder sensitief zijn en een mindere ouder-kind relatie ontwikkelen. Een hoge steun van de vader en de omgeving kan hierin een beschermende factor spelen. De paradox die ouders van meerlingen ervaren is: het streven naar een gelijke opvoeding en eerlijke verdeling van tijd en aandacht, maar tegelijkertijd rekening willen houden met de individuele behoeften en persoonlijkheid van de kinderen. Dit leidt tot drie verschillende manieren van opvoeden: geen onderscheid maken, zowel eenheidsbenadering als individualisering benadrukken of differentiërende moeders die een op het individuele kind afgestemde relatie willen.

    Alfred Adler werd bekend door zijn denkbeelden over de invloed van gezinssamenstellingen. Hij stelde dat de plaats in de kinderrij van groot belang is voor de ontwikkeling van het kind. Deze aanname werd verder onderzocht door psycholoog Frank Sulloway die stelde dat kinderen binnen een gezin strijden om de schaarse middelen en de zorg van hun ouders. Hierbij heeft elk kind verschillende strategieën afhankelijk van positie in het gezin en persoonlijkheid. Als we kijken naar meerlingen, de zorg voor de ouders van meerlingen is snel overbelast en ook blijft de ontwikkeling van meerlingen achter omdat ze geboren worden met medische complicaties. Dit hoofdstuk onderzoekt deze uitspraken over gezinssamenstelling.

    Access: 
    Public
    Welke opvoedvaardigheden en opvoedstijlen zijn er? - Chapter 5

    Welke opvoedvaardigheden en opvoedstijlen zijn er? - Chapter 5

    De opvoeding is van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen. Er is bij opvoeding onderscheid te maken tussen de opvattingen en ideeën die ouders hebben over het ouderschap en de doelen die zij in de opvoeding nastreven, de opvoedstijl die zij hanteren en het daadwerkelijke gedrag in interactie met hun kind. De relatie tussen opvattingen en gedrag is gering. Kenmerken van de situatie en de invloed van het gedrag van het kind bepalen mede hoe de opvoeding vorm krijgt. De opvoedstijl is de algemene manier waarop een ouder zich gedraagt naar een kind in verschillende opvoedsituaties, dit staat niet gelijk aan het opvoedgedrag dat ouders in specifieke situaties vertonen. Het opvoedgedrag is sterk situatie gebonden en heeft alleen betrekking op het daadwerkelijke gedrag dat een ouder vertoont in een specifieke opvoedsituatie. 

    Wat is het belang van opvoeding en verzorging?

    Het belang van opvoeding en verzorging door ouders voor de ontwikkeling van kinderen wordt geïllustreerd door onderzoek bij dieren, zoals reusapen en ratten. Het is niet alleen voeding, maar ook een liefdevolle verzorging dat essentieel is voor de ontwikkeling. Het fysieke contact met de moeder is in de eerste dagen essentieel, laat onderzoek bij ratten zien. Bij mensen is het belang van opvoedervaringen in de kindertijd voor de mentale en fysieke ontwikkeling van kinderen een algemeen geaccepteerd gegeven dat door veel wetenschappelijke studies is onderbouwd. Maar de vraag is wat opvoeding succesvol maakt en wat kinderen nodig hebben in verschillende ontwikkelingsfasen.

    Wat zou een ouder een kind moeten bieden?

    Opvoeding is het gedrag van de ouder dat een kind helpt zich goed te ontwikkelen en zijn doelen te behalen. De basale behoeften van een kind zijn voeding, verzorging en een veilige en stabiele omgeving. Wanneer een ouder niet kan voldoen aan deze behoeften, kan de gezondheid van het kind niet gewaarborgd worden en is de groei en ontwikkeling van een kind bij voorbaat belemmert. Daarnaast is emotionele ondersteuning, het waarborgen van emotionele veiligheid, en het ervaren van een warme, affectieve relatie met de ouders ook essentieel voor een goede opvoeding. Dit draagt bij aan het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie en de verdere ontwikkeling van een kind, zoals zelfverzekerdheid en gevoel van welbevinden. Ten derde is stimulering een belangrijke factor voor een optimale ontwikkeling, dit kan vele vormen aannemen waaronder toegang tot onderwijs. Te veel of te weinig stimulatie brengt negatieve gevolgen met zich mee voor de ontwikkeling, zoals een onveilige hechting. De omgeving van een kind moet de mogelijkheid bieden om sociale vaardigheden te ontwikkelen. Daarnaast moet de omgeving toezicht hebben op het kind en moet de omgeving normen, grenzen en regels hanteren en overdragen. Toezicht is er om de ontwikkeling te monitoren, maar ook om het kind te behoeden voor gevaren. Een opvoedomgeving die optimale mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van een kind voorziet in alle bovenstaande pedagogische basisbehoeften. Voor elk onderdeel geldt dat afstemming op het kind essentieel is om het gewenste resultaat te kunnen boeken. 

    Hoe kun je de opvoeding afstemmen op de behoeften en ontwikkelingsfase van het kind?

    Kwalitatief goede verzorging of opvoeding is afhankelijk van de ontwikkelingsfase van het kind. De babytijd is de meest intensieve ouderschapsperiode, waarin het kind volledig afhankelijk is van de ouders. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer de focus verschuift van verzorging naar opvoeding. De kinderen worden zelf verantwoordelijker en onafhankelijker van de ouders. De opvoeding draagt bij aan het ondersteunen van het kind tot het kind in staat is tot zelfverantwoordelijke zelfbepaling. De opvoeding moet hierbij afgestemd worden aan de ontwikkelingsfase, de kenmerken en individuele behoeften van het kind. In de ontwikkeling van een kind staan ontwikkelingsopgaven centraal, dit zijn vaardigheden die een kind moet leren beheersen of ontwikkelen. De ontwikkelingsopgaven hebben een vaste volgorde, waarbij de één een voorwaarde is voor de ander om behaald te kunnen worden. Ouders geven ondersteuning in het behalen van deze opgaven afgestemd per ontwikkelingsfase.

    Naast het afstemmen op ontwikkelingsfase, moet de opvoeding ook afgestemd worden op de kenmerken van een kind, zoals temperament. Elke vorm van temperament kent zijn eigen vorm van opvoeding die hier het best bij past. Het afstemmen van het opvoedgedrag op de behoefte en de signalen van een kind wordt binnen de pedagogiek aangeduid met sensitiviteit. Sensitief reageren is voor elke ontwikkelingsfase van belang en zal in elke fase een andere vorm aannemen. 

    Welke ontwikkelingsopgaven zijn er in de fase van baby?

    De belangrijke ontwikkelingsopgave in de babytijd is het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie. Het hechtingsproces gaat gepaard met en wordt gefaciliteerd door andere belangrijke ontwikkelingen. In deze periode ontwikkelt zich het bewustzijn, leren kinderen zich voort te bewegen en nemen mogelijkheden tot verbale communicatie toe. Daarnaast vindt er enorme cognitieve ontwikkeling plaats. Kinderen ontwikkelen meerdere gehechtheidsrelaties. Een veilige gehechtheidsrelatie kan een ouder bevorderen door sensitief te zijn, wederkerig en synchroon te zijn in het contact, het kind te stimuleren, een positieve houding te hebben en door emotionele ondersteuning. De belangrijkste opvoedvragen betreffen voeding, slaap, huilen, scheidingsangst, angst voor vreemden en onbekende situaties.

    Welke ontwikkelingsopgaven zijn er in de fase van dreumes en peuter?

    In het tweede jaar ontwikkelen kinderen autonomie en zelfstandigheid. Sensitief ouderschap betreft hier ruimte geven aan het kind om zelf te ontdekken. Er moet een balans gevonden worden tussen autonomie en het stellen van grenzen. Kinderen leren hun gedrag aan te passen aan de verwachtingen van ouders en vertrouwen te hebben in zichzelf en in zijn omgeving. Daarnaast worden stappen gezet in de ontwikkeling van taal en cognitieve vermogen. Vanaf het derde jaar spelen leeftijdsgenootjes een rol waarbij sociale en communicatieve vaardigheden ontwikkeld worden. Ook de identificatie met sekserollen als jongen of meisje staat centraal. Opvoedvraagstukken betreffen koppigheid, ongehoorzaamheid, druk gedrag en niet zindelijk zijn.

    Welke ontwikkelingsopgaven zijn er in de fase van schoolkind?

    In de schoolfase leren kinderen zich langere tijd te concentreren en wordt autonomie en zelfstandigheid verder gestimuleerd. Ze leren zich verplaatsen in anderen, waardoor wederkerige relaties met leeftijdsgenootjes ontstaan. Deze relatie is afhankelijk van de ouder-kindrelatie en dynamiek binnen het gezin. Opvoeduitdagingen betreffen voornamelijk het naar school gaan, zoals concentratieproblemen, moeite om mee te komen in de klas, ruzies met klasgenoten en gepest worden.

    Welke ontwikkelingsopgaven zijn er in de fase van puber?

    In de adolescentiefase zijn er veel ontwikkeling rondom het lichaam. Kinderen kunnen hierdoor onzeker en zoekende zijn. Dit komt door de veranderingen in sociale positie en persoonlijke identiteit en hun seksuele ontwikkeling en keuzes die gemaakt moeten worden, zoals opleiding en studierichting. Ouders moeten de kinderen ondersteunen, maar tegelijkertijd ook zelfstandig laten ontplooien. Opvoedonzekerheden gaan over de balans tussen regels hanteren en zelfstandigheid respecteren. 

    Welke verschillende opvoedstijlen zijn er?

    De opvoedstijl is in te delen op basis van het evenwicht tussen twee pijlers: ondersteunen en structureren, ook wel warmte en controle genoemd. Ondersteunen heeft betrekking op de mate van betrokkenheid van de ouders en emotionele ondersteuning die zij bieden en ruimte voor autonomie. Structureren heeft betrekking op het belang van structuur en houvast, in de vorm van het stellen van regels en grenzen en het houden van toezicht. Gebaseerd op deze twee pijlers is er onderscheid te maken in drie opvoedstijlen: autoritair, autoritatief en permissief. Later werd hier ook de verwaarlozende opvoedstijl aan toegevoegd. 

    In de autoritatieve stijl stellen ouders zich democratisch op, zijn zeer betrokken, hebben veel aandacht voor de behoeften van hun kind, maar hanteren ook duidelijke regels en structuur. Ouders die ook regels en structuur hanteren, maar weinig betrokken zijn of emotionele steun bieden, vallen binnen autoritair. Ze maken gebruik van psychologische controle, zoals het uitoefenen van druk of manipulatie door in te spelen op gevoelens van schaamte en schuld. Dit wordt ook wel love withdrawal genoemd. Ouders die weinig regels hanteren en veel rekening houden met de wensen en gevoelens van hun kind worden permissief of toegeeflijk genoemd. Een verwaarlozende opvoedstijl wordt gekenmerkt door ouders die niet betrokken zijn en geen regels stellen. De prevalentie van de verschillende opvoedstijlen is afhankelijk van het culturele en sociale milieu. Het model is zowel toe te passen op moeders als vaders. 

    Welke opvoedstijl is het beste?

    In de praktijk zullen ouders zich niet in elke context of in elke situatie op dezelfde manier opstellen en kunnen ouders ook over de tijd geen van opvoedstijl veranderen. Kinderen lijken zich het beste te ontwikkelen bij een autoritatieve opvoedstijl. Zij laten de beste ontwikkeling op school zien, hebber sterker ontwikkelde sociale vaardigheden en ontwikkelen zich tot onafhankelijke kinderen. Kinderen uit autoritaire gezinnen zijn vaker passief of juist vijandig, meer afhankelijk en minder sociaal vaardig. Dit is gelijk bij kinderen van permissieve ouders. Deze kinderen leren niet om te gaan met teleurstelling of frustratie. De minst gunstige uitkomsten worden gevonden bij een verwaarlozende opvoedstijl. Dit laat zien dat een negatieve betrokkenheid nog beter is dan geen betrokkenheid. Het is niet duidelijk of een autoritatieve opvoedstijl in elke context het beste is. 

    Wat bepaalt het gedrag van ouders en wat is goed genoeg?

    Er zijn grote verschillen in opvoedstijlen en opvoedgedrag tussen ouders. Het procesmodel van Jay Belsky kan deze verschillen tussen ouders verklaren. De kwaliteit en aard van de opvoeding wordt volgens dit model bepaald door drie elementen:

    1. Kenmerken van ouders, zoals persoonlijkheid of psychiatrische problemen.
    2. Kenmerken van het kind, zoals temperament.
    3. Bronnen van stress en steun in de omgeving van het gezin, zoals de relatie tussen ouders onderling of de grootte van sociale steunnetwerk. 

    Deze factoren samen bepalen hoe competent ouders kunnen zijn in het opvoeden van hun kind. Ouders hoeven geen perfecte ouders te zijn, als ze maar in staat zijn om een stabiele omgeving te bieden en zo de emotionele en cognitieve ontwikkeling van hun kind te faciliteren. Dit is het concept van goed genoeg ouderschap, bedacht om ouders aan te moedigen. De kwaliteit van opvoeding kan niet worden geduid zonder rekening te houden met de gehele context van kindfactoren, ouderfactoren en omgevingsfactoren. 

    Welke wederkerige modellen over de ontwikkeling van kinderen zijn er?

    De ontwikkeling van een kind is het resultaat van een complex samenspel tussen kenmerken van het kind en kenmerken van de omgeving. Twee invloedrijke modellen over de ontwikkeling van kinderen zijn Pattersons model van de vicieuze cirkel van dwang waarin ouders en kinderen terecht kunnen komen en het transactioneel model. Het model van de vicieuze cirkel van dwang laat zien hoe negatieve interactiepatronen tussen ouders en kinderen kunnen inslijpen over langere termijn. In het transactioneel model stelt dat het kind en zijn omgeving geen statistische eenheden zijn, maar dat zij continu veranderen door hun onderlinge interactie. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de cognitieve processen en betekenisgeving die verandert op basis van onderlinge interacties. De ouders en kinderen vormen een intern werkmodel gebaseerd op eerdere ervaringen en wordt het kader waarin toekomstig gedrag wordt geïnterpreteerd. Verschillen in genetische aanleg kunnen een verklaring zijn waardoor niet alle kinderen even gevoelig of vatbaar lijken te zijn voor opvoedingsinvloeden (differential susceptibility model). Door de wederzijdse invloed tussen kind en ouder is het niet mogelijk om een oorzaak aan te wijzen op het moment dat er problemen zijn in de ontwikkeling van kinderen. 

    Welke onzekerheden en vragen hebben ouders?

    Zorgen en onzekerheden horen bij de dagelijkse praktijk van opvoeden. De vaardigheden en het vertrouwen stijgt wanneer verschillende opvoedingsopgaven zonder grote problemen verlopen. Als ouders onzeker zijn, vragen ze hun omgeving om hulp of advies. Daarnaast kan er ook formele hulp ingeschakeld worden. Opvoedingsproblemen waar formele hulp voor gezocht wordt, zijn in te delen op een continuüm op basis van ernst.

    • Opvoedingsonzekerheid: specifieke praktische problemen in de opvoeding, zoals vragen over zindelijkheid.
    • Opvoedingsspanning: langere tijd sprake van opvoedingsproblemen en ongerustheid bij de ouders. Ouders voelen zich onzeker of schuldig dat ze de problemen niet zelf op kunnen lossen.
    • Opvoedingscrisis: als problemen en spanningen zich meer opstapelen. Ouders voelen zich machteloos en incompetent. Hier is meer ingrijpende hulp nodig.
    • Opvoedingsnood: langere tijd complexe problemen, uitzichtloze situatie en professionele hulp nodig. 

    De opvoeding is van groot belang voor de ontwikkeling van kinderen. Er is bij opvoeding onderscheid te maken tussen de opvattingen en ideeën die ouders hebben over het ouderschap en de doelen die zij in de opvoeding nastreven, de opvoedstijl die zij hanteren en het daadwerkelijke gedrag in interactie met hun kind. De relatie tussen opvattingen en gedrag is gering. Kenmerken van de situatie en de invloed van het gedrag van het kind bepalen mede hoe de opvoeding vorm krijgt. De opvoedstijl is de algemene manier waarop een ouder zich gedraagt naar een kind in verschillende opvoedsituaties, dit staat niet gelijk aan het opvoedgedrag dat ouders in specifieke situaties vertonen. Het opvoedgedrag is sterk situatie gebonden en heeft alleen betrekking op het daadwerkelijke gedrag dat een ouder vertoont in een specifieke opvoedsituatie. 

    Access: 
    Public
    Waaruit bestaat het gezinssysteem? - Chapter 6

    Waaruit bestaat het gezinssysteem? - Chapter 6

    In onderzoek naar opvoeding en ontwikkeling van kinderen wordt er voornamelijk gericht op de moeder en niet op andere opvoeders, zoals de vaders of grootouders. De vader neemt de rol als kostwinner en wordt daarmee vergeten als bijdrager aan de ontwikkeling van het kind. Sinds 1975 is deze denkwijze veranderd, zowel vaders als moeders werken, er zijn meer gescheiden gezinnen en toenemende diversiteit van gezinsvormen. Ook wordt nu de rol van de vader in de opvoeding onderzocht. Opvoeding is geen eenrichtingsverkeer, maar er is sprake van een wederkerigere relatie (ouder en kind beïnvloeden elkaar). 

    Wat is de rol van de vader?

    Er zijn vier perspectieven die beschrijven waarom de rol van vader ertoe doet. Ten eerste de gehechtheidstheorie, die stelt dat alle kinderen een gehechtheidsrelatie ontwikkelen met een ouder of verzorger, mits deze persoon een voldoende stabiele factor is in het leven van het kind. Kinderen vormen ook een gehechtheidsrelatie met hun vader. Het tweede perspectief is de sociaal kapitaal theorie, waarin twee typen kapitaal te onderscheiden zijn die ouders bieden om een optimale ontwikkeling van het kind te waarborgen: financieel kapitaal en sociaal kapitaal. Vaders zorgen voornamelijk voor het inkomen en dragen ook bij in de socialisatie van het kind. Het sociaalecologisch ontwikkelingsmodel stelt dat de ontwikkeling van kinderen plaatsvindt als gevolg van een toenemend complexe interactie tussen het zich ontwikkelende individu en personen, objecten en symbolen in zijn onmiddellijke omgeving. Deze interactie kan zowel met de vader als de moeder zijn. In het model van Bronfenbrenner wordt de vader gezien als extra microsysteem, omdat de vader een uniek manier van opvoeden heeft in vergelijking met de moeder. Als laatste is er de essentiële vadertheorie, waarbij centraal staat dat vaders een unieke rol hebben in de vorming van genderidentiteit van het kind. Op basis van deze theorieën kan gesteld worden dat vaders ertoe doen in de opvoeding.

    Welke wetenschappelijke onderzoeken ondersteunen de rol van de vader?

    Kinderen van meer betrokken vaders ontwikkelen zich beter. Vaders hebben een rol in de sociaal-emotionele ontwikkeling, de fysieke ontwikkeling, de taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Het is moeilijk uitspraken te doen over vaders, wanneer de rol van de moeder er niet bij betrokken wordt. Om de effecten van een vader op een kind te onderzoeken zijn er studies nodig die zowel moeders als vaders uit dezelfde gezinnen bevragen, dezelfde meetinstrumenten gebruiken en gebruikmaken van verschillende informanten. Naast dat de ouders de kinderen beïnvloeden, beïnvloeden de ouders elkaar ook in hun opvoeding en zijn daarom niet los van elkaar te onderzoeken.

    Wat houdt de gezinssysteemtheorie in?

    De gezinssysteemtheorie stelt dat alle gezinsleden individuele subsystemen vormen die afhankelijk van elkaar zijn. De gezinsleden samen vormen, stabiliseren en reguleren het gezin. Bij de geboorte van een eerste kind is het gezinssysteem te onderscheiden in zeven subsystemen. De drie individuele subsystemen worden gevormd door de moeder, de vader en het kind. Daarnaast zijn er drie dyadische subsystemen: de moeder-kind relatie, de vader-kind relatie en de partnerrelatie. Ten slotte is er het triadische subsysteem van moeder, vader en kind. De gezinssysteemtheorie is van toepassing op alle verschillende gezinsvormen. 

    Wat is de invloed van het subsysteem van de ouder/verzorger?

    Het subsysteem van de ouder of verzorger kan invloed hebben op het kind door middel van de opvoeding, zoals de opvoedstijl. Naast opvoedstijlen zijn ook de persoonlijke kenmerken van de ouders van invloed op de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. De samenhang tussen ouderfactoren en kind factoren is niet onafhankelijk van de andere subsystemen in het gezin. Andere subsystemen kunnen ook een beschermende rol innemen voor een kind. 

    Wat is de invloed van het subsysteem van het kind?

    Elk kind heeft unieke eigenschappen waar ouders hun opvoeding op afstemmen om te komen tot een zo optimaal mogelijke ontwikkeling van het kind. Het kind speelt geen passieve rol in de opvoeding, maar heeft invloed op hoe ouders zich gedragen tegenover het kind. 

    Wat is de invloed van de relatie tussen ouders/verzorgers?

    De relatie tussen ouders/verzorgers is een dyadisch subsysteem dat een-op-een met elkaar verbonden is. Dit kan een partnerrelatie of huwelijksrelatie zijn. De samenhang tussen de partnerrelatie en de ouder-kind relatie als er sprake is van conflicten binnen het gezin kan in drie hypothesen worden gekaderd. De overloophypothese stelt dat eventuele negatieve emoties en gevoelens binnen de partnerrelatie doorsijpelen naar de ouder-kind relatie. De compensatiehypothese stelt dat ouders conflicten en negatieve emoties en gevoelens proberen te verbergen voor hun kinderen en als tegenbeweging kinderen overdadig verwennen en vrijlaten in de opvoeding. De compartimenthypothese stelt dat ouders in staat zijn om hun negatieve gevoelens en emoties af te schermen voor hun kinderen en de relatie met de partner als een afzonderlijk onderdeel binnen het gezinssysteem kunnen zien, waardoor er geen overloop of compensatie plaatsvindt. Verschillende onderzoeken laten zien dat de overloophypothese het meest waarschijnlijk is in het geval van conflicten. Hoe meer conflict, hoe negatiever het opvoedgedrag. 

    Wat is de invloed van de relatie tussen ouder en kind?

    De gehechtheidsrelatie is een belangrijk theoretisch fundament voor de relatie tussen ouder en kind. John Bowlby en Mary Ainsworth zijn de grondleggers van deze theorie. Zij stellen dat een liefdevolle en duurzame band tussen ouders en kind essentieel is voor de gezonde ontwikkeling van kinderen. Veilige gehechtheid is de basisbehoefte voor ieder kind en een voorspeller van de sociale en cognitieve ontwikkeling van kinderen. De kwaliteit van de gehechtheidsrelatie wordt onder andere bepaald door de sensitiviteit van ouders. Sensitiviteit is het vermogen van de ouder om open te staan voor de behoeften van het kind en hier adequaat op te reageren. Hierbij staan twee vragen centraal: ziet de ouder waar het kind om vraagt (expliciet of impliciet) en reageert de ouder op de signalen van het kind en hoe? Een ouder die sensitief is, geeft het kind de ruimte om dingen zelf te ontdekken, moedigt het kind aan en helpt het kind waar nodig. Er zijn vier classificaties van de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind:

    1. Veilige hechting: kinderen hebben vertrouwen in hun ouder, ze kunnen terugvallen op de ouder en gebruiken hun ouder als veilige haven om nieuwe dingen te ontdekken.
    2. Onveilige-ambivalente hechting: hebben minder vertrouwen in de beschikbaarheid van hun ouder. In stressvolle situaties zullen deze kinderen erg gericht zijn op de ouder en moeilijk te troosten zijn. Ze proberen een sensitieve reactie van de ouder uit te lokken.
    3. Onveilige-vermijdende hechting: vermijden de ouder in stressvolle situaties en zijn erg gericht op de omgeving. De ouder is niet beschikbaar voor het kind.
    4. Gedesorganiseerde hechting: kinderen weten niet hoe ze met stressvolle situaties om moeten gaan. Het gedrag van de ouders is onvoorspelbaar. Er is bij deze kinderen vaak sprake van mishandeling of traumatische ervaringen, waardoor ze extreem angstig zijn.

    Hoe werken ouders samen in de opvoeding van hun kind?

    Het samenwerken tussen ouders in de opvoeding van hun kinderen wordt in het Engels coparenting genoemd. Dit refereert naar de driehoeksverhouding tussen beide ouders en het kind. Coparenting heeft een unieke invloed op de ontwikkeling van het kind, boven op de effecten van de relatie tussen de ouders en boven de effecten van de ouder-kind relaties. De samenwerking tussen ouders is te beoordelen op drie punten: overeenstemming over de opvoeding (ben je het met elkaar eens?), ondersteuning binnen de opvoeding (ondersteun je elkaar?) en management van de opvoeding (wie doet wat?). Hoe positiever deze punten worden ingevuld, hoe minder gedragsproblemen kinderen laten zien, maar ook hoe meer betrokken de vader is.

    Wat is de invloed van de relatie tussen ouder, broer/zus en kind?

    De relatie tussen broers en zussen wordt onderbelicht in het gezinssysteem. Deze relatie wordt gekenmerkt door zowel liefde en warmte als conflict en rivaliteit. Het krijgen van een broertje of zusje verandert het gezinssysteem, waaraan elk subsysteem zich moet aanpassen. Naast dat er een nieuw individueel subsysteem is ontstaan, zijn er ook nieuwe dyadische en triadische subsystemen.

    Wat houdt het gezinssysteem in stand?

    Het gezinssysteem wordt in stand gehouden door regelmaat, regels en regulatie binnen het gezin. Als alle subsystemen in het gezin goed functioneren en er stabiliteit is, zal een kind zich goed ontwikkelen. Een gezinssysteem heeft het vermogen tot zelfregulatie en kan zichzelf aanpassen aan veranderingen binnen het systeem. Disfuncties of problemen binnen het gezin kunnen zich daardoor vanzelf weer herstellen of het gezinssysteem moet opnieuw opgebouwd worden wanneer er subsystemen wegvallen.

    In onderzoek naar opvoeding en ontwikkeling van kinderen wordt er voornamelijk gericht op de moeder en niet op andere opvoeders, zoals de vaders of grootouders. De vader neemt de rol als kostwinner en wordt daarmee vergeten als bijdrager aan de ontwikkeling van het kind. Sinds 1975 is deze denkwijze veranderd, zowel vaders als moeders werken, er zijn meer gescheiden gezinnen en toenemende diversiteit van gezinsvormen. Ook wordt nu de rol van de vader in de opvoeding onderzocht. Opvoeding is geen eenrichtingsverkeer, maar er is sprake van een wederkerigere relatie (ouder en kind beïnvloeden elkaar). 

    Access: 
    Public
    Wat is de invloed van cultuur? - Chapter 7

    Wat is de invloed van cultuur? - Chapter 7

    De meeste onderzoeken naar opvoeding zijn uitgevoerd in westerse culturen, waardoor het niet altijd te generaliseren is naar andere culturen. Dit veld van pedagogiek wordt de interculturele pedagogiek genoemd. In Nederland zijn er vier grote migrantengroepen: Marokkaanse, Turkse, Surinaamse-Creoolse en Chinese migranten. 

    Wanneer gebruiken we de term migrant?

    Over bijna alle begrippen die te maken hebben met migratie bestaan discussies. Het proces van migratie, geografische mobiliteit van mensen waarbij zij een grens overschrijden met de bedoeling langere tijd in een andere woonplaats te blijven, is de oorsprong van de term migrant. Een emigrant is iemand die zich in het buitenland vestigt en een immigrant  is iemand die zich in een ander land dan het herkomstland vestigt. Voorheen werd er onderscheid gemaakt tussen autochtoon en allochtoon, maar is kwetsend vanwege de letterlijke Griekse betekenis 'van een andere bodem'. Allochtoon  definiëren we als iemand die in Nederland woont en staat ingeschreven en van wie ten minste een ouder in het buitenland is geboren. Hierin maken we onderscheid tussen eerste en tweede generatie allochtonen en westerse en niet-westerse allochtonen. Het gebruik van de term allochtonen kent zowel voor- als nadelen. Een voordeel is het zo kunnen beschrijven van maatschappelijke positie waarop overheidsbeleid zich op kan richten. Een nadeel is dat de term stigmatiserend werkt. 

    Wat is de migratiegeschiedenis van Nederland?

    Vanwege de vroegere handelspositie van Nederland vestigen immigranten zich al vanaf de zestiende eeuw. Dit nam af in de negentiende eeuw toen Nederland zijn centrale positie in de internationale handel kwijtraakte. De eerste helft van de twintigste eeuw werd het migratieproces naar Nederland gekenmerkt door vluchtelingen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De migratie na de Tweede Wereldoorlog is samen te vatten in zes migratiegolven:

    1. Repatrianten uit Nederlands-Indië in de jaren veertig en vijftig
    2. Arbeidsmigratie uit Spanje, Italië, Turkije, Marokko, Algerije en Tunesië in de jaren zestig
    3. Gezinshereniging en -vorming van de Marokkaanse en Turkse migranten in de jaren zeventig
    4. Surinaamse immigranten in de jaren zeventig en tachtig
    5. Asielmigranten uit de jaren tachtig en negentig
    6. Arbeidsmigranten uit Midden-Oost Europa in de jaren 2000

    Wat is de oorsprong van Marokkaanse en Turkse migranten?

    Marokkanen en Turken kwamen naar Nederland vanwege economische redenen. In Nederland was er grote vraag naar arbeidskrachten, waardoor er wervingsverdragen gesloten werden met verschillende landen. Omdat dit van tijdelijke aard zou zijn, was er geen sprake van integratiebeleid. De meeste arbeiders kwamen uit Spanje, Italië, Turkije en Marokko. Toen de welvaart in Italië en Spanje weer toenam, keerden veel Italianen en Spanjaarden terug naar hun land van herkomst. In de jaren zeventig ontstond er een recessie in Nederland, waardoor de arbeidsmigratie stop werd gezet. Voordat dit daadwerkelijk gebeurde, kregen veel arbeidsmigranten een verblijfstatus. Door de economische achterstand in Marokko en Turkije zagen migranten het leven in Nederland meer veelbelovend en kans op een toekomst. Daarmee startte de gezinsmigratie (vrouw en kinderen uit land van herkomst kwamen naar Nederland), maar daarnaast ook gezinsvorming  (niet-getrouwde arbeidsmigranten uit Nederland trouwde een vrouw uit het land van herkomst). 

    Wat is de oorsprong van Surinaamse migranten?

    Suriname is vroeger een Nederlandse kolonie geweest waar slaven uit West-Afrika werkten op de plantage. Na de afschaffing van de slavernij werden contactarbeiders uit India en Indonesië gehaald om de leegloop van de plantages tegen te gaan. De grootste bevolkingsgroepen in Suriname zijn daardoor Creolen, Hindoestanen, Chinezen en Javanen. Vanwege de grote economische vooruitgang in Nederland in de jaren zestig kwam er een grote migratiestroom op gang. Daarna kwam er een tweede migratiestroom in de jaren zeventig met de naderende onafhankelijkheid van Suriname. In 1980 werd de visumplicht ingevoerd, waardoor er de vijf jaren hiervoor sprake was van een overgangsregeling. Veel Surinamers maakte hier gebruik van en vertrokken naar Nederland nu het nog kon. Toen in de jaren negentig de welvaart in Suriname achteruitging, kwamen veel hoger opgeleide Surinamers naar Nederland voor scholing en beroepskansen. Hun sociaaleconomische positie was daardoor beter dan die van de Marokkanen en Turken.

    Wat is de oorsprong van Chinese migranten? 

    De meeste Chinezen zijn in vier immigratiegolven naar Nederland gekomen:

    1. Rond 1900 arriveerden Chinese zeelui in Rotterdam als goedkope arbeidskrachten.
    2. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden Chinezen zich uit de voormalige Nederlandse koloniën. 
    3. Tijdens de bloeiperiode van Chinese restaurants in Nederland kwamen migranten uit Hongkong en China.
    4. Mannelijke Chinese migranten kwamen naar Nederland vanwege economische motieven en daarna ook veel vrouwen en familieleden. Ook kwam er een Chinese migratiestroom opgang nadat China meer mogelijkheden gaf om te emigreren naar het buitenland.

    Rond de jaren negentig stelde de regering strengere regels op betreft migratie, waardoor immigranten niet om economische redenen naar Nederland konden komen. Een grote migratiegolf in 2000 van Chinezen was vanwege studiemogelijkheden in Nederland, echter hebben zij geen permanent verblijf voor ogen.

    Wat is de oorsprong van Poolse migranten?

    Polen kwamen voornamelijk in Nederland vanwege het trouwen van Poolse vrouwen met een autochtone Nederlander. Nu Polen is toegetreden tot de Europese Unie neemt de immigratie sterk toe. De Polen die naar Nederland komen, komen vooral via uitzendbureaus om hier te werken. Polen kent namelijk een hoge werkeloosheid. De Polen die met hun gehele gezin in Nederland wonen, hebben als plan hier te blijven wonen.

    Waar komen de vluchtelingen vandaan?

    De vier grootste vluchtelingengroepen in Nederland worden gevormd door Afghaanse, Iraanse, Iraakse en Somalische migranten. De snelst groeiende groep van vluchtelingenmigranten zijn Syriërs. De eerste vluchtelingen kwamen uit de middenklasse van Iran, om hier hun westerse leefstijl verder te kunnen zetten. Daarnaast vindt migratie van Iraniërs ook plaats vanwege gezinsmigratie of studie. Afghanen kwamen naar Nederland om te vluchten voor de islamitische staat die strenge religieuze wetten invoerde. De eerste Iraakse asielmigranten, voornamelijk Koerden, sloegen op de vlucht naar Nederland voor het geweld van de Iraakse regering tegen hun strijd om autonomie. De immigratie van Somalische migranten had als oorzaak de oorlog in Somalië, dit waren vooral jonge mannen, weduwen en minderjarigen zonder ouders. Het aantal vluchtelingen die vragen om asiel in Nederland is sinds 2014 sterkt toegenomen, waaronder Syriërs de grootste groep vormen.

    Integratie of assimilatie?

    De migratiegeschiedenis en migratiefactoren verschillen sterk tussen migranten. Bij immigratie vindt er een interactieproces plaats tussen immigranten en de gastsamenleving. Acculturatie is een cultureel veranderingsproces dat ontstaat als twee autonome culturen langdurig en direct in contact komen met elkaar. Er zijn twee dimensies van acculturatie: het belang van het behouden van culturele identiteit van het herkomstland en het belang van het onderhouden van relaties met de dominante cultuur in het gastland. Hieruit zijn vier verschillende acculturatiestrategieën te onderscheiden:

    1. Integratie: immigranten gaan relaties aan met andere groeperingen, maar behouden eigen culturele identiteit en culturele kenmerken.
    2. Segregatie: iemand is alleen gericht op de cultuur uit het land van herkomst.
    3. Assimilatie: iemand is alleen gericht op de gastcultuur.
    4. Marginalisatie: er zijn geen bindingen, niet met de cultuur van herkomst noch met de gastcultuur.

    De strategieën die worden toegepast zijn van invloed op de mate van participatie van immigranten in maatschappelijke instituties. Integratie gaat samen met een hoger niveau van welbevinden. Acculturatie is geen symmetrisch proces, de dominante groep bepaalt voor een belangrijke deel in hoeverre de andere groep mag participeren. De integratie is succesvol wanneer de immigranten zich als gelijkwaardig voelen en participeren in de samenleving, dezelfde kansen hebben en zich verbonden voelen met de samenleving.

    Wat is de invloed van een interculturele opvoeding?

    In de meeste theoretische modellen wordt er geen rekening gehouden met de cultuur en cultuurverschillen in de directe omgeving van kinderen. Het ecologisch model van Bronfenbrenner heeft de culturele dimensie beperkt tot het macroniveau, terwijl op elk niveau de cultuur invloed heeft. Het theorerische model van Super en Harkness genaamd development niche vormt met zijn culturele dimensie een aanvulling op het model van Bronfenbrenner. Dit model bevindt zich op microniveau en bestaat uit drie subsystemen:

    1. De fysische en sociale settings (omgevingen) waarin het kind leeft.
    2. Cultureel bepaalde gewoonten van verzorging en opvoeding.
    3. De psychologie van opvoeders.

    Deze drie subsystemen vormen samen de culturele context van de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Elk van de subsystemen heeft een eigen wisselwerking met de wijdere culturele en ecologische context en de subsystemen beïnvloeden elkaar ook. 

    Welke opvoedingsdoelen hebben migranten?

    Opvoedingsdoelen zijn aspecten en gedragingen die ouders voor hun kind voor ogen hebben. In een onderzoek bij autochtone, Chinese, Marokkaanse, Turkse en Creools-Surinaamse moeders en vaders in Nederland zijn vier opvoedingsdoelen onderzocht: autonomie (zelfbepaling, onafhankelijkheid), conformisme (houden aan regels), sociabiliteit (empathie) en maatschappelijk presteren. Turkse, Marokkaanse en Chinese ouders lieten een vergelijkbaar patroon zien in welke opvoedingsdoelen zij nastreven. Zij hechten veel waarde aan conformiteit en prestatie. Dit is in tegenstelling met Nederlandse moeders waarbij de nadruk ligt op autonomie en sociaal gevoel. Bij de Surinaams-Creoolse moeders is er een tussenweg, zij hechten waarde aan autonomie, maar ook aan prestatie.

    Deze voorkeuren in opvoedingsdoelen zijn enerzijds te herleiden naar de samenleving van herkomst, namelijk een samenleving waar collectivisme en wederzijdse afhankelijkheid centraal staat. Dit wordt weergegeven in het interdependentiemodel. Het onafhankelijkheidsmodel is meer zichtbaar in individualistische culturen, waarbij het ontwikkelen van autonomie centraal staat. Anderzijds zijn de voorkeuren te herleiden naar de sociale status van de gezinnen, waarbij ouders met een lagere sociaaleconomische status voor hun kinderen wensen dat zij het in de toekomst beter krijgen. Hierbij staat prestatie opvoedingsdoel hoog in de rangorde.  Er zijn echter ook culturele verschillen in hoe de participanten de opvoedingsdoelen interpreteren, dit maakt dit soort onderzoeken moeilijk. 

    Welk opvoedgedrag en welke opvoedstijlen hanteren migranten?

    In lijn met conformiteit als opvoedingsdoel, voeden migrantenouders hun kinderen meer autoritair op dan autochtone ouders. In alle culturen zijn er zowel permissieve als autoritaire opvoedstijlen te vinden, maar toch blijkt dat Nederlandse ouders het meest autoritatief zijn en Marokkaanse, Turkse, Afghaanse en Somalische ouders meer autoritair. Ouders afkomstig van de Antillen, Suriname, Irak en Iran nemen een tussenpositie is, maar hoe ouder het kind, hoe meer autoritatiever de ouder. In alle culturen spelen moeders een grotere rol in de opvoeding van kinderen dan vaders. Migrantenvaders hebben een grotere rol als kostwinner, het bijdragen van morele opvoeding, disciplinering en monitoren van kinderen. Ook de vaders uit collectivistische culturen streven vaker naar conformiteit en neigen meer naar een autoritaire opvoeding dan autochtone vaders.

    Wat is de relatie tussen cultuur en opvoeding?

    Er bestaan verschillen tussen welke idealen ouders nastreven in hun opvoeding en hoe zij daarnaar handelen. Of de verschillen in opvoedgedrag te verklaren zijn door cultuurverschillen is te beantwoorden met onderzoek naar sensitiviteit. Uit onderzoek blijkt dat Surinaamse en Turkse moeders minder sensitief zijn dan autochtoon-Nederlandse moeders. Echter blijkt uit onderzoek waarop moeders ingedeeld worden op sociaaleconomische status dit verschil er niet te zijn. Dus cultuur of etniciteit heeft geen invloed op de mate van sensitiviteit, maar meer de sociaaleconomische status, waarbij gezinnen die lager op de maatschappijladder staan ook vaker te kampen hebben met opvoedingsproblemen. 

    Hoe kan het dat er meer probleemgedrag voorkomt bij migrantengezinnen?

    Migrantengezinnen hebben vaker gezondheidsproblemen, vertonen meer gedragsproblemen en komen vaker in aanraking met justitie en criminaliteit. De vraag die hierbij gesteld kan worden, is of probleemgedrag onder migrantenkinderen te herleiden is naar cultuur of etniciteit. Er is weinig onderzoek gedaan naar opvoeding en gedrag binnen migrantengezinnen. Het onderzoek dat is verricht legt de nadruk op de grotere migrantengroepen en maken een expliciete tweedeling tussen autochtoon-Nederlands vs. migrant. De onderzoeken laten geen consistente uitkomsten zien over een mogelijk verschil in probleemgedrag tussen culturen. Om goed onderzoek naar deze verschillen uit te kunnen voeren, moet er rekening gehouden worden met verschillende factoren, zoals de validiteit van meetinstrumenten. Het is afhankelijk van cultuur en etniciteit wat wordt ervaren als druk of als probleemgedrag. Daarnaast wordt er onvoldoende rekening gehouden met mogelijke verklarende factoren in de relatie tussen etniciteit en probleemgedrag. In plaats van dat de oorzaak bij de cultuur wordt gezocht, kan de oorzaak ook liggen bij kenmerken van de persoon, zoals dat de migratie voor veel stress heeft gezorgd of het balanceren tussen gedrag thuis en op school door de verschillende verwachtingen die worden gesteld. Migrantenkinderen hebben in de basis al meer risicofactoren dan autochtone kinderen. De belangrijkste algemene risicofactor in de opvoedingsomgeving van migranten jeugd betreffen de lage sociale positie van hun ouders, de achterstandswijken waarin zij opgroeien, weinig speelruimte, een onveilige buurt en het sociale netwerk. Specifieke risicofactoren zijn bijvoorbeeld migratiestress, acculturatieconflicten en een pedagogische mismatch die zich kan voordoen op verschillende terreinen. Hoe meer risicofactoren kinderen hebben, hoe grotere kans zij hebben op psychosociale problemen.

    Preventie en interventie: cultuursensitief of is dit niet nodig?

    Nu de risicofactoren in het ontstaan van probleemgedrag bekend zijn, is de vraag of pedagogische preventie en interventie dan ook cultuursensitief moeten zijn. Het aantal migrantenouders die gebruik maakt van hulpverlening in de opvoeding is gelijk aan het aantal autochtoon-Nederlandse ouders. Hoewel Turkse en Marokkaanse gezinnen de meeste problemen ervaren, doen zij relatief weinig beroep op opvoedingsondersteuning. Het kan zijn dat migrantenouders een andere probleemperceptie hebben dan autochtone ouders en daardoor bepaald gedrag niet als probleem bestempelen. Of dat ze te weinig vertrouwen hebben in de opvoedingsondersteuning. Daarnaast sluit het bestaande aanbod onvoldoende aan bij de wensen en behoeften van niet-westerse migranten. Voor migranten is het daardoor ook lastig om zelfstandig hulp te zoeken vanwege praktische belemmeringen. Als ze dan terecht zijn gekomen bij de hulpverlening krijgen ze nog niet de juiste preventie- en interventieprogramma's, omdat deze niet toegerust zijn op culturele diversiteit. Er is onvoldoende aandacht voor vroegtijdig herkennen van problemen bij migrantenjongeren. Deze situatie draagt bij aan de oververtegenwoordiging van migrantenjongeren in de niet-vrijwillige, zwaardere hulpverlening, waaronder ook de justitiële keten. 

    Wanneer het hulpverleningssysteem verbeterd wordt en de toegankelijkheid van instellingen onderdeel vormt van een breder interculturalisatieproces, kan de hulpverlening pas slagen. Er moet meer rekening gehouden worden met de etnische-culturele diversiteit. Om de bereikbaarheid van migrantengezinnen te vergroten, zou een verbreding van de behandeling een optie kunnen zijn. Een bredere aanpak van de problematiek binnen het gezin vergroot de kans op toelating binnen het gezin en langdurige effectiviteit van opvoedingsondersteuning. 

    De meeste onderzoeken naar opvoeding zijn uitgevoerd in westerse culturen, waardoor het niet altijd te generaliseren is naar andere culturen. Dit veld van pedagogiek wordt de interculturele pedagogiek genoemd. In Nederland zijn er vier grote migrantengroepen: Marokkaanse, Turkse, Surinaamse-Creoolse en Chinese migranten. 

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van grootouders? - Chapter 8

    Wat is de rol van grootouders? - Chapter 8

    Grootouders spelen in Nederland een belangrijke rol in het leven van hun kleinkinderen. De zorg van de grootouders voor de kleinkinderen neemt toe de laatste jaren en lijkt onmisbaar in gezinnen. Volgens de familiesysteemtheorie vormen de grootouders een belangrijke bron van steun voor het kerngezin. Hoewel grootouders een belangrijke rol spelen in het leven van de kleinkinderen, is het nog onzeker welke invloed grootouders hebben op de ontwikkeling van hun kleinkinderen. 

    Wat is de geschiedenis van grootouderschap?

    Het imago van grootouders is in de loop van de tijd erg veranderd. Vroeger werd er een negatief beeld geschetst over grootouders en met name grootmoeders. Dit kwam doordat psychiaters en kinderartsen de rol van grootouders beschreven op basis van psychoanalyse en individuele casusomschrijvingen. Tegenwoordig is de rol van grootouders veel positiever: grootouders worden gezien als reservetroepen van het gezin. De kleinkinderen krijgen onverdeelde aandacht van hun grootouders. De stereotypen van vroeger gelden niet meer, want de grootouders staan nog volop in het leven. De positie van de grootouders is veranderd van een rol in het opvoeden van kleinkinderen naar een minder formele rol. 

    Welke demografische en sociaal-maatschappelijke veranderingen zijn er in het grootouderschap?

    De verandering van de rol van grootouders ging gepaard met een aantal demografische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Door de hogere levensverwachting is de kans groter dan grootouders hun kleinkinderen zien opgroeien. Hiermee neemt ook de tijd dat de grootouders in het leven van de kleinkinderen zijn toe. Met de toename van arbeidsparticipatie van vrouwen zijn er tegenwoordig kleinere families dan in het verleden, waardoor de relaties tussen generaties belangrijker zijn geworden. De sociale voorzieningen, zoals gesubsidieerde kinderopvang, zouden een mogelijkheid bieden om het kindertal gelijk te houden, echter wordt hier in Nederland weinig mee gedaan. Nederlandse grootouders kunnen deze rol van opvang vervullen. Dit komt het meest voor in families waarbij de grootouders een meer traditionele kijk hebben en de ouders meer een moderne kijk hebben. Deze ontwikkelingen bieden nog geen verklaring voor de vraag wat grootouders beweegt om energie, middelen en tijd te besteden aan hun opgroeiende kleinkinderen. 

    Waarom zorgen grootouders voor hun kleinkinderen?

    Er zijn verschillende redenen waarom grootouders zorgen voor hun kleinkinderen, maar vaak vanuit altruïstische motieven of vanuit wederzijds profijt van de gever en de ontvanger. Er zijn wel grote verschillen in betrokkenheid tussen grootouders. Twee theoretische modellen kunnen dit verschil in grootouderbetrokkenheid verklaren: het evolutionaire perspectief en het sociologisch-economisch perspectief.

    Wat ziijn evolutionaire verklaringen voor grootouderbetrokkenheid?

    Vanuit evolutionair perspectief kunnen grootouders een belangrijke rol spelen in het grootbrengen van kleinkinderen, als ondersteuning van de ouders. Grootouders kunnen een deel van de zorg op zich nemen om zo de ouders te ontlasten. Er zijn twee dominante hypothesen over grootouderbetrokkenheid: de anderzorghypothese, die verklaart waarom grootouders betrokken zouden willen zijn bij hun kleinkinderen, en de moederkloekhypothese, die verklaart waarom er verschillen in betrokkenheid zijn tussen grootmoeders en grootvaders.

    Wat houdt de anderzorghypothese in?

    Anderzorg is het onderling verdelen van de zorg, gegeven dat kinderen in sociale netwerken opgroeien. Met name grootmoeders lijken evolutionair voorgeprogrammeerd te zijn om te zorgen voor hun kleinkinderen. Omdat grootouders zelf geen kinderen meer kunnen krijgen, gaat hun investering in al geboren kinderen niet ten koste van de hoeveelheid nakomelingen die zij groot kunnen brengen. Voor grootouders is het zorgen voor kleinkinderen vanuit evolutionair perspectief voordeling, omdat ze hun eigen inclusive fitness (het succesvol doorgeven van genen aan toekomstige generaties, door zelf kinderen te krijgen en te verzorgen en door verwanten te helpen met het grootbrengen van nageslacht) vergroten. Vanuit evolutionair perspectief is de invloed van grootouders op de ontwikkeling van kinderen aanzienlijk laag. 

    Wat houdt de moederkloekhypothese in?

    De betrokkenheid van grootouders is enerzijds te vinden in de mate van genetische verwantschap tussen grootouders en hun kleinkind en anderzijds in de neiging van vrouwen om zorgtaken op zich te nemen binnen families. Uit onderzoek blijkt dat grootmoeders van moederkant het meest investeren in hun kleinkinderen. Er zijn verschillen in investering door grootmoeders en grootvaders door vaderschapsonzekerheid, vaders hebben de onzekerheid dat zij niet de biologische vader zijn van het kind van hun partner. Dit wordt in Nederland ook wel de koekoeksgraad genoemd. Deze onzekerheid zou kunnen doorspelen in de hoeveelheid tijd en energie die grootouders bereid zijn te investeren in hun kleinkinderen. Naast de genetische verwantschap van grootouders en kleinkinderen kan ook de algemene neiging van vrouwen om zorgtaken op zich te nemen (de moederkloek) verklaren dat grootmoeders meer betrokken zijn bij kleinkinderen dan grootvaders. 

    Welke sociologisch-economische verklaringen zijn er voor grootouderbetrokkenheid?

    De betrokkenheid tussen verschillende generaties in families wordt in sociologisch-ecologische modellen vaak uitgedrukt in geldelijke investeringen of tijdsinvesteringen, die tijdens het leven of na de dood worden uitgewisseld. Deze investeringen kunnen worden gedaan uit altruïstische motieven, zonder er iets voor terug te verwachten, of uit egoïstische motieven, de grootouder verwacht een gelijkwaardige investering terug. De motieven van grootouders en de praktische factoren die de betrokkenheid bepalen, leiden tot verschillende typen grootouders.

    Welke verschillende typen grootouders zijn er?

    Er bestaan verschillen over de hechtheid van relaties in families en welke vormen deze relaties aannemen. Er zijn vijf verschillende typen intergenerationele relaties die ongeveer in gelijke mate voorkomen:

    1. Hecht: veelvuldig contact tussen grootouders en het gezin, grootouders wonen in de buurt en er wordt over en weer hulp uitgewisseld. Ze hebben warme gevoelens naar elkaar en delen dezelfde normen en waarden.
    2. Sociaal: warme band en veel onderling contact, maar dit contact is vooral gericht op gedeeld plezier.
    3. Intiem-maar-ver-weg: warme band, maar door de geografische afstand is veel contact niet mogelijk.
    4. Plichtmatig: veel contact en veel hulp over en weer, maar zonder dat hier een hechte gevoelsrelatie aan ten grondslag ligt.
    5. Onthecht: nauwelijks sprake van een band of contact tussen de relaties. 

    Grootouders kunnen verschillende rollen aannemen in het leven van hun kleinkind. Grootouders die regelmatig oppassen en kinderen bijvoorbeeld naar school brengen, zijn surrogaatouders voor kleinkinderen. Dit sluit aan bij het moderne perspectief. De speel-opa's-en-oma's hebben niet deze zorgtaken, maar nemen de kinderen wel vaak mee op stap. Dit sluit aan bij het traditionele perspectief. Grootouders kunnen ook de rol als mentor of rolmodel innemen, door kinderen te helpen met schoolwerk of te leren vissen. Daarnaast kunnen grootouders als pater/mater familias een bron van verhalen zijn en zo hun kleinkinderen leren over de familiegeschiedenis. Tot slot grootouders als vliegende kiep, voor als de nood aan de man is, financieel of praktisch, springen zij in om ouders en indirect de kleinkinderen te ondersteunen. 

    Wat is de invloed van de grootouder?

    De grootouders kunnen een directe invloed hebben op de kleinkinderen, door als een rolmodel te fungeren, of door advies en steun te geven aan hun kleinkinderen. Grootouders kunnen ook een beschermende rol vervullen wanneer het kerngezin niet stabiel is en negatieve invloeden op het kind reduceren of compenseren. De grootouders hebben ook indirect invloed op hun kleinkinderen, door het beïnvloeden van de opvoedstijl van de ouders, door invloed te hebben op het maatschappelijk milieu waarin het kind opgroeit of door (im)materiële ondersteuning te bieden aan de ouders. 

    Wat is de invloed van grootouders op de opvoeding door ouders?

    Er is een redelijk stabiel patroon in opvoedstijl en opvoedgedrag over verschillende generaties. Ook de gehechtheidsrelaties en kwaliteit van relaties komen overeen tussen de ouder en diens ouder en de ouder en het eigen kind. De grootouders kunnen dienen als rolmodel voor de ouders in hoe je een kind moet opvoeden. Volgens de gehechtheidstheorie worden de opvoedervaringen van kinderen met hun eigen ouders omgezet in interne werkmodellen, waarin ideeën en verwachtingen zijn verankerd over hoe ouders zich gedragen en de basis vormen van de opvoeding van de volgende generaties. Stabiliteit over generaties kan ook het gevolg zijn van overerving van factoren die de kwaliteit van opvoeding mede bepalen.

    Hoe werkt de compenserende rol van grootouders bij ongunstige omstandigheden?

    Als er ongunstige omstandigheden zijn in een gezin kunnen grootouders de ouders en het gezin bijstaan en zo negatieve gevolgen voor het kind reduceren of geheel compenseren. De betrokkenheid van grootouders is niet afhankelijk van het feit of het kerngezin intact is of niet. Wanneer grootouders betrokken zijn bij gebroken gezinnen of gezinnen met problemen, zullen de ontwikkelingsuitkomsten beter zijn bij adolescenten dan wanneer de grootouders geen betrokkenheid tonen. In overeenstemming met de moederkloekhypothese, is de rol van de grootmoeder het meest belangrijk.

    Wat is de invloed van grootouders op de gezinsplanning van hun eigen kinderen?

    De bereidheid van grootouders om te zorgen voor hun kleinkinderen heeft invloed op de keuze voor gezinsuitbreiding van hun eigen kinderen. Ook de timing voor gezinsuitbreiding is afhankelijk van de grootouders: hoe ouder de grootouders waren toe zij kinderen kregen, des te later hun eigen kinderen een gezin zullen stichten; en mensen die in een groot gezin zijn opgegroeid, beginnen zelf eerder aan kinderen. Mensen met positieve, warme en stabiele opvoedherinneringen zullen sneller een gezin starten dan mensen met negatieve opvoedherinneringen. 

    Wat is de invloed van grootouders op de kleinkinderen?

    Het is lastig om in de invloed van grootouders op hun kleinkinderen te bepalen, omdat er een grote stabiliteit is binnen families in opvoeding, in gezinsomstandigheden en in het voorkomen van problemen. 

    Wat is de invloed van grootouders op de maatschappelijke status en academisch succes van kleinkinderen?

    De maatschappelijke status of sociaaleconomische positie is stabiel over generaties. Het milieu waarin iemand opgroeit, heeft invloed op de ontwikkelkansen die iemand krijgt en zo op de positie in de maatschappij. Kleinkinderen van grootouders met een hogeschooldiploma hebben een grotere kans op hoge academische vaardigheden. De invloed van de grootvader is op dit gebied het grootst, vanwege de traditionele man-vrouwrolpatronen. Het opleidingsniveau van de grootouders heeft vooral indirecte invloed via hun eigen kinderen op het academisch succes van hun kleinkinderen. 

    Wat is de invloed van grootouders op de psychische gezondheid en probleemgedrag?

    Psychische problemen blijken binnen families vaker voor te komen. Angstproblemen en depressiviteit bij grootouders blijkt samen te hangen met meer gedragsproblemen en emotionele problemen bij hun kleinkinderen. Een positieve betrokkenheid van grootouders lijkt kleinkinderen te beschermen tegen het ontwikkelen van psychische problemen en bij te dragen aan de sociale ontwikkeling bij kleinkinderen.

    Wat zijn kritische kanttekeningen bij de invloed van grootouders op kleinkinderen?

    Er wordt in veel onderzoeken gebruik gemaakt van retrospectieve gegevens (op basis van herinneringen uit het verleden) wat betrouwbaarheid van de gegevens beperkt. Er zijn te weinig onderzoeken die kijken naar de invloed van grootouderbetrokkenheid door de tijd heen, waardoor het moeilijk is om causale verbanden te leggen. Ook wordt betrokkenheid op veel verschillende manieren in kaart gebracht, wat het lastig maakt om resultaten onderling te vergelijken en te integreren. Het is belangrijk om bij onderzoek naar de invloed van grootouderbetrokkenheid op de ontwikkeling van hun kleinkinderen rekening te houden met crossculturele verschillen. Het inwonen van een grootouder kan zowel een negatieve als een positieve invloed hebben op de ouder en het kleinkind, afhankelijk van de culturele betekenis en invulling van het samenleven in een huis. 

    Wat is de invloed van grootouderschap op de grootouders zelf?

    Over het algemeen wordt het krijgen van kleinkinderen beschouwd als een positieve ervaring, maar is dit wel afhankelijk van de timing van het worden van grootouder. Grootouders tussen de 50 en 65 ervaren hun rol als grootouder het meest positief. Jongere grootouders voelen zich nog te jong om grootouder te worden en oudere grootouders balen dat ze niet meer zo levendig zijn. De timing is niet verbonden aan exacte leeftijd, maar kan ook cultureel-afhankelijk of afhankelijk van de gevoelsleeftijd zijn. Het grootouderschap wordt gemakkelijker ervaren dan het ouderschap. Het regelmatig oppassen kan zelfs een cognitieve uitdaging zijn voor grootouders om mee te gaan met de digitale ontwikkelingen en hun geest te blijven stimuleren.

    Grootouders spelen in Nederland een belangrijke rol in het leven van hun kleinkinderen. De zorg van de grootouders voor de kleinkinderen neemt toe de laatste jaren en lijkt onmisbaar in gezinnen. Volgens de familiesysteemtheorie vormen de grootouders een belangrijke bron van steun voor het kerngezin. Hoewel grootouders een belangrijke rol spelen in het leven van de kleinkinderen, is het nog onzeker welke invloed grootouders hebben op de ontwikkeling van hun kleinkinderen. 

    Access: 
    Public
    Welke effect heeft de kinderopvang op kinderen? - Chapter 9

    Welke effect heeft de kinderopvang op kinderen? - Chapter 9

    Wanneer wordt er gebruik gemaakt van de kinderopvang?

    De hoeveelheid kinderen die naar een vorm van kinderopvang gaat, is de laatste jaren sterk toegenomen. Dit gaat gepaard met het feit dat meer moeders buitenhuis zijn gaan werken, waardoor er crèches werden opgericht vanaf 1960-1970. Pas in 1989 werd de Stimuleringsregel Kinderopvang ingesteld, waarbij er meer geld beschikbaar kwam voor kinderopvang. Vanaf dit moment groeide het aantal kinderen dat naar de opvang ging aanzienlijk: van 40.000 kinderen in eind jaren tachtig naar 200.000 in 2000. Door beperking van kinderopvangtoeslag voor ouders was er in 2015 een daling van het aantal kinderen. Nu de focus is verlegd naar de kwaliteit van kinderopvangen is er inmiddels weer een stijging zichtbaar. Kinderen van nul tot vier gaan gemiddeld 20 uur per week naar een kinderdagverblijf. Dit aantal verlaagt wanneer de kinderen naar school gaan. Het aantal uren dat Nederlandse kinderen naar de opvang gaan, is een van de laagste van Europa. Dit kan verklaard worden door de arbeidsparticipatie van moeders en vaders en de lengte van het ouderschapsverlof in de verschillende landen. Moeders in Nederland werken vaak in deeltijd, waardoor ze meer voor hun kind kunnen zorgen. In Nederland ligt de keuze voor kinderopvang bij de ouders zelf. Dit is in tegenstelling tot Scandinavische landen waarbij de kinderopvang gesubsidieerd wordt door de overheid en daardoor alle gezinnen toegang hebben tot opvang van hoge kwaliteit tegen zeer lage kosten. 

    Is de kinderopvang goed of slecht?

    Er is nog geen eenduidig antwoord of de kinderopvang goed of slecht is voor kinderen. Dit is afhankelijk van de onderzoeksvraag die wordt gesteld en welke steekproef wordt onderzocht. Daarnaast zijn er drie dimensies van kinderopvang te onderscheiden:

    1. Het type opvang.
    2. De kwaliteit van de opvang.
    3. De kwantiteit van de opvang.

    De verschillen in onderzoeksresultaten worden voor een groot deel veroorzaakt doordat deze dimensies van kinderopvang los van elkaar bestudeerd worden.

    Welke typen kinderopvang zijn er?

    Kinderopvang kan onderverdeeld worden in kindercentra, zoals kinderdagverblijven en peuterspeelzalen, en opvang in thuisomgeving, genaamd gastouderopvang. Daarnaast zijn er informele vormen van opvang, zoals oppassen door familie of vrienden. Kinderdagverblijven bestaan uit meerdere groepen kinderen van maximaal zestien kinderen. De leidster-kindratio geeft aan hoeveel kinderen een pedagogisch medewerker mag begeleiden per leeftijdscategorie. Een horizontale groep bestaat uit leeftijdsgenoten en een verticale groep bestaat uit verschillende leeftijden binnen de groep. Elke groep heeft een gestructureerd dagprogramma met vaste dagelijkse routines. 

    Gastouderopvang heeft kleinere groepen dan kinderdagopvang, deze groepen kennen een maximum van vijf kinderen. Hierbij verschilt het ook sterk per gastouder of er een gestructureerd dagprogramma is. In Nederland is gastouderopvang de minst gebruikte vorm van opvang. Welke vorm van opvang de ouders kiezen is afhankelijk van de financiering door de overheid. 

    Wat zijn de effecten van type kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen?

    Wanneer jonge kinderen (van 0 tot 2 jaar) worden vergeleken met oudere kinderen (van 2 tot 4 jaar) is te zien dat jonge kinderen die naar het kinderdagverblijf gaan betere cognitieve vaardigheden hebben. Andere onderzoeken laten ook duidelijk zien dat opvang in kindercentra positieve effecten heeft op de cognitieve ontwikkelen van jonge kinderen. Voor oudere kinderen werd dit verschil alleen nog maar meer versterkt: hoe meer uren opvang in kindcentra, hoe hogere cognitieve en taalvaardigheden en hogere lees- en rekenscores. Dit is te verklaren doordat in de kinderopvang meer aandacht is voor instructie, communicatie en leermogelijkheden door middel van een vastgesteld programma. De effecten op sociale vaardigheden zijn minder vanzelfsprekend. Onderzoek uit Amerika stelt dat jonge kinderen in kindercentra lagere sociale vaardigheden hebben en oudere kinderen betere sociale vaardigheden dan leeftijdsgenoten die thuisbleven. Uit onderzoek van Nederland blijkt dat kinderen in een gastouderopvang een beter welbevinden hebben dan kinderen op kinderdagverblijven. Kinderen die naar de opvang gaan ervaren stress, omdat ze in een nieuwe omgeving terecht komen en gescheiden worden van de ouders. Een kinderopvang van lagere kwaliteit is gerelateerd aan hogere niveaus van het stresshormoon cortisol. Jonge kinderen ervaren de meeste stress vergeleken met leeftijdsgenoten die geen gebruik maken van de opvang of oudere kinderen in de opvang. De stressniveaus van kinderen in gastouderverblijven was ook lager dan van kinderen in kinderdagverblijven.

    Hoe is de kwaliteit van kinderopvang te beoordelen?

    De twee belangrijkste indicaties van kwaliteit zijn de structurele kenmerken en de proceskenmerken. 

    Wat zijn structurele kenmerken van kwaliteit?

    Er moet worden voldaan aan de randvoorwaarden van kwaliteit: de groepsgrootte, leidster-kindratio en opleiding van de pedagogisch medewerker. In Nederland mogen er niet meer dan zestien kinderen in een groep zitten en niet meer dan twaalf bij een babygroep (kinderen onder de 1 jaar). Er mogen niet te veel kinderen per pedagogisch medewerker zijn. Ten slotte mogen alleen voldoende geschoolde pedagogisch medewerkers in de kinderopvang werken. Daarnaast behoren verder nog het pedagogisch beleid van de kinderopvangorganisatie, de ruimte, de inrichting en materialen van het kindercentrum, het dagelijkse programma en de arbeidsvoorwaarden voor pedagogische medewerkers tot de structurele kenmerken. 

    Wat zijn proceskenmerken van kwaliteit?

    Proceskenmerken zijn de factoren die van invloed zijn op de pedagogische processen en interacties in de dagelijkse praktijk van de kinderopvang. Dit betreft de interacties van kinderen met de pedagogisch medewerkers en de interacties van kinderen met hun leeftijdsgenoten. Deze interacties worden proximale processen genoemd. Deze processen worden voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van interactie van de pedagogisch medewerker. Er zijn een aantal kernvaardigheden waar pedagogisch medewerkers aan moeten voldoen om deze interacties in goede banen te leiden:

    • Emotionele steun en warmte (ook wel responsiviteit of ondersteunende aanwezigheid genoemd): verwijst naar de sensitieve reacties op de signalen van het kind. 
    • Respect voor autonomie: kinderen de kans geven om dingen te proberen, kinderen mogen dingen zelf doen, ruimte geven aan de kinderen.
    • Structureren en grenzen stellen (ook wel controle genoemd): aangeven wat er van de kinderen verwacht wordt en zorgen dat ze zich aan de gestelde regels houden. 
    • Praten en uitleggen: de vaardigheid om zowel de frequentie, vorm als inhoud van de interacties af te stemmen op de leeftijd en het begrip van de kinderen.
    • Ontwikkelingsstimulering: het stimuleren van de taalontwikkeling, de motorische, cognitieve en creatieve ontwikkeling van kinderen. 
    • Begeleiden van interacties tussen kinderen: het in goede banen leiden van de interacties tussen de kinderen.

    Deze vaardigheden vormen de kern van de proceskwaliteit.

    Wat is het effect van kwaliteit van kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen?

    Het meeste onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang is gedaan door de proceskwaliteit te meten. Een hogere kwaliteit van de opvang, waarbij de pedagogisch medewerkers hun gedrag afstemmen op de behoeften en signalen van het kind, is gerelateerd aan betere uitkomsten op het gebied van taalontwikkeling, schoolse vaardigheden en sociale vaardigheden. Verder is hogere kwaliteit van opvang gerelateerd aan minder gedragsproblemen en minder negatieve interacties met leeftijdgenoten. Deze onderzoeken zijn voornamelijk in de Verenigde Staten uitgevoerd, maar vergelijkbare resultaten worden overal ter wereld gevonden. Ook in Nederland is gevonden dat een hogere kwaliteit van kinderopvang verband houdt met een hoger welbevinden en minder probleemgedrag. 

    Bij onderzoek naar de kwaliteit van kinderopvang kan ook de structurele kwaliteit gemeten worden, waarbij leidster-kindratio en de opleiding van de pedagogisch medewerker vaak worden gebruikt als indicator. Uit onderzoek blijkt dat een lagere ratio (minder kinderen per pedagogisch medewerker) is gerelateerd aan zowel hogere kwaliteit als betere kind uitkomsten. De effecten van het niveau van opleiding van de pedagogisch medewerker laten geen eenduidige resultaten zien. Wel werd gevonden dat pedagogisch medewerkers die in een autoritatieve opvoedstijl geloven meer responsief waren naar de kinderen toe. De wisselende resultaten geven weer dat structurele kenmerken een minder goede indicatie geven van kwaliteit dan proceskenmerken. 

    Hoe kan de kwantiteit van kinderopvang beoordeeld worden?

    De kwantiteit van kinderopvang bestaat uit de verschillende onderdelen, waaronder het aantal uren die kinderen doorbrengen in de kinderopvang. Daarnaast kan de hoeveelheid opvang worden aangegeven door de leeftijd waarop het kind voor het eerst naar de kinderopvang ging. 

    Wat zijn de effecten van kwantiteit van kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen?

    Er is geen verband tussen de kinderopvang en de kwaliteit van gehechtheid. Onderzoek toonde wel aan dat een combinatie van veel uren in de opvang en een minder sensitieve moeder kan leiden tot een minder veilige hechting. Kinderen die meer tijd doorbrengen in de kinderopvang laten meer gedragsproblemen zien. Voor kinderen uit achterstandsgezinnen hebben meer uren kinderopvang juist een positief effect, deze kinderen lieten minder gedragsproblemen zien. Meer tijd doorbrengen in de opvang zorgt niet direct voor een betere of minder goede cognitieve ontwikkeling. Hoe meer jaren en hoe meer uren kinderen gebruik maken van de kinderopvang, hoe beter de schoolse vaardigheden (dit geldt voor kinderen van 2 tot 4 jaar). Echter hebben deze kinderen mindere goede sociaal emotionele ontwikkeling. 

    Type, kwaliteit of kwantiteit?

    Kinderen die meer uren doorbrengen in de opvang (kwantiteit) hebben kans op een minder goede ontwikkeling, vooral baby's en jonge kinderen. Opvang in kinderdagverblijven (type) wordt geassocieerd met verbeterde taal en cognitie, maar minder goede sociale vaardigheden en hogere stressniveaus, ook hierbij komen minder positieve effecten meer voor bij jonge kinderen. Goede kwaliteit van kinderopvang is gerelateerd aan positieve uitkomsten voor het kind. Bij deze conclusies kunnen twee kanttekeningen gemaakt worden:

    1. De kwaliteit, kwantiteit en type opvang zijn in het dagelijks leven niet los van elkaar te zien en zijn afhankelijk van gezins- en kindkenmerken.
    2. De invloed van de opvoeding die het kind thuis ontvangt mist in deze resultaten. 

    Kinderen uit gezinnen met hogere sociaaleconomische status gaan vaker naar kinderdagverblijven, naar opvangcentra van betere kwaliteit en brengen daar meer uren door. Dit selectie-effect laat zien dat een specifieke selectie van gezinnen kiest voor kinderopvang, namelijk gezinnen met een hoog gezinsinkomen, moeders die veel werken, gezinnen met een hoger opleidingsniveau en gezinnen die meer stimulerende interacties met hun kinderen hebben. De kinderen van deze gezinnen zijn oververtegenwoordigd in de kinderopvang, waardoor er een vertekend beeld kan ontstaan van de effecten van kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen. Uit onderzoeken blijkt dat kinderen uit gezinnen met lagere sociaaleconomische status meer baat hebben bij opvang in kindercentra dan kinderen uit andere gezinnen. De effecten van kinderopvang zijn naar sociaaleconomische status ook afhankelijk van de kenmerken van het kind, zoals dat kinderen met een moeilijk temperament meer beïnvloed worden door de kwaliteit van kinderopvang (zowel positief als negatief). Deze individuele verschillen in ontvankelijkheid worden differential susceptibility genoemd. De kwaliteit van opvoeding die kinderen thuis krijgen, is de belangrijkste factor in het verklaren van verschillen in de ontwikkeling van kinderen.

    Er is nog geen eenduidig antwoord of de kinderopvang goed of slecht is voor kinderen. Dit is afhankelijk van de onderzoeksvraag die wordt gesteld en welke steekproef wordt onderzocht

    Access: 
    Public
    Wat is de invloed van de media? - Chapter 10

    Wat is de invloed van de media? - Chapter 10

    Kinderen groeien op in een zich snel ontwikkelende wereld van televisie, smartphones, tablets en spelcomputers. Voor ouders is het een uitdaging om hun kinderen hierin te begeleiden. In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling en invloed van mediagebruik besproken.

    Hoe heeft media zich ontwikkeld?

    Na de uitvinding van de televisie in 1951 ontwikkelde de media zich enorm snel. Ook het aantal kinderprogramma's nam steeds meer toe en is nu onbeperkt te bereiken via internet. Het percentage kinderen tussen de 12 en 21 die in bezit is van een smartphone varieert van 93 tot 99%. We kunnen ons geen leven meer voorstellen zonder computers, smartphones en internet. Dit roept vragen op bij ouders, zoals hoeveel uur mag mijn kind achter een beeldscherm spenderen? Daarnaast maken ouders zich ook zorgen over de inhoud van programma's, websites, spellen en apps waaraan hun kinderen worden blootgesteld. 

    Welke theorieën zijn er over de invloed van media?

    De eerste helft van de twintigste eeuw staat bekend als de injectienaaldtheorie: de mediaboodschappen worden als het ware met een injectienaald ingespoten bij elk individu. Deze theorie is mogelijk ontstaan door de grote invloed van propaganda in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, waarbij de bevolking werd gemanipuleerd om mensen te mobiliseren. In het begin waren mensen angstig voor films en bioscopen, omdat mensen nieuw waren met het fenomeen beeld en geluid. Na de injectienaaldtheorie ontstonden er ook andere denkbeelden waarin er ruimte was voor selectieve effecten en waarbij media niet enkel als oorzaak worden gezien van verandering van de mens. Hieruit werd een theoretisch model opgesteld over hoe individuen kunnen variëren in hun ontvankelijkheid voor omgevingsinvloeden: het differentieel ontvankelijkheidsmodel voor media-effecten. Deze theorie gaat uit van een wederkerig effect tussen media en de gebruiker. Met dit theoretisch model kan naar verklaringen worden gezocht naar de mogelijke negatieve en positieve effecten van media.  

    Wat zijn negatieve effecten van media?

    De discussie over de negatieve effecten van media bestaat al zolang media een rol innemen in het dagelijks leven en functioneren van de mens. Zorgen van ouders en professionals richtten zich op de inhoud van de media en de tijd die de jeugd aan media besteedt. Meer mediagebruik hangt samen met minder fysieke activiteiten, slechtere schoolprestaties en meer probleemgedrag. Het meeste onderzoek naar mediagebruik richt zich op televisiekijken. Een onderzoek bij Nederlandse kinderen liet zien dat kinderen die tussen hun tweede en derde levensjaar overmatig (meer dan één uur per dag) televisiekeken meer gedragsproblemen ontwikkelden dan kinderen die met mate of geen televisie keken. Met name kinderen die al externaliserende gedrag vertoonden, hadden een groter risico op gedragsproblemen op latere leeftijd. De gewenning aan het gebruik van beeldschermen begint vaak al op jonge leeftijd en veel en langdurig beeldschermgebruik kan gepaard gaan met zorgen van ouders over gezondheidseffecten. Het advies voor schermtijd stelt dat kinderen tot achttien maanden slechts mogen video-chatten, kinderen tot 24 maanden alleen high quality programming en kinderen van twee tot zes jaar maximaal één uur schermtijd per dag. Zelfs passieve blootstelling aan media (zoals het aan staan van de televisie op de achtergrond) kan negatieve effecten met zich meebrengen. Voornamelijk bij adolescenten heeft de invloed van mediagebruik een negatief effect op slaapgedrag: ze leveren slaaptijd in ten koste van schermtijd. Meisjes kunnen negatief getriggerd worden door het zien van 'perfecte' mensen op sociale media, waardoor ze zich meer bewust worden van hun uiterlijk en zich er sneller voor schamen. Daarnaast heeft het plaatsen van berichten of foto's ook invloed op de cognitie, emotie, houding en gedrag van degene die het plaatst, het zogenaamde self-effect. 

    Wat is de invloed van geweld in de media?

    Er worden relaties gevonden tussen geweld in de media en verhoogd agressief gedrag van kinderen en jongeren. De onderzoeken die zijn uitgevoerd naar het verband tussen media en agressie laten geen eenduidig resultaat zien. Een overkoepelend onderzoek die alle effecten naar dit verband heeft geïntegreerd, vond wel een verband tussen geweld in de media en agressie, maar deze relatie was zwak. Echter, volgende onderzoeken vonden dit resultaat niet. Deze verschillende uitkomsten zijn te verklaren door de manier waarop het onderzoek uitgevoerd is. De conclusie is dat de wetenschap tot heden niet kunnen aantonen dat gewelddadige spellen een oorzaak zijn van gewelddadig gedrag.

    Er kan ook gekeken worden naar een bredere context van het effect van gewelddadige media, zoals welke factoren een negatieve of positieve relatie kunnen verklaren. Factoren die het effect van mediagebruik kunnen beïnvloeden zijn de leeftijd en de opvoedingsomgeving van het kind. Kinderen die opgroeien in een gewelddadige omgeving en jonge kinderen zijn het meest gevoelig voor gebruik van geweld in media. Dus het is belangrijk om ook te kijken naar de omstandigheden en bij welke kinderen dit effect optreedt om te kunnen bepalen of er een relatie is tussen geweld in de media en gedrag van kinderen. Toekomstige studies kunnen bijdragen aan het beantwoorden van deze vraag door hun onderzoek op te zetten vanuit het differentieel ontvankelijkheidsmodel, waarbij factoren die mogelijk een rol spelen in het bepalen van het effect van mediagebruik kunnen worden bestudeerd. 

    Wat zijn positieve effecten van media?

    Mediagebruik heeft voornamelijk een negatief imago, waardoor er weinig aandacht is voor de positieve effecten van mediagebruik. Media kan een positief effect hebben in het domein van educatie, zoals het kinderprogramma Sesamstraat leert kinderen sociale vaardigheden en is dit programma positief gerelateerd aan taalontwikkeling. Dit kan worden verklaard door het hoge educatieve gehalte en het gestructureerde karakter van Sesamstraat. Ook gamen kan een positieve uitkomst hebben op de ontwikkeling van jeugdigen, met name het plezier en amusement dat het kinderen oplevert. Het is steeds meer mogelijk om samen te spelen met vrienden, waardoor sociaal contact behouden blijft. Ook heeft het positieve effecten op de cognitieve ontwikkeling van kinderen, zoals de vaardigheid om te concentreren, informatie te selecteren en de aandacht te bewaren. Naast gamen voor het plezier is er ook de categorie serious games, waarbij het doel overdracht van informatie of een verandering in attitude of gedrag is, maar dan wel op een vermakelijke wijze. Deze spellen worden voornamelijk gebruikt op de basisschool om reken- of taalvaardigheden te oefenen op een speelse manier. E-health is een vorm van online hulpverlening waarbij een cliënt via online informatie, advies of ondersteuning krijgt, dit is een verbetering van de informatievoorziening in de zorg. 

    Hoe wordt mediagebruik gemeten?

    Om de effecten van het gebruik van digitale media op kinderen goed te kunnen onderzoeken, is een nauwkeurig en valide meting van mediagebruik essentieel. Er zijn verschillende methoden om mediagebruik te meten met elk hun voor- en nadelen:

    1. Globale tijdsschattingen: rapportages van mediagebruik vis een vragenlijst of interview. De informatie kan gemakkelijk en snel verkregen worden, maar het doet een groot beroep op het geheugen van de respondent.
    2. Tijdsdagboeken: rapporteren welke activiteiten de respondent heeft uitgevoerd en hoe media daarbij gebruikt werd in een relatief korte periode. Het is een goed overzicht van het mediagebruik van de respondent, maar het kost de respondent wel veel tijd en het is privacygevoelig. 
    3. Mediadagboeken: alleen het rapporteren van media gerelateerde activiteiten. Er kan snel informatie gewonnen worden over welke media de respondent gebruikt, maar de kans is groot dat korte mediatijdsbestedingen niet worden gerapporteerd en de context van het mediagebruik mist.
    4. Gestructureerde dagboeken: respondenten worden op willekeurige momenten op de dag gevraagd om de aard en beleving van de activiteit die zij op dat moment uitvoeren te benoemen. Voordeel is dat deze methode goed in kaart brengt welke vorm van media wordt gebruikt en hoe dit wordt ervaren. Nadeel is dat kinderen wel cognitief ver genoeg ontwikkeld moeten zijn om dit te kunnen benoemen. 
    5. Observatie: onderzoekers brengen een bepaalde tijd door bij gezinnen thuis om te observeren van welke media er gebruik gemaakt wordt, hoeveel en door wie. Het levert heel veel data op en kost veel tijd, waardoor het een zeer arbeidsintensieve en kostbare methode is. Daarnaast zijn dit soort onderzoeken moeilijk te generaliseren en bestaat er het risico van selectie-effecten. 

    Inmiddels kan veel mediagebruik binnen het medium zelf gemeten worden, wat leidt tot meer nauwkeurige en goedkope manieren van meten. Naast de focus op de frequentie en de context van het gebruik van media, willen onderzoekers ook de inhoud in kaart brengen om hiervan de effecten te kunnen bepalen. 

    Mediaopvoeding: samen kijken, regels stellen of bespreken?

    Nu er op elk moment van de dag media gebruikt kan worden, hebben ouders minder zicht op de frequentie en inhoud van de gebruikte media. Mediaopvoeding vormt een deel van de totale opvoeding en wordt gedefinieerd als elke strategie die de ouder gebruikt om gebruik en inhoud van media te controleren, monitoren of toe te lichten. Er zijn verschillende vormen van mediaopvoeding:

    1. Samen kijken/spelen: ouder en kind kijken samen televisie of voeren samen een andere media gerelateerde acitiviteit uit, zonder dat er gesproken wordt over de inhoud. 
    2. Restrictieve begeleiding: ouders stellen regels op over het gebruik van media en houden toezicht op wat kinderen doen.
    3. Actieve begeleiding: er vindt een interactie tussen ouder en kind plaats. De ouder draagt bij aan een kritische blik van het kind.
    4. Technische begeleiding in veilig gebruik van bijvoorbeeld het internet.
    5. Monitoring: de ouder blijft in de buurt van het kind die gebruik maakt van internet via laptop, computer of smartphone. 

    Doordat smartphonegebruik steeds meer toeneemt onder jongeren is het monitoren steeds moeilijker. De stijl van opvoeding in mediagebruik staat niet los van de algemene opvoedstijl die ouders toepassen. Daarnaast hangt de vorm van begeleiding voor een belangrijk deel samen met de opvattingen van de ouder over media en de mogelijke negatieve en positieve effecten. Dit alles maakt het formuleren van opvoedadviezen aan ouders die vragen hebben omtrent het gebruik en de effecten van media niet gemakkelijk. Onderzoek heeft laten zien dat het tonen van betrokkenheid bij wat kinderen met de media doen in combinatie met het bieden van structuur en regels een effectieve vorm is van begeleiding. Mediawijsheid is het ontwikkelen van competenties om goed en veilig om te gaan met media. 

    Welke rol speelt de overheid? 

    Op macroniveau zijn er verschillende instellingen en organisaties die zich richten op de veiligheid van mediagebruik en het versterken van de kritische blik van kinderen, jongeren en ouders. Wet- en regelgeving en door de media-industrie afgesproken gedragscodes zijn bedoeld om opvoeders te ondersteunen bij het begeleiden van hun kinderen in de omgang met media. Een voorbeeld van de Mediawet is dat programma's met een classificatie van geschiktheid boven de twaalf jaar niet eerder dan 20:00 uur uitgezonden mogen worden. De kijkwijzer-classificatiesystemen bestaan uit leeftijdsaanduidingen en inhoudelijke symbolen waarmee ouders kunnen zien of programma's, series of films schadelijk kunnen zijn voor kinderen onder een bepaalde leeftijd. Richtlijnen en wetten helpen het gebruik van media door kinderen en jongeren te stroomlijnen, maar zijn zeker niet voldoende voor de bescherming tegen mogelijke negatieve effecten of juist de versterkende positieve effecten. Mediawijsheid helpt beschermen tegen de risico's van ongezond mediagebruik, door kinderen, jongeren en ouders weerbaar en wijs te maken. 

    Kinderen groeien op in een zich snel ontwikkelende wereld van televisie, smartphones, tablets en spelcomputers. Voor ouders is het een uitdaging om hun kinderen hierin te begeleiden. In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling en invloed van mediagebruik besproken.

    Access: 
    Public
    Welke invloed hebben leeftijdgenoten? - Chapter 11

    Welke invloed hebben leeftijdgenoten? - Chapter 11

    De Amerikaanse psychologe Judith Harris stelt dat het niet de ouders zijn die het gedrag en de persoonlijkheid van het kind bepalen, maar de leeftijdgenoten. Deze stelling leidde tot meer onderzoek naar de invloed van genen, opvoeding en leeftijdgenoten op de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Naast de personen in het gezin, vormen leeftijdgenoten een belangrijke bron van steun, acceptatie en advies. Leeftijdgenoten zijn, net als ouders, sociale rolmodellen. In tegenstelling tot ouders zijn leeftijdgenoten gelijken, zowel in leeftijd als in vaardigheden, mogelijkheden, doelen en problemen. Met name in de adolescentie is de rol van leeftijdgenoten belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. In deze levensfase zullen zij meer steunen op het advies van leeftijdgenoten dan het advies van hun ouders. 

    Welke groepsrelaties zijn te onderscheiden?

    Er bestaat een universele behoefte om ergens bij te horen, om gewaardeerd te worden en om geaccepteerd te worden. Elk kind heeft zijn eigen sociale positie in groepen leeftijdgenoten, dit wordt hun sociale status genoemd: de relatie tussen het kind en de groep leeftijdgenoten. De sociale status is geen wederzijdse relatie, maar alleen het perspectief van de groep. Sociale status kan gemeten worden door de sociometrische methode,  hierbij moeten kinderen voor elke klasgenoot aangeven hoe leuk ze hun klasgenoot vinden. Daarnaast heb je de nominatiemethode, waarbij kinderen de vraag wordt gesteld: Wie vind je het meest leuk? en Wie vind je het minst leuk? Deze nominaties kunnen ingedeeld worden op sociometrische status, waarbij vier verschillende typen status onderscheiden kunnen worden:

    • Populair: veel nominaties van meest leuk en weinig nominaties van minst leuk.
    • Afgewezen: veel nominaties van minst leuk en weinig nominaties van meest leuk.
    • Genegeerd: weinig nominaties op beide vragen.
    • Controversieel: veel nominaties op beide vragen.

    Sociometrische status is redelijk stabiel door de jaren heen. Een kanttekening bij deze indeling is dat populaire kinderen niet per se leuk gevonden worden door hun leeftijdgenoten. Het construct populariteit moet daarom gemeten worden met de vraag wie populair is en wie niet. Zo wordt niet de persoonlijke voorkeur gemeten, maar iemand zijn reputatie. Het verschil tussen de twee manieren van meten, is dat sociometrische populariteit geassocieerd wordt met prosociaal gedrag, terwijl populariteit op basis van reputatie met zowel prosociaal als antisociaal gedrag wordt geassocieerd. 

    Hoe wordt sociale status bepaald?

    Per statustype zijn er bepaalde gedragskenmerken te beschrijven die doorgaans van toepassing zijn. Kinderen die geaccepteerd en leuk gevonden worden door hun leeftijdgenoten (sociometrisch populair) zijn sociaal vaardig, vriendelijk, sensitief, coöperatief en behulpzaam. Kinderen die gezien worden als populair combineren deze prosociale gedragingen met agressief gedrag en het uitdagen van gezag, waardoor ze vaak ruzie hebben. Hierdoor worden deze kinderen gezien als 'cool'. De afgewezen kinderen worden niet leuk gevonden door leeftijdgenoten, omdat ze vaak agressief en storend gedrag vertonen. Ze hebben een gebrek aan sociale vaardigheden, waardoor samen spelen moeilijk is. Er zijn ook afgewezen kinderen die heel verlegen, teruggetrokken, passief in de groep en sociaal onhandig zijn. Ten slotte zijn er afgewezen kinderen die worden afgewezen zonder duidelijke reden. Deze persoon valt buiten de normen die zijn gesteld binnen de groep. Volgens het persoon-groep-dissimilariteitmodel is de sociale consequentie van negatief gedrag, zoals agressie, afhankelijk van de mate waarin een persoon met zijn gedrag afwijkt van de andere groepsleden. In een groep waar veel agressie voorkomt, zullen agressieve kinderen hierop niet beoordeeld worden in hun sociale status. Sociale status is dus afhankelijk van een complex samenspel van individuele kenmerken en groepskenmerken. 

    Wat zijn de gevolgen van sociale status?

    Afgewezen worden door leeftijdgenoten staat lijnrecht tegenover de universele behoefte om erbij te horen en geaccepteerd te worden. Eenzaamheid is een van de belangrijkste gevolgen van afwijzing. Daarnaast zijn de effecten van sociale afwijzing te zien in het brein, brengt het slechtere schoolprestaties met zich mee, blijven kinderen meer thuis en hebben kinderen een hoger risico op depressie op latere leeftijd. De reactief-agressieve kinderen hebben een grote kans op aan te sluiten bij 'foute vrienden', vroegtijdig schoolverlaten en later crimineel gedrag. De kinderen die worden afgewezen hebben vaak ook een tekort aan sociale contacten, waardoor de mogelijkheid om sociale vaardigheden, coöperatieve strategieën of conflicthantering te leren klein is. Er is sprake van een transactionele relatie: een negatieve spiraal waarin afwijzing en conflicten met leeftijdgenoten elkaar in stand houden. Ten slotte lopen afgewezen kinderen een verhoogd risico om gepest te worden, omdat ze weinig weerstand geven en daardoor een gemakkelijk slachtoffer zijn. Afgewezen kinderen die reactief-agressief gedrag vertonen hebben een verhoogde kans om zelf te gaan pesten, om hun positie in hun groep te veranderen. Kinderen die geaccepteerd worden in de groep hebben de beste ontwikkelingsuitkomsten.

    Wat is de definitie van vriendschappen?

    Afwijzing betekent niet direct dat iemand geen vriendschappen heeft. Een vriendschap is een intieme relatie tussen twee of meerdere leeftijdgenoten die zich kenmerkt door wederkerigheid en betrokkenheid. Vrienden zien elkaar als gelijken en bieden elkaar steun, affectie, intimiteit en hulp. In de adolescentie is vriendschap het meest ontwikkeld ten opzichte van eerdere leeftijdsfasen. In de jonge jaren ligt de focus op het samen spelen en instrumenteel helpen van elkaar. Later in de ontwikkeling gaat het vooral om gelijke waarden en normen, gedeelde interesses en het delen van persoonlijke zaken. Hoe ouder kinderen worden, hoe intiemer de vriendschapsrelatie wordt. Een vriendschap kan pas ontstaan wanneer kinderen in staat zijn zichzelf te verplaatsen in een ander. Vriendschap is een reciproque relatie: een relatie die van twee kanten komt en waarin beide personen een gelijk aandeel hebben. 

    Hoe wordt vriendschap gemeten?

    Vriendschappen worden voornamelijk op school gevormd, waardoor het meeste onderzoek zich ook op deze relaties focust. Vriendschap kan gemeten worden door kinderen te vragen wie hun beste vrienden zijn. Wanneer beide kinderen elkaar hebben genomineerd, is er sprake van een reciproque vriendschap. De meeste kinderen hebben minstens één beste vriend, vaak van dezelfde sekse en leeftijd. Echter hebben kinderen ook vriendschappen buiten school, zoals op de sportclub of in de buurt. Onderzoek moet zich dus niet beperken tot alleen de vriendschappen op school, omdat dit een vertekend beeld geeft. Onderzoek laat zien dat vriendschappen tot de leeftijd van tien jaar redelijk stabiel zijn, terwijl daarna slechts de helft van de vriendschappen een schooljaar of langer standhoudt. 

    Hoe ontstaan vriendschappen?

    Vriendschappen bestaan vaak uit gelijken, kinderen van dezelfde sekse en leeftijd, waardoor zij elkaar goed kunnen begrijpen. Daarnaast hebben vrienden ook overeenkomsten in hun gedrag. Deze overeenkomsten kunnen verklaard worden door selectie en invloed. Selectie verwijst naar het meest voor de hand liggende fenomeen dat vrienden elkaar uitkiezen op basis van overeenkomsten. Invloed verwijst naar het proces waarbij personen de gedragingen en meningen van hun vrienden gaan overnemen, wat vervolgens resulteert in homogeniteit. Deze twee processen kunnen naast elkaar bestaan en hoeven elkaar niet uit te sluiten. Beide processen hebben een rol in het ontstaan en de ontwikkeling van vriendschappen en tal van verschillende soorten gedragingen. 

    Vriendschappen als risicofactor of beschermende factor?

    Of en in welke mate vriendschappen gevolgen hebben voor de ontwikkeling van kinderen en adolescenten is van verschillende factoren afhankelijk, zoals de duur van de vriendschap, de kwaliteit van de vriendschap en van kenmerken van de vriend zelf. Een kwalitatief goede en positieve vriendschap is gerelateerd aan minder eenzaamheid en depressie, maar kan tegelijkertijd ook leiden tot internaliserende problemen (wanneer er in de vriendschap veel over negativiteit gepraat wordt) en negatieve gedragsuitkomsten (wanneer vrienden elkaar beïnvloeden in het gedrag). Als voorbeeld, middelengebruik kan ontstaan door invloeden van 'foute vrienden', maar ook andersom kan middelengebruik juist ten grondslag liggen aan het selecteren van 'foute vrienden'. 

    Vriendschap kan ook gezien worden als buffer of als accelerator in de relatie tussen sociale problemen en gedragsproblemen. De beschermende vriendschapshypothese stelt dat het hebben van een beste vriend beschermt tegen de negatieve effecten van gepest worden. De beschermende factor van vriendschap brengt ook een risico met zich mee: kinderen die bevriend zijn met iemand die gepest wordt, hebben zelf ook een grotere kans om gepest te worden. Onderzoek naar sociale isolatie laat zien dat sociale isolatie alleen leidt tot internaliserende en externaliserende problemen voor kinderen zonder beste vriend. Kinderen die geen beste vriend hebben, voelen zich vaker eenzaam en hebben een grotere kans op het ontwikkelen van internaliserende problemen en sociale problemen. Een vriendschap heeft dus een positief effect op de ontwikkeling, maar dit effect kan omslaan naar negatief wanneer de vriendschap zich kenmerkt door slechte kwaliteit of bestaat uit 'foute vrienden'. 

    Wat is het verschil in sekse in relaties met leeftijdgenoten?

    Jongens en meisjes zoeken hetzelfde in een vriendschap, maar beschrijven hun vrienden anders. Meisjes lijken meer aan vriendschap te hechten dan jongens en hun vriendschap wordt gekenmerkt door intimiteit, zorgzaamheid, emotionele steun en hulp. De vriendschappen van meisjes brengt zo meer stress mee, wat kan leiden tot internaliserende problemen als er veel over negativiteit gepraat wordt. Jongens beschrijven hun vriendschappen aan de hand van fysieke prestaties, gedeelde interesses en schoolprestaties. Jongens lijken meer waarde te hechten aan sociale status dan meisjes doen, ze willen een dominante positie binnen de groep.

    Welke rol spelen de ouders in relaties met leeftijdgenoten?

    In de adolescentie kunnen ouders maar weinig invloed uitoefenen op de relatie tussen hun kind en leeftijdgenoten, omdat zij het kind meer autonomie geven en omdat kinderen vaak buitenshuis omgaan met leeftijdgenoten zonder toezicht van volwassenen. Ouders kunnen in een tweestrijd terechtkomen: aan de ene kant willen ze hun kind zelfstandigheid geven, maar aan de andere kant willen ze het kind beschermen tegen eventuele negatieve invloeden van leeftijdgenoten. Ouders kunnen de relaties met leeftijdgenoten indirect beïnvloeden. Kinderen van ouders met een autoritatieve opvoedstijl hebben een grote kans op positieve relaties met leeftijdgenoten, terwijl kinderen van ouders met een autoritaire of permissieve opvoedstijl sterker aangetrokken worden tot delinquente leeftijdgenoten en meer kans hebben op negatieve gedragsbeïnvloeding. Het monitoren door ouders heeft niet altijd de gewenste effecten op het gedrag van de adolescent. 

    Ouders kunnen ook op een directe manier invloed uitoefenen op de relaties met leeftijdgenoten. De gedragingen van ouders die hierop zijn gericht noemen we relatiemanagement. Voorbeelden zijn sturen van verwachtingen van vriendschappen, het steunen van bepaalde vriendschappen, het verbieden van contact met vrienden of neutraliteit, waarbij ouders hun adolescenten zelf laten bepalen met wie ze omgaan. Deze gedragingen van ouders variëren met het type leeftijdgenoten waar de adolescent mee omgaat en het gedrag van de adolescent zelf. Ouders zullen meer controle uitoefenen wanneer de adolescent probleemgedrag laat zien en omgaat met delinquente vrienden. Acceptatie en steun door ouders kunnen de afwijzing door leeftijdgenoten niet compenseren. Echter laat onderzoek wel zien dat adolescenten met veel conflicten in hun vriendschappen minder depressieve klachten hebben wanneer de ouder-kindrelatie gekenmerkt werd door veel steun, dus ouders kunnen wel deels vriendschappen compenseren. 

    De Amerikaanse psychologe Judith Harris stelt dat het niet de ouders zijn die het gedrag en de persoonlijkheid van het kind bepalen, maar de leeftijdgenoten. Deze stelling leidde tot meer onderzoek naar de invloed van genen, opvoeding en leeftijdgenoten op de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Naast de personen in het gezin, vormen leeftijdgenoten een belangrijke bron van steun, acceptatie en advies. Leeftijdgenoten zijn, net als ouders, sociale rolmodellen. In tegenstelling tot ouders zijn leeftijdgenoten gelijken, zowel in leeftijd als in vaardigheden, mogelijkheden, doelen en problemen. Met name in de adolescentie is de rol van leeftijdgenoten belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. In deze levensfase zullen zij meer steunen op het advies van leeftijdgenoten dan het advies van hun ouders. 

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Opvoedkunde en gezinsopvoedkunde: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries
    Check more: study fields and working areas

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4612 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector