Hoorcollege 6 Adolescentenstrafrecht
Het WODC
Wetenschappelijk en beleidsgericht onderzoek (ministerie van Justitie en Veiligheid)
Zowel intern als extern onderzoek
Zelf onafhankelijk onderzoek doen of uitbesteden
Ongeveer 100 werknemers
Criminaliteit, Rechtshandhaving en Sancties (CRS) of een combinatie van deze onderwerpen.
Rechtsbestel, Wetgeving, Internationale- en vreemdelingenaangelegenheden (RWI): onderzoek naar migratie, vreemdelingenvraagstukken etc.
Statistische Informatievoorziening en Beleidsanalyse (SIBa): databeheer en data toegankelijk maken voor onderzoekers, onderzoek naar nieuwe manieren van onderzoek.
Extern Wetenschappelijke betrekkingen (EWB): onderzoek uitbesteden aan bijv. Universiteiten of onderzoeksbureaus.
Verschil jeugd- en volwassenenstrafrecht: uitvoerlegging van sancties (JJI vs. Gewone gevangenis), verschillende maximale straffen (jeugdigen max. 2 jaar detentie, volwassenen levenslang), pedagogisch karakter in teken van heropvoeding, volwassenen: vergelding en beveiliging van samenleving. Binnen het jeugdrecht standaardbehandeling > heropvoeding en resocialisatie.
Oververtegenwoordiging in criminaliteitscijfers
Adolescenten zijn oververtegenwoordigd in alle criminaliteitsstatistieken. 16/17-23 komen vaker voor dan oudere en jongere leeftijdsgroepen.
Mogelijke oorzaak: onvoltooide morele, sociale, emotionele en intellectuele ontwikkeling van deze groep. Hierdoor nodig om hen als een aparte groep te benaderen binnen het strafrecht.
Individuele variatie in ontwikkeling: bijvoorbeeld: impulscontrole is bij de een veel beter dan bij de ander. Hersenontwikkeling ligt daar voor een groot deel aan ten grondslag.
Afgelopen decennia meerdere pogingen ondernomen om voor adolescenten aparte voorzieningen te treffen. Sinds 1965 toepassing jeugdstrafrecht bij 18-21 jaar. 2010: voornemen adolescentenstrafrecht voor 15-23 jaar. In 2013 is het voornemen door de Kamers gekomen. In 2014 is het in werking getreden. Het is niet een nieuw type strafrecht, het betreft wijzigingen in de bestaande wet.
Doel adolescentenstrafrecht
Maatwerkaanpak: er wordt specifiek naar het individu gekeken en wat het best passende sanctiestelsel is.
Preventieve werking: resocialisatie, rol in maatschappij pakken, recidive verminderen.
Nadruk op de toeleiding naar de berechting
Belangrijke rol: reclassering, NIFP, rechter en OvJ.
OvJ geeft in vordering aan welk sanctiestelsel wordt beoogd.
NIFP en reclassering geeft info over persoon van verdachte en welk sanctiestelsel zij adviseren. Het is volwassenenstrafrecht, tenzij...
Rechter baseert uiteindelijk zijn beslissing op de informatie die hij in toeleiding naar de berechting in het dossier heeft kunnen doornemen.
Onderzoek naar adolescentenstrafrecht. Diverse onderzoeken zijn al afgerond. Alleen effectmeting loopt nog. Alle onderzoeken resulteren in een overkoepelend onderzoek. Vandaag twee deelonderzoeken belicht: kenmerken doelgroep en effectmeting.
Kenmerken van de doelgroep
In opdracht van WODC
Kenmerken van jongvolwassenen die volgens het jeugdrecht zijn berecht. Aanleiding onderzoek: kenmerken van doelgroep waren onduidelijk. Nadruk lag op onvoltooide ontwikkeling (wat ook een centraal punt is), maar het moet specifieker. Dit is van belang om het aan de juiste persoon te kunnen toewijzen, wie komen er in aanmerking voor een jeugdsanctie?
Daarnaast was er weinig bekend van de kenmerken van volwassenen die daadwerkelijk door het jeugdstrafrecht zijn berecht.
De doelgroep van het ASR: drie perspectieven
Beleid: wet rondom adolescentenstrafrecht, memorie van toelichting bij de wet en reconstructie van beleidstheorie.
Praktijk (ketenpartners): screeningslijsten die door ketenpartners zijn ontwikkeld, richtlijnen en toelichting op gebruik distribueringslijsten, implementatie en indicaties van de lijsten.
Wetenschap: wat wordt er in wetenschappelijke literatuur gezegd over onvoltooide ontwikkeling? Onderzoek naar kenmerken van die jongvolwassenen? Doel: kader schetsen van wat er in recente literatuur wordt geschreven.
Het adolescentenstrafrecht: wetenschap
Levensgebeurtenissen
Buurtkenmerken
Situationele context
Toename in crimineel gedrag in adolescentie en continueren in volwassenheid komt door psychosociale en neurologische onrijpheid. Kijken naar hersenstructuren > zelfcontrole, impulscontrole, empathie, inhibitie. Het stoppen met criminaliteit valt te zien als rijping van psychosociale en neurologische aspecten, maar ook het doorgaan met criminaliteit als onrijpheid van ontwikkeling.
Het adolescentenstrafrecht: beleid; verschillende afbakeningen:
Persoonlijkheid van de dader: persoonlijke problematiek, onvoltooide ontwikkeling (sociaal, moreel, emotioneel, intellectueel). Verdere omschrijving is er niet.
Omstandigheden van het feit: weinig aandacht aan besteed. Wel aandacht voor strafbare feiten in groepsverband waarbij zowel meerderjarige als minderjarige daders betrokken zijn. Memorie van toelichting: meerderjarige ook volgens jeugdstrafrecht.
Pleegleeftijd: leeftijd ten tijde van plegen van delict. 18-23 jaar oud waren ten tijde van plegen van delict, komen in aanmerking voor toepassen van jeugdstrafrecht.
Advies ten behoeve van de berechting
Verschillende screeningsinstrumenten bieden een kader om af te wegen of iemand in aanmerking komt voor het jeugdstrafrecht.
OM screeningslijst
Gaat nog naar school (indicatie JSR)
Woont nog bij zijn ouders/verzorgers (indicatie JSR)
Heeft een LVB (indicatie JSR)
Weigert mee te werken aan begeleiding (contra-indicatie JSR)
Screeningslijsten worden in praktijk weinig gebruikt. Gebruiken punten wel, maar gaan af op hun ervaring met jongverdachten.
Verwarring: ernst van feit kan door wetgever als uitzonderingsmogelijkheid worden gezien, terwijl het OM de ernst van het feit opgenomen heeft als contra-indicatie. M.n. OM zegt dus wanneer sprake is van een ernstig feit, zijn zij terughoudend met toepassing van artikel 77c. Dit komt ook door onbekendheid met jeugdinterventies die opgelegd kunnen worden.
Wegingskader reclassering
Reclassering adviseert de rechter en OvJ over de persoon van de dader en de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd. Ook maken ze inschatting van recidiverisico en welke interventie goed zou passen.
Om tot een advies te komen is er het Wegingskader Adolescenten ontwikkelt. Vanuit psychologisch perspectief inzicht bieden in de ontwikkeling van de jongvolwassene. Ook het Wegingskader bestaat uit indicaties en contra-indicaties.
Bestaat uit zes clusters (zie dia)
Wegingslijst NIFP
Wanneer er sprake is van psychopathologie of een ontwikkelingsachterstand en een ernstig gepleegd feit, kan NIFP gevraagd worden om advies. Dit zijn psychologen en psychiaters. Verschil met reclassering: dit zijn geen gedragsdeskundigen en kunnen geen klinisch oordeel geven over een persoon. Bij NIFP kunnen wel testen afgenomen worden en wordt een klinisch oordeel gegeven over de verdachte. Het is dus ander type informatie. Beide adviseren wel over het toe te passen sanctiestelsel.
NIFP onderzoekt toerekeningsvatbaarheid en invloed van stoornis op delict. En of de persoonlijkheid en ontwikkeling van de verdachte aanleiding geven om jeugdrecht toe te passen.
Wegingslijst adolescenten: vergelijkbare clusters met reclassering.
Het invullen van de wegingslijst leidt niet tot een uitkomst van een type stelsel, maar kijkt naar indicaties en contra-indicaties om het advies op te baseren.
De toepassing van artikel 77c Sr. in de praktijk
Empirisch onderzoek
Onderzoeksgroepen
De ASR-groep: 18- tot 23-jarigen die tussen 1 april 2014 en 1 april 2015 bij het OM zijn ingestroomd voor het plegen van een delict en daarvoor zijn gesanctioneerd met een jeugdsanctie.
Gelijktijdige VSR-groep: 18-23 –jarigen die in 2-15 bij het OM zijn ingestroomd en volgens het volwassenenrecht zijn gesanctioneerd.
Historische vergelijkingsgroep: 18-21-jarigen die in periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2014 bij het OM zijn ingestroomd en zijn gesanctioneerd volgens het jeugdstrafrecht.
Welke gevolgen heeft invoering van adolescentenrecht in de praktijk gehad?
Resultaten onderzoek
Stijging van totaal aantal jongvolwassen daders waarbij jeugdstrafrecht is toegepast. Totaal aantal daders 18-23 jaar neemt af.
Er wordt steeds beter duidelijk hoe en bij wie jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Het wordt echter relatief gezien nog steeds weinig toegepast.
Leeftijd, delict en sanctie
ASR-groep jonger (dan jongvolwassenen die een volwassen sanctie krijgen), zowel voor als na invoering ASR
Vooral jeugdstrafrecht opgelegd bij diefstal met geweld en geweldsmisdrijven. Zedendelicten en verkeersmisdrijven komen relatief weinig voor.
Relatief vaak onvoorwaardelijke gevangenisstraf en minder vaak een taakstraf in ASR-groep. Dit kan verklaard worden door de relatief zware ernst van de misdrijven. Ook vaker aanknopingspunten om op pedagogische wijze bij te sturen in een jeugddetentie.
Demografische en resocialisatie kenmerken
ASR-groep relatief vaker lagere opleiding (gevolgd en afgerond)
ASR-groep relatief vaker een uitkering
ASR-groep relatief minder vaak uit kerngezin: institutioneel huishouden
Geen verschil in herkomst
Conclusie
Wanneer is sprake van een onvoltooide ontwikkeling? Nog geen concreet antwoord...
Rechtsongelijkheid door diverse invulling doelgroep?
Onderbenutting flexibele toepassing? Misschien worden wel niet alle jongvolwassenen die in aanmerking komen door het jeugdstrafrecht berecht.
Effecten van toepassing artikel 77c. Heeft het een gewenst effect?
Om een effect aan te tonen is het van belang om de effecten niet te kunnen toewijzen aan andere verschillen tussen de groepen die je onderzoekt. Groepen moeten dus op elkaar lijken. Om dat te doen zijn er verschillende technieken. In dit onderzoek: propensity score: o.b.v. bekende achtergrondkenmerken (inkomen, leeftijd, arrondissement van berechting, type delict) ga je kijken of je op basis van die kenmerken een zo vergelijkbaar mogelijke controlegroep kunt samenstellen. Op zoek naar mensen met dezelfde score.
In hoeverre leidt een berechting in jeugdstrafrecht of in volwassenenstrafrecht tot een bepaalde uitkomst? Dit is te meten in de uitkomstmaat van recidive, opleiding, werk en huisvesting. Verwachting is dat een sanctie uit het jeugdstrafrecht bijdraagt aan een betere resocialisatie > daardoor minder recidive.
Uitkomsten: niet duidelijk voor wie het nou bestemd was, hoe de uitvoering precies moet plaatsvinden. Dit moet worden meegenomen in de effectmeting.