Samenvatting van Theory and Methods in Political Science van Lowndes, Marsh & Stoker? Een vergelijking van De PoliticologieSupportal

Theory and Methods in Political Science is een begrip in de politicologie en je kan je studie eigenlijk niet afronden zonder er op zijn minst een paar hoofdstukken uit gelezen te hebben. Toonaangevende wetenschappers hebben stuk voor stuk bijdragen geleverd en dit resulteert in een zeer divers boek waar je je hele studie en hele carrière relevante passages en bronnen uit kan halen.

Het boek is te lezen als introductie op politicologie maar is minstens even nuttig in de afrondende fase van je studie wanneer je bronnen nodig hebt. Een onmisbaar handboek dat je niet alleen de hoofdlijnen laat zien, maar ook welke boeken je nog meer kan lezen om je verdiepen in het onderwerp naar jouw keuze.

Ook zijn er samenvattingen beschikbaar. Een selectie uit de mogelijkheden:

Op Studeersnel

  • Samenvatting van Theory and Methods in Political Science op Studeersnel
  • Kwaliteit: aardige samenvatting die op basis van vraag-antwoord een en ander laat zien over de politicologie - niet heel scherp gefomuleerd (NB. deze samenvatting lijkt een kopie te zijn van de samenvatting op Stuvia)
  • Prijs: gratis - als je studeersnel geld geeft, documenten uploadt of vrienden uitnodigt

Op Stuvia

Op WorldSupporter.org

Beste keuze:

1. Samenvatting van Theory and Methods in Political Science deze website

2. Samenvatting van Theory and Methods in Political Science op Studeersnel

 

Veel succes,

De PoliticologieSupportal

Access: 
Public
Check more: related content or attachments
Samenvatting Theory and Methods in Political Science

Samenvatting Theory and Methods in Political Science

Deze Samenvatting bij Theory and Methods in Political Science van Marsh & Stoker is geschreven in 2014

Wat is politiek, en wat (be)studeren politicologen?

Wat is de ‘natuur’ van de politieke wereld? Er zijn twee algemene benaderingen als antwoord op deze vraag. De eerste benadering definieert het studievlak door te verwijzen naar een arena of een bijzondere reeks van instituties. De tweede benadering van de politieke wereld ziet deze wereld als een sociaal proces dat op verschillende gebieden bekeken kan worden.

Zelfs politicologen zijn het onderling oneens over de vraag wat het kenobject, het discipline van hun studie is. Toch kunnen er wel algemene uitspraken gedaan worden over de betekenis van het begrip ‘politiek’ en het bestuderen ervan. Allereerst is vrijwel iedereen het erover eens dat politiek om macht draait. Politiek gaat niet alleen om het verkrijgen van de macht, maar vooral ook om het gebruik van die macht en de consequenties daarvan.

Wat is een wetenschappelijke benadering van politiek?

Er is al veel te doen geweest over de vraag of het bestuderen van politiek een wetenschap is of niet. De ‘minimalist approach’ stelt: politieke wetenschap is wetenschap in de zin dat het geordende informatie levert, gebaseerd op systematisch onderzoek.

De discipline van politieke wetenschap: een viering van verscheidenheid

Er is een grote verscheidenheid binnen de politieke wetenschap. Dit komt door het feit dat er veel verschillende benaderingen en manieren zijn om politieke wetenschap te bedrijven. De politieke wetenschap moet zichzelf niet zien als té verscheiden. Het is beter om bijvoorbeeld het beeld van een kerk te nemen: een brede kerk met verschillende startpunten en zaken waar men zich druk om maakt, maar er is een gedeeld gevoel van ‘verplichting’ om beter begrip van politiek te ontwikkelen.

Hoofdstuk 1: Gedragsanalyse

Wat is gedragsanalyse?

Een van de belangrijkste aspecten van gedragsanalyse is de vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze doen. Mede door deze vraag verschilt gedragsanalyse, ook wel het behaviourisme, van andere sociale studies. Een andere reden waarom het zo verschilt is vanwege de manier van onderzoek, die gaat volgens observatie en analyse en de waarde van het gedrag. Het is namelijk zo dat elke verklaring voor gedrag waardevol is en onderzocht moet worden. Dit onderzoek heeft zich op verschillende onderzoeksobjecten gericht, waarvan de belangrijkste de volgende zijn:

·         Politieke participatie: stemmen

·         Onconventionele participatie: demonstreren

·         Leiderschap

·         Het handelen van belangengroepen

·         Het handelen van staten

Al deze onderdelen worden vanuit een bepaald perspectief bekeken dat slaat op gedragsanalyse.

Waar komt gedragsanalyse vandaan?

Sinds de jaren '50 en de jaren '60 heeft gedragsanalyse een belangrijke rol gespeeld in sociale wetenschappen. Mede hierdoor past deze theorie binnen die van het positivisme. Echter verschillen de gedragsanalisten en de positivisten van mening over een aantal zaken, maar over twee belangrijke zaken zijn ze het wel eens, namelijk de empirische theorie en de verklaring hiervan. Empirische theorie is namelijk een geheel van onderling verbonden abstracte verklaringen die bestaat uit aannames, definities en empirisch toetsbare hypothesen. Deze proberen een bepaald verschijnsel of een reeks verschijnselen te verklaren of te beschrijven. De verklaring is een causaal verband met de aanwezigheid van een verschijnsel of een reeks verschijnselen. De uitleg van een bepaalde klasse van een gebeurtenis of gebeurtenissen bestaan uit de minimale non-tautologische set van antecedent noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor hun voorkomen.

Bij de overeenstemming die gaat over de verklarende theorie stellen theoretici een belangrijke vraag, namelijk hoe we kunnen weten of de theorie correct of incorrect is. Zowel gedragsanalisten als positivisten hebben drie manieren om te testen of een theorie daadwerkelijk correct is, namelijk:

·         Kijken of de theorie intern consistent is

·         Kijken of de theorie falsifieerbaar is

·         Kijken of de theorie gerelateerd is aan een bepaald fenomeen.

Wat zijn belangrijke kenmerken van gedragsanalyse?

Het positivisme is dus een belangrijke hulp geweest voor het ontstaan van de gedragsanalyse. Mede dankzij de toetsing van een theorie zijn typische gedragsanalistische benaderingen ontstaan, namelijk dat elke empirie in principe bruikbaar is en onderzocht dient te worden en dat elk onderzoek en elke conclusie die uit de empirie voortvloeit falsifieerbaar moet zijn en dus niet alleen verifieerbaar.

Om de definitie van een object of gebeurtenis te krijgen is falsifieerbaarheid nodig. Het moet namelijk duidelijk zijn wat er wordt bedoeld met een bepaald begrip. Hieruit vloeit de stelling van Popper voort, die luidt dat: 'een theorie alleen wetenschappelijk genoemd kan/mag worden wanneer hij falsifieerbaar is'. Toch vinden gedragsanalisten niet dat elk onderdeel van de theorie falsifieerbaar is aangezien er altijd bepaalde harde veronderstellingen zijn waar je vanuit moet gaan bij wetenschappelijk onderzoek. Naast falsifieerbaarheid is het nodig dat wetenschappelijk onderzoek iets moet verklaren en een doel moet hebben.

Kritieken op de gedragsanalyse

Een theorie is eigenlijk geen theorie als het geen kritieken kent. Vrijwel elke theorie die de politiek kent heeft zijn kritieken zo ook de gedraganalitische theorie. Deze kritiek op de gedragsanalyse is verdeeld in vier stukken namelijk:

Bezwaren tegen de positivistische stelling dat definities die geen definitie of niet empirisch zijn, betekenisloos zijn. Deze kritiek is gebaseerd op het feit dat de gedragsanalyse zijn oorsprong vindt in het positivisme. Hierdoor kun je de kritieken op het positivisme toepassen op de gedragsanalyse, maar andersom ook. Veel analytische standpunten worden onbruikbaar gezien, aldus het positivisme. In de praktijk zal een wetenschapper, die werkt vanuit de gedragsanalistische theorie, dit punt niet erkennen.

De tweede kritiek gaat over de neigingen richting het gedachteloze empirie. Het vroege positivisme ging uit van een theorievrije observatie van alle feiten op dat moment. Dit slaat op het inductivisme. De latere positivisten gingen juist meer uit van een onderzoek met relevante feiten. Mede dankzij de eerste aanname van het positivisme heeft de kritiek een vorm gekregen dat gedragsanalisten 'makkelijke meters' zijn en vaak meten op zo'n manier dat het moeilijk theoretisch verklaarbaar is. Een ander kritiekpunt wat hiermee te maken heeft is dat gedragsanalisten sneller onderzoek doen naar bepaalde zaken die klaar waren voor onderzoek in plaats van moeilijkere zaken die écht onderzocht moesten worden.

Het derde en laatste kritiekpunt is de veronderstelde onafhankelijkheid van theorie en observatie. De vroegere gedragsanalisten verklaarden dat hun onderzoek waardevrij en wetenschappelijk was. Moderne gedragsanalisten erkennen de invloed van het relativisme dat aan de basis van verzameling van data al sprake is van interesses en dus nooit objectief is. Toch zullen gedragsanalisten zich  niet aan verbinden aan het feit dat elke theorie even waardevol/waardeloos is omdat een goede theorie nog steeds consistent moet zijn met empirisch bewijs.

Tot slot wordt gedragsanalisten verweten de het grote plaatje niet te zien. Door puur data gedreven onderzoek te doen naar individueel of sociaal gedrag zouden gedragsanalisten de diepgaandere sociale en politieke veranderingen niet opmerken/meenemen in hun onderzoek en conclusies. Gedragsanalisten reageren hierop door te zeggen dat grotere sociale veranderingen altijd empirisch getest moeten kunnen worden en daarom een dergelijk abstract niveau niet haalbaar en wenselijk is voor een theorie.

Wat zijn de krachten van de gedragsanalyse?

Onder de huidige gedragsanalisten is het breed geaccepteerd dat de theoretische analyse altijd het beginpunt moet zijn van een empirisch onderzoek. Dit betekent niet dat theorieën niet gewijzigd kunnen worden, of verworpen op de basis van de empirische observaties. De theorie acteert eerder als een apparaat om de analist van het potentiële duidelijke detail afstandelijk te maken. Hierdoor ontstaan abstracte deducties die gemaakt kunnen worden over de verbanden tussen de verschillende fenomenen. Daarnaast geeft de theorie niet alleen testbare hypotheses maar geeft ook richtlijnen en markeringen aan de soorten van empirisch bewijs wat vergaard is in de empirische analyse.

De meeste moderne gedragsanalisten gaan verder in de richting van het epistemologisch relativisme. Het werd vaak beargumenteerd dat daarbuiten ergens een werkelijkheid was in de wereld van observatie en dat die wachtte op ontdekking door de wetenschappelijke analyse. Maar niet alleen accepteren de moderne gedragsanalisten dat theorie een centrale rol in de sociale analyse moet spelen, ze erkennen namelijk ook de mogelijkheid dat verschillende theoretische perspectieven verschillende observaties kunnen genereren. Uiteraard maakt dit de taak van het testen van subjectieve rivaliserende theorieën op de empirische ervaringen een stuk moeilijker. Volgens de moderne gedragsanalisten maakt het de taak echter niet minder noodzakelijk. Welke observatie een theorie ook ontlokt, wanneer het een werkelijk verklarende theorie is, moet het falsifieerbare voorspellingen genereren die het beschikbare empirische bewijs niet tegenspreken. Er is geen reden waarom elke theorie niet geëvalueerd

......more on this page, or read on below >>
Access: 
Public
Check more: study

Image

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)
More contributions of WorldSupporter author: De PoliticologieSupportal

Image

Check more: related pages and topics
Check more: study fields and working areas
Check more: WorldSupporter and development goals
Share this page
Follow the author: De PoliticologieSupportal
Statistics
3329
Going abroad?
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector